WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Stand van zaken, lacunes en prioriteiten voor toekomstig onderzoek
In 2018, there seems to be a consensus among experts that psychopathology cannot lead independently to radicalization or terrorism and is therefore not a direct risk factor. However, psychopathology is often included in risk assessment instruments. Thus, a more nuanced picture is necessary to better understand the relationship between psychopathology and terrorism for sound case management. Therefore, the current study has tried to answer the following two main research questions:What is known from extant scientific research about the relationship between psychological disorders and radicalization/terrorism?What is a relevant and feasible research agenda in this field?Anno 2018 lijkt er wel onder experts een consensus te bestaan dat psychopathologie niet opzichzelfstaand kan leiden naar radicalisering of terrorisme en dus geen directe risicofactor is. Psychopathologie wordt echter wel vaak betrokken bij risicotaxatie-instrumenten. Een genuanceerder beeld is dus nodig om de relatie tussen psychopathologie en terrorisme beter te begrijpen voor gedegen case-management. Via de huidige verkennende studie is daarom getracht de volgende twee hoofdvragen te beantwoorden: Wat is uit bestaand wetenschappelijk onderzoek bekend over de relatie tussen psychische stoornissen en radicalisering/terrorisme? Wat is een relevante en haalbare onderzoeksagenda op dit terrein? INHOUD: 1. Inleiding 2. Conceptuele definiëring psychopathologie en terrorisme 3. Methode 4. Prevalentie psychopathologie bij terroristen: literatuuroverzicht 5. Psychopathologie en de ontwikkeling naar radicalisering en terrorisme: theorievorming 6. Aanbevelingen onderzoeksagenda 7. Conclusies en discussi
Evaluatie van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden
Op 1 februari 2005 trad de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (wet DNA-V) in werking. De Wet DNA-V verplicht veroordeelden van een delict waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en een (voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf, maatregel of een taakstraf is opgelegd, tot het afstaan van celmateriaal. Uit het afgenomen celmateriaal wordt een DNA-profiel opgemaakt dat in de Nederlandse databank voor strafzaken (bij het NFI) wordt opgenomen. Door deze profielen te vergelijken met profielen die aanwezig zijn in de databank of in de toekomst worden toegevoegd, kan een match ontstaan die van belang kan zijn voor opsporing, vervolging en bewijsvoering. Tevens gaat de wetgever ervan uit dat de verhoogde pakkans een afschrikwekkende werking heeft t.o.v. de verdachten wier DNA profiel in de databank is opgeslagen. De hier gepresenteerde evaluatie van de Wet DNA-V richt zich op de uitvoering van de wet anno 2018 en blikt (ook cijfermatig) terug op de periode 2012 t/m 2017. De evaluatie richt zich mede naar aanleiding van toezeggingen aan de Tweede Kamer op de volgende vier sporen:Uitvoering van de Wet DNA-VEffect van (conservatoire) afname van celmateriaal bij verdachten in voorarrestEffecten van de Wet DNA-V (DNA-matches en preventieve effecten)Vergelijking van de Nederlandse DNA-wetgeving met de regelgeving in Duitsland, Frankrijk, Engeland/Wales, Denemarken en Noorwegen en bestudering van EU-jurisprudentie op het terrein van DNA-wetgeving binnen het strafrecht. INHOUD: 1. Inleiding 2. Eerdere evaluaties en (toezicht op) het verbeterprogramma rond de Wet DNA-V 3. Uitvoering van de Wet DNA-V 4. Juridische kaders en alternatieve scenario's 5. De opsporingsbijdrage van DNA-V matches 6. Het preventieve effect van de Wet DNA-V 7. Internationale vergelijking van DNA-wetgeving en -jurisprudentie 8. Conclusie
Decision making on the Balkan Route and the EU-Turkey Statement
In 2015, there were higher than normal migration flows from Turkey to Greece and then via the Western Balkans to other European Union (EU) countries, leading to what has been termed Europe’s ‘refugee crisis’. The primary research question guiding this study is: How can the fluctuations in migration flows on the Balkans route from January 2015-December 2018 be explained? The core sub-questions guiding this research are: What explanations are there for the sharp decrease in the number of refugees and migrants on the Balkans route even before the EU-Turkey Statement came into effect? What are the decision making factors of refugees and migrants when choosing to leave Turkey before and after the EU-Turkey Statement? To what extent do policy interventions impact refugees and migrants’ decision-making regarding routes and destination choices? CONTENT: 1. Introduction 2. The Western Balkans Route to Europe and the EU-Turkey Statement 3. Conceptual framework for examining refugees and migrants' decision making 4. Methodology 5. Afghans' and Syrians' decision making in Turkey and on the Western Balkans Route 6. The interaction of policies and decision making 7. Conclusio
Verruiming van de aangifteplicht voor ernstige seksuele misdrijven?
The present study aims to provide an assessment framework for the debate on the issue whether in cases of serious sexual abuse an extension of both the duty to report a crime to the police (article 160 of the Dutch Code of Criminal Procedure (Sv) and the penalisation on noncompliance (article 136 Dutch Penal Code; Sr) should be considered. Next the study addresses the desirability to extent the criminal liability of private organisations (nonlegal persons) that do not report sexual abuse within their organisations to the police. The study focuses on the care and education sectors. In addition, attention is paid to current developments in sports. A distinction is made between sexual abuse among private persons (the private path) and sexual abuse by professionals against private persons (the institutional path).Het onderzoek strekt ertoe argumenten te bieden ten behoeve van de gedachtenvorming over de wenselijkheid van een verruiming van de aangifteplicht van artikel 160 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) voor de ernstige seksuele misdrijven. In samenhang daarmee ligt de vraag voor naar een verruiming van artikel 136 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarin het nalaten aangifte te doen van een voorgenomen verkrachting strafbaar is gesteld. Voorts is onderzocht of het mogelijk en wenselijk is te komen tot een verruiming van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van organisaties wegens het nalaten aangifte te doen van seksueel misbruik binnen de eigen kring. Het onderzoek beperkt zich tot de sectoren zorg en onderwijs, waarnaast aandacht is besteed aan de actuele ontwikkelingen binnen de sport. Onderscheid is gemaakt tussen seksueel misbruik tussen burgers (het particuliere spoor) en seksueel misbruik door een beroepskracht jegens een burger (het institutionele spoor). INHOUD: 1. Achtergrond en opbouw van het onderzoek; begripsomschrijvingen 2. Methodologie 3. Overzicht nationale wet- en regelgeving 4. Ervaringen binnen de Nederlandse sectoren Gezondheidszorg & Jeugd, Onderwijs en Veilig Thuis met de meldcodes, het meldrecht en de meldplichten 5. Landenrapportage 6. Analyse en scenario'
Sexual abuse and willingness to report within the Jehova's Witness comunity
This study focuses on the influence that patterns, rules, customs and structures within the Jehovah's Witness community in the Netherlands have on the manner in which sexual abuse or alleged sexual abuse are dealt with as well as the willingness to report sexual abuse or alleged sexual abuse. One important conclusion of the study is that the manner in which the abuse is handled within the Jehovah's Witness community leaves victims or alleged victims of sexual abuse feeling insufficiently recognised and supported.De hoofdvraag die in dit onderzoek wordt gehanteerd, luidt: Welke invloed hebben de patronen, regels, gebruiken en structuren van de gemeenschap van de Jehova’s getuigen in Nederland op: a. de omgang met (vermeend) seksueel misbruik en b. de aangiftebereidheid van (vermeend) seksueel misbruik?Het onderzoek is verricht in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie en Veiligheid dat het onderzoek heeft aangevraagd naar aanleiding van een Tweede Kamermotie van Van Nispen e.a. (31015 nr. 154). Deze motie (inclusief het taalgebruik) is leidend geweest voor de onderzoeksvraag van het WODC en daarmee voor ons onderzoek.Voor het onderzoek zijn ervaringen van Jehova’s getuigen en ex-Jehova’s getuigen met seksueel misbruik, die binnenkwamen via een elektronisch contactpunt, bestudeerd. Tevens zijn er tien diepte-interviews met slachtoffers en naasten van slachtoffers uitgevoerd, heeft het onderzoeksteam gesproken met het bestuur van de Jehova's getuigen in Nederland en een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur in de VS, heeft een dossierinzage in een Koninkrijkszaal plaatsgevonden om te kunnen beoordelen hoe dossiers worden opgebouwd en is een gesprek gevoerd met het bestuur van de Stichting Reclaimed Voices, die zich inzet voor de slachtoffers van seksueel misbruik onder Jehova’s getuigen. Aansluitend is eerder (internationaal) onderzoek over seksueel misbruik en gesloten gemeenschappen, waaronder de gemeenschap van Jehova’s getuigen, bestudeerd. INHOUD: 1. Doel en werkwijze 2. Contactpunt: aanpak en deelnemers 3. Ervaringen gedeeld via het contactpunt 4. Interviews (ex-)Jehova's getuigen 5. Interviews bestuurders 6. De data geduid: literatuuronderzoek 7. Conclusies en aanbevelinge
Youth care (full text only available in Dutch)
ARTICLES: : 1. From tinkering with the system to building substantive renewal - Saskia Wijsbroek, Marije Kesselring and Dorien Graas 2. Three measures to save Dutch youth care Ido Weijers 3. Child protection across the border. Lessons for the Netherlands and learning from Denmark? - Caroline Vink 4. Family-oriented working in locked residential youth care - Linde Broekhoven, Inge Simons and Floor van Santvoort 5. Taking care of unaccompanied minor immigrants - Monika SmitARTIKELEN: Saskia Wijsbroek, Marije Kesselring en Dorien Graas - Van sleutelen aan het stelsel naar bouwen aan inhoudelijke vernieuwing Ido Weijers - Drie ingrepen om de jeugdzorg te redden Caroline Vink Kinderbescherming over de grens. Lessen voor Nederland en leren van Denemarken? Linde Broekhoven, Inge Simons en Floor van Santvoort - Gezinsgericht werken in de gesloten residentiële jeugdhulp Monika Smit - Zorg voor en zorgen om alleenstaande minderjarige vreemdelingen SAMENVATTING Het is vijf jaar geleden dat de decentralisatie en beoogde transitie van de jeugdzorg in Nederland werd ingezet met de invoering van de Jeugdwet. De huidige verantwoordelijke ministers De Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Dekker (Justitie en Veiligheid/Rechtsbescherming) meldden in november 2019 in een brief aan de Tweede Kamer dat het nieuwe stelsel deels alweer op de schop moet. Met dit voornemen reageerden de bewindslieden op een onthutsend rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid getiteld Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd.De inspecties constateren daarin dat juist voor kinderen en gezinnen met de meest complexe en zware problematiek de noodzakelijke hulp niet of niet tijdig beschikbaar is. Deze gezinnen komen op achtereenvolgende wachtlijsten terecht bij Veilig Thuis-organisaties (eerstelijnshulp), bij de Raad voor de Kinderbescherming, bij instellingen voor jeugdbescherming (die kinderbeschermingsmaatregelen uitvoeren) en bij de gespecialiseerde hulp. De gevolgen hiervan voor deze kinderen zijn zeer ernstig, aldus de inspecties: ‘Kinderen blijven langer in onveilige situaties en raken meer beschadigd, waardoor problematiek verergert.’ Het rapport signaleert ook dat de jeugdzorg kampt met een groot personeelsverloop en ziekteverzuim, waardoor er niet genoeg mensen beschikbaar zijn om de problemen aan te pakken. Tegelijkertijd is de financiële situatie van bijna de helft van de jeugdzorgaanbieders penibel.Duidelijk is dat de reorganisatie van de jeugdzorg in de afgelopen jaren niet heeft gebracht wat men ervan verwachtte. In plaats van een vereenvoudiging van het stelsel is het juist ingewikkelder en bureaucratischer geworden. In plaats van een vermindering van zorggebruik is er volgens voorlopige cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek juist sprake van een toename van 15% sinds 2015 (CBS 2019).Met dit themanummer ‘Jeugdzorg onder druk’ wordt beoogd licht te werpen op het politieke en besluitvormingsproces rond de totstandkoming van de Jeugdwet en de daaruit voortvloeiende decentralisatie naar de gemeenten. Een vraag die bijvoorbeeld aan de orde komt, is hoe het mogelijk was dat waarschuwingen uit het veld voor chaos bij de uitvoering van de nieuwe wet in de wind werden geslagen. Los van die transitieperikelen zijn er in het domein van de jeugdhulp ook nieuwe inhoudelijke ontwikkelingen te zien die in dit nummer aandacht krijgen, zoals nieuwe doelgroepen en nieuwe werkmethoden
Verslag over de periode 2006-2018
The focus of this report is trends in reconviction amongst the following offender groups. First, we look at adult and juvenile offenders for whom criminal proceedings were begun during the period 2006 to 2015. Adult offenders are those convicted under adult criminal law and juvenile offenders are those convicted under juvenile criminal law. Second, we examine the reconviction rates of ex-prisoners and ex-juvenile detention detainees released in the period 2006 to 2015. Finally, we present reconviction rates for offenders who have completed community service orders and those who were supervised by the probation services in the period 2006 to 2015. The following research questions are the focus of this report:What are the personal characteristics of those who between the period 2006 and 2015 received a conviction or settlement, were released from prison or a juvenile detention centre, completed community service or were supervised by the probation services? What are the reconviction rates for these groups: what proportion of each group is reconvicted and what proportion is reconvicted for a very serious offence (recidivism prevalence)? What is the average number of new criminal cases per year?After adjusting for differences in background characteristics and criminal history characteristics, for each offender group, what trends do we see in the recon-viction rates?Sinds 2005 brengt Het WODC periodiek de strafrechtelijke recidive, i.e. nieuwe delicten waar een veroordeling door de rechtbank of een afdoening van het OM op volgt, onder verschillende dadergroepen in kaart. In deze rapportage staat de ontwikkeling van de recidive van de volgende dadergroepen centraal. Het gaat allereerst om alle volwassen en jeugdige daders tegen wie in de periode 2006 tot en met 2015 een strafzaak is begonnen vanwege een gepleegd delict. Onder volwassen daders verstaan we alle daders die volgens het volwassen strafrecht zijn veroordeeld en onder jeugdige daders de daders die volgens het jeugdstrafrecht zijn veroordeeld. Daarnaast wordt de recidive beschreven van ex-gedetineerden en ex-JJI-pupillen die van 2006 tot en met 2015 zijn vrijgekomen. Ten slotte wordt de recidive beschreven van daders die in de periode 2006 tot en met 2015 met de reclassering in aanraking kwamen voor het uitvoeren van een werkstraf of een periode onder toezicht van de reclassering stonden. Alle personen in het onderzoek zijn tot juli 2018 gevolgd om er zeker van te zijn dat zo veel mogelijk relevante nieuwe justitiecontacten konden worden meegenomen.Nieuw in deze rapportage is dat niet alleen wordt gerapporteerd of een dader opnieuw in aanraking komt met justitie vanwege een gepleegd delict, maar ook dat gekeken is naar de ernst van de recidive en het gemiddeld aantal keer dat gerecidiveerd wordt. Naast de feitelijke, waargenomen recidive rapporteren we ook de gecorrigeerde recidive, waarbij rekening wordt gehouden met veranderingen in de samenstelling van de onderzoeksgroepen over de tijd. Dit betekent dat in de gecorrigeerde recidivetrends eventuele veranderingen in een aantal achtergrondkenmerken van de onderzoeksgroep, zoals geslacht, geboorteland, leeftijd en strafrechtelijke carrière, zijn verwerkt. De volgende onderzoeksvragen staan centraal in dit onderzoek: Wat zijn de achtergrondkenmerken van personen die in de periode 2006 tot en met 2015 zijn veroordeeld, vrijgekomen zijn uit een PI of een JJI, een werkstraf bij de reclassering hebben uitgevoerd of onder toezicht van de reclassering hebben gestaan? Wat is het recidivebeeld van de verschillende onderzoeksgroepen: welk deel kwam opnieuw in aanraking met justitie voor enig delict of voor een zeer ernstig delict (recidiveprevalentie)? Wat is het gemiddeld aantal nieuwe strafzaken per jaar? Hoe ontwikkelt de recidive zich onder de verschillende dadergroepen gecontroleerd voor verschillen in achtergrondkenmerken en kenmerken van de justitiële geschiedenis? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Recidive onder volwassen en jeugdige daders 4. Recidive onder volwassen en jeugdige ex-gedetineerden 5. Recidive onder ex-werkgestraften en ex-ondertoezichtgestelden 6. Conclusie en discussi
Evaluatie Regeling Uitstapprogramma's Prostitutie (RUPS II)
Both practice and scientific literature show that there are many barriers to exiting sex work and that it can be a complex process. In 2008, the first Exit Programmes for Prostitution Scheme (RUPS) was introduced by the Dutch government. It concerned a subsidy scheme to enable the development and execution of exit programmes. The aim of RUPS II is to offer a nationwide network of exit programmes. This document summarises the final report of RUPS II, in which the national coverage level of exit programmes is evaluated, and the distribution and management of the future structural funds for exit programmes and the achieved RUPS II results are investigated.De Regeling Uitstapprogramma’s Prostituees II is erop gericht om een landelijk dekkend netwerk van uitstapprogramma’s te realiseren waar sekswerkers uit heel Nederland terechtkunnen. Het doel van de evaluatie is om te onderzoeken in hoeverre dit bereikt is. Daarnaast moet het onderzoek leiden tot advies over de wijze waarop de aangekondigde structurele gelden voor uitstapprogramma’s verdeeld en beheerd kunnen worden. Het derde doel van het onderzoek is het in kaart brengen van het bereik en de resultaten van uitstapprogramma’s die (deels) uit RUPS II zijn bekostigd.De hoofdvragen van de evaluatie zijn:Is er een landelijk dekkend netwerk van uitstapprogramma’s?Op welke manier kunnen de financiële middelen die in het regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld het beste worden verdeeld en beheerd?Wat is bekend over de effecten van de verschillende RUPS-programma’s? INHOUD: 1. Inleiding 2. Landelijke dekking uitstapprogramma's 3. Toekomstige financiële systematiek 4. Resultaten RUPS II 5. Conclusi
Plan-, proces en effectevaluatie werking extra begeleiding en toezichtlocaties
Since the end of 2017 it has been possible, on the basis of the Asylum seekers and other alien categories provisions scheme, to place asylum seekers who are causing a nuisance in a so-called reception centre with additional guidance and supervision (ebtl). The ebtl can be viewed as an addition to the already existing COA Sanctions Policy [Central Agency for the Reception of Asylum Seekers - hereinafter ‘COA’] on the basis of the ‘Sanctions Policy including Withholding Benefits in Kind Scheme. The ebtl measure has been structured as a two-year pilot. The current research report focuses on a plan, process and effect evaluation of the ebtl-measure.Sinds eind 2017 is het mogelijk om overlastgevende asielzoekers een maatregel op te leggen en hen te plaatsen in een zogenaamde extra begeleiding en toezichtlocatie (ebtl). De ebtl-maatregel is te beschouwen als een aanvulling op de al bestaande maatregelen die het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) kan opleggen. De ebtl-maatregel is vormgegeven als een pilot voor twee jaar en is binnen deze termijn geëvalueerd. De voor u liggende rapportage is het resultaat van deze evaluatie. De evaluatie valt uiteen in een plan-, een proces- en een effectevaluatie. Binnen de planevaluatie is gekeken wat de oorspronkelijk bedoelde doelen, doelgroep, werkzame bestanddelen en randvoorwaarden waren en is een oordeel gegeven of in vier elementen voldoende is voorzien. De procesevaluatie richtte zich op de daadwerkelijke invulling van deze elementen in de praktijk en de effectevaluatie op de daadwerkelijke resultaten van de ebtl-maatregel. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methoden van onderzoek 3. De planevaluatie 4. Het proces achter de ebtl-maatregel 5. De effecten van de ebtl-maatregel 6. Conclusie en reflecti
Vervolgevaluatie van de Wet biometrie vreemdelingenketen
The Act on Biometrics in the Immigration Process makes it possible to increase the use of biometrics in the immigration process. It is now possible to collect a facial image and ten fingerprints from in principle every foreign national in all legal proceedings involving immigrants. These biometric data can also be stored centrally and consulted in the administration of foreign nationals (the Basic Facility for Immigrants, BVV). This research is the continuation of an earlier evaluation of which the results were published in 2017 (See link at: More information). The follow-up of the recommendations from that research has been included in this research. The research question has two components:To what extent has the Act on Biometrics in the Immigration Process achieved its objectives?How does the act relate to European developments regarding the implementation of information systems in which biometrics are stored?De toegang, toelating, uitzetting van en het toezicht op vreemdelingen is in Nederland geregeld in de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Met de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (hierna: Wet biometrie vreemdelingenketen, Wbvk) is per 1 maart 2014 de Vw 2000 gewijzigd. De Wbvk voorziet in een uitbreiding van het gebruik van biometrie in de vreemdelingenketen. De afname en verwerking van een gezichtsopname en tien vingerafdrukken van in beginsel alle vreemdelingen in alle vreemdeling-rechtelijke processen is mogelijk gemaakt. Daarnaast kunnen deze biometrische gegevens centraal in de vreemdelingenadministratie (de Basisvoorziening Vreemdelingen, afgekort BVV) worden opgeslagen en kunnen zij worden geraadpleegd. In 2016 heeft een eerste evaluatie van de Wet Biometrie plaatsgevonden (Zie link bij: Meer informatie). Dit onderzoek is een vervolg van deze evaluatie. De probleemstelling van het onderzoek bestaat uit twee onderdelen:In welke mate bereikt de Wbvk zijn doelen?Hoe verhoudt de wet zich tot de Europese ontwikkelingen tot implementatie van informatiesystemen waarin biometrie wordt opgeslagen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidsreconstructie 3. Juridisch kader 4. Procesevaluatie 5. Kwaliteit en betrouwbaarheid van de biometrische gegevens 6. Gebruik van biometrie in de vreemdelingenketen 7. Analyse 8. Europeesrechtelijke ontwikkelingen 9. Samenvatting en conclusie