WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Governance Long-term Production Prognosis migration chain (full text only available in Dutch)
The long-range production forecast (Meerjaren Productie Prognose, MPP) is a recurrent survey of official forecasts for the executive services in the migration chain, including the IND, COA, DT&V, KMar and other chain partners. The MPP is used for the financial cycle and provides annual forecasts that are updated every six months on behalf of various processes (such as asylum, immigrant detention or naturalisation). The MPP is drawn up by a working group of chain partners and therefore it is a product of the migration chain. Due to this, questions may arise about its independence and the possibility of improper influence. To anticipate discussions a study is commissioned on the pros and cons observed by those involved if the MPP would be executed by a research institute outside the migration chain.De Meerjaren Productie Prognose (MPP) is een periodiek overzicht van ambtelijke prognoses voor de uitvoeringsdiensten in de migratieketen, waaronder de IND, het COA, de DT&V, de KMar en andere ketenpartners. De MPP wordt gebruikt voor de financiële cyclus en voorziet in jaarlijkse prognoses die elk halfjaar worden geüpdatet voor verschillende processen (zoals asiel, vreemdelingenbewaring of naturalisaties). De MPP wordt opgesteld door een werkgroep van ketenpartners en is dus een product van de migratieketen. Hierdoor kunnen vragen rijzen over de onafhankelijkheid en de mogelijkheid van oneigenlijke beïnvloeding. Om discussie hierover voor te zijn, heeft het WODC opdracht gegeven voor een onderzoek naar de voor- en nadelen die betrokkenen zien van de uitvoering van de MPP door een onderzoeksinstelling buiten de migratieketen. Het onderzoek is tussen juni en oktober 2020 uitgevoerd met documentstudie, interviews met ketenpartners en vertegenwoordigers van onafhankelijke onderzoeksinstellingen buiten de keten (met name Rijkskennisinstellingen) en een expertmeeting. INHOUD: 1. Aanleiding en doel onderzoek 2. Het MPP-proces, 3. Enkele andere prognoses: verkenning, 4. Voor- en nadelen, 5. Discussie en conclusi
Reliable sources of information on International developments regarding the policy domain of justice and security (Full text only available in Dutch)
It is of importance to be well-informed on international trends and developments that will likely affect the justice and security domain, in order to create effective policy. It is therefore that the Ministry of Justice and Security has requested research into international developments that will affect the five aforementioned policy themes in the near future. Furthermore, the Ministry has requested an overview of reliable sources of information on these developments, that can supply the necessary insights to its international policy officers. The requested end-result of the project was an infographic that combined the international developments and reliable sources of information.In opdracht van het WODC verkende onderzoeksbureau Significant APE de belangrijkste te verwachten ontwikkelingen die de komende vijf jaar van invloed zullen zijn op de beleidsagenda van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Het betreft – voornamelijk internationale – ontwikkelingen, zoals de toename van de internationale georganiseerde ondermijnende criminaliteit, een toename van de inzet van ransomware, migratie vanuit conflictgebieden naar de EU, de veranderende verhoudingen tussen grootmachten, de opkomst van nieuwe drugs en de toename van internationale drugscriminaliteit, de afbreuk van de echtsstaat in enkele EU-landen, een toegenomen gebruik van technologie door terroristische groeperingen en statelijke verstoring en inmenging. Hiernaast bracht het onderzoek de meest relevante data- en informatiebronnen in beeld voor het volgen van de geïdentificeerde ontwikkelingen. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Onderzoeksmethode, 3. Resultaten, 4. Betrouwbare bronnen, 5. Infographic, 6. Slotbeschouwin
Tussenrapport beleidslogica en kader voor evaluatie/monitoring
Op 17 juni 2018 heeft de minister voor Rechtsbescherming, minister Dekker, het visiedocument ‘Recht doen, kansen bieden: naar effectievere gevangenisstraffen’ naar de Tweede Kamer gestuurd. Het visie-document gaat over de wijze waarop gevangenisstraffen worden uitgevoerd vanuit het perspectief van de geloofwaardigheid van straffen en de bescherming van de maatschappij. Het is een uitwerking van het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ uit 2017. Centrale thema’s zijn de aanpassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling (verder: v.i.) bij langere vrijheidsstraffen, een systeem van straffen en belonen in detentie en een verder versterkte inzet op vermindering van recidive. De Wet straffen en beschermen (verder: Wet senb), waarin veel elementen uit het visiedocument een plaats hebben gekregen, wordt op 1 mei 2021 van kracht. Om de evaluatie voor te bereiden en daarmee tevens inzicht te geven in het evaluatiekader heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) besloten om een voorbereidend onderzoek uit te laten voeren. Dit onderzoek is dus niet de evaluatie zelf, maar blikt daarop vooruit en beoogt te bevorderen dat er een goede kennisbasis voor de latere evaluatie is. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Beleidslogica, 3. Vooruitblik evaluatie Wet senb en Visi
Prevalence Monitor for Domestic Violence and Sexual Violence 2020 (full text only available in Dutch)
The Prevalence Monitor for Domestic Violence and Sexual Violence (PHGSG) describes the nature and extent to which domestic violence and sexual violence occur in the Netherlands. Domestic violence involves acts of violence such as physical violence, coercive control, stalking and sexual violence committed by someone in the domestic circle. The term "domestic circle" refers to the social relationship between victim and perpetrator, i.e. family members, relatives and (ex-)partners. The figures in this PHGSG are based on an internet survey among a sample of the Dutch population aged 16 years and older (approximately 14.3 million people). The survey was conducted from the beginning of March to the end of April 2020. About a week after the start of data gathering a socalled "lockdown" due to the corona pandemic was declared. The possible effects of this lockdown on the investigation is be discussed in this publication. One hundred thousand people were approached for the investigation. More than 30 thousand people have completed the questionnaire, a response of 30.5 percent. This large number of respondents enables us to make reliable and detailed statements about the prevalence of domestic violence and sexual violence in the Netherlands.De Prevalentiemonitor huiselijk geweld en seksueel geweld (PHGSG) beschrijft de aard en de mate waarin huiselijk geweld en seksueel geweld in Nederland voorkomen. Bij huiselijk geweld gaat het om vormen van geweld als fysiek geweld, dwingende controle, stalking en seksueel geweld die gepleegd worden door iemand uit de huiselijke kring. De term ‘huiselijke kring’ heeft betrekking op de sociale relatie tussen slachtoffer en pleger. Tot de huiselijke kring worden gezins- en familieleden en ook eventuele (ex-)partners gerekend. De cijfers in deze PHGSG zijn gebaseerd op een internetenquête onder een steekproef van de Nederlandse bevolking van 16 jaar en ouder (ongeveer 14,3 miljoen personen). Het onderzoek is gehouden van begin maart tot eind april 2020. De uitvraag was net een week gaande toen de zogeheten ‘lockdown’ in het kader van de coronapandemie werd afgekondigd. Over de mogelijke effecten van deze lockdown op het onderzoek wordt in deze publicatie gerapporteerd. Voor het onderzoek zijn honderdduizend personen benaderd. Ruim 30 duizend personen hebben de vragenlijst ingevuld, een respons van 30,5 procent. Dit grote aantal respondenten maakt het mogelijk om betrouwbare en gedetailleerde uitspraken te doen over de prevalentie van huiselijk geweld en seksueel geweld in Nederland. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Verbale agressie in huiselijke kring, 3. Fysiek geweld in huiselijke kring, 4. Dwingende controle in huiselijke kring, 5. Stalking door ex-partner, 6. Niet-fysieke seksuele intimidatie, 7. Fysiek seksueel geweld, 8. Online seksuele intimidatie, 9. Huiselijk geweld en seksueel geweld in samenhang bekeken, 10. Totaal huiselijk geweld en totaal seksueel gewel
Inquiry into an SCBA-Guide for Justice and Security (full text only available in Dutch)
In the Netherlands, social cost-benefit analysis (SCBA) has been used more and more often in decision-making over the past twenty years. A General SCBA guideline has been drawn up and SCBA guides are available for various policy areas. Occasionally, SCBAs are also carried out for the Ministry of Justice and Security. However, there is no guide yet for SCBA of policies of the Ministry. Against this background the following research questions are formulated: 1. Is a SCBA guide for the Justice and Security domain necessary? 2. Which follow-up steps are necessary to arrive at such a guide (or to better tailor existing SCBA guidelines to the JenV domain)?Maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) wordt de afgelopen twintig jaar steeds vaker toegepast bij beleidsafwegingen. Er is een Algemene MKBA-leidraad opgesteld en er zijn MKBAwerkwijzers voor diverse beleidsterreinen. Ook voor het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) worden af en toe MKBA’s uitgevoerd. Voor het JenV-beleid is er echter nog geen werkwijzer. MKBA’s zorgen voor een beter beeld van de merites van beleid en helpen om de besluitvorming beter te informeren. Een MKBA kan worden gebruikt om het Integraal Afwegingskader (IAK) in te vullen, als onderbouwing van beleidsplannen en wetgevingsvoorstellen. MKBA’s sluiten ook aan bij het streven van de operatie “Inzicht in kwaliteit” die gericht is op beter inzicht in de resultaten van beleid en het benutten van deze inzichten om de maatschappelijke waarde van beleid te vergroten. Tegen deze achtergrond zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: 1. Is een sectorspecifieke werkwijzer voor het JenV-domein nodig? 2. Welke vervolgstappen zijn nodig om tot een sectorspecifieke werkwijzer voor het JenV-domein te komen (of het bestaande MKBA-instrumentarium beter toe te snijden op het JenV-domein)? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Wenselijkheid van een JenV-werkwijzer, 3. Vervolgstappen, 4. Conclusie
Schorsende werking van rechtsmiddelen bij bestuurlijke boetes
This difference between administrative law and criminal law, with regard to the suspensive effect of remedies, has led to the following problem definition.How, from a normative and empirical point of view respectively, should the absence, as a general rule, of suspensive effect of objection and appeal against fining decisions be assessed?Is there any reason for providing for a statutory provision that would suspend the implementation of administrative fines during the phase of legal protection against administrative fines?This problem definition has been broken down into the following sub-questions: - Why does objection or appeal against a fining decision have, as a general rule, no suspensive effect in Dutch administrative law? - What are the exceptions to this general rule, and on which grounds are they based? - What is the relationship between the absence of suspensive effect of objection and appeal against a fining decision, and the presumption of innocence? - What is the significance, in this context, of the preliminary relief proceedings? - How do administrative bodies, in practice, deal with their power to collect administrative fines? - To what extent does the making of a payment arrangement play a role in this?Het verschil in schorsende werking van rechtsmiddelen tussen bestuursrecht en strafrecht heeft aanleiding gegeven tot de volgende probleemstelling. Hoe dient het als hoofdregel ontbreken van schorsende werking van bezwaar en beroep tegen boetebesluiten uit normatief respectievelijk empirisch oogpunt te worden beoordeeld? Is er reden om, overeenkomstig het strafrecht, te voorzien in een wettelijke regeling waarmee de effectuering van bestuurlijke boetes wordt geschorst gedurende de fase van rechtsbescherming tegen bestuurlijke boetes? Deze probleemstelling is uitgesplitst in de volgende deelvragen: - Waarom heeft bezwaar of beroep tegen een boetebesluit in het Nederlandse bestuursrecht als hoofdregel geen schorsende werking? - Welke uitzonderingen zijn er op deze hoofdregel en op welke gronden? - Hoe verhoudt de afwezigheid van schorsende werking van bezwaar en beroep tegen een boetebesluit zich tot het onschuldvermoeden? - Welke betekenis komt in dit verband de voorlopigevoorzieningenprocedure toe? - Hoe gaan bestuursorganen in de praktijk om met hun bevoegdheid tot invordering van bestuurlijke boetes? - In hoeverre speelt het treffen van een betalingsregeling daarbij een rol? INHOUD: 1. Inleiding 2. Schets van de problematiek; inrichting van het onderzoek 3. Normatief-juridische onderzoeksbevindingen 4. Empirisch-juridische onderzoeksbevindingen 5. Beantwoording onderzoeksvrage
Evaluatie van de Wet uitbreiding gronden voorlopige hechtenis
This report holds the evaluation into the ‘Act on the extension of the grounds for pre-trial detention’ (Wet Uitbreiding gronden voorlopige hechtenis, Wugvh) in the Netherlands. The purpose of the Act is ‘to extend the possibilities for the application of pre-trial detention in the event of violence in the public domain and violence against public officials, with a view to a speedy trial of the suspect’ (Explanatory Memorandum, p. 1). The purpose of our study was to examine to what extent the ‘expedited proceed-ings-ground’ (snelrechtgrond) introduced by this Act contributes to a swift response to crimes committed in places accessible to the public and/or committed against public officials. The research consisted of (i) literature research, (ii) desk research, (iii) semi-structured interviews among examining judges, judges, public prosecu-tors and criminal defence lawyers, (iv) an online survey among examining judges and (v) an expert meeting with a judge and three public prosecutors.In dit rapport wordt verslag gedaan van het evaluatieonderzoek naar de Wet uitbreiding gronden voorlopige hechtenis (hierna: Wugvh). Het doel van de wet is om ‘bij geweld in de publieke ruimte en geweld tegen personen met een publieke taak de mogelijkheden voor de toepassing van voorlopige hechtenis te verruimen met het oog op een snelle berechting van de verdachte’ (memorie van toelichting, p. 1).Het doel van het onderzoek was om na te gaan in hoeverre de middels deze wet ingevoerde ‘snelrechtgrond’ bijdraagt aan een snelle en door de wetgever gewenste reactie op strafbaar gedrag op een voor het publiek toegankelijke plaats of jegens personen met een publieke taak. Het onderzoek bestond uit: (i) literatuuronderzoek, (ii) deskresearch, (iii) semi-gestructureerde interviews onder rechterscommissarissen, politierechters, officieren van justitie en advocaten, (iv) een online enquête onder rechters-commissarissen en (v) een expertmeeting met een rechter en drie officieren van justitie. INHOUD: 1. Voorlopige hechtenis in Nederland 2. Met de Wugvh samenhangende processen 3. De wetsgeschiedenis van de Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis 4. De snelrechtgrond in de praktijk 5. Beantwoording van de onderzoeksvragen 6. Evaluatie en conclusie
Evaluatie Wet Auteurscontractenrecht
The Dutch Copyright Contract Act, which entered into force on 1 July 2015, aims to strengthen the contractual position of authors and performers vis-à-vis the exploiters of their works. A secondary objective, which is mainly reflected in the statutory rights to a fair remuneration, is to strengthen the earning possibilities of independent authors and performers when works are successfully exploited.This study presents the results of this evaluation, for which a combination of research methods has been applied. Apart from conducting interviews with practitioners (authors and exploiters from the most relevant sectors, lawyers and other expert stakeholders), the relevant legislative history, jurisprudence, (grey) literature, policy documents, parliamentary papers and position papers of stakeholders have been analysed. Furthermore, an inventory and analysis was made of the complaints handled and submitted to the dispute resolution committee to date, and of the case law known to the researchers in which the Copyright Contract Act played a role. Finally, available model and standard contracts and contracts used in practice were examined.De Wet Auteurscontractenrecht (Wet ACR), die op 1 juli 2015 in werking is getreden, heeft ten doel de contractuele positie van auteurs en uitvoerende kunstenaars ten opzichte van de exploitanten van hun werk te verstevigen. Een nevendoel, dat vooral tot uitdrukking komt in de door de wet toegekende vergoedingsrechten, is het versterken van de verdienmogelijkheden van zelfstandige makers en uitvoerend kunstenaars wanneer werken succesvol worden geëxploiteerd. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is door de regering toegezegd dat de wet vijf jaar na inwerkingtreding wordt geëvalueerd.De algemene onderzoeksvraag van deze evaluatie is derhalve: Wat zijn tot op heden de effecten van de invoering van de Wet ACR op de contractpraktijk, en welke knelpunten en onduidelijkheden hebben zich bij de toepassing van de wet tot op heden voorgedaan? INHOUD: 1. Inleiding 2. Wet Auteurscontractenrecht 3. Afzonderlijke wetsbepalingen 4. Collectieve regeling 5. Samenvatting en conclusie
Eindrapport
The Public Administration Probity Screening Act (Wet Bibob) was implemented in 2003 to protect the integrity of government agencies. The competences and measures of the Act should prohibit that the government unintentionally cooperates in facilitating criminal behaviour and laundering of money generated by criminal activities. The Act provides competences to government agencies to gather infor-mation on legal entities that apply for permits or subsidies, or that bid for government contracts. The purpose of the study is to provide insight into the implementation of the Extension Act (2013), in particular with regard to the amendments that have been laid down in the Act.De reikwijdte van de Wet Bibob is na een evaluatie in 2007 (M.C. de Voogd, F. Doornbos, en L.C.L. Huntjens, Evaluatie Wet Bibob; eenmeting, Berenschot, 2007) uitgebreid via een wetswijziging. Deze beoogde tevens de informatiepositie van de bestuursorganen te verbeteren en de rechtspositie van betrokkenen te versterken, naast enkele wetstechnische verbeteringen. Ook is de rol van de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) in de Bibob-procedure geformaliseerd. Per 1 juli 2013 trad de gewijzigde Wet Bibob in werking. Deze evaluatie gaat over de uitbreiding van de bevoegdheden zoals die in de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob van 2013 is vastgelegd. De belangrijkste nieuwe elementen hierin zijn: de uitbreiding van het werkingsgebied van de wet met de nieuwe terreinen; de aanpassingen met als doel de informatiepositie van de bestuursorganen te verbeteren; de verbetering van de rechtspositie van de betrokkenen; de wijzigingen met betrekking tot de advisering door het Landelijk Bureau Bibob (LBB); de gewijzigde rol van de Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC’s). INHOUD: 1. Inleiding 2. Aanpassingen in de Uitbreidingswet (2013) 3. Implementatie van de Uitbreidingswet (2013) 4. Toepassing van de Uitbreidingswet (2013) 5. Randvoorwaarden, knelpunten en neveneffecten 6. Conclusi
Het recht op privacy in horizontale verhoudingen
Fundamental rights, such as the right to privacy, are primarily aimed at the protection of citizens against the state. But citizens may also violate the fundamental rights of others. For that reason, it is imperative to assess the extent to which fundamental rights (more specifically, the right to privacy) provide protection in ‘horizontal relationships’. The topic of privacy violations in horizontal relationships is aimed at violations committed in the context of (i) actions of citizens towards each other and (ii) the relationship between citizens and legal persons (companies, associations, etc.). The protection of horizontal privacy is differentiated from the protection of vertical privacy, which concerns the relationship a citizen has with the state.This research addresses a problem statement that can be divided into three sub-statements:What lessons can be learned from the approach taken by other European countries with regards to the protection of horizontal privacy?To what extent can these solutions be applied in the context of the Netherlands?Are there any undesirable consequences or side-effects associated with the opportunities to provide effective protection to horizontal privacy in the Netherlands?The countries that are involved in the legal comparative analysis are: Germany, Poland, Sweden and the United Kingdom.Grondrechten, zoals het recht op privacy, zijn primair gericht op het beschermen van de burger tegen de staat. Maar ook tussen burgers onderling kunnen (ernstige) aantastingen van grondrechten plaatsvinden. Om die reden is het van belang om te onderzoeken in hoeverre grondrechten, meer in het bijzonder het recht op privacy, ook bescherming bieden in ‘horizontale verhoudingen’. In de initiatiefnota onderlinge privacy van het Tweede Kamerlid Koopmans (wordt het probleem van privacyschendingen in horizontale verhoudingen gesignaleerd. Met privacyschendingen in horizontale verhoudingen wordt gedoeld op privacyschendingen tussen burgers onderling en tussen burgers en rechtspersonen (bedrijven, verenigingen et cetera). Horizontale privacybescherming onderscheidt zich daarmee van de verticale privacybescherming, die betrekking heeft op de relatie burger-overheid. In dit onderzoek staat een drieledige probleemstelling centraal: Wat kan Nederland leren van de wijze waarop de horizontale privacy in andere Europese landen is beschermd? In hoeverre zijn deze oplossingen inpasbaar in de Nederlandse context? Zijn er onwenselijk geachte effecten of neveneffecten te verbinden aan deze mogelijkheden voor een betere horizontale privacybescherming in Nederland? De landen die zijn betrokken in de rechtsvergelijking zijn: Duitsland, Polen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. INHOUD: 1. Inleiding 2. Privacyschendingen in horizontale verhoudingen: probleemschets 3. Waarden en belangen in het geding bij horizontale privacyschendingen 4. Het recht op privacy 5. De horizontale werking van grondrechten 6. Gegevensbeschermingsrecht 7. Strafrecht 8. Administratief recht, mededingingswetgeving en consumentenbescherming 9. Civiel recht 10. Aansprakelijkheid van producenten, distributeurs en (internet)tussenpersonen 11. Overige mechanismen 12. Overzicht wettelijke normering horizontale privacyschendingen 13. Analyse en synthese 14. Samenvatting en conclusies 15. Literatuurlijst 16. Bijlagen 17. Samenvatting 18. Summar