WODC Repository
Not a member yet
    3500 research outputs found

    Data security and privacy when using physiological wearables in the judicial context - a case study with the Empatica E4 (full text only available in Dutch)

    No full text
    Research shows that technological self-measurement methods have the potential to personalize treatment, improve security in detention, enrich probation supervision and increase the self-reliance of offenders. Nevertheless, there are also serious con-cerns and risks associated with the use of technological self-measurement methods. In this report, we describe a case study on data security and privacy, focusing on physiological wearables. These are portable devices that are worn around the wrist or on the body and with which physiological data can be collected by means of sensors. We conducted this case study with a specific wearable: the Empatica E4. The following questions were answered: 1 What happens to the physiological data of the Empatica E4 after these have been collected by the user with regard to: data storage, data transfer and third party access to the data? 2 What are the risks for the security of the data and for the privacy of the wearer? And how does the Empatica E4 compare to other wearables with respect to the risks and functionality? 3 What are the knowledge, experiences and concerns of professional users of the Empatica E4 regarding data storage, access to data by third parties and privacy? 4 What do the answers to the sub-questions mean for the use of the Empatica E4 and other physiological wearables in the judicial context?Onderzoek laat zien dat technologische zelfmeetmethoden de potentie hebben om behandeling te personaliseren, veiligheid in detentie te verbeteren, reclasseringstoezicht te verrijken en zelfredzaamheid van justitiabelen te vergroten. Niettemin zijn er ook serieuze aandachtspunten en risico’s verbonden aan het gebruik van technologische zelfmeetmethoden. Voordat technologische zelfmeetmethoden op grotere schaal in de justitiële context gebruikt kunnen worden, is het daarom van belang te onderzoeken hoe het gesteld is met de dataveiligheid bij dergelijke methoden en wat binnen de justitiële context eventueel zou kunnen worden gedaan om de veiligheid van verzamelde gegevens en daarmee de privacy van de betrokkenen te waarborgen. In dit rapport beschrijven we een casusonderzoek hiernaar waarbij we ons specifiek gericht hebben op fysiologische wearables. Dit zijn draagbare apparaatjes die om de pols of op het lichaam gedragen worden en waarmee door middel van sensoren fysiologische gegevens verzameld kunnen worden. Dit casusonderzoek is verricht aan de hand van één specifieke wearable: de Empatica E4. De volgende deelvragen staan centraal: 1. Wat gebeurt er met de fysiologische gegevens van de Empatica E4 nadat deze verzameld zijn door de gebruiker met betrekking tot: gegevensopslag, gegevenstransport en toegang tot de gegevens door derden? 2. Wat zijn de risico’s daarbij voor de veiligheid van de gegevens en voor de privacy van de drager? En hoe zien de risico’s en de geboden functionaliteit eruit in vergelijking met andere wearables? 3. Welke kennis, ervaringen en zorgen hebben professionele gebruikers van de Empatica E4 met betrekking tot gegevensopslag, toegang tot gegevens door derden en privacy? 4. Wat betekenen de antwoorden op de deelvragen voor het gebruik van de Empatica E4 en andere fysiologische wearables in de justitiële context? INHOUD: 1. Inleiding en methoden, 2. De Empatica E4, 3. Dataveiligheid en privacy bij gebruik van de Empatica E4, Vergelijking: functionaliteit, dataveiligheid en privacy van andere wearables geschikt voor onderzoek, behandeling en toezicht, 5. Ervaringen van gebruikers, 6. Discussie

    An Exploratory, Qualitative Study on Class Justice in the Dutch Criminal Justice System (full text only available in Dutch)

    No full text
    The study reported here focuses on four central questions: What is class justice? Does it occur in the Dutch criminal justice system? If so, how frequently does it occur? And what causes it? In this report, the emphasis lies on answering the first question, as the qualitative study we conducted is particularly well-suited for answering the question about what class justice in the Dutch criminal justice system entails. The research consisted of studying scientific and adjoining literature of the last 20 years. We also held interviews and focus group discussions with 45 people who are professionally involved in the Dutch criminal justice system (from science, advocacy, the Public Prosecution Service (including the National Office for Serious Fraud, Environmental Crime and Asset Confiscation), the Police (including the Fiscal Intelligence and Investigation Service), the Judiciary, and the Probation Service). We also conducted interviews with two critical citizens, and a focus group discussion with five critical citizens. This involves experts by experience and critical people who keep track of cases that lead to associations with class justice.In het hier gerapporteerde onderzoek staan de volgende vier vragen centraal: Wat is klassenjustitie? Komt het in de Nederlandse strafrechtketen voor? Zo ja, hoe vaak komt het voor? En waardoor komt het? In het rapport ligt de nadruk op het beantwoorden van de eerste vraag. Het door ons uitgevoerde kwalitatieve onderzoek leent zich namelijk bij uitstek voor het beantwoorden van de vraag wat kan worden verstaan onder klassenjustitie in de strafrechtketen in Nederland. Het onderzoek bestond uit het bestuderen van de wetenschappelijke en aanpalende literatuur van de laatste 20 jaar. Ook hielden we interviews en focusgroepgesprekken met 45 personen die beroepshalve betrokken zijn bij de strafrechtketen in Nederland (vanuit de wetenschap, advocatuur, Openbaar Ministerie (inclusief Functioneel Parket), Politie (inclusief FIOD), Rechtspraak en Reclassering). Tevens voerden we een tweetal interviews met twee kritische burgers en een focusgroepgesprek met vijf kritische burgers. Het gaat hierbij om ervaringsdeskundigen en kritische volgers van casussen die de associatie met klassenjustitie oproepen. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Onderzoeksmethoden, 3. Wat is het? 4. Komt het voor? 5. Hoe vaak komt het voor? 6. Waardoor komt het? 7. Reflecties van enkele kritische burgers, 8. Conclusies en aanbevelingen

    Evaluation of the Dutch Explosives Precursors Act (full text only available in Dutch)

    No full text
    On September 2, 2014, the regulation "on the marketing and use of explosives precursors" (98/2013) entered into force in the European Union. The EU regulation was implemented in the Netherlands on June 1, 2016 in the Explosives Precursors Act. This act ensures that suspicious transactions with precursors are reported and that a number of precursors can only be purchased by members of the general public if they have a license. From February 1, 2021, the new EU regulation (2019/1148) will apply and the Netherlands had the choice to continue, adjust or abolish the licensing system. This inventory evaluation study was carried out to provide more insight into the licensing system (under the old regulation). In addition to the licensing system, the study focuses on the registration and reporting obligation of market parties. The overall research question is as follows: What are the experiences of the participants involved with the implementation of the licensing system, the registration of transactions and the reporting obligation in regard to the regulations for the marketing of explosives precursors? Ten research questions have been formulated that relate to five themes, namely (1) requirements to and obligations for the participants, (2) nature and scope of the implementation, (3) activities and possibilities of the participants, (4) experiences of the parties involved and (5) nature and quality of enforcement and supervision. In order to answer the research questions, written documents were studied, 43 representatives of relevant organizations were interviewed and an online questionnaire was distributed among members of the general public who applied for a license or expressed an interest in it.Op 2 september 2014 is in de Europese Unie de verordening ‘over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven’ (98/2013) in werking getreden. De EU-verordening is op 1 juni 2016 in Nederland geïmplementeerd in de Wet precursoren voor explosieven (Wpe). Deze wet ziet er op toe dat verdachte transacties met precursoren worden gemeld en dat een aantal precursoren alleen door particulieren kunnen worden gekocht als ze over een vergunning beschikken. Vanaf 1 februari 2021 geldt de nieuwe EU-verordening (2019/1148) en had Nederland de keuze om het vergunningstelsel te continueren, aan te passen of af te schaffen. Om meer inzicht te verschaffen in werking van het vergunningstelsel (onder de oude verordening) is dit inventariserende evaluatieonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek richt zich, naast het vergunningstelsel, op de registratie- en meldplicht van marktpartijen. De probleemstelling voor het onderzoek luidt als volgt: Wat zijn de ervaringen van de betrokken partijen met de uitvoering van het vergunningstelsel, de registratie van transacties en de meldplicht uit de regelgeving voor het op de markt brengen van precursoren voor explosieven? INHOUD: 1. Inleiding, 2. EU-verordening en Wpe, 3. Vergunningstelsel, 4. Registratieplicht en meldplicht, 5. Toezicht, handhaving en opsporing, 6. Precursoren gebruikt voor explosieven, 7. Conclusies en nabeschouwin

    Regulation of immersive technologies (full text only available in Dutch)

    No full text
    Like many other digital innovations, immersive technologies (virtual reality, augmented reality) offer great opportunities for our society. Immersive technologies can bring people together in new ways, play a role in treating diseases and pain, supplement reality with useful information, and provide new forms of entertainment. At the same time, the development and use of immersive technologies brings new risks. This raises the question of how we should regulate the development and use of immersive technologies to eliminate or mitigate these risks. The problem statement for this study is therefore: Should the expected breakthrough of immersive technology lead to adjustment of the existing legal framework in the Netherlands and if so, how?Net als vele andere digitale innovaties bieden immersieve technologieën grote kansen voor onze samenleving. Immersieve technologieën zoals virtual reality en augmented reality kunnen mensen op nieuwe manieren bij elkaar brengen, spelen een rol in de behandeling van ziekten en pijn, vullen de werkelijkheid aan met nuttige informatie en bieden nieuwe vormen van spel en entertainment. Tegelijkertijd brengen de ontwikkeling en het gebruik van immersieve technologieën ook nieuwe risico’s met zich mee. Dit roept de vraag op hoe wij de ontwikkeling en het gebruik van immersieve technologieën moeten reguleren. De probleemstelling voor dit onderzoek is daarom: Dient de verwachte doorbraak van immersieve technologie te leiden tot aanpassingen van de bestaande reguleringskaders en wettelijke voorschriften en zo ja, op welke wijze? Het valt te verwachten dat een brede adoptie van immersieve technologieën ongewenste effecten gaat hebben en maatschappelijke vragen oproept. Op basis van ons onderzoek komen wij tot de volgende categorisering van mogelijke vraagstukken / risico’s die een brede adoptie van immersieve technologieën met zich mee kan brengen: 1) schadelijke en illegale gedragingen in virtuele werelden; 2) schadelijke gevolgen door het gebruik van immersieve technologieën in de fysieke wereld; 3) schadelijke effecten ingegeven door het gebruik / misbruik van immersieve technologieën; 4) sociaal-maatschappelijke vraagstukken; en 5) misbruik van immersieve technologieën door derden

    Mandatory financial supervision of juveniles pilot; evaluation framework (full text only available in Dutch)

    No full text
    Following a motion tabled by Nispen and Van Oosten, a pilot project was started in The Hague introducing the option to impose mandatory financial supervision on young people. The supervision can take two forms (also termed ‘modes’): training to improve financial skills, or coaching with the same aim. Based on the investigation by the Child Care and Protection Agency, the Public Prosecution Service or the court can decide to impose one of these forms of supervision. The juvenile probation service then makes sure that the supervision mode that was imposed is indeed carried out. The question of whether mandatory financial supervision could reduce repeat offending has been discussed for some time. That is why it was decided at the start of the pilot project to develop an evaluation framework that would enable measuring the pilot’s results. The Research and Documentation Centre (WODC) gave Significant APE the assignment to draw up the evaluation framework. The pilot started in September 2020.Naar aanleiding van een motie van Nispen en Van Oosten is in Den Haag een pilot gestart waarbij jeugdigen verplicht financieel toezicht opgelegd kunnen krijgen. Dit toezicht bestaat uit twee vormen (ook wel modaliteiten): een training om de financiële vaardigheden te verbeteren en coaching met hetzelfde doel. Op basis van het onderzoek van de RvdK kan het OM of de rechter besluiten om een van de vormen op te leggen. De jeugdreclassering ziet vervolgens toe dat de opgelegde modaliteit ook daadwerkelijk wordt ingezet. De vraag of verplicht financieel toezicht kan bijdragen aan het verminderen van recidive leeft al langer. Daarom is bij de start van de pilot besloten om een evaluatiekader te ontwikkelen zodat de uitkomsten van de pilot kunnen worden gemeten. Aan de hand van literatuuronderzoek, interviews met betrokkenen bij de pilot en enkele wetenschappers is een theoretisch kader opgesteld. Dit heeft geresulteerd in een Theory of Change (ToC) waarin wij beschrijven hoe de pilot bij kan dragen aan het verminderen van recidive en een overzicht van randvoorwaarden waaraan de modaliteiten moeten voldoen om effectief te zijn. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Onderzoeksaanpak opstellen evaluatiekader, 3. Theory of change van de pilot, 4. Evaluatiekader pilot, 5. Samenvatting en beantwoording onderzoeksvragen

    In uitvoering - Een analyse van het op statushouders gerichte beleid en wat er nodig is om dit beleid te verbeteren

    Get PDF
    Deze policy brief is het sluitstuk van een meerjarig onderzoeksproject over de positie en leefsituatie van statushouders die vanaf 2014 naar Nederland zijn gekomen. Deze policy brief is gericht aan gemeenten omdat zij verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze wet. Daarnaast richt de brief zich op de landelijke overheid, die verantwoordelijk is voor de vormgeving en financiële randvoorwaarden van het inburgerings- en opvangbeleid. (zie hiernaast: link naar de SCP-Policy brief

    Recidivism among offenders in the Netherlands: Report on the period 2008-2020 (full text only available in Dutch)

    No full text
    The WODC regularly reports reconviction rates for a number of different offender groups, where reconviction refers to new offenses committed in the Netherlands that result in a conviction by the court or a settlement by the Public Prosecution Service (OM). The focus of this report is trends in reconviction rates amongst the following offender groups. First, we describe the reconviction rates of all adult and juvenile offenders against whom a criminal case was settled with a valid settlement in the period 2008 up to and including 2017. Adult offenders are defined as those who have been convicted under the adult criminal law whereas juvenile offenders are those who have been convicted under the juvenile criminal law. A new feature of this report is that it zooms in on the reconviction of a subgroup of the adult offenders, namely those who have been imposed a financial sanction by the OM or the judge. Next, we examine the reconviction statistics of persons released from an adult or a juvenile detention center from 2008 to 2017. Finally, we present the reconviction statistics of offenders who came into contact with the probation service in the period 2012 to 2017 for the purpose of carrying out community service, or who were under the supervision of the probation service for a period of time.Het WODC brengt periodiek de strafrechtelijke recidive, i.e. nieuwe delicten gepleegd in Nederland waar een veroordeling door de rechtbank of een afdoening van het OM op volgt, onder verschillende onderzoeksgroepen in kaart. In deze rapportage staat de ontwikkeling van de recidive van de volgende onderzoeksgroepen centraal. Het gaat allereerst om alle volwassen en jeugdige daders tegen wie in de periode 2008 tot en met 2017 een strafzaak is afgedaan met een geldige afdoening. Onder volwassen daders verstaan we alle daders die volgens het volwassenenstrafrecht zijn veroordeeld en onder jeugdige daders de daders die volgens het jeugdstrafrecht zijn veroordeeld. Daarnaast wordt de recidive beschreven van personen die van 2008 tot en met 2017 zijn vrijgekomen uit een PI of JJI. Voorts wordt de recidive beschreven van daders die in de periode 2012 tot en met 2017 met de reclassering in aanraking kwamen voor het uitvoeren van een werkstraf of die een periode onder toezicht van de reclassering stonden. Nieuw in deze rapportage is dat er ook specifiek gekeken wordt naar volwassen daders die onder meer een financiële sanctie opgelegd hebben gekregen van het OM of de rechter. De volgende onderzoeksvragen staan centraal in dit onderzoek: 1. 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van personen die in de periode 2008 tot en met 2017 zijn veroordeeld, zijn vrijgekomen uit een PI of een JJI, een werkstraf bij de reclassering hebben uitgevoerd of onder toezicht van de reclassering hebben gestaan? 2. Wat is het recidivebeeld van de verschillende onderzoeksgroepen over de tijd: - welk deel kwam binnen twee jaar opnieuw in aanraking met justitie (prevalentie)? - wat is het gemiddeld aantal nieuwe justitiecontacten per recidivist per jaar (frequentie)? - wat is het gemiddeld aantal nieuwe justitiecontacten per 100 daders per jaar (omvang)? - welke typen recidivedelicten werden gepleegd binnen twee jaar (soort recidive)? 3. Hoe ontwikkelt de recidive zich over de tijd onder de verschillende dadergroepen gecontroleerd voor verschillen in achtergrondkenmerken en kenmerken van de geschiedenis? 4. Welke financiële sancties werden in 2017 aan volwassen daders opgelegd: - welk deel van de daders kreeg te maken met financiële sancties en om welke typen financiële sancties ging het daarbij? - met welke straffen werden deze financiële sancties gecombineerd? 5. Wat is het recidivebeeld na geldboetes (opgelegd door het OM of de rechter) of de transactie geldsom bij volwassen daders: - welk deel kwam opnieuw in aanraking met justitie (prevalentie) en in hoeverre komt dit overeen met de voorspelde recidive op basis van achtergrondkenmerken en kenmerken van de justitiële geschiedenis? - hoe ontwikkelt de recidive zich over de tijd gecontroleerd voor verschillen in achtergrondkenmerken en kenmerken van de justitiële geschiedenis? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Recidive onder volwassen en jeugdige daders 4. Recidive onder volwassen en jeugdige ex-gedetineerden 5. Recidive onder ex-werkgestraften en ex-ondertoezichtgestelden 6. Conclusie en discussie

    Investigating, prosecuting and obstructing cybercrime (full text only available in Dutch)

    No full text
    The aim of this study was to gain more insight into the approach by the police and the Public Prosecution Service to complex types of cybercrime. In addition, this study has examined to what extent criminal investigations have helped to improve the information position in relation to suspects (who are often anonymous in the online domain) and their modus operandi, and how this information could be used not only to track down and prosecute suspects, but also to put a stop to illegal online activities.Het doel van dit onderzoek was om meer inzicht te krijgen in de aanpak van geavanceerde vormen van cybercriminaliteit door politie en OM. Daarnaast is gekeken in hoeverre het opsporingsonderzoek bijdroeg aan een betere informatiepositie jegens (in het online domein vaak anonieme) verdachten en hun modus operandi en hoe deze informatie kon worden gebruikt om acties te verrichten, die niet alleen gericht zijn op opsporing en vervolging van verdachten maar ook op het tegenhouden van illegale online activiteiten. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Juridisch kader, 3. De integrale aanpak van cybercriminaliteit door politie en OM, 4. Opsporingsonderzoeken naar cybercriminaliteit, 5. Publiek-private samenwerking, 6. Dilemma’s bij de aanpak van cybercriminaliteit, 7. Slotbeschouwing

    Tussenevaluatie Actieplan feitenonderzoek in de jeugdbeschermingsketen

    Get PDF
    The Action Plan to improve fact-finding in the child protection system; Respect for child, parent and professional, 2018-2021, aims to achieve good fact-finding and substantiated decisions in the child protection system, with the involvement of children and parents. The interim evaluation aims to show the progress of implementation of the actions at the end of 2019, and what still can and should be done in the further implementation in 2020 and 2021. The problem definition is elaborated in the following main questions: A. Can the Action Plan achieve the set goals? B. What are the results of the Action Plan so far? C. To what extent do these develop in the direction of the goals pursued? D. Are adjustments / improvements to the Action Plan possible / desirable? If yes, which one(s)?Het Actieplan verbetering feitenonderzoek in de jeugdbeschermingsketen; Respect voor kind, ouder en professional, 2018-2021, heeft tot doel te komen tot goed feitenonderzoek en onderbouwde besluiten in de jeugdbeschermingsketen, met betrokkenheid van kinderen en ouders. Het Actieplan is aangeboden aan de Tweede Kamer in 2018 en de uitvoering van het plan loop van 2019 tot en met 2021. De minister heeft bij de aanbieding van het plan aan de Tweede Kamer toegezegd na twee jaar de balans te willen opmaken.De probleemstelling van het onderzoek is vervat in de volgende hoofdvragen: A. Kunnen met het Actieplan de gestelde doelen worden bereikt? B. Wat zijn de (tussentijdse) resultaten van het Actieplan? C. In hoeverre ontwikkelen deze zich in de richting van de nagestreefde doelen? D. Zijn aanpassingen/verbeteringen ten aanzien van het Actieplan mogelijk/wenselijk? Zo ja, welke?De probleemstelling is vertaald naar verschillende onderzoeksvragen, waarin wordt gekeken naar achtereenvolgens het potentieel doelbereik, de uitvoering en eerste resultaten van de verschillende acties, hoe verder en het betrekken van kinderen en ouders bij eindevaluatie

    Een onderzoek naar de realiseerbaarheid en wenselijkheid van het betrekken van bestuurlijke boetes bij de VOG-screening aan de hand van een casestudy naar handhaving en integriteit in de financiële sector

    Get PDF
    The Dutch Certificate of Conduct, known as the 'Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)', is a form of background screening that is aimed at preventing breaches of the integrity of vulnerable persons, businesses, organisations or sectors. Since 2004, when the processing of applications for the certificate of conduct was assigned to the central screening authority Justis, this preventive instrument has become widely integrated in Dutch society. The use of both the certificate of conduct and the administrative fine (bestuurlijke boete), a sanction introduced in the 1990s, have soared since their implementation. In recent years, this has led to a debate on the extent to which differences between enforcement of legislation under criminal law and enforcement under punitive administrative law – more in particular the administrative fine – are justified. This study focusses on providing an answer to the following central research question: To what extent is it feasible and desirable to include administrative fines in the screening process for a certificate of conduct?De Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) is een veelgebruikte vorm van screening, gericht op het voorkomen van inbreuken op de integriteit van kwetsbare personen, bedrijven, organisaties of sectoren. De centrale onderzoeksvraag is: In hoeverre is het realiseerbaar en wenselijk bestuurlijke boetes bij de VOG-screening te betrekken? Deze centrale onderzoeksvraag heeft een tweeledig karakter. Enerzijds gaat het om de vraag in hoeverre het betrekken van informatie omtrent bestuurlijk beboete overtredingen als ‘antecedenten’ in de VOG-beoordeling wenselijk is, zowel in het licht van de doelstelling van het voorkomen van risico’s voor de samenleving, als in het licht van normatieve overwegingen zoals privacy, proportionaliteit en rechtsbescherming. Anderzijds gaat het om de praktische haalbaarheid van het betrekken van dergelijke antecedenten, welke niet – zoals justitiële antecedenten – gezamenlijk zijn geregisterd in een centraal documentatiesysteem. De vraag naar het betrekken van een compleet nieuwe bron van informatie in de VOG-screening is als zodanig niet eerder aan de orde geweest of onderzocht. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methoden 3. Verklaring Omtrent Gedrag 4. Bestuurlijke boete 5. Integriteit en handhaving in de financiële sector 6. Realiseerbaarheid en wenselijkheid in de financiële sector 7. Analyse en discussi

    2,605

    full texts

    3,500

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    WODC Repository
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇