WODC Repository
Not a member yet
    3500 research outputs found

    Verkenning van mogelijkheden voor de evaluatie van de volledigheid, realisatie en impact van de Nederlandse Cybersecurity Agenda op de digitale weerbaarheid van Nederland

    No full text
    The Dutch National Cyber Security Agenda (NCSA) was established in 2018 as a successor of the National Cyber Security Strategies I and II. The NCSA comprises the Dutch governmental strategy for increasing the cyber resilience of Dutch society. It contains seven ambitions with underlaying objectives and measures that allow for realisation. At the launch of the agenda, an evaluation was promised. However, it was not determined how such an evaluation should take place. This report explores the possibilities for the NSCA evaluation. The central question for the NCSA evaluation is to what extent the NCSA has made the Netherlands more cyber resilient.De steeds verdere digitalisering van de wereld brengt veel economische en maatschappelijke kansen, maar brengt aan de andere kant ook kwetsbaarheden en bedreigingen in zowel het digitale als fysieke domein met zich mee. Een goed nationaal beleid op het gebied van digitale weerbaarheid is daarom belangrijk. De Nederlandse Cybersecurity Agenda (NCSA) beschrijft de ambities van de Nederlandse regering op het gebied van digitale weerbaarheid voor de komende jaren. De NCSA bestaat uit zeven ambities met daaronder meerdere doelstellingen en maatregelen. Dit onderzoeksrapport presenteert een raamwerk dat de essentiële facetten van digitale weerbaarheid combineert en operationaliseert om de NCSA in brede zin en op systematische en effectieve wijze te kunnen evalueren. Drie evaluatiemethoden en strategieën om de volledigheid, realisatie en impact van de NCSA op de Nederlandse digitale weerbaarheid te evalueren aan de hand van het raamwerk worden geschetst. Tot slot geeft het aanbevelingen voor toekomstige strategische agenda’s op het terrein van cybersecurity en de evaluatie ervan. INHOUD: 1. Inleiding 2. NCSA: achtergrond en analyse 3. Digitale weerbaarheid 4. NCSA evaluatieraamwerk 5. Evaluatiemogelijkheden NCSA 6. Samenvatting en conclusie

    Informatie-uitwisseling landelijk dekkend stelsel cybersecurity

    Get PDF
    In this study we use the following starting point with regard to the nationwide network of cybersecurity partnerships: the ideal of a nationwide network is realized when every party in the Netherlands is 'reached' and has access to the cybersecurity information he needs. Parties are 'reached' by the system if they know where to turn to in case of questions or problems with cybersecurity. The underlying research aims to provide insights into the problem that has just been posed, and has the following overarching research question: Which target groups with regard to the non-critical parties are not yet reached, in what way - and via which departments - would this be possible, and what needs to be done concretely to achieve this? A country comparison was made of the nationwide cybersecurity network in Engeland, France and Germany.In dit onderzoek hanteren we het volgende uitgangspunt met betrekking tot het landelijk dekkend stelsel van cybersecuritysamenwerkingsverbanden: het ideaal van een landelijk dekkend stelsel is gerealiseerd als elke partij in Nederland wordt ‘bereikt’ en toegang heeft tot de cybersecurity-informatie waar hij behoefte aan heeft. Partijen worden door het stelsel ‘bereikt’ indien ze weten waar ze terecht kunnen in geval van vragen over of problemen met cybersecurity.Het onderliggend onderzoek beoogt inzichten op te leveren voor het zojuist gestelde probleem, en heeft de volgende overkoepelende onderzoeksvraag: Welke doelgroepen met betrekking tot de niet-vitale partijen worden nu nog niet bereikt, op welke wijze - en via welke vakdepartementen - zou dat wel lukken en wat moet daar concreet voor gebeuren?In dit onderzoek is ook gekeken naar het cybersecuritystelsel in Engeland, Frankrijk en Duitsland. INHOUD: 1. Inleiding 2. Betekenis van cybersecurity, en de kaders en doelen van het Nederlands cybersecuritystelsel 3. Het Nederlands stelsel en de (on)mogelijkheden bij informatie-uitwisseling 4. Maatregelen, informatiebehoeften en het bereik van het Nederlandse stelsel 5. Oplossingsrichtingen voor het bereiken van alle partijen 6. Conclusie

    Fase 2

    No full text
    This RAND Europe report is part of that process to develop an overview of the ‘state-of-the-art’ knowledge in the area of cybersecurity, which was divided in two phases. In Phase 1 of this study, RAND was commissioned to perform an initial scan of cybersecurity-related research and the subtopics discussed in this field, as well as to highlight underexposed subjects that deserve more attention. The overarching aim of Phase 1 was to discern which current cybersecurity topics would merit further exploration through additional research in Phase 2. From the list of priority research areas that emerged from Phase 1, the NCTV prioritised two of the four themes for further examination in Phase 2: 1. Cybersecurity governance from a national security perspective; and 2. Critical infrastructure security and protection.Er zijn vier thema’s geïdentificeerd als de meest urgente en relevante onderwerpen voor de NCTV: 1. Cybersecurity-governance vanuit het perspectief van de nationale veiligheid; 2. Vertrouwen in informatie en data; 3. De beveiliging van vitale infrastructuur; en 4. Veiligheid van de supply chain. De NCTV heeft twee van deze vier thema’s geselecteerd voor verder onderzoek in Fase 2, te weten: 1. Cybersecurity-governance vanuit het perspectief van de nationale veiligheid; en 2. De beveiliging van vitale infrastructuur. INHOUD: Preface, Summary, Figures, Tables, Boxes, Abbriviations, Acknowledgements, 1. Introduction, 2. Cybersecurity governance in the Netherlands, 3. Managing cybersecurity capabilities and skills required for national security, 4. Measuring performance for cybersecurity policymaking, 5. Recommendations for the NCTV to improve cybersecurity governance, 6. Critical infrastructure and technology, 7. Critical infrastructure and cybersecurity maturity, 8. Critical infrastructure and improving cybersecurity, 9. Recommendations for the NCTV to improve critical infrastructure protection and cybersecurity, 10. Summary and conclusions, References, Annexe

    Nature, scope and consequences of appeals to the right of non-disclosure for the duration of criminal investigations (full text only available in Dutch)

    No full text
    Legal privilege (and the resulting right not to disclose privileged client information) serves the public interest of citizens being able to turn freely to lawyers or civil law notaries without fearing disclosure of what has been entrusted to them in their professional capacity. Additional privileged professions where confidentiality applies, include doctors and clerics. A confidential relationship is essential for the practice of these professions and, in the case of legal privilege, for the functioning of the rule of law. Practitioners of privileged professions have the opportunity to invoke their right of nondisclosure in certain situations. If privileged documents are seized in the context of a criminal investigation, a lawyer or civil law notary can invoke their right of non-disclosure, thereby declaring that the material cannot be subject to analysis by investigative services. In the Netherlands several investigative services and the judiciary have drawn attention to the fact that procedures regarding the seizure of (potentially) privileged material can take a very long time. This warrants research into the nature, scope and processing time of claims regarding legal privileged material, as well as the consequences of their substantial processing times for criminal investigations. The central research question is: What is the nature and scope, and what are the consequences of appeals to the right of non-disclosure for the duration of criminal investigations?Het professioneel verschoningsrecht dient het hoger algemeen belang van de vertrouwensrelatie tussen uitoefenaars van specifieke geheimhoudingsberoepen en hun cliënten. Geheimhoudingsberoepen zijn artsen, geestelijken, advocaten en notarissen. Een vertrouwensrelatie is noodzakelijk voor de uitoefening van deze beroepen en voor het goed functioneren van de rechtsstaat. Uitoefenaars van geheimhoudingsberoepen kunnen zich daarom in voorkomende situaties beroepen op het professioneel verschoningsrecht. Wanneer er verschoningsgerechtigd materiaal in beslag wordt genomen in het kader van strafrechtelijk onderzoek, kan een geheimhouder zich beroepen op zijn verschoningsrecht, waarmee hij verklaart dat deze stukken niet ingezien mogen worden door de opsporingsdiensten. Diverse bij de opsporing betrokken partijen alsmede de rechtspraak, signaleren een probleem in de lange doorlooptijden van de procedure bij inbeslagneming van (mogelijk) verschoningsgerechtigd materiaal. Het is daarom van belang te onderzoeken wat de aard, de omvang en de doorlooptijden van de beroepen op het professioneel verschoningsrecht zijn, alsook wat de gevolgen van substantiële doorlooptijden zijn voor strafrechtelijk onderzoek. De centrale probleemstelling van het onderzoek is: Wat is de aard en omvang en wat zijn de gevolgen van beroepen op het professioneel verschoningsrecht voor doorlooptijden van strafrechtelijk onderzoek? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Proces van het professioneel verschoningsrecht, 3. Verschoningsrecht in de praktijk, 4. Conclusies RECTIFICATIE 31 MAART 2021: In januari verscheen op de website van het WODC het rapport: ‘Beroepen op het professioneel verschoningsrecht. Doorlooptijden en gevolgen voor strafrechtelijk onderzoek.’ Na het verschijnen van het rapport bleek een passage in de tekst aanleiding te kunnen geven tot verwarring. Het betreft de vraag in hoeverre het voor de officier van justitie mogelijk is om in beroep te gaan tegen een beslissing van de rechter-commissaris inzake de inbeslagneming van stukken waartoe de verschoningsgerechtigde geen toestemming verleende. Tegen deze beslissing kan de officier niet in beroep gaan op grond van artikel 98 Sv.. De tekst van de betreffende passages is aangepast

    Criminal buildings -the facilitating role of private homes and business premises in undermining crime in the Netherlands and four EU countries (full text only available in Dutch)

    No full text
    This research project is the result of a parliamentary vote in which the government was asked to consider how private landlords and housing corporations may be warned of the criminal intentions of potential users. The aim is to offer municipalities, housing corporations and bona fide private landlords instruments for the prevention and tackling of undermining activities. To this end, there is an increasing need for more knowledge about and insight into the nature and scope of the crime-facilitating function of residential and commercial premises in the Netherlands, and insight into which instruments are used in other countries. This objective has been translated into eight research questions. Dutch situation: 1. How do residential and/or commercial premises play a role in facilitating undermining crime in the Netherlands? 2. What is (estimated) the extent of the facilitating role of residential and commercial premises in undermining crime in the Netherlands? 3. To what extent are there differences in nature and size between regions in the Netherlands? 4. Which indicators cited in the literature point to the facilitating role of residential and commercial premises in undermining crime in the Netherlands? And do the same indicators apply within urban and rural regions? International comparison: 5. How do residential and/or commercial premises play a role in facilitating undermining crime in countries comparable to those of the Netherlands, and which indicators are known for this in those countries? 6. Which instruments, both preventive and repressive, are used in the countries involved in this research to counter this and what is the legal framework within which these instruments are used? 7. What are the positive and negative experiences in the countries involved in this study in combating the facilitating role of residential and commercial premises in undermining crime, and what advantages and disadvantages are experienced in using the various instruments? 8. Which instruments, from the countries involved in this study, could be further studied for tackling (both preventive and repressive) this phenomenon in the Netherlands?Aanleiding voor dit onderzoek is een Kamermotie waarin de regering wordt gevraagd te bezien langs welke weg particuliere eigenaren en woningcorporaties kunnen worden gewaarschuwd voor criminele intenties van potentiële gebruikers/huurders van hun onroerend goed bezit. Het streven is gemeenten, woningbouwcorporaties en bonafide private partijen instrumenten ter hand te stellen voor de preventie en aanpak van ondermijnende criminele activiteiten. Met dit doel voor ogen is er een toenemende behoefte aan meer kennis over en inzicht in de aard en omvang van de criminaliteit faciliterende functie van woon- en bedrijfsruimten in Nederland, en inzicht in welke instrumenten hiervoor worden ingezet in andere EU-landen. Deze doelstelling is vertaald in acht onderzoeksvragen. Nederlandse situatie: 1. Op welke wijze spelen woningen en/of bedrijfsruimten een rol bij het faciliteren van ondermijnende criminaliteit in Nederland? 2. Wat is (naar schatting) de omvang van de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland? 3. In welke mate bestaan er verschillen in aard en omvang hiervan tussen regio’s in Nederland? 4. Welke in de literatuur genoemde indicatoren wijzen op de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland? En zijn dezelfde indicatoren van toepassing binnen stedelijke en landelijke regio’s? Internationale vergelijking: 5. Op welke wijze spelen woningen en/of bedrijfsruimten een rol bij het faciliteren van ondermijnende criminaliteit in met Nederland vergelijkbare landen en welke indicatoren hiervoor zijn in die landen bekend? 6. Welke instrumenten, zowel preventief als repressief, worden in de bij dit onderzoek betrokken landen ingezet bij het tegengaan hiervan en wat is het juridisch kader waarbinnen deze instrumenten worden ingezet? 7. Wat zijn, in de bij dit onderzoek betrokken landen, de positieve en negatieve ervaringen bij de bestrijding van de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit en welke voor- en nadelen worden bij de inzet van de verschillende instrumenten ervaren? 8. Welke instrumenten, uit de bij dit onderzoek betrokken landen, zouden nader bestudeerd kunnen worden voor de aanpak (zowel preventief als repressief) van dit fenomeen in Nederland? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit, 3. Geregistreerde en geschatte omvang, 4. Preventieve, repressieve en criminogene indicatoren, 5. De faciliterende rol van onroerend goed bij ondermijnende criminaliteit in vier EU-landen, 6. Conclusi

    Reoffending following a fitness-to-drive test (full text only available in Dutch)

    No full text
    In order to improve road safety The Netherlands has several administrative (behavioural) measures that can be imposed on drivers for driving under the influence of alcohol. The penalty can either be the Educational Measure for Alcohol and Traffic (in Dutch: Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer [EMA]), a light version of the EMA [LEMA] or – for the most serious group of offenders – a fitness-to-drive test (in Dutch: onderzoek geschiktheid). From December 2011 until September 2014, an Alcohol Ignition Interlock Program (in Dutch: Alcoholslot-programma [ASP]) could be issued. These administrative measures are imposed in addition to the regular criminal penalty. The WODC has been asked by Rijkswaterstaat (an executive agency of the Ministry of Infrastructure and Water Management) – on behalf of the Ministry of Infrastructure and Water Management – to investigate to what extent the fitness-to-drive test and the measures that follow contribute to reducing drunk driving recidivism. The research questions are as follows: What are the background characteristics of persons who participated in a fitness-to-drive test in 2015? Does participation in the fitness-to-drive test contribute to reducing drunk driving recidivism in its target group?Het onderzoek alcohol is primair bedoeld om vast te stellen of bij de betrokkene sprake is van problematisch alcoholgebruik. Afhankelijk van de uitslag van het onderzoek alcohol – ‘geschikt’ of ‘ongeschikt’ – volgt respectievelijk het opleggen van een EMA-cursus of een ongeldigverklaring van het rijbewijs. Door middel van educatie (EMA) of door incapacitatie (ongeldigverklaring) wordt gepoogd om rijden-onder-invloedrecidive te voorkomen. Het WODC is door Rijkswaterstaat (RWS) – namens het ministerie van Infrastruc-tuur en Waterstaat (IenW) – gevraagd om na te gaan in hoeverre het onderzoek alcohol en de maatregelen die daarop volgen, bijdragen aan het verminderen van de rijden-onder-invloedrecidive. De onderzoeksvragen luiden als volgt: Wat zijn de achtergrondkenmerken van deelnemers aan het onderzoek alcohol uit 2015? Draagt deelname aan het onderzoek alcohol bij aan het verminderen van de rijden-onder-invloed-recidive in haar doelgroep

    Speciale behoefte van slachtoffers van hate crime ten aanzien van het strafproces en de slachtofferhulp

    Get PDF
    This study primarily aimed to find an (explorative) answer to the question what procedural and supportive needs victims of hate crime have within the context of criminal proceedings, and to what extent the Dutch criminal procedure and victim support currently meet those needs. In order to answer this question, first an inventory was made of the impact of hate crime on various groups of victims, as well as their needs regarding and experiences with criminal proceedings and victim support. The procedural rights and provisions developed for victims of hate crime in foreign jurisdictions (United Kingdom and EU member states) were also studied.Het primaire doel van deze studie was een (verkennend) antwoord te vinden op de vraag naar de procedurele- en hulpbehoeften van hate crime slachtoffers in de context van het strafproces en de mate waarin het Nederlandse strafproces en de slachtofferhulpverlening momenteel aan die behoeften voldoen. Om deze vraag te beantwoorden werd eerst een inventarisatie gemaakt van de impact van hate crime op de verschillende groepen slachtoffers, van hun behoeften ten aanzien van en ervaringen met de strafprocedure en de hulpverlening. Ook werd gekeken naar de procedurele rechten en voorzieningen die in buitenlandse jurisdicties (Verenigd Koninkrijk en EU-lidstaten), voor hate crime slachtoffers zijn ontwikkeld. INHOUD: 1. Inleiding 2. Impact op en procedurele behoeften van hate crime slachtoffers 3. Interviews met vertegenwoordigers van Nederlandse organisaties 4. Rechten van hate crime slachtoffers in andere EU lidstaten 5. Anti-hate crime beleid in het Verenigd Koninkrijk 6. Conclusi

    Onderzoek naar taken en arbeidsomstandigheden van boa's en de samenwerking met politie

    Get PDF
    In addition to the police (general investigating officers), auxiliary enforcement officers (special investigative officers; in Dutch: Buitengewoon opsporingsambtenaren – Boa’s) are also deployed for supervision and enforcement tasks, as well as for the detection of (certain) criminal offenses. These enforcement officers hold limited police powers and play an increasingly important role: in recent decades there has been a shift in which safety in public spaces is no longer the exclusive domain of the police. Municipalities are increasingly using municipal Boas for supervision and enforcement and with more tasks. The Boa also plays an important role in other areas. In nature reserves and public transport, for example, we see the use of Boas for supervision and enforcement. It now concerns more than 24,000 Boas who are active in six different domains. This development is not unique to the Netherlands and is visible throughout Europe.The research question is as follows:What are the tasks and the deployment of the Boas in practice, how does the cooperation with the police and other parties proceed (definition and division of tasks) and what are the working conditions of the Boas (especially with regard to safety) during their task performance?To what extent does the current application of the quality of life criterion and the implementation criterion hinder effective supervision and enforcement?Voor toezichts- en handhavingstaken, evenals voor het opsporen van (bepaalde) strafbare feiten, worden naast de politie (algemene opsporingsambtenaren) ook buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) ingezet. Deze boa’ s vervullen een steeds belangrijker rol: de afgelopen decennia heeft zich een verschuiving voorgedaan waarbij veiligheidszorg in de openbare ruimte niet langer het exclusieve domein is van de politie. Gemeenten zetten in toenemende mate en met steeds meer taken gemeentelijke boa’s in voor toezicht en handhaving. Ook in andere gebieden vervult de boa een belangrijke rol. In bijvoorbeeld natuurgebieden en het openbaar vervoer zien we de inzet van boa’s voor toezicht en handhaving. Het gaat ondertussen om meer dan 24.000 boa’s die in zes verschillende domeinen actief zijn. Deze ontwikkeling is niet uniek voor Nederland en is eigenlijk in heel Europa zichtbaar. De probleemstelling van het onderzoek luidt als volgt:Wat zijn de taken en de inzet van de boa’s in de praktijk, hoe verloopt de samenwerking met de politie en met andere partijen (taakafbakening en –verdeling) en wat zijn de arbeidsomstandigheden van de boa’s (met name wat betreft veiligheid) tijdens hun taakuitoefening?In hoeverre zit de huidige toepassing van het leefbaarheidscriterium en het uitvoeringscriterium6 effectief toezicht en handhaving in de weg? INHOUD: 1. Onderzoek naar boa's 2. Wettelijk kader en landelijke afspraken - Intermezzo: landelijke spelers in het boa-landschap 3. Aantallen boa's 4. Taken en samenwerking 5. Arbeidsomstandigheden en ondersteuning door politie 6. Bijzondere omstandigheden: coronacrisis 7. Gevolgen voor de toekomst 8. Conclusi

    Bevorderen van haalbare betalingsregelingen bij private schuldeisers

    Get PDF
    In the Netherlands there is national social concern surrounding the issue of tackling debts. For the Dutch Cabinet, this widespread social concern is the reason to onstruct a ‘broad approach of tackling debts’ [Brede schuldenaanpak]. In their coalition agreement they state that the process of legal settlement of debts shall be improved. Meaning that creditors must first investigate all the possibilities of a payment arrangement before a case is brought to court.The aim of this research is to delineate in what way businesses make use of payment arrangements and to explain how the use of these payment arrangements can be stimulated, before a case is brought to court. In order to achieve this aim, this study provides answers to the following central research question: In what way and to what extent do the different types of private creditors make (feasible) payment arrangements and what possibilities are there to improve the use of these payment arrangements?Er leeft een breed gedragen maatschappelijke zorg rondom de aanpak van schulden. Voor het kabinet vormt deze breed gedragen zorg de aanleiding om werk te maken van een Brede schuldenaanpak. In het regeerakkoord is opgenomen dat de juridische afhandeling van schulden wordt verbeterd. Schuldeisers dienen eerst de mogelijkheden van een betalingsregeling te onderzoeken voor een zaak voor de rechter wordt gebracht. Het doel van het onderzoek is om in kaart te brengen hoe de private markt invulling geeft aan betalingsregelingen en om uit te werken hoe gestimuleerd kan worden dat er, voordat een zaak voor de rechter wordt gebracht, geprobeerd wordt om een haalbare minnelijke betalingsregeling te treffen. Om bovenstaand doel te realiseren, geeft het voorliggende onderzoek antwoord op de volgende centrale onderzoeksvraag: Op welke wijze en in welke mate treffen de verschillende soorten private schuldeisers (haalbare) betalingsregelingen en welke mogelijkheden zijn er om de inzet van dit middel te verbeteren? INHOUD: 1. Inleiding 2. Juridisch kader en jurisprudentie 3. Het perspectief van schuldeisers 4. Het perspectief van incassopartijen 5. Het perspectief van de debiteur 6. Het perspectief sociaal raadslieden 7. Het perspectief van de rechterlijke macht 8. Voorbeelden van aansprekende praktijken 9. De impact van corona 10. Conclusie 11. Denkrichtinge

    Over verloop en afloop van (potentieel) juridische problemen van burgers

    Get PDF
    Het onderhavige onderzoek geeft inzicht in de ervaringen van Nederlandse burgers met het rechtssysteem: de Geschilbeslechtingsdelta. Het beschrijft de (potentieel) civiel- en bestuursrechtelijke problemen die Nederlandse burgers ervaren, de verschillende wegen die zij bewandelen om deze problemen aan te pakken, de door hen behaalde resultaten en hun evaluatie van geraadpleegde adviseurs en procedures. De eerste Geschilbeslechtingsdelta verscheen in 2003, in 2009 en 2014 is dit onderzoek herhaald. Het onderhavige onderzoek beschrijft de periode 2015-2019. Dit maakt het mogelijk om veranderingen over de tijd waar te nemen. In het onderzoek staan de volgende vragen centraal: In welke mate kwamen (potentieel) civiel- en bestuursrechtelijke problemen voor onder de bevolking en welke factoren waren daarop van invloed? Voor welke (gefaseerde) aanpak kozen burgers? In hoeverre maakten zij gebruik van rechtshulp, buitengerechtelijke geschiloplossing en de rechtspraak, en welke factoren waren daarop van invloed? Hoe zijn de problemen afgelopen en wat waren de resultaten en neveneffecten? Welke juridische en overige kosten hebben burgers gemaakt bij de aanpak van hun problemen, en welke factoren waren daarop van invloed? Hoe evalueerden burgers de gebruikte rechtshulp, mediation en (buiten)gerechtelijke procedures en hoe oordeelden burgers over de advocatuur en rechtspraak in het algemeen? In hoeverre zijn er in de antwoorden op de bovenstaande vragen veranderingen opgetreden in vergelijking met de metingen uit 2003, 2009 en 2014? Bij het beantwoorden van deze onderzoeksvragen kijken we naar juridische problemen van burgers met andere burgers, met bedrijven of met de overheid. Juridische problemen tussen bedrijven onderling of tussen bedrijven en de overheid vallen buiten de reikwijdte van dit onderzoek, evenals rechtshulp ingeschakeld door bedrijven in conflicten met burgers. (zie link hiernaast verwijst naar de vorige publicatie over de Geschilbeslechtingsdelta). INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksmethode 3. Ontwikkelingen in het rechtsbestel en digitalisering 4. Het landschap van juridische problemen 5. De aanpak 6. Afloop, resultaten en neveneffecten 7. De kosten 8. Tevredenheid en vertrouwen 9. Conclusie en slotbeschouwin

    2,605

    full texts

    3,500

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    WODC Repository
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇