WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Estimates of foreigners unlawfully residing in the Netherlands 2017 - 2018 (Full text only available in Dutch)
The problem definition for the new research is as follows: What was the estimated size of the population of foreigners residing unlawfully in the Netherlands in the period mid-2017 to mid-2018? What is the trend of the estimated size of the number of foreign nationals without lawful residence in the Netherlands when the new estimate is compared with the previous estimates? What certainty can be attached to the estimate? The main purpose of the estimates is to be able to follow the development of the size and composition of the population of foreign nationals lacking right of residence.Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft ten behoeve van het vreemdelingenbeleid behoefte aan een beeld van de ontwikkeling van het aantal onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Sinds 2000 worden er daarom schattingen gemaakt van het aantal vreemdelingen in Nederland zonder verblijfsrecht. De probleemstelling voor het nieuwe onderzoek luidt als volgt: 1. Wat was in de periode medio 2017-medio 2018 naar schatting de omvang van de populatie van onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen? 2. Wat is de trendmatige ontwikkeling van de geschatte omvang van het aantal vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland, wanneer de nieuwe schatting met de vorige schattingen wordt vergeleken? 3. Welke zekerheid kan aan de schatting worden verbonden? Een inschatting van de mate van zekerheid van de nieuwe schatting voor het jaar medio 2017 – medio 2018, wordt verkregen door triangulatie, het maken van schattingen voor dezelfde periode met andere methoden en databronnen en het volgens een systematiek vergelijken van de resulterende schattingen. Er wordt een triangulatie uitgevoerd van de nieuwe populatieschatting gemaakt met het afgeknotte Poisson regressiemodel en schattingen gemaakt met de alternatieve methoden die in het vooronderzoek naar voren kwamen. Om na te gaan of bij de illegalenschatting triangulatie mogelijk is en, indien ja, welke methoden en data daarbij kunnen worden ingezet, is er een vooronderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Breuer & Intraval (zie link bij: Meer informatie). INHOUD: Voorwoord, Samenvatting, Summary, 1. Inleiding, probleemstelling, onderzoeksvragen, 2. Schattingsmethoden, 3. Data, 4. Schattingen, Bijlage
Policy Instrument and Extremists Worldviews: An Exploratory Report (full text only available in Dutch)
This policy research focusses on how different extremist groups or individuals perceive government policy instruments, how they respond to them, and how government policies relate to their self-identification. In doing so, it explores the paradox of modern democracy: How does a democratic society deal with the undemocratic elements in its midst? Whether it is the use of repressive means against demonstrations, or the reintegration programmes for repatriating the Dutch foreign fighters in Syria, the government is involved in the 'governance' of possibly undemocratic elements. Conversely, extremist groups react to government policies; a key aspect of political activism, whether extremist or not, is to challenge the status quo. In this report, we analyse the interaction between the Dutch authorities and groups and individuals designated as extremist or radicals in relation to the various policy instruments aimed at those involved. To investigate this interaction, the following question was formulated in consultation with the WODC: What does the government aim to effectuate with policy instrument directed at religiously motivated extremists as such compared to other extremist groups? How do these groups perceive such policy instruments and how does that relate to their actions and selfidentification?Dit beleidsonderzoek gaat over hoe verschillende extremistische groepen of individuen beleidsinstrumenten van de overheid percipiëren, hoe zij daarop reageren en de relatie van dit overheidsbeleid met hun zelfidentificatie. Daarmee onderzoekt het de paradox van de moderne democratie: Hoe gaat een democratische samenleving om met de ondemocratische elementen in haar midden? Of het gaat om de inzet van repressieve middelen bij demonstraties, of om de re-integratieprogramma’s voor terugkerende Syriëgangers, de overheid is te allen tijde actief betrokken bij de ‘governance’ van eventueel ondemocratische elementen. Omgekeerd reageren extremistische groepen op hun beurt weer op dit overheidsbeleid; een kernaspect van al dan niet extremistisch politiek activisme is het uitdagen van de status quo. Het is deze wisselwerking tussen overheid en extremistische groepen en individuen over de verschillende beleidsinstrumenten gericht op de betrokkenen die we in dit rapport beschrijven en analyseren. Om deze wisselwerking te onderzoeken is in samenspraak met het WODC de volgende probleemstelling geformuleerd: Welke werking beoogt de overheid met beleidsinstrumenten die zijn gericht op in overheidsbeleid als zodanig benoemde religieus gemotiveerde extremisten in vergelijking met andere extremistische groepen? Hoe percipiëren deze groepen dergelijke beleidsinstrumenten en hoe verhoudt zich dat tot hun handelen en zelfidentificatie? INHOUD: Inleiding, 1. Groepen in het veld: definities en plaatsing, 2. Beleid gericht tegen radicalisering, extremisme en terrorisme, 3. Actierepertoires, 4. Alternatieve kennisbronnen, 5. Identiteiten en subjectiviteiten, 6. Conclusi
Recidivism during and after supervision by the Probation and Parole Service (full text only available in Dutch)
During supervision, offenders must comply with conditions as part of (conditional) criminal justice interventions or sanctions (e.g., conditional suspension of pre-trial detention, conditional dismissal, suspended sentences, or parole). In the Netherlands, three Parole and Probation Service organizations (abbreviated as 3RO) are responsible for supervising adult offenders, meaning they both monitor offenders and aid them in their rehabilitation and reintegration. In the current study, we examined recidivism both during and after supervision, with recidivism being ‘a subsequent offense leading to criminal prosecution’. Furthermore, we paid particular attention to specific characteristics of supervision and its correlation with recidivism during and after probation. These characteristics include intensity, length, special conditions, and imposed participation of interventions and community service. The following research questions were answered: 1. What are the characteristics of supervision starting in 2013? 2. To what extent do supervised offenders recidivate during and after probation? a. To what extent does general or very serious crime occur during and after the period of supervision? b. What types of crime are committed during and after supervision? c. How does the risk of general or very serious crime develop during and after supervision? d. Does the risk of general or very serious crime after supervision increase when such crimes also took place during supervision? 3. To what extent do characteristics of supervision correlate with the occurrence of general recidivism during and after supervision?In het huidige onderzoek is nagegaan in hoeverre gerecidiveerd wordt tijdens het toezicht en hoe zich dat verhoudt tot de recidive na het toezicht. Recidive wordt in het huidige onderzoek geoperationaliseerd als ‘een delict dat leidt tot een nieuwe strafzaak behandeld door het Openbaar Ministerie (OM) of door de rechter’. Voorts is er in vergelijking met de standaard recidivemeting meer aandacht besteed aan de samenhang van recidive tijdens en na het toezicht met verschillende uitvoerings-kenmerken van het toezicht. De volgende uitvoeringskenmerken zijn in het onder-zoek betrokken: het niveau van toezicht (intensiteit), de duur van het toezicht, de opgelegde bijzondere voorwaarden naast de meldplicht, het deelnemen aan een gedragsinterventie of het uitvoeren van een werkstraf gelijktijdig met het toezicht. In het huidige onderzoek zijn onderstaande onderzoeksvragen beantwoord: 1 Wat zijn de kenmerken van het toezicht van reclassenten waarvan het toezicht in 2013 is gestart? 2 In hoeverre wordt er gerecidiveerd tijdens en na de periode van toezicht? a. In welke mate is er sprake van algemene en zeer ernstige recidive tijdens en na de periode van toezicht? b. Van welk soort delicten is sprake tijdens en na de periode van toezicht? c. Hoe ontwikkelt de kans op algemene of zeer ernstige recidive tijdens en na het toezicht zich over de tijd? d. Is er een grotere kans op algemene of zeer ernstige recidive na het toezicht als er ook sprake was van algemene of zeer ernstige recidive tijdens het toezicht? 3 Welke uitvoeringskenmerken van het toezicht hangen samen met recidive tijdens en na toezicht
Het hoorrecht en de procespositie van minderjarigen in familie- en jeugdzaken
In Dutch civil law, other than in exceptional cases, children are not competent to participate autonomously as litigants. The principle is that the child’s interests are safeguarded by his or her legal representatives: the parent(s) with parental responsibilities or the legal guardian(s). When the child’s interests are in conflict with the interests of their legal representatives, the judge can appoint a guardian ad litem for the child. Even though children lack competence to participate autonomously in civil law proceedings, they do have to be involved in family and child protection proceedings (according to Book 1 Dutch Civil Code). For children above the age of twelve years, this is embodied in the right to be heard. The central question in this research is if it is desirable and possible to improve the procedural position of children in Dutch civil law and, if so, in what way. To answer this research question, both pedagogical and legal advantages and disadvantages are examined. Thus, this research tackles two aspects: (I) children’s right to be heard in family- and child protection proceedings and (II) the procedural position of children in family- and child protection proceedings.Ondanks dat de minder jarige in beginsel niet procesbekwaam is in civielrechtelijke procedures, moet de minderjarige wel worden betrokken in familie- en jeugdprocedures (boek 1 BW). Dit is voor minderjarigen van twaalf jaar en ouder vormgegeven met een zogenoemd hoorrecht. In dit onderzoek staat de vraag centraal of het mogelijk dan wel wenselijk is om de formele procespositie en het hoorrecht van de minderjarige in het Nederlandse civiele procesrecht uit te breiden en zo ja, op welke wijze. Hierbij wordt onderzocht wat de pedagogische en juridische voor- en nadelen daarvan zouden zijn. Dit onderzoek omvat derhalve twee aspecten: (I) het hoorrecht van minderjarigen in familie- en jeugdprocedures en (II) de procespositie van minderjarigen in familie- en jeugdprocedures. INHOUD: 1. Inleiding 2. Juridische analyse van de procespositie en het hoorrecht van minderjarigen 3. Inzichten van de pedagogische wetenschappen en de neuropsychologie 4. Praktijkonderzoek naar ervaringen met de civiele procespositie van minderjarigen 5. Naar een uitbreiding van de formele procespositie en het hoorrech
Een sociaalwetenschappelijke en rechtsvergelijkende studie
In recent years the position of grandparents is attracting more attention in the Netherlands. Several factors have strengthened the relationship between grandparents and their grandchildren. Women work more changing the social role of grandparents because they mind their grandchildren more. In addition, grandparents have more possibilities to take care of their grandchildren, since their health is generally better and, nowadays, families are smaller as well. At the same time more attention is paid to situations in which grandparents no longer (are allowed to) see their grandchildren. When they are unsuccessful in restoring contact with their (grand)children they can request a contact arrangement in court. To be awarded contact, they have to prove their close relationship with their grandchildren. In this study is looked at the ways in which present and future (legal) instruments may contribute to a contact arrangement between grandchildren and grandparents that will benefit the child involved. What are the causes of the absence of contact between grandparents and their (grand)children? Which legal and non-legal means are there to re-establish this contact or to initiate a contact arrangement? What may contribute to improved contact which serves the child’s interest? Furthermore a study is carried out on case law and comparative law in Belgium, England & Wales and Norway, in order to deal with not only Dutch law, but also to learn from across the borders as well.De aandacht voor de positie van grootouders in het huidige regeerakkoord in het kader van het landelijk beleid ten aanzien van het voorkomen van ‘vechtscheidingen’ hangt samen met de initiatiefnota ‘Opgroeien met opa en oma’, waarin wordt gepleit voor een wettelijk omgangsrecht voor grootouders met hun (klein)kinderen (Tweede Kamerstukken, Vergaderjaar 2017-2018, 33836, nr. 24 en Vergaderjaar 2015-2016, 34168, nr. 4). Ook zouden grootouders recht moeten krijgen op een informatieregeling. Bij echtscheiding van de ouders van het kleinkind zouden af_spraken over een omgangsregeling met de grootouders in het ouderschapsplan kunnen worden vastgelegd. Dit onderzoek geeft antwoord op de vraag of een uitbreiding van de procespositie van grootouders wen_selijk is en in het belang van de kleinkinderen. Door nader inzicht te bieden in welke gevallen, op welke wijze en met welke mogelijke (neven)effecten (bestaande en aanvullende) juridische en niet-juridische instrumenten kunnen bijdragen aan een verbeterde omgang tussen grootouders en (minderjarige) kleinkinderen. Het verkent onder welke omstandig_heden grootouders via de rechter omgang trachten af te dwingen en hoe vaak dit voorkomt. Tevens wordt nagegaan hoe het recht van grootouders op contact/om_gang met/of informatie over hun klein_kinderen wettelijk is geregeld in België, Duits_land en Frankrijk
Een verkenning van gezichtsherkenning en privacyrisico's in horizontale relaties
Facial recognition technology is used to recognize faces or facial features based on digital images (for example a photo or video). For some time, governments have deployed the technology on a limited scale for detection and security purposes but in recent years, it has also become available to businesses and citizens. This opens up a range of opportunities for commercial companies and individuals to identify, track and profile people. This research is based on a broad literature study into automated facial recognition technology and privacy violations for which, in addition to academic literature, news reports, websites, blogs, press releases and brochures have been investigated.Two questions are central to this study:How is facial recognition technology used by Dutch citizens and companies and how can the use of facial recognition technologies by citizens and companies infringe the privacy of citizens (now and in five years)?How can privacy violations, both current and potential, be prevented or limited?Gezichtsherkenningstechnologie wordt ingezet om op basis van digitale beelden (bijvoorbeeld een foto of video), gezichten of gezichtskenmerken te herkennen. De technologie wordt al enige tijd op beperkte schaal ingezet door overheden voor opsporing en beveiliging, maar is sinds kort ook beschikbaar voor bedrijven en burgers. Omdat het aannemelijk is dat gezichtsherkenningstoepassingen in de nabije toekomst op aanzienlijke schaal beschikbaar zullen zijn voor zowel burgers als bedrijven, is het noodzakelijk om in kaart te brengen of, en, zo ja, welke aanpassingen aan het huidige juridische raamwerk en aan andere reguleringsinstrumenten nodig zijn om de privacy van de burger te beschermen. Daarbij is het van belang om op te merken dat dit onderzoek zich uitsluitend richt op het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie in horizontale relaties: relaties tussen bedrijven en burgers en tussen burgers onderling. De inzet van gezichtsherkenningstechnologie in verticale relaties, dat wil zeggen die tussen overheid en burger, is geen onderdeel van dit onderzoek. Om in kaart te brengen wat de huidige juridische middelen zijn om gezichtsherkenningstechnologie te reguleren, is een rechtsverkenning uitgevoerd die zich richt op de rechtsgebieden privacy- en gegevensbescherming, privaatrecht en strafrecht. Daaruit zijn tot slot een aantal reguleringsopties voortgekomen, evenals factoren die van invloed zijn op de keuze tussen de verschillende opties. In dit onderzoek staan twee vragen centraal: Hoe wordt gezichtsherkenningstechnologie door Nederlandse burgers en bedrijven gebruikt en hoe kan het gebruik van gezichtsherkenningstechnologieën door burgers en bedrijven een inbreuk vormen op de privacy van de burger (nu en over vijf jaar)? Hoe kunnen huidige en potentiële privacy-inbreuken worden voorkomen of beperkt? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methodologie 3. Gezichtsherkenning en privacy 4. Domeinstudies 5. Privacy-inbreuken veroorzaakt door het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie: een antwoord op de eerste onderzoeksvraag 6. Rechtsverkenning 7. Reguleringsopties voor het voorkomen of beperken van privacy-inbreuken: een antwoord op de tweede onderzoeksvraag 8. Conclusie
Het begrip 'onvoltooide ontwikkeling' in de toepassing van het adolescentenstrafrecht
Adolescent criminal law (ACL) was implemented in the Netherlands on April 1, 2014. Since then, the application of sanctions from juvenile and adult criminal law for persons between the ages of 16 and 23 has become more flexible. In the prosecution and trial of a young adult the application of both a sanction from juvenile criminal law and a sanction from adult criminal law are possible. The choice depends on the conditions ‘person of the perpetrator’ and ‘circumstances in which the offense was committed’. For people aged 18 to 23 who are suspected of a criminal offense, the question is to what extent the young adult has an ‘incompleted development’. According to the ‘memorandum of explanation’ of the law, in case of ‘incompleted development’ a sanction from juvenile criminal law is preferred instead of a sanction of adult criminal law. The operationalization of the concept ‘incompleted development’ became the task of the Dutch institutions involved in criminal law. In practice, however, uncertainty remains as when to speak about ‘incompleted development’. In individual cases this complicates the choice of applying sanctions from the juvenile criminal law or sanctions from the adult criminal law. The aim of the current research was to provide more clarity about the concept ‘incompleted development’ and how it can be used in the application of adolescent criminal law.Het adolescentenstrafrecht (ASR) is in werking getreden op 1 april 2014. Sinds deze datum is er voor personen in de leeftijd van 16 tot 23 jaar een flexibele toepassing mogelijk van sancties uit het jeugd- en volwassenenstrafrecht. Afhankelijk van de condities ‘persoon van de dader’ en ‘omstandigheden waarin het feit is gepleegd’ kan bij een strafzaak tegen een jongvolwassene gekozen worden voor de toepassing van een sanctie uit het jeugdstrafrecht (JSR) of uit het volwassenenstrafrecht (VSR). Bij personen van 18 tot en met 22 jaar die verdacht worden van een strafbaar feit is de vraag aan de orde in hoeverre er sprake is van ‘onvoltooide ontwikkeling’. Is hier sprake van, dan vormt dit volgens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel invoering ASR een reden om een sanctie op te leggen uit het jeugdstrafrecht in plaats van het volwassenenstrafrecht. De invulling van het begrip ‘onvoltooide ontwikkeling’ heeft de wetgever overgelaten aan de praktijk. In de praktijk blijft er echter onduidelijkheid bestaan over de vraag wanneer er sprake is van ‘onvoltooide ontwikkeling’. Dit bemoeilijkt de keuze voor toepassing van sancties uit het JSR of sancties uit het VSR. Het doel van dit onderzoek was om meer helderheid te verschaffen over het begrip ‘onvoltooide ontwikkeling’ en de wijze waarop dit gebruikt kan worden bij de toepassing van het adolescentenstrafrecht. INHOUD: 1. Aanleiding voor dit onderzoek 2. Onderzoeksvragen en methode van onderzoek 3. Ontwikkelingen tijdens de adolescentie en jongvolwassenheid 4. Dimensies en signalen 5. Vergelijking van de dimensies en signalen met de items uit de huidige instrumenten 6. Afstemming tussen huidige instrumenten en tussen ketenpartners bij de afweging ASR 7. Samenvatting, conclusies en discussi
Een rechtsvergelijkende studie
On 25 April 2018, the Dutch House of Representatives put questions to the Minister of Justice and Security on whether aggravating circumstances in acts of violence with a racist, anti-Semitic, or homophobic motive, should be included in the law. In response, the Minister proposed having comparative research conducted on the presence and application of the discriminatory motive in the criminal justice system of other countries. The research provides an answer to the following question: In what way is discrimination in certain Member States of the European Union considered as a circumstance that contributes to sentencing, and what benefits and problems does this give rise to in practice?To provide an insight into the context within which the EU Member States operate, Chapter 2 sets out the contours of the international framework. This framework is significant in relation to the impact of international law and international mechanisms on the development of antidiscrimination law in the countries we studied, in so far as this concerns discrimination as a circumstance that affects sentencing. The study continues by looking at five countries: France, Belgium, Italy, Germany, and Ireland.Op 25 april 2018 werden vanuit de Tweede Kamer vragen gesteld aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het al dan niet in de wet opnemen van strafverzwarende omstandigheden bij geweld met een racistisch, antisemitisch of homofoob oogmerk. In zijn reactie stelt de minister voor rechtsvergelijkend onderzoek te laten verrichten naar het bestaan en gebruik van een discriminatoir motief in de strafrechtspleging van andere landen. In dit onderzoek wordt de volgende onderzoeksvraag beantwoord: Op welke wijze wordt in enkele andere lidstaten van de Europese Unie discriminatie als strafbeïnvloedende omstandigheid betrokken bij de straftoemeting en tot welke voor- en nadelen leidt dat in de (rechts)praktijk? Om inzicht te bieden in de context waarbinnen de EU-lidstaten functioneren, is allereerst het internationaal kader geschetst. Dat kader is mede van belang gelet op de invloed van het internationaal recht en internationale mechanismen op de vormgeving van het recht in de onderzochte landen, voor zover het discriminatie als strafbeïnvloedende omstandigheid betreft. Vervolgens richt het onderzoek zich op vijf landen: Frankrijk, België, Italië, Duitsland en Ierland. Het andere deelonderzoek betreft cijfers en praktijkervaringen (zie link hiernaast)
Cijfers en praktijkervaringen
The aim of the study is to examine to what extent policy intensifications in the legal approach to discrimination since 2015 have contributed to the more intensive inclusion of a discrimination aspect in the criminal charges and sentencing and the transparency thereof. The results of the study will examine to what extent there is reason to include a discrimination aspect as an aggravating circumstance in law.In de huidige Aanwijzing Discriminatie (2018A009) worden commune delicten met een discriminatieaspect – afgekort tot CODIS-feiten – als volgt omschreven: Het gaat dan bijvoorbeeld om delicten als mishandeling, openlijke geweldpleging, eenvoudige belediging, bedreiging, opruiing, vernieling, brandstichting of doodslag waarbij een discriminatieaspect ex artikel 137c Sr als motief of aanleiding heeft gespeeld, of gebruikt is om het delict indringender te plegen. Ook als het discriminatieaspect is gelegen in een genderidentiteit die niet past bij het geboortegeslacht wordt dit beschouwd als een commuun delict met discriminatieaspect. Het doel van het onderzoek is om na te gaan in hoeverre de beleidsintensiveringen in de strafrechtelijke aanpak van discriminatie sinds 2015 hebben bijgedragen aan het intensiever betrekken van een discriminatieaspect bij de strafeis en straftoemeting en de inzichtelijkheid daarvan. Met de resultaten van het onderzoek wordt bezien in hoeverre er aanleiding is een discriminatieaspect als strafverzwarende omstandigheid op te nemen in de wet. Het andere deelonderzoek betreft een rechtsvergelijking (zie link hiernaast). INHOUD: 1. Inleiding 2. Registratie van discriminatiezaken 3. Inzicht in discriminatiezaken 4. Discriminatieaspect als strafverzwaring 5. Aandacht voor het discriminatieaspect 6. Conclusie
State of the Art: Crisis Management Phase 2 (full text only available in Dutch)
The NCTV set out ‘State of the art’ investigations in the field of cyber security, (counter)terrorism and crisis management. These ‘states of the arts’ are part of a program that focuses on realizing an NCTVwide research agenda. PLATO and ISGA have carried out the first phase of this ‘state of the art’ research in crisis management. This report focuses on the second phase research building upon the knowledge and literature of the first phase. Based on the conclusions of the first phase, the WODC formulated the following problem definition: What, according to the scientific literature, is the latest state of affairs with regard to the domain of crisis management, building on the results of phase 1 (Lakerveld & Matthys, 2019). Three research questions have been formulated based on this problem definition. 1) Which trends in types of risks and crises can be identified, and how to deal with them in the context of crisis management? 2) Which factors promote the effectiveness and timeliness of crisis management at meso (organizational) and micro (individual) level? How can these factors be influenced? What does this mean for decision-making during crisis management in the Dutch context? 3) In what way can factors that contribute to effectiveness be influenced in such a way that theycontribute to the quality (efficiency and effectiveness) of crisis management/disaster mitigation?De NCTV laat state of the art onderzoeken uitvoeren op het gebied van cybersecurity, (contra) terrorisme en extremisme op het gebied van crisisbeheersing. Deze states of the arts zijn onderdeel van een programma dat zich richt op het realiseren van een NCTV-brede onderzoekagenda. PLATO en ISGA hebben in deze state of the art onderzoeken de eerste fase van het overkoepelende onderzoek naar crisisbeheersing uitgevoerd. In dit rapport staat het tweede fase onderzoek centraal waarin is voortgebouwd op de kennis en literatuurbestanden van het eerste fase onderzoek. Op grond van de conclusies van het eerste fase onderzoek is de volgende probleemstelling geformuleerd: Wat is volgens de wetenschappelijk literatuur de laatste stand van zaken met betrekking tot het domein crisisbeheersing voortbouwend op de resultaten van het onderzoek state of the art crisisbeheersing fase 1 (Lakerveld & Matthys, 2019). Aan de hand van deze probleemstelling zijn drie onderzoeksvragen geformuleerd. 1. Welke trends in soorten risico’s en crises en de omgang daarmee in het kader van crisisbeheersing kunnen worden vastgesteld? 2. Welke factoren bevorderen op meso-(organisatie) en micro-(individueel) niveau de effectiviteit en tijdigheid van crisisbeheersing? Op welke wijze zijn deze factoren te beïnvloeden? Wat betekent dit concreet voor de besluitvorming tijdens crisisbeheersing in de Nederlandse context? 3. Op welke wijze zijn factoren die bijdragen aan effectiviteit zo te beïnvloeden dat daarmee een bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteit (doelmatigheid en doeltreffendheid) van de crisisbeheersing/rampenbestrijding? INHOUD: 1. Samenvatting, 2. Inleiding, 3. Opzet van het onderzoek, 4. Het analyseren van crisismanagement, 5. Onderzoeksresultaten, 6. Conclusies, 7. Conclusies bezien in het licht van de Covid-19 crisis, 8. Literatuur, 9. Bijlagen, 10. Executive summar