Xios Theses
Not a member yet
    1062 research outputs found

    Systeembouw met minder staal

    No full text
    Stalen spanten spelen in de Belgische industriebouw tot op de dag van vandaag de belangrijkste rol t.o.v. hout- en betonconstructies. Wanneer een studiebureau een industriegebouw of stalen hal zal ontwerpen, zal die constructie moeten kunnen weerstaan aan de belastingen die het zal ondervinden. Deze belastingen bestaan voornamelijk uit de permanente belasting, de sneeuwbelasting, de windbelasting, etc. Om deze belastingen te bepalen heeft men verschillende Normen, namelijk de Europese Norm (de Eurocode), de Nederlandse Norm, etc. Deze beschrijven uitgebreid hoe men de belastingen kan bepalen, met alle mogelijke uitzonderingen erbij. Éen van de belangrijkste factoren waarop een klant beslist om met een firma in zee te gaan is de prijs. De prijs is voornamelijk afhankelijk van de hoeveelheid staal die nodig is. Vandaag de dag blijven de prijsstijgingen voor staal elkaar opvolgen. Voortvloeiend uit deze prijsstijgingen tracht ik een onderzoek te doen naar de mogelijkheid om te stalen spanten verder uit elkaar te plaatsen, aangezien men momenteel niet verder gaat dan spantafstand 6m. Alle berekeningen in mijn eindwerk gebeuren volgens de Nederlandse Norm NEN 6702:2001. Sterkte- en stabiliteitscontroles dienen op elke hal uitgevoerd te worden. Het doel van mijn scriptie is een prijsvergelijkende studie te maken tussen verschillende hallen met dezelfde oppervlaktes, maar met verschillende spantafstanden. Naast een literatuur studie ben ik dus op onderzoek gegaan of het relevant is de spanten verder uit elkaar te plaatsen. Ik ben vertrokken vanuit een hal van 24m overspanning op 50m. Telkens heb ik op deze spanten de verschillende belastingen bepaald. Aan de hand van het programma PowerFrame, waarin ik alle belastingen stopte, bekom ik een optimaal profiel. Dit profiel is belangrijk voor de tonnage staal, hoe meer staal, hoe duurder. Als tweede stap heb ik dan de betonnen wanden bepaald. Bij een spantafstand 7m en 10m kwam ik al in de problemen aangezien men geen betonnen wanden kan realiseren groter dan 6m. Men kan dit wel realiseren, maar dit geeft geen garantie meer naar de doorbuiging toe. Hierdoor moest ik dus een extra kolom plaatsen in de zijwanden, waardoor de tonnage zou stijgen. Als derde stap ging ik de sokkels bepalen. Hoe verder de spanten uit elkaar staan, hoe zwaarder de sokkels zullen worden, hoe duurder deze zullen zijn. Enkel en alleen betrekking op de materiaalprijzen kan ik concluderen dat indien men de spanten verder uit elkaar plaats, de materiaalkosten zullen stijgen. De meest ideale spantafstand betreffende de materiaalkosten is 6m

    Geluidsisolerende waarde van systeembouw gevels

    No full text
    Akoestiek is een belangrijk aspect in de bouw, en dan vooral bij residentiële gebouwen. Door de toenemende verkeersbelasting wordt het steeds moeilijker om het geluid van buiten ook buiten te houden. Daarbij komt nog dat de gebruikers alsmaar hogere eisen gaan stellen i.v.m. de akoestische kwaliteit van de woning. Stone Unit is een bedrijf gespecialiseerd in het plaatsen van systeemwoningen a.d.h.v. een metaalframestructuur. Vermits dit zeer lichte constructies oplevert, is de invloed van de massa op de gevelisolatie gering. Deze masterthesis handelt dan ook over het onderzoek naar de akoestische kwaliteit van een Stone Unit gevel. De akoestische prestatie van een Stone Unit gevel wordt getest in het laboratorium van de afdeling "Akoestiek en thermische fysica" van de Katholieke Universiteit Leuven. Verder wordt er nagedacht over aanpassingen van parameters en vervanging van materialen om alzo de geluidsisolerende waarde van de gevel te verhogen. Deze aanpassingen worden in het labo getest, maar worden ook gemodelleerd in COMSOL. De bevindgingen in deze masterthesis zijn interessant om een diepgaand onderzoek uit te voeren omtrent de optimalisatie van akoestische prestaties van dit soort gevelwanden. Zo kan er uit dit onderzoek alvast afgeleid worden dat verhogen van de massa van de wand niet noodzakelijk betere akoestische prestaties teweegbrengt

    De impact van verbeterde bouwknopen op het totale transmissieverlies in een woning

    No full text
    Een slecht gedetailleerde bouwknoop leidt tot beduidende bijkomende warmteverliezen en mogelijke condensatie- en schimmelproblemen. In deze masterproef worden aan de hand van een vrijstaande typewoning 27 bouwknopen geanalyseerd. Voor iedere bouwknoop wordt naar een zo energiezuinig mogelijk detail gezocht. Deze detailleringen worden uitgewerkt voor 2 verschillende isolatiepeilen. In de energieprestatieregelgeving zijn basisregels uitgewerkt om een koudebrugarm ontwerp te creëren. Indien een bouwknoop voldoet aan een van deze basisregels, wordt deze beschouwd als een EPB-aanvaarde bouwknoop. De geïnventariseerde EPB-aanvaarde bouwknopen worden ingedeeld volgens de basisregels. De basisregels van de energieprestatieregelgeving zijn gebaseerd op het behouden van de thermische snede in de bouwknoop. Indien de continuïteit van de isolatielagen van de scheidingsconstructies kan gegarandeerd worden door een rechtstreekse aansluiting van de isolatielagen over een minimale contactlengte, wordt de bouwknoop geclassificeerd onder de 1ste basisregel. Indien de continuïteit van de isolatielagen van de scheidingsconstructies enkel kan gegarandeerd worden met tussenvoeging van een isolerend deel, wordt de bouwknoop geclassificeerd onder de 2de basisregel. Voor de bouwknopen in deze masterproef die voldoen aan de 2de basisregel, wordt er telkens een vergelijking gemaakt tussen deze bouwknoop en de mogelijk niet EPB-aanvaarde uitvoering. Hierbij wordt het effectieve verschil in warmteverlies berekend tussen beide. Door het verminderde warmteverlies van de verbeterde bouwknopen in de typewoning te sommeren, wordt het totaal verminderde warmteverlies berekend. Hieruit volgt dan de impact van het verminderde warmteverlies van de verbeterde bouwknopen op het totale transmissieverlies van de typewoning. Uit de resultaten van deze masterproef wordt het stijgend belang van een goede detaillering van de bouwknopen in een woning aangetoond bij een stijgend isolatiepeil

    Collectieve verwarming door middel van hout. Case study: Basisschool Sint-Jan te Lommel

    No full text
    Bij het verwarmen van de leef- en/of werkomgeving van de moderne mens wordt vaak automatisch uitgegaan van individuele gestookte verwarmingssystemen. In het tijdperk van de milieuproblematiek en de nog te behalen kyotonorm is het echter voor de hand liggend om gebruik te maken van collectieve verwarming. Bij collectieve verwarming stapt men af van het individueel verwarmen. Dit wordt duidelijk door het feit dat men één grote centrale verwarmingsinstallatie plaatst in een apart ketelhuis. Deze installatie verwarmt meerdere gebouwen of huizen maar tegelijkertijd gebeurt de bemetering nog individueel. Collectieve verwarming door middel van hout biedt grote voordelen wat betreft -uitstoot. Dit zou voor bedrijven en politici een goede reden kunnen zijn om collectieve verwarming te promoten. Dit gebeurt echter nog niet genoeg maar zou in de toekomst wel de bedoeling zijn. Binnen deze masterproef wordt ingezoomd op de globale terugverdientijd van een collectieve pelletketelinstallatie voor het verwarmen van een schoolcomplex met sporthal. Voor deze installatie werd een mogelijke opstelling gedimensioneerd aan de hand van beschikbare informatie. Elders werden aannames gedaan. De terugverdientijd van deze installatie binnen dit schoolcomplex zou volgens berekeningen gemiddeld 10 jaar zijn. Een erg belangrijk voordeel is het feit dat hoge stookkosten gemeden kunnen worden. Een ander belangrijke factor is het milieu. Ook is duidelijk vast te stellen dat de prijzen van gas en olie erg onstabiel zijn terwijl de prijzen voor houtpellets erg stabiel blijken. Bij het plaatsen van deze installatie zouden vele voordelen naar voren kunnen komen, welke alle uitgebreid besproken zullen worden in dit werk

    Ontwikkeling van een professioneel data-analysepakket voor de microvierpuntsprobe (M4PP)

    No full text
    In onze moderne leefwereld staat de technologische vooruitgang niet stil. De halfgeleiderindustrie investeert continu in het ontdekken van nieuwe fabricageprocessen (die minder ruimte vereisen) en van nieuw halfgeleidermateriaal (dat sneller reageert). Een belangrijke karakteristiek binnen halfgeleidermateriaal is de analyse van het zogenaamde ladingsdragersdiepteproel. Dit is van cruciaal belang bij het ontwikkelen van nieuwe hoogtechnologische transistoren. Dit diepteproel geeft het aantal vrije ladingsdragers (elektronen of gaten) per cm³ weer ten opzichte van de diepte in het gemeten monster. Om dit proel op te meten kunnen verschillende technieken en methoden worden gebruikt waaronder de microvierpuntsmeetprobe (M4PP). De M4PP is een elektrische meettechniek die nauwkeurige metingen mogelijk maakt van de laagweerstand (sheet resistance) van zeer dunne (sub-100 nm) halfgeleiderlagen die zich bevinden op een substraat met tegengestelde dopering (n- of p-type). Met behulp van deze gemeten laagweerstand versus dieptepositie (langs een afgeschuind oppervlakte) kan mits de nodige tussenstappen een ladingsdragersdiepteproel berekend worden. In 2010-2011 werd een eerste versie van een softwarepakket Tivoli ontwikkeld en geïmplementeerd zodat de gegenereerde meetbestanden afkomstig van de M4PP konden ingelezen en geanalyseerd worden. Het doel van deze masterproef omvat de verdere ontwikkeling en verbetering van de eerste versie van het softwarepakket Tivoli. Hierbij werd aandacht besteed aan: de verdere uitbreiding van het smoothingalgoritme, het beter uitlteren van meetdata, het uitbreiden van de Graphical User Interface (menu\u27s, instellingen, werkbalken, manipulatie kolommen in tabellen, ...), het ontwikkelen van een grasche overlaymodule (met twee y-assen) en het toevoegen van de mogelijkheid tot printen van de gegenereerde proelen (naar PDF of fysieke printer). Waar nodig werden hiertoe nieuwe klassen aangemaakt (afgeleid) of bestaande uitgebreid. Ook werd het geheel achteraf getest. Het uiteindelijk ontwikkelde softwarepakket is in staat om meetdata afkomstig van de M4PP in te lezen, te lteren en om alle nodige diepteproelen (van verschillende materialen) te genereren. Hierna kunnen de verschillende proelen via de overlaymodule over elkaar gelegd en vergeleken worden. Men kan vervolgens de proelen ook exporteren of printen met de nodige extra meetinformatie bovenaan de pagina. Omwille van de gebruiksvriendelijkheid werkten we vanuit een User Centered De- sign proces (UCD). Na het vastleggen van de gebruiksvoorwaarden waren er tijdens de ontwikkeling van het pakket feedbacksessies waarin de nodige aandachtspunten en problemen werden vermeld. Voor de ontwikkeling van het softwarepakket is er gebruik gemaakt van de programmeertaal C++ in combinatie met de klassenbibliotheken Qt en Qwt (Qt Widgets for Technical Applications ). Door deze combinatie is het programma bruikbaar op verschillende besturingssystemen en kan er op een gemakkelijke manier aan de noden van de gebruiker worden voldaan. De nieuwe versie van het softwarepakket Tivoli zorgt voor een vlottere analyse van de meetgegevens afkomstig van de M4PP zodat de ladingsdragersdiepteproelen in slechts enkele minuten kunnen gegenereerd worden. Op basis van deze proelen zullen vervolgens nieuwe state of the art transistoren kunnen ontwikkeld worden

    Validation of a Geant4 Monte Carlo code for an electronic brachytherapy source using radiochromic film dosimetry

    No full text
    ABSTRACT (English) Validation of a Geant4 Monte Carlo code for an electronic brachytherapy source using radiochromic film dosimetry Nelissen B.1, Schaeken B.1, Lepot N.1, White S.2, Landry G.2, Verhaegen F.2 1 XIOS Hogeschool Limburg, Agoralaan - Building H, B-3590 Diepenbeek, Belgium 2 MAASTRO Clinic, Dr. Tanslaan 12, 6229 ET Maastricht, The Netherlands Introduction: Xoft, Inc. has developed a miniature x-ray emitting source, used in electronic brachytherapy (eBx) and capable of generating x-ray beams up to a nominal energy of 50 kVp. The source is mainly usable for the treatment of breast cancer. A Geant4 Monte Carlo code has been developed for this source to perform patient specific dose calculations accounting for tissue heterogeneities. The purpose of this study is to validate this code using radiochromic film measurements in a homogeneous and heterogeneous phantom. Methods and measurements: Experiments were performed using four phantoms constructed with five different materials. Dose values were measured using EBT2 radiochromic film which were then used to calculate the radial dose function, g(r). A PTW 23343 Markus chamber was used as a chamber for benchmarking. Monte Carlo simulations were performed using Geant4 and the dose analysis was performed using BrachyGUI. Results: Experimentally acquired 2-D dose distributions obtained using radiochromic films, were compared to the Geant4 Monte Carlo dose calculations. One can conclude that the Monte Carlo models agree reasonably well with the measurements. The largest difference between measured and simulated g(r) being 12.7 % was observed in experiment 2 using a high Z material. The lowest differences were 3.00 %, 4.14 % and 3.09 % for experiment 1, 3 and 4, respectively. These results suggest that the Geant4 Monte Carlo code can be adequately used for patient geometries. Future work: Future work related to the Xoft Axxent X-ray source is to perform Monte Carlo dose calculations on patients CT data sets. The tissue segmentation from CT images, which is a first step in using the Monte Carlo code for patient treatment planning, is partially elaborated in this work. ABSTRACT (Dutch) Validatie van een Geant4 Monte Carlo code voor een elektronische brachytherapie bron gebruikmakend van radiochromische filmdosimetrie Nelissen B.1, Schaeken B.1, Lepot N.1, White S.2, Landry G.2, Verhaegen F.2 1 XIOS Hogeschool Limburg, Agoralaan - Gebouw H, B-3590 Diepenbeek, België 2 MAASTRO Clinic, Dr. Tanslaan 12, 6229 ET Maastricht, Nederland Inleiding: Xoft, Inc ontwikkelde een elektronische brachytherapie bron met de mogelijkheid om x-stralen op te wekken met een nominale energie tot 50 kVp. De bron wordt vooral gebruikt bij de behandeling van borstkanker. Een Geant4 Monte Carlo code voor deze bron is ontwikkeld om patiëntspecifieke dosisberekeningen uit te voeren, rekeninghoudend met weefselheterogeniteit. Het doel van deze studie is om deze code te valideren met behulp van radiochromische filmmetingen in homogene- en heterogene fantomen. Methodes en metingen: Experimenten zijn uitgevoerd gebruikmakend van vier fantomen, bestaande uit vijf verschillende materialen. De dosis is gemeten met behulp van EBT2 radiochromische film, die werden gebruikt om de radiale dosis functie, g(r), te berekenen. De filmmetingen werden gebenchmarkt tegen een PTW 23343 Markus kamer. Monte Carlo simulaties zijn uitgevoerd met behulp van Geant4 en de dosisanalyse is uitgevoerd met behulp van BrachyGUI. Resultaten: Experimenteel bekomen 2-D dosis distributies gemeten met radiochromische film, zijn vergeleken met Geant4 Monte Carlo dosis berekeningen. Men kan concluderen dat de Monte Carlo modellen in goede mate overeenkomen met de metingen. Het grootste verschil tussen gemeten en gesimuleerde g(r) van 12.7 % is waargenomen in experiment 2 waar een materiaal met hoge Z-waarde is gebruikt. De kleinste verschillen betreffen 3.00 %, 4.14 % en 3.09 % voor experiment 1,3 en 4, respectievelijk. Uit de resultaten kan men besluiten dat de Geant4 Monte Carlo code kan gebruikt worden voor patiëntgegevens. Toekomstig werk: Toekomstig werk, gerelateerd aan de elektronische brachytherapie bron, is om Monte Carlo dosisberekeningen uit te voeren op CT-scans van patiënten. De weefselsegmentatie, wat een eerste stap is om de Monte Carlo code te gebruiken voor het behandelen van patiënten, is gedeeltelijk uitgelegd in dit werk

    Karakterisatie van buisstroommodulatiesystemen in ct: een fantoomstudie

    No full text
    Abstract (Nederlands) KARAKTERISATIE VAN BUISSTROOMMODULATIESYSTEMEN IN CT: EEN FANTOOMSTUDIE. J. Schoenaers(1), H. Janssens(1), B. Schaeken(2), N. Buls(3) (1) XIOS Hogeschool Limburg, Agoralaan – Gebouw H, 3590 Diepenbeek (2) ZNA – Middelheim, dept. Radiotherapie UZA-ZNA, Lindendreef 1, 2020 Antwerpen (3) UZ Brussel, dept. Radiologie, Laarbeeklaan 101, 1090 Brussel Inleiding en doel: Door de ontwikkeling van steeds verbeterde CT-toestellen worden ook technieken ontwikkeld om de stralingsbelasting voor de patiënt te minimaliseren. Eén van deze technieken is de automatische buisstroommodulatie. Vroeger werden patiënten met een constante buisstroom gescand wat resulteerde in een hogere stralingsbelasting dan noodzakelijk was. Door de ontwikkeling van buisstroommodulatie wordt de buisstroom aangepast aan de morfologie van en de densiteiten in een patiënt. Hierdoor zal de stralingsbelasting voor de patiënt afnemen. Bij moderne CT-toestellen kan het voorkomen dat de automatische buisstroommodulatiesystemen de buisstroom niet optimaal aanpast aan de morfologie van de patiënt. Dit is vooral te merken bij personen met een kleinere gestalte zoals kinderen. Hierdoor is het mogelijk dat tijdens een onderzoek kinderen een hogere dosis krijgen dan noodzakelijk is om aan adequate beeldvorming te doen. Alle moderne CT-toestellen zijn uitgerust met een systeem om de buisstroom te moduleren, maar de nomenclatuur van de verschillende fabrikanten verschilt alsook de methode waarop de modulatie gebaseerd is. Het doel van deze masterproef is om een testobject te ontwikkelen waarmee de verschillende modulatiesystemen in beeld kunnen gebracht worden. Vervolgens onderzoeken wij ook de invloed van bepaalde scanparameters op de hoeveelheid ruis in de CT-beelden en op de ontvangen dosis tijdens deze CT-onderzoeken. Methode en materialen: Tijdens deze studie maken wij gebruik van drie verschillende fantomen waaronder het standaard AAPM-fantoom met een constante diameter van 23 cm, het standaard CTDI-fantoom met een constante diameter van 32 cm en een zelfontwikkeld ATCM-fantoom met een variabele diameter. Dit ATCM-fantoom is vervaardigd uit rubber en heeft een ellipsoïdale vorm. De kleinste ellips van het fantoom symboliseert de abdomenomtrek van een pasgeboren kind, en de grootste ellips die van een twintigjarige. Deze fantomen worden op een Philips Brilliance-, een Siemens Sensation 16- en een GE Discovery-toestel met verschillende instellingen gescand. Ook wordt het verband gezocht tussen de CTDIvolume weergegeven in het dosisrapport en deze weergegeven in de DICOM-header. Resultaten en conclusie: Bij de controle van de longitudinale modulatie valt het op dat bij GE een duidelijke verschil merkbaar is wanneer de ATCM-functie aan- en uitgeschakeld is. Bij Siemens is de curve van de gemoduleerde bundel steiler dan deze van GE, eenzelfde effect is vast te stellen bij Philips (Z-DOM). Verder valt ook te bemerken dat Philips (D-DOM) geen effect heeft op de longitudinale modulatie. De angulaire modulatie is afhankelijk van het gebruikte toestel alsook van de beschouwde snede in het fantoom. Hierbij valt vooral op dat de variatie in ruiswaarden van de perifere ROI\u27s kleiner is voor de kleinere sneden van het fantoom dan voor de grotere sneden. Ook wordt de invloed van de scanrichting onderzocht, de gegevens uit dit onderzoek tonen aan dat het CTDIvolume voor verschillende kV-waarden bij een CA-CR scan steeds kleiner is dan bij de CR-CA scan en dit bij dezelfde hoeveelheid ruis in de beelden. Abstract (English) CHARACTERIZATION OF TUBE CURRENT MODULATION SYSTEMS IN CT : A PHANTOM STUDY J. Schoenaers(1), H. Janssens(1), B. Schaeken(2), N. Buls(3) (1) XIOS Hogeschool Limburg, Agoralaan – Gebouw H, 3590 Diepenbeek (2) ZNA – Middelheim, dept. Radiotherapie UZA-ZNA, Lindendreef 1, 2020 Antwerpen (3) UZ Brussel, dept. Radiologie, Laarbeeklaan 101, 1090 Brussel Background and purpose: The creation of new and improved CT-scanners has also led to the development of techniques to reduce the patients dose. One of those techniques is the tube current modulation. In the old days patients were scanned with a fixed tube current which resulted in a patients dose that was higher than necessary. The goal of tube current modulation is to adapt the tube current accordingly to the patients morphology and doing so reducing the dose the patient receives. All modern CT-scanners are equipped with an automatic tube current modulation system. It is however possible that the tube current is not perfectly modulated according to the patient\u27s morphology. This is mostly noticed in inviduals with a smaller stature i.e. children. Therefore it is possible that children receive a larger dose than necessary for adequate imaging. Another problem is that all manufacturers have a different nomenclature and a different system on which the modulation is based. The purpose of this masterthesis is to develop a test object with which the different modulation system can be tested. The influence of the change of certain scanparameters on image noise and dose is also investigated. Materials and methods: In this study three different phantoms were used. The AAPM-phantom, the CTDI-phantom (32 cm) and a ATCM-phantom. The latter is created for this study. The ATCM-phantom is made of rubber and has an ellipsoïdal form. The smallest ellips symbolises the abdomen of a newborn and the largest ellips symbolises the abdomen of a twenty-year old person. These phantoms were evaluated during CT-scanns on three different CT-scanners. The scanners used in this the study are: a Philips Brilliance, a Siemens Sensation 16 and a GE Discovery. Also the relationship between the CTDIvolume represented in the doses report and the CTDIvolume value in the DICOM-header is investigated. Results and conclusion: When the longitudional modulation is observed GE shows a clear difference whether ATCM is on or off. For Siemens equipment, the curve of the modulated beam is much steeper than the GE curve and the same effect is observed at Philips (Z-DOM) equipment. We also have observed that when Philips (D-DOM) is switched on, there is no effect on the longitudional modulation. On the other hand, the angular modulation depends strongly on the device which is used but, also on the section of the phantom under consideration. This means that there is less variation in peripherical noise for the smaller slices compared to the larger ones. The influence of the scandirection on image noise and on the patients dose is also observed. Measurements have shown that the CTDIvolume with different kV-values is always smaller in the CA-CR scans than for the CR-CA scans and this for images containing the same amount of noise

    Geografische presentatie van Feathers output : backend

    No full text
    In dit eindwerk wordt de automatisering beschreven van Feathers runs samen met de tools die ermee in combinatie gebruikt worden, zoals het Quantum GIS-programma dat de output van het Feathers-programma omzet naar visuele kaarten met allerhande geografische informatie. Feathers is een operationeel activity-based model dat via beperkte steekproeven een schatting maakt van het verkeersgedrag binnen Vlaanderen, o.a. de hoeveelheid verkeer van de ene stad naar de andere of voorspellingen van vervoersmiddelen op basis van activiteiten en afstand. Door de grote complexiteit van het programma is de configuratie die in XML geschreven is, ontzettend groot. Door de jaren heen is het bestand gegroeid tot een punt waar er een groot aantal dezelfde bestanden voorkomen die soms allemaal manueel moeten worden aangepast. Het grote probleem is dat de fouttolerantie heel laag is zodat een foutje in de configuratie leidt tot verkeerde informatie. Hoewel er al druk aan de tweede versie van Feathers gewerkt wordt moet de huidige versie nog worden onderhouden en kan een soort automatiseringssysteem heel veel tijd uitsparen bij het uitvoeren van Feathers. Door middel van tools zoals XSLT kan het configuratie bestand voor een deel automatisch gegenereerd worden en dubbel voorkomende informatie worden afgeschermd zodat de gebruiker een gegeven niet meer dan één keer moet ingeven, zelfs als het op verschillende plaatsen in de configuratie voorkomt. Momenteel wordt het configuratie bestand aangepast en wordt deze meegegeven aan een script dat Feathers uitvoert met de gegeven bestanden. Daarna wordt de informatie die Feathers teruggeeft ook optioneel gebruikt in het Qgis-programma dat visuele kaarten genereert van de informatie. Het manueel uitvoeren kan veel tij

    0

    full texts

    1,062

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    Xios Theses
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇