WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Prevalentie, risicofactoren en gevolgen
Online crime victimization has become one of the major challenges in our digitalized society. Almost everybody is connected to the internet and exposed to potential online offenders. The goal of this study is to gain more insight in the prevalence, risk factors and consequences of online victimization among Dutch people aged 16 years and older. Online crime can be divided into cybercrime and digitalized crime. Cybercrimes can only be committed using information communications technology (ICT), like computer viruses and hacking. Digitalized crimes are traditional offline crimes that are enabled by an ICT-component, such as online fraud and online harassment.De centrale vraagstelling van het onderzoek is als volgt: wat zijn patronen van (herhaald) slachtofferschap van online criminaliteit en in hoeverre kunnen die worden verklaard door persoonskenmerken, online gedragingen en de gevolgen van eerder slachtofferschap? Op basis van empirisch onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen beantwoord: In welke mate ervaren Nederlandse burgers slachtofferschap van online criminaliteit? In hoeverre hangt online slachtofferschap samen met eerdere slachtofferervaringen, internetgebruik, beschermingsmaatregelen en persoonskenmerken? In hoeverre heeft online slachtofferschap gevolgen voor angst voor online criminaliteit, internetgebruik, beschermingsmaatregelen en mentale gezondheidsproblemen? In welke mate is er sprake van herhaald slachtofferschap en in welke mate vormen de mogelijke gevolgen van online slachtofferschap een verklaring voor patronen in herhaald slachtofferschap
Een schatting van het 'dark number' van niet-aanvragers van een VOG voor opleidingen in het middelbaar beroepsonderwijs
The VOG (Certificate of Good Conduct) is a preventive administrative instrument intended to prevent people with a certain judicial past from holding ‘sensitive’ positions in society. A VOG may be necessary in certain work situations, for example holding a position that involves working with vulnerable persons, confidential data, money or specific goods. The outlined issue of ‘VOG avoidance behaviour’ in a young person can occur particularly in middelbaar beroepsonderwijs (MBO, senior secondary vocational education).The main general questions of this study are:How often do young people in the MBO not submit a VOG application because they antici-pate their judicial past means they will not receive a VOG?To what extent does not applying for a VOG relate to the seriousness or nature of their judicial past, their level of knowledge about the VOG or their desired study programme?How often do VOG avoiders correctly anticipate they will not receive a VOG?The study aims to provide a reasoned estimate of the number of MBO youngsters who do not apply for an education-related VOG because of their possible judicial past.De Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) is een preventief bestuursrechtelijk instrument, dat bedoeld is te voorkomen dat personen die een bepaald justitieel verleden hebben kwetsbare functies in de samenleving gaan vervullen. Een VOG kan in verschillende gevallen van een arbeidssituatie nodig zijn, bijvoorbeeld voor het vervullen van een functie waarin met kwetsbare personen, met vertrouwelijke gegevens, met geld of met specifieke goederen wordt gewerkt. Het doel van het onderzoek is te achterhalen in welke mate deze (v)mbo-jongeren geen VOG-aanvraag ten behoeve van het onderwijs indienen omdat zij, al dan niet vanwege hun justitieel verleden, verwachten geen VOG te ontvangen.De algemene hoofdvragen van dit onderzoek luiden als volgt:In welke mate dienen (v)mbo-jongeren geen VOG-aanvraag in omdat zij inschatten dat zij geen VOG krijgen vanwege hun justitieel verleden?In hoeverre hangt het niet-aanvragen samen met de ernst en/of aard van hun justitieel verleden, hun kennisniveau over de VOG en/of hun (gewenste) opleiding?In welke mate is de inschatting van VOG-mijders dat zij geen VOG krijgen juist?Voor de beantwoording van de hoofdvragen zijn twee deelonderzoeken uitgevoerd. In deze rapportage staan de bevindingen van beide deelonderzoeken gepresenteerd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksopzet en dataverzameling 3. VOG-aanvragen door laatstejaars vmbo'ers en jongeren in het mbo 4. VOG-aanvragers onder (v)mbo-jongeren met en zonder justitieel verleden 5. Kennis van de jongeren omtrent de VOG 6. VOG-aanvraag mijders nader bekeken 7. Conclusie
Lokale veiligheid uitgaansgebieden: case Haarlem
This report focuses on nightlife noise predominantly produced by visitors smoking outside the venues. In the near future, this target group is expected to take an increasing part in noise pollution because of the recent smoking ban from nightlife venues in the Netherlands.To reduce nightlife noise pollution, University of Twente and DSP-groep developed an intervention to prevent noise in nightlife areas. This intervention includes 5 steps, i.e., 1) analysis of problem and context, 2) identifying target behaviour, 3) further exploration of target - and problematic behaviour, 4) identifying specific and targeted intervention solutions, and 5) implementation and monitoring of the intervention effects. The report describes the first four steps of the intervention based on a case study of the nightlife area of Haarlem in the Netherlands, and presents an overview of the lessons learned for future interventions.Om de geluidsoverlast het hoofd te bieden is een interventieaanpak ontwikkeld waarmee geluidsoverlast in uitgaansgebieden kan worden teruggedrongen. Deze aanpak bestaat uit vijf fasen, namelijk 1) een context- en probleemanalyse, 2) het bepalen van doelgedrag, 3) het nader bepalen van probleem- en doelgedragingen,4) het ontwikkelen van een specifieke, contextgerichte gedragsinterventie, en tot slot 5) de implementatie en monitoring van eventuele effecten. De eerste vier fasen zijn uitgewerkt aan de hand van een casus, namelijk het uitgaansgebied in de Smedestraat in Haarlem. In het rapport worden de uitkomsten van dit onderzoek op een rij gezet
Eindrapportage procesevaluatie
Deze voorliggende studie omvat een procesevaluatie van vier pilots, verspreid over de vier regio’s Zeeland/West-Brabant, Amsterdam, Rotterdam en Utrecht. In elk van deze regio’s is gedurende de looptijd van twee jaar verschillend geïnvesteerd om te komen tot een betere benutting van de ISD-maatregel bij jongvolwassen stelselmatige daders. In de procesevaluatie is nagegaan welke lessen uit deze pilots kunnen worden getrokken en of elementen wellicht ook interessant zijn om landelijk te implementeren.Hoofddoel van de pilots:Een betere benutting van de ISD-maatregel bij jongvolwassen stelselmatige daders van in het bijzonder High Impact Crimes, door het inzetten van de ISD-maatregel vanuit de benadering van optimum remedium in plaats van ultimum remedium.Uitgangspunt hierbij is dat dit bijdraagt aan een verminderde recidive en een veiliger samenleving; alsmede aan het goed kunnen functioneren van ex-gedetineerden in de samenleving
Een onderzoek naar de uitvoeringsconsequenties van de voorgestelde eisen aan het proces-verbaal van getuigenverhoor in het concept-wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
The Dutch Code of Criminal Procedure is currently being modernised and in this context the legislator has drafted a proposal for Book 2 of the amended Code of Criminal Procedure. This proposal includes additional requirements for verbatim reports of witness statements. Essence of requirements is that statements should be reported as much as possible in the witness’ own words and that questions as well as answers should be transcribed as completely as possible. The aim of this study is to establish practical consequences of the proposed changes, specifically their effect on law enforcement officers’ workloads and by estimating the extra time it will take to draw up verbatim reports.Het Wetboek van Strafvordering wordt momenteel gemoderniseerd en in het kader daarvan ligt thans het concept-wetsvoorstel voor tot vaststelling van Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Onderdeel daarvan is het stellen van nadere eisen aan de wijze waarop een getuigenverhoor dient te worden vastgelegd. In het onderzoek is nagegaan hoe, bij een representatieve steekproef van processen-verbaal van getuigenverhoor, thans wordt geverbaliseerd. Ten tweede is nagegaan hoe de voorgestelde vereisten praktisch moeten worden geïnterpreteerd. In de derde plaats is zo objectief mogelijk onderzocht welk verschil in tijdsbeslag het opmaken van een proces-verbaal dat voldoet aan de interpretatie van de gestelde eisen, met zich meebrengt. Tot slot is nagegaan of, naast de schriftelijke verslaglegging van het getuigenverhoor, het standaard auditief of audiovisueel opnemen van getuigenverhoren, theoretisch en praktisch toegevoegde waarde heeft. INHOUD: 1. Inleiding 2. Het concept-wetsvoorstel en de interpretatie van de nieuwe vereisten 3. De vorm van verslaglegging in het proces-verbaal 4. De verwachte effecten op tijdsbesteding 5. Opnemen van getuigenverhoren? 6. Conclusie
Verslag van een zoektocht naar regionale good practices voor rechtshandhaving en veiligheid in Caribisch Nederland
On the 10th of October 2010, three small and very different Caribbean islands were integrated into a European country located thousands of miles away. On that date, Bonaire, St Eustatius and Saba became part of the Kingdom of the Netherlands and were given the status of public entity. Together, the islands are often referred to as the Caribbean Netherlands, or the BES islands.The central question of this study is: Which regional good practices in the field of law enforcement and public safety in other Caribbean islands, with a comparable form of government as the Caribbean Netherlands, might benefit the Caribbean Netherlands? To answer this question, three research questions have been formulated:How is law enforcement and the rule of law organized in other Caribbean islands that have constitutional ties with a base country?How have these Caribbean islands organized their cooperation with the base country in the area of criminal justice and security and how have they organized cooperation and mutual exchange of information in these matters between Caribbean islands that have constitutional ties with the same base country?Can any regional good practices be identified that could be beneficial to the Caribbean Netherlands and the Caribbean region with regards to detention facilities, juvenile criminal justice, access to justice, crisis management and border control?Op 10 oktober 2010 zijn drie kleine, heel verschillende Caribische eilandjes geïntegreerd in een Europees land dat duizenden kilometers ver weg ligt. Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn op die datum als openbare lichamen onderdeel geworden van het land Nederland. Ze gaan voortaan gezamenlijk door het leven als Caribisch Nederland, ook wel genoemd de BES-eilanden.De centrale vraagstelling in dit onderzoek luidt: Welke regionale good practices op het gebied van rechtshandhaving en veiligheid in andere Caribische eilanden, met een min of meer vergelijkbare bestuursvorm als Caribisch Nederland, zijn bruikbaar ten behoeve van Caribisch Nederland? Om deze vraag te kunnen beantwoorden zijn drie onderzoeksvragen geformuleerd: Hoe is de rechtshandhaving en de rechtsstaat ingericht in andere Caribische eilanden die staatsrechtelijke banden hebben met een basisland? Hoe hebben deze andere Caribische eilanden de samenwerking in de justitie- en veiligheidsketen met het basisland georganiseerd en hoe is de samenwerking en wederzijdse informatievoorziening in de justitie- en veiligheidsketen geregeld tussen Caribische eilanden die staatsrechtelijke banden hebben met hetzelfde basisland? Zijn er regionale good practices te vinden die bruikbaar zijn voor Caribisch Nederland en de Caribische regio op het gebied van detentievoorzieningen, jeugdstrafrecht, toegang tot het recht, crisisbeheersing en grensbewaking? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methodische verantwoording 3. De case-eilanden 4. De casestudies: best practices 5. Conclusie en discussi
Analysis and considerations for economic security policy in the Netherlands
The analysis of this report is focused on those specific aspects of national security that relate to the protection of critical infrastructure, sectors and processes that are important for the sustainable functioning of [Dutch] society. Critical infrastructure, sectors and processes are focal areas when it comes to national security policy, in the Netherlands and beyond. This report addresses five research questions: How can national security be defined and what does the international literature suggest about its main components? What can be learned from the (academic) literature about the relation between the economy of a country and the various aspects of national security? Which factors, mechanisms and underlying causal mechanisms can be identified? What is the impact of contextual, country-specific characteristics and factors on this relationship? What do the answers to research questions 2) and 3) tell us about the factors and characteristics that have an impact on the interlinkages between the Dutch economy and its national security?How does the Netherlands perform with regard to these economic factors, which trends or developments can we identify, and what do they mean for the national security of the Netherlands? CONTENT: 1. Introduction and context 2. A historical perspective on definitions of national security 3. Interconnections between national security and the economy 4. The connections between economy and national security in the Netherlands 5. Conclusio
Een onderzoek naar alternatieven voor ambtshalve handelingen die leiden tot rechterlijke toetsing van het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap in artikel 22a van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Article 14(4) of the Dutch Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) grants the Minister of Justice and Security the competence – in short – to revoke Dutch nationality in the interest of national security from someone older than sixteen who is outside of the Kingdom of the Netherlands and who has joined an organization that participates in an armed conflict and poses a threat to national security. The central question of the research is as follows: What are (potential) alternative procedures for the ex officio act that leads to judicial review of the decision to revoke Dutch nationality?Artikel 14 lid 4 RWN verleent de Minister van Justitie en Veiligheid de bevoegdheid om – kort gezegd – in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap in te trekken van iemand van ouder dan zestien jaar die zich buiten het Koninkrijk bevindt en die zich heeft aangesloten bij een organisatie die deelneemt aan een gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. In artikel 22a RWN is bepaald dat over een besluit op grond van artikel 14 lid 4 RWN steeds een bestuurs-rechter oordeelt, hetzij omdat de betrokkene tijdig beroep heeft ingesteld, hetzij omdat de betrokkene, als deze geen beroep heeft ingesteld, geacht wordt beroep te hebben ingesteld. In dit laatste geval ontstaat een beroep van rechtswege in naam van de betrokkene. De bestuursrechter raakt op de hoogte van een dergelijk beroep doordat de Minister de rechtbank Den Haag in kennis stelt van een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14 lid 4 RWN.De centrale vraag van het onderzoek luidt als volgt: Wat zijn (te ontwikkelen) alternatieve procedures voor het ambtshalve verrichten van een han-deling die leidt tot rechterlijke toetsing van het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap? INHOUD: 1. Inleiding 2. De regeling in de Rijkswet op het Nederlanderschap 3. Randvoorwaarden voor alternatieven 4. Alternatieven 5. Beantwoording onderzoeksvraa
Achtergronden en recidive onder daders van huiselijk geweld veroordeeld in 2008-2015
For the last 15 to 20 years, domestic violence (abbreviated DV) has been recognized as a major social problem and is high on the political agenda in the Netherlands. Various policy programs have tried to address this health and safety problem. The main goal of these programs is to reduce the extent and severity of domestic violence. The authors have examined the background characteristics and recidivism of DV offenders convicted between 2008 and 2015. The current study is a follow-up of the recidivism study among all convicted DV offenders in the Netherlands between 2008 and 2013. The following research questions were answered:What are the background characteristics of convicted DV offenders and how do the characteristics of this group compare to the characteristics of the total group of convicted offenders?What is the recidivism rate among convicted DV offenders: What percentage of the DV offenders came back into contact with the criminal justice system within two years of their DV criminal case (prevalence of recidivism)? How does the prevalence of recidivism for this group compare to the prevalence of recidivism for the total group of convicted offenders?How do recidivism rates among convicted DV offenders develop over time, taking into account shifts in the background characteristics of offenders over time?Sinds 15 à 20 jaar wordt huiselijk geweld erkend als een groot maatschappelijk probleem en staat het hoog op de politieke agenda in Nederland. Middels verschillende beleidsprogramma’s is en wordt getracht dit gezondheids- en veiligheidsprobleem aan te pakken. Het belangrijkste doel van de programma’s is het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld. In dit rapport staan de achtergronden en recidive centraal van daders van huiselijk geweld (HG-daders) die in de periode 2008 tot en met 2015 onherroepelijk zijn veroordeeld voor een dergelijk delict. De onderhavige studie maakt deel uit van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HG-daders dat medio 2016 van start is gegaan. De huidige studie betreft een vervolg op een eerdere recidivemeting onder alle HG-daders in Nederland die in 2008 tot en met 2013 hiervoor veroordeeld zijn (zie link bij: Meer informatie). De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: Wat zijn de achtergrondkenmerken van de veroordeelde HG-daders? Hoe verhouden de achtergrondkenmerken van deze groep zich tot de kenmerken van alle veroordeelde daders? Wat is het recidivebeeld van veroordeelde HG-daders: welk deel van de HG-daders kwam binnen twee jaar na de strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? Hoe verhoudt de recidiveprevalentie van deze groep zich tot de recidiveprevalentie van alle veroordeelde daders? Wat is de ontwikkeling van de recidive bij de veroordeelde HG-daders door de jaren heen rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over de tijd
De noodzaak van aanpassing van strafvorderlijke wetgeving
This research aims to contribute to the modernisation of the Dutch Code of Criminal Procedure. Criminal procedures are digitalised more and more. Information is more often available in a digital form and work processes are becoming increasingly more digital too. It is considered desirable to promote and advance digitalisation further. The modernised code should not constitute impediments to attain this goal. The Dutch Minister of Justice and Security has taken the position that the code should be as technology-neutral as possible. Our research has found an answer to the question whether the current Code of Criminal Procedure contains such obstacles and, if so, how they can be removed. However, not all aspects of criminal procedure have been examined. The research was based on the starting point that information becomes available during the criminal proceedings. This means, for instance, that the rules on investigative powers has not been taken into consideration. This research has focused on three main themes: (1) the forms that digital information can take, (2) the way in which digital information is processed and how one can take cognizance of such information, and (3) the use of digitally available information as evidence.Dit onderzoek beoogt een bijdrage te leveren aan de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. De strafvordering wordt steeds meer gedigitaliseerd. Informatie komt vaker in digitale vorm beschikbaar en de werkprocessen worden digitaler. Het wordt wenselijk geacht om verdergaand te digitaliseren. Het gemoderniseerde wetboek zou daarvoor geen obstakels moeten bevatten. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft zich op het standpunt gesteld dat het wetboek zoveel mogelijk techniekonafhankelijk zou moeten zijn. De vraag die in dit onderzoek is beantwoord, is de vraag of het huidige Wetboek van Strafvordering dergelijke obstakels bevat en, wanneer dit het geval is, op welke wijze deze zouden kunnen worden weggenomen. Daarbij zijn niet alle aspecten van de strafvordering onderzocht. Als vertrekpunt is gekozen dat informatie beschikbaar komt in de strafvordering. Dat betekent dat bijvoorbeeld de normering van opsporingsbevoegdheden buiten beschouwing is gebleven. Er zijn drie hoofdthema’s onderzocht: (1) de vorm waarin informatie digitaal wordt vastgelegd, (2) de wijze waarop digitale informatie wordt verwerkt en waarop daarvan kan worden kennisgenomen en (3) het gebruik van digitaal beschikbare informatie als bewijsmiddel. INHOUD: 1. Inleiding 2. De digitalisering van de strafvordering: een stand van zaken 3. In acht te nemen mensenrechten, beginselen en belangen 4. Informatieproducten 5. Dossiervorming en kennisneming van strafvorderlijk relevante informatieproducten 6. Strafrechtelijk bewijs 7. Een strafzaak anno 2033 8. Noodzakelijke wijzigingen van de strafvorderlijke wetgeving 9. Conclusies en aanbevelinge