WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Violence and agression against care workers and other professional groups working under the policy responsibility of the Ministry of Justice and Security (full text only available in Dutch)
A literature search into violence against care workers and other professional groups working under the policy responsibility of the Ministry of Justice and Security was conducted. The report leads to conclusions about the nature and extent of violence and aggression against professional groups, the available knowledge about it, its implications for practice and policy and, finally, possible implications for the research agenda for the future. The professional groups targeted in the study are police officers, firefighters, ambulance employees, special investigating officers (known as boa’s), traffic controllers, prison staff, members of probation services, employees of youth welfare institutions, employees in the migration chain, including employees of the Immigration and Naturalisation Service (IND) and asylum seekers centres, and public transport employees. The key issues in this study were: 1. The influencing factors described in the literature (physical environment, opportunity, substance use, group pressure, anonymity and offender and victim profile) when it comes to aggression and violence against these professional groups. 2.How does aggression and violent behaviour affect the work experience of the above-mentioned professional groups and what are possible and effective approaches, (perspectives for action) that can lead to reduction, or elimination of this behaviour against professionals with a public duty?Er is een literatuuronderzoek verricht naar geweld tegen hulpverleners en andere beroepsgroepen die werken onder de beleidsverantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Het rapport mondt uit in conclusies over de aard en omvang van geweld en agressie tegen beroepsgroepen, de beschikbare kennis daaromtrent, de implicaties daarvan voor de praktijk, beleid en onderzoeksagenda voor de toekomst. De beroepsgroepen waarop het onderzoek zich richt zijn handhavers, te weten politieambtenaren, boa’s in de openbare ruimte en verkeersregelaars, hulpverleners, te weten ambulancemedewerkers, en dienstverleners, te weten brandweermensen, gevangenismedewerkers, medewerkers van de reclassering, medewerkers van jeugdzorginstellingen, medewerkers in de migratieketen, waaronder medewerkers van de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) en asielzoekerscentra, en openbaarvervoermedewerkers. In de studie stond de volgende probleemstelling centraal: Wat zijn in de literatuur beschreven beïnvloedende factoren in de context(en) (fysieke omgeving, gelegenheid, middelen gebruik, groepsdruk, anonimiteit en dader- en slachtofferprofiel) als het gaat om agressie en geweld jegens deze beroepsgroepen? Wat zijn mogelijke en effectief gebleken oplossingsrichtingen (handelingsperspectieven) die kunnen leiden tot het verminderen of wegnemen van agressie en geweld jegens mensen met een publieke taak? INHOUD: Inleiding, Methodologie, Aard en omvang agressie en geweld, Factoren die leiden tot agressie en geweld, Maatschappelijke ontwikkelingen, Handelingsperspectieven Resultatenhoofdstuk, Conclusies en aanbevelingen, Literatuur
Dutch National Risk Assessment on Terrorist Financing 2019
Dutch policy to prevent and combat terrorist financing is based on the recommendations of the Financial Action Task Force (FATF) and European Union (EU) directives and regulations. Article 7 of this directive obliges EU Member States to implement a risk-based policy against money laundering and terrorist financing and to establish a National Risk Assessment (NRA). In 2017 the Research and Documentation Centre (WODC) carried out the first NRA on terrorist financing and on money laundering for the European part of the Netherlands (see: externe link). A year later, the WODC also conducted an NRA on both topics for the Caribbean Netherlands: the islands Bonaire, Sint Eustatius and Saba (see: externe link). A second NRA for the European Netherlands on terrorist financing has been carried out by the WODC, with the aim of identifying the greatest risks in the field of terrorist financing. These are terrorist financing risks with the greatest residual potential impact. To this end, the terrorist financing threats with the greatest potential impact have been identified, an estimate has been made of the impact these threats can have and the ‘resilience’ of the policy instruments aimed at preventing and combating terrorist financing has been determined.Het Nederlandse beleid ter preventie en bestrijding van terrorismefinanciering is gebaseerd op de aanbevelingen door de Financial Action Task Force (FATF) en regelgeving van de Europese Unie (EU). In 2017 heeft het WODC een eerste National Risk Assessment (NRA) Witwassen en NRA Terrorismefinanciering uitgevoerd voor het Europese deel van Nederland (zie: externe link). Een jaar later heeft het WODC op beide terreinen ook voor Caribisch Nederland – ofwel de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba – een NRA uitgevoerd (zie: externe link). Voor Europees Nederland is in 2019-2020 een tweede NRA Terrorismefinanciering uitgevoerd, die als doel heeft om de grootste risico’s op het terrein van terrorismefinanciering in kaart te brengen. De risicoanalyse is opgebouwd aan de hand van de ISO 31000 structuur voor risicomanagement en de daarin wetenschappelijk erkende effectieve methoden voor risicobepaling. Parallel aan de uitvoering van de tweede NRA Terrorismefinanciering is de tweede NRA op het terrein van witwassen uitgevoerd (voor Europees Nederland). INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksmethodiek 3. Achtergronden bij de financiering van terrorisme 4. Wat maakt Nederland kwetsbaar voor terrorismefinanciering 5. Inzicht in de grootste dreigingen op het terrein van terrorismefinanciering 6. Weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium 7. Grootste risico's op het terrein van terrorismefinanciering 8. Conclusie
Knelpunten en mogelijke oplossingen
In het nieuwe opvangmodel voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s) dat sinds 2016 geldt, worden jongeren met een afgewezen asielaanvraag apart opgevangen van jongeren met een verblijfsstatus. Op deze manier kunnen ze begeleid worden naar een toekomst die in principe in het land van herkomst ligt, terwijl de jongeren met een verblijfsstatus begeleid worden richting integratie in Nederland. Deze factsheet beschrijft hoe de toekomstgerichte begeleiding van AMV’s met een afgewezen asielaanvraag eruitziet en welke knelpunten en mogelijke oplossingen er zijn met betrekking tot zowel deze begeleiding als aantoonbaar, vrijwillig vertrek uit Nederland. De bevindingen zijn gebaseerd op acht focusgroepen met begeleiders (mentoren en jeugdbeschermers) van deze jongeren en met overige betrokkenen uit verschillende organisaties (49 deelnemers in totaal).Voor de begeleiders van AMV’s met een afgewezen asielaanvraag is het meest prominente knelpunt de bespreekbaarheid van een toekomst in het land van herkomst: jongeren willen het er niet over hebben en mentoren vinden het op hun beurt moeilijk om het onderwerp aan te kaarten. Andere knelpunten zijn: onvoldoende tijd om te investeren in een betere vertrouwensrelatie, een negatieve groepsdynamiek in de opvang, verwachtingen van mentoren en jeugdbeschermers die niet altijd overeenkomen betreffende elkaars taakverdeling, een onderwijssysteem dat gericht is op integratie en een starre Internationale Schakel Klas. Ten tijde van de focusgroepen was het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) bezig met het doorvoeren van het traject ‘Toekomstperspectief van AMV gericht op terugkeer’ dat gericht is om de toekomstgerichte begeleiding van afgewezen AMV’s te verbeteren.Er zijn verschillende knelpunten die in de weg staan van vrijwillige terugkeer van afgewezen jongeren: ouders en/of jongeren die niet mee willen werken aan terugkeer of jongeren die niet terug willen naar hun ouders, het stellen van uitgeprocedeerde jongeren in vreemdelingenbewaring (of het dreigen daarmee), het beëindigen van begeleiding en opvang bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd, lange doorlooptijden van verblijfsrechtelijke procedures, het gebrek aan een ondersteunend netwerk en aan langdurige herintegratiemogelijkheden na terugkeer. Sommige van deze knelpunten kunnen ertoe leiden dat jongeren uit de opvang vertrekken met onbekende bestemming. Het inzetten van kindvriendelijke informatie en communicatietechnieken vanaf het begin van de asielprocedure, het afschaffen van vreemdelingenbewaring voor AMV’s, langdurige begeleiding van teruggekeerde jongeren en monitoring van hun situatie in het herkomstland zijn oplossingen die aangedragen zijn voor vrijwillige, duurzame terugkeer van AMV’s
New forms of swindling and fraud (full text only available in Dutch)
ARTICLES: : 1. Corona crisis and fraud: four possible relationships, 2. Fishing with a new rod: an investigation into payment request fraud, 3. Fraud and scams on Telegram Messenger. Results from a netnographic study, 4. Romance scams, dating fraud and ‘sweetheart swindles’. The loss of money, happiness and face, 5. Who will get their money back? Victims’ actions for compensation in bank fraud, 6. Social engineering: digital fraud and deception, 7. Our cyber behavior is much more unsafe than we think. Implications for effective government influence policyARTIKELEN: Clarissa Meerts en Wim Huisman - Coronacrisis en fraude: vier mogelijke relaties Joke Rooyakkers en Marleen Weulen Kranenbarg - Vissen met een nieuwe hengel: een onderzoek naar betaalverzoekfraude Robby Roks en Nahom Monshouwer - F-gamers die ‘mapsen’, ‘swipen’ en ‘bonken’: een netnografisch onderzoek naar fraude en oplichting op Telegram Messenger Jildau Borwell - Helpdeskfraude in Nederland Raoul Notté - Het verlies van geld, geluk en gezicht; Romance scams, datingfraude en ‘sweetheart swindles’ Johan van Wilsem, Take Sipma en Esther Meijer-van Leijsen - Wie krijgt zijn geld terug? Acties van slachtoffers tot schadevergoeding bij bankfraude Dieke Miltenburg - Resultaten van een awareness-training in het herkennen van phishingmails 8. Jan-Willem Bullée en Marianne Junger - Social engineering: digitale fraude en misleiding; een metaanalyse van studies naar de effectiviteit van interventies Anouk van de Beek - Wat maakt een cyber awareness-campagne effectief? Rick van der Kleij, Susanne van ’t Hoff-de Goede, Steve van de Weijer en Rutger van de Leukfeldt - Ons cybergedrag is veel onveiliger dan we zelf denken; implicaties voor effectief beïnvloedingsbeleid door de overheid. SAMENVATTING: Oplichting en fraude zijn niet nieuw, maar daders gaan wel met hun tijd mee. Veel vormen van oplichting en fraude hebben zich bijvoorbeeld verplaatst naar het internet, waarbij daders hun methoden moesten aanpassen aan het digitale domein. Inmiddels is dit type criminaliteit wijdverspreid. Uit het door het CBS uitgevoerde onderzoek Digitale Veiligheid en Criminaliteit blijkt dat in 2018 in totaal 1,2 miljoen mensen slachtoffer werden van digitale criminaliteit. Ook andere maatschappelijke ontwikkelingen zorgen voor een nog sterkere toename of veranderingen in dergelijke criminaliteitsvormen. De huidige coronacrisis zorgt bijvoorbeeld voor een nog sterkere toename van oplichting via het internet. In dit themanummer van Justitiële verkenningen belichten we nieuwe vormen van oplichting en fraude die zich vooral (maar niet uitsluitend) manifesteren in communicatie via internet, e-mail en digitale applicaties zoals betaalapps. We richten het vizier op de daders en hun slachtoffers. Welke methoden hanteren daders, en hoe kunnen zij succesvol zijn via nieuwe kanalen? Welke schade wordt aangericht en hoe gaan slachtoffers met die schade om? Hoe kunnen burgers weerbaarder worden gemaakt tegen deze nieuwe criminaliteitsvormen? De langere artikelen worden in dit themanummer afgewisseld met korte kaderteksten waarin een specifieke nieuwe vorm van oplichting of een aspect van de aanpak daarvan centraal staat. Oplichting via phishing en valse betaalverzoeken, dating- en identiteitsfraude, ze komen allemaal aan de orde in dit themanummer, dat daarnaast ruim aandacht besteed aan slachtofferschap en de effectiviteit van methoden om weerbaarheid tegen fraude te bevorderen middels voorlichting en training
Een onderzoek naar de haalbaarheid en eerste resultaten
Op 1 april 2014 is het adolescentenstrafrecht in werking getreden. Met de komst van het adolescentenstrafrecht is een flexibele toepassing van het jeugd- en volwassenenstrafrecht voor justitiabelen in de leeftijd van 16 tot 23 jaar mogelijk. Afhankelijk van de juridische condities ‘persoon van de dader’ en ‘omstandigheden waarin het feit is gepleegd’ kan bij een strafzaak tegen een jongvolwassene gekozen worden voor de toepassing van een sanctie uit het jeugdstrafrecht (d.w.z. artikel 77c lid 1 Wetboek van Strafrecht [Sr.] toepassen). Voor 16- en 17-jarigen geldt dat zij onder bepaalde voorwaarden berecht kunnen worden volgens het volwassenenstrafrecht (d.w.z. artikel 77b lid 1 Sr. toepassen). Het huidige onderzoek is een onderdeel van het meerjarig onderzoeksprogramma Monitoring en Evaluatie van het adolescentenstrafrecht. Het doel van deze haalbaarheidsstudie is om te achterhalen hoe de monitoring van de recidive van voor het adolescentenstrafrecht relevante groepen vorm kan worden gegeven. In toekomstige trendrapportages van de monitor jeugdcriminaliteit en de recidivemonitor kan dan ook over de recidive van deze onderzoekgroepen gerapporteerd worden. INHOUD: 1. Inleiding 2. Registratiesystemen 3. Zaken van minderjarigen berecht volgens volwassenenstrafrecht 4. Zaken van jongvolwassenen berecht volgens jeugdstrafrecht 5. Recidive 6. Conclusi
Dutch National Risk Assessment on Money Laundering 2019
Dutch policy to prevent and combat money laundering is based on the recommendations of the Financial Action Task Force (FATF) and European Union (EU) directives and regulations. The majority of the FATF’s recommendations has been adopted into the (amendments of the) fourth EU Anti-Money Laundering Directive, applicable to all EU Member States. Article 7 of this directive obliges EU Member States to implement a risk-based policy against money laundering and terrorist financing and to establish a National Risk Assessment (NRA). In 2017 the Research and Documentation Centre (WODC) carried out the first NRA on money laundering and on terrorist financing for the European part of the Netherlands (see link at: More information). A year later, the WODC also conducted an NRA on both topics for the Caribbean Netherlands: the islands Bonaire, Sint Eustatius and Saba. A second NRA for the European Netherlands on money laundering has been carried out by the WODC, with the aim of identifying the greatest risks in the field of money laundering. These are money laundering risks with the greatest residual potential impact. To this end, the money laundering threats with the greatest potential impact have been identified, an estimate has been made of the impact these threats can have and the ‘resilience’ of the policy instruments aimed at preventing and combating money laundering has been determined.Het Nederlandse beleid ter preventie en bestrijding van witwassen is gebaseerd op de aanbevelingen door de Financial Action Task Force (FATF) en regelgeving van de Europese Unie (EU). In 2017 heeft het WODC een eerste National Risk Assessment (NRA) Witwassen en NRA Terrorismefinanciering uitgevoerd voor het Europese deel van Nederlandf( zie: externe links). Een jaar later heeft het WODC op beide terreinen ook voor Caribisch Nederland – ofwel de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba – een NRA uitgevoerd (zie: externe links). Voor Europees Nederland is in 2019-2020 een tweede NRA Witwassen uitgevoerd, die als doel heeft om de grootste risico’s op het terrein van witwassen in kaart te brengen. De risicoanalyse is opgebouwd aan de hand van de ISO 31000 structuur voor risicomanagement en de daarin wetenschappelijk erkende effectieve methoden voor risicobepaling. Parallel aan de uitvoering van de tweede NRA Witwassen is de tweede NRA op het terrein van terrorismefinanciering uitgevoerd (voor Europees Nederland). INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksmethodiek 3. Wat maakt Nederland kwetsbaar voor witwassen? 4. Inzicht in de grootste dreigingen op het terrein van witwassen 5. Weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium 6. Grootste witwasrisico's in Nederland 7. Conclusie
De wet 'vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie' een jaar in werking
The Dutch Act on the ‘Recording and storage of number plate data by the police’ entered into force on 1 January 2019. Based on the new Section 126jj of the Dutch Code of Criminal Procedure (hereinafter referred to as ‘126jj’), the police may record and store the number plate data of passing vehicles using designated cameras for a period of 28 days. The data may be inspected during that period for the purpose of investigating a crime or apprehending persons at large.The central research question in this monitoring report is as follows: In what way are number plates that have been stored on the basis of the Dutch Act on the ‘Recording and storage of vehicle registration data by the police’ (wet ‘Vastleggen en bewaren kentekengegevens door de politie’) used in criminal investigations and what role do the data play in criminal investigations?Op 1 januari 2019 is de wet “Vastleggen en bewaren kentekengegevens door de politie” in werking getreden. Op basis van het nieuwe artikel 126jj Wetboek van Strafvordering (hierna aangeduid als 126jj) is het voor de politie mogelijk om door middel van daarvoor aangewezen camera’s kentekengegevens van passerende voertuigen te registreren en op te slaan voor een periode van 28 dagen. Deze gegevens kunnen gedurende deze periode worden opgevraagd ten behoeve van de opsporing van een misdrijf of van voortvluchtige personen. De centrale onderzoeksvraag van deze monitor is als volgt: Op welke wijze wordt in de opsporing gebruikgemaakt van kentekens die op basis van de wet ‘Vastleggen en bewaren kentekengegevens door de politie’ worden opgeslagen en welke rol spelen deze gegevens in de opsporing? Een nadere beschouwing van de bevindingen volgt nadat de wet twee jaar in werking is, in een wetsevaluatie die in 2021 zal verschijnen. INHOUD: 1. Inleiding 2. Juridisch kader 126jj 3. Privacy Impact Assessment 4. Ontwikkeling van ANPR in Nederland 5. Bestaande ANPR-bevoegdheden en -toepassingen 6. ANPR-camera's in het kader van 126jj 7. 126jj in de praktijk 8. Opsporingsproces 9. Slotbeschouwin
Onderzoeksprogramma naar de toepassingen van de Wet langdurig toezicht in 2017-2022
There is a new law in the Netherlands, in which long-term supervision, treatment and monitoring of ex-delinquents and former forensic psychiatric patients is arranged, the Law on long-term supervision (LLTS).The goal of the LLTS is to provide more adequate supervision on possible recidivists among sex offenders, on a specific group of violent offenders and on patients who have been imposed a tbs-order. This measure entails disposal to be treated on behalf of the state (Article 37a.1 Dutch Criminal Code (DCC) and is a court-ordered sentence for people who have committed violent crimes and who have been declared partially or completely unaccountable for these crimes due to severe mental disorders.The TBS order either involves mandatory treatment n a closed forensic psychiatric hospital (Art. 37b.2 DCC) or is served in the community while abiding by certain conditions (Art. 38.1 DCC). Tbs-orders are executed in a specific part of the prison system (and not in the health system as in many other countries). This report encompasses the research program that has been set up for an evaluation of the LLTS.Er is een nieuwe wet die langdurig toezicht, behandeling en monitoring van ex- delinquenten en -tbs-gestelden regelt, de Wet langdurig toezicht (WLT). De tbs-maatregel kan, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, worden opgelegd aan personen die vanwege gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis een strafbaar feit hebben gepleegd waar een strafdreiging van vier jaar of meer op staat (art. 37a lid 1 Wetboek van Strafrecht [Sr]). De WLT is deels 1 januari 2017 en deels 1 januari 2018 in werking getreden. Het doel van de WLT is het effectiever toezicht houden op mogelijke recidivisten onder zeden- en zware geweldsdelinquenten en tbs-gestelden. De WLT moet zoals gebruikelijk voor nieuwe wetten na vijf jaar worden geëvalueerd. Daarnaast is aan de Tweede Kamer toegezegd (jaarlijkse) monitoring van de werking van de WLT te verrichten en haar daarover te informeren. In het onderhavige rapport is een onderzoeksprogramma opgesteld dat als startpunt dient voor deze evaluatie.Het huidige rapport kent als doel het schrijven van een meerjarig onderzoeksplan voor jaarlijkse monitoring van de toepassingen van de WLT in 2017-2022 en de effectevaluatie van de WLT in 2023. De onderzoeksvragen zijn: Welke hoofd- en deelvragen over de toepassing en de effecten van de WLT moeten worden opgenomen in het onderzoeksprogramma? Met welke onderzoeksmethoden worden de hoofd- en deelvragen over de toepassingen en de effecten van de WLT beantwoord? Welke hoofd- en deelvragen worden beantwoord in de monitorrondes en wat is de meest geschikte termijn van deze monitoring? Welke hoofd- en deelvragen over de toepassingen en effecten van de WLT worden na vijf jaar beantwoord? Is het van toegevoegde waarde om de toepassingen en effecten van de WLT ook langer dan vijf jaar na inwerkingtreding te evalueren en zo ja, welke termijn(en) is (zijn) dat? Welke organisaties en welke databases worden gebruikt voor de registratie van de toepassing van de drie onderdelen van de WLT? Welke gegevens worden al geregistreerd door de verschillende bij onderzoeksvraag bepaalde instanties en welke gegevens missen nog om jaarlijkse monitoring en de standaardevaluatie van de WLT na vijf jaar mogelijk te maken
Een verkennend onderzoek
Under the motto ‘Supervision that matters’, the Inspectorate of Justice and Security (IJenV) aims to contribute to a just and secure society. Not only is the Inspectorate itself changing, but also the environment in which it fulfils its supervisory role. The Inspectorate wants to understand how to supervise effectively amid increasing societal complexity.More specifically, the question that is central to this study is: ‘Can the Inspectorate of Justice and Security further develop its supervisory approach and governance structure to take more account of the increasing societal complexity and functioning in chains and networks, and if so, how?’ The study is qualitative and exploratory in nature; ultimately, it aims to find ways with which the Inspectorate can improve its supervisory approach.Onder het motto ‘Toezicht dat ertoe doet’ wil de Inspectie Justitie en Veiligheid bijdragen aan een rechtvaardige en veilige samenleving. Daarbij is niet alleen de Inspectie zelf in beweging, maar ook de omgeving waarin de Inspectie haar toezichtsrol uitoefent. De Inspectie wil weten hoe goed toezicht te houden te midden van toenemende maatschappelijke complexiteit. Meer concreet is de vraag die centraal staat in dit onderzoek: ‘Of en zo ja, hoe de Inspectie Justitie en Veiligheid haar toezichtsaanpak en governancestructuur verder kan ontwikkelen zodanig dat meer recht wordt gedaan aan de toenemende maatschappelijke complexiteit en het functioneren in ketens en netwerken’.Het onderzoek is kwalitatief van aard en heeft daarnaast een verkennend karakter; uiteindelijk wordt gezocht naar manieren waarop de Inspectie haar toezichtsaanpak (nog) beter gestalte kan geven. INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksaanpak 3. Resultaten huidige omgang krachtenvelden 4. Resultaten verdieping en kleuring a.d.h.v. dialogen met relevante actoren 5. Resultaten synthese 6. Conclusie en reflecti
Study on foreign funding of religious institutions in the Netherlands (full text only available in English)
In the Netherlands, religious institutions are responsible for funding their own religious activities. Based on the principle of separation of church and state, the Dutch government has not contributed to funding religious institutions and their activities since 1982. Religious institutions, therefore, primarily rely on donations from within their own community. In addition, they can raise funds from other private individuals, foundations and private organisations. Like any other organisation, religious institutions are not bound by the national borders in their fundraising activities. However, the desirability of such foreign funding to religious institutions has been subject to a public debate in the Netherlands, which has primarily focused on Islamic institutions.In 2015, a feasibility study conducted by RAND Europe into this topic found that the available information was insufficient to make a reliable estimate of the total size of foreign funding of Islamic institutions. Therefore, a bottom-up approach was chosen for this study: information on funding sources would be requested from the religious institutions themselves. In addition, this study has a broader focus than previous research, as it is not limited to Islamic institutions. Instead of analysing the total size of foreign funding, this study focuses on the relative size of foreign funding of the religious institutions: on the one hand relative vis-à-vis the other sources of funding of the institutions within a denomination; and on the other hand relative vis-à-vis other religious movements or communities. The central question of this study was: What is the relative size and nature of foreign funding of religious institutions between the largest denominations in the Netherlands and inside the relevant movements or branches of these denominations and to what extent is the funding combined with undesirable influence?Vanuit de gedachte ‘wie betaalt, bepaalt’ bestaan er zorgen over ongewenste beïnvloeding van religieuze instellingen vanuit onvrije landen. Deze zorgen richten zich met name op nationalistische invloed via religieuze instellingen en op invloed door religieuze stromingen die een andere rechtsorde voorstaan dan de Nederlandse democratische rechtsstaat.Aangezien een haalbaarheidsstudie door RAND naar dit onderwerp in 2015 had uitgewezen dat de beschikbare informatie tekortschoot om tot een betrouwbare inschatting van de totale omvang van buitenlandse financiering van moskeeën te komen, werd in de opzet van dit onderzoek gekozen voor een bottom-up benadering, waarbij informatie wordt opgevraagd bij de religieuze instellingen zelf. Daarnaast is het onderzoek breder opgezet dan eerder onderzoek, door het onderzoek niet te beperken tot islamitische instellingen maar het te richten op de grootste kerkgenootschappen en geloofsgemeenschappen in Nederland: kerken, parochies en gemeenten aangesloten bij de Rooms-Katholieke Kerk (RKK), Protestantse Kerk in Nederland (PKN), Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), Gereformeerde Gemeenten, Christelijke Gereformeerde Kerken, Hersteld Hervormde Kerk en de Anglicaanse Kerk in Nederland, evenals een groot aantal migrantenkerken en alle identificeerbare moskeeën. De aandacht van het onderzoek gaat uit naar de jaren na publicatie van het vorige RAND-rapport: de periode 2016-2019. In plaats van de totale omvang van buitenlandse financiering is dit onderzoek gericht op de relatieve omvang van buitenlandse financiering aan deze instellingen: enerzijds relatief ten opzichte van de totale inkomsten van de instellingen binnen een religieuze stroming en anderzijds ten opzichte van andere religieuze stromingen of geloofsgemeenschappen.De centrale vraagstelling van dit onderzoek luidt derhalve: Wat is de relatieve omvang en aard van buitenlandse financiering aan religieuze instellingen tussen de grootste denominaties in Nederland en binnen relevante stromingen of afsplitsingen van deze denominaties en in hoeverre gaat deze financiering gepaard met ongewenste beïnvloeding? INHOUD: 1. Introductie 2. Doelstelling en aanpak 3. Religieuze instellingen in Nederland en hun financiën 4. Resultaten enquête 5. Resultaten van het bureauonderzoek 6. Casestudies 7. Conclusies en reflecti