WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Applications of the Law on long-term supervision in 2017-2020 - A first exploration (full text only available in Dutch)
The Law on long-term supervision (LLTS; Wet Langdurig Toezicht) was fully imple-mented in 2018. This law arranges long-term supervision, treatment and monitoring of ex-delinquents and former forensic psychiatric (fp) patients. The goal of the LLTS is to provide more adequate supervision on possible recidivists among sex offend-ers, on a specific group of violent offenders and on fp patients who have been imposed a tbs-order (maatregel terbeschikkingstelling). The goal of the current study is to ascertain the applications of the LLTS in 2017-2020 and to compare these with the goals of the legislator. The research questions are on the number of applications, characteristics of the applications and arguments by court on the imposition of the measures.Sinds 2018 is de Wet langdurig toezicht (Wlt) volledig in werking getreden, waarmee langer toezicht kan worden gehouden op (ex-)veroordeelden (Staatsblad, 2015, 2016). Het doel hiervan is het voorkomen van recidive van zeden- en zware geweldsdelinquenten met een gevangenisstraf en/of een maatregel terbeschikkingstelling (tbs). Hiervoor zijn drie wetswijzigingen doorgevoerd. Dit rapport laat de resultaten van de eerste monitor-ronde zien, met daarin een analyse van de toepassingen van de Wlt in 2017-2020. Het doel van de monitoring is om de werking van de Wlt in kaart te brengen en om eventuele wijzigingen aan te brengen, mocht dat nodig zijn. De wet omvat zoals gezegd drie onderdelen.1 Het eerste is het vervallen van de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging (VB) van het bevel tot verpleging van overheidswege bij de tbs-maatregel. Het tweede onderdeel van de Wlt betreft twee wijzigingen in de proeftijd van de bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van veroordeelden tot een gevangenisstraf. Het derde onderdeel van de Wlt is de introductie van een zelfstandige toezichtmaatregel, de Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel. Dit is een toezichtmaatregel waarbij voorwaarden worden opgelegd aan de betrokkenen, zoals het verplicht volgen van een behandeling, of een locatie- of gebiedsverbod. INHOUD: 1. Inleiding 2. Voorwaardelijke beëindiging van de tbs-maatregel 3. Voorwaardelijke invrijheidstelling 4. Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel 5. Slo
Implementation of an improved judicial youth system (full text only available in Dutch)
Youngsters and young adults who commit a criminal offence or are suspected of a criminal offence can be placed in a Correctional Institution for Juvenile Offenders (JJI) after the intervention of a judge or examining magistrate. To better align with the changes in the target group within JJIs, the Minister of Justice and Security (JenV) decided, after an extensive exploratory study, in 2019 to make a system change – called Tailored Care and Security (VOM). The changes concerned an increase in the “weight” of the target group and the influx of young adults due to the introduction of adolescent criminal law, combined with the reduced influx into JJIs. In addition, recidivism among ex-JJI pupils remained high. VOM aims to ensure that the stay in detention is more in line with the needs of young people by offering tailored care and security during detention and aftercare. More customization should lead to a reduction in recidivism. The Ministry of JenV aims to set up a monitor to gain insight into the efficiency and effectiveness of this system change. Commissioned by the WODC, DSP-groep has conducted research between June 2020 and October 2021 into the way in which the system change can be monitored and what is feasible for performing an initial measurement.Met Vrijheidsbeneming op Maat (VOM) wordt beoogd dat het verblijf in detentie – de vrijheidsbeneming – beter aansluit op de behoeften van jongeren door het bieden van een passende behandeling, beveiliging en nazorg tijdens detentie. Meer maatwerk moet leiden tot een vermindering van de recidive. Hiervoor worden drie bouwstenen ingezet: 1. Een efficiënt en effectief proces van plaatsing en screening, en diagnostiek (maatwerk in zorg en beveiliging) dat gericht is op het opstellen van een integraal plan van aanpak voor de jongere. 2. Kleinschalige voorzieningen justitiële jeugd (KVJJ’s): lokale en/of regionale plaatsen waar jongeren zo dicht mogelijk bij het eigen leefsysteem verblijven tijdens een periode van vrijheidsbeneming met een laag beveiligingsniveau. 3. Forensische Zorgcentra (FCJ’s): een hoog beveiligde setting waarin jongeren met een specifiek zorgprofiel specialistische zorg en beveiliging krijgen. De probleemstelling van het onderzoek was: Op welke wijze kan de stelselwijziging Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd worden gemonitord? Wat is de uitgangspositie ten aanzien van de stelselwijziging in 2020? De probleemstelling van het onderzoek is vertaald in onderzoeksvragen die in te delen zijn naar drie onderdelen: 1. opstellen van de beleidslogica achter de onderdelen van de stelselwijziging of met andere woorden van de vrijheidsbeneming op maat; 2. opstellen van indicatoren ten behoeve van monitoring; 3. haalbaarheidsonderzoek en 0-meting van de indicatoren. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidslogica 3. Empirische onderbouwing beleidslogica 4. Indicatoren en haalbaarheidsonderzoek 5. Implementatie en stand van zaken VOM 6. Samenvatting, conclusies en aanbevelinge
The Nature and Effects of Prostitution Policy (full text only available in Dutch)
During a plenary debate in September 2020, Dutch Members of Parliament noted that there is a lot of uncertainty about the effects of policy choices aimed at sex work. In the debate, various MPs asked the State Secretary to conduct an investigation. The purpose of the study was to clarify which prostitution policy variants there are and what is known about the effects of these policy variants. In addition, the assignment was to involve civil society in this research.Tweede Kamerleden constateerden in september 2020 tijdens een plenair debat dat er veel onduidelijkheid is over de effecten van beleidskeuzes gericht op sekswerk. In dit debat verzochten meerdere Kamerleden de staatssecretaris om een onderzoek uit te laten voeren. Uit het onderzoek moest duidelijk worden welke prostitutiebeleidsvarianten er zijn en wat bekend is over de effecten van die beleidsvarianten. Daarnaast is gevraagd om het maatschappelijk veld te betrekken bij dit onderzoek. INHOUD: 1. Inleiding 2. Prostitutiebeleidsvarianten 3. Effecten van criminalisering 4. Effecten van regulering 5. Effecten van decriminaliserin
Evaluation of adolescent criminal law - A public policy multi-criteria evaluation (full text only available in Dutch)
Seven years after implementation on 1 April 2014, this overarching study of the WODC Monitoring and Evaluation of Adolescent Criminal Law research programme evaluated the operation of adolescent criminal law. The focus is on the application of juvenile criminal law to young adult offenders (18 to 23 years) of a crime. Is there evidence for the policy rationale behind adolescent criminal law? How does adolescent criminal law work in practice for this target group? What assessments are made when selecting young adults? Is the approach effective in practice? What bottlenecks exist? In order to answer these and other questions, sub-studies were conducted in the years 2015 to 2020 as part of the Monitoring and Evaluation of Adolescent Criminal Justice research programme. Three questions were central to this overarching evaluation. How does the separate treatment of young adults under juvenile criminal law work in the Netherlands and how effective is this separate treatment? What possibilities and bottlenecks are associated with the introduction of adolescent criminal law and in particular the application of Section 77c of the Dutch Criminal Code to 18 to 23-year-olds? What are the options for the future in dealing with young adult offenders of a crime?Zeven jaar na implementatie op 1 april 2014 is in deze overkoepelende studie van het WODC-onderzoeksprogramma Monitoren en Evalueren Adolescentenstrafrecht (zie link hiernaast) de werking van het adolescentenstrafrecht geëvalueerd. De focus ligt op de toepassing van het jeugdstrafrecht bij jongvolwassen daders (18 tot 23 jaar) van een misdrijf. Is er evidentie voor de beleidslogica van het adolescentenstrafrecht? Hoe werkt het adolescentenstrafrecht in de praktijk voor deze doelgroep? Welke afwegingen vinden plaats in de selectie van jongvolwassenen? Is de aanpak in de praktijk effectief? Welke knelpunten zijn er? Om deze en andere vragen te beantwoorden zijn in de jaren 2015 tot en met 2020 deelstudies uitgevoerd vanuit het onderzoeksprogramma monitoren en evalueren adolescentenstrafrecht. Om de werking van het adolescentenstrafrecht overkoepelend te evalueren zijn meerdere evaluatiecriteria afkomstig uit de public policy evaluation gebruikt. Omdat het adolescentenstrafrecht ingrijpt bij jongvolwassenen die nog volop in ontwikkeling zijn, zijn ook enkele aan mensenrechten gerelateerde aspecten als transparantie en gelijkwaardigheid in de strafrechtelijke aanpak van jongvolwassenen aan de orde gekomen. Drie vragen stonden centraal in deze overkoepelende evaluatie: Hoe werkt de aparte bejegening van jongvolwassenen volgens het jeugdstrafrecht in Nederland en hoe doeltreffend is deze aparte bejegening? Wat zijn de mogelijkheden en knelpunten van de invoering van het adolescenten-strafrecht en in het bijzonder de toepassing van 77c Sr. bij 18- tot 23-jarigen? Wat zijn de mogelijkheden voor de toekomst in de aanpak van jongvolwassen daders van een misdrijf?INHOUD Inleiding Methode Het adolescentenstrafrecht: theorie en praktijk Ontwikkelingen 2012 tot 2020 Een multicriteria evaluatie adolescentenstrafrecht Belangrijkste bevindingen en conclusi
Forecasting the demand on the Dutch justice system until 2026 (full text only available in Dutch)
In this report, the forecasts of the ‘demand’ for services of the police, prosecutors, courts and prisons until the end of 2026 are described. The forecasts were obtained by applying the so-called forecasting model PMJ that is developed for the Dutch criminal justice system and the civil and administrative justice systems. The base year for our forecasts was 2019. Any changes in law or policy later than 2019 could therefore not be incorporated.De ramingen in dit rapport zijn gemaakt met het Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ) versie 2020. Het PMJ bestaat uit twee onderdelen, namelijk een model voor de veiligheidsketen en een model voor het civiel- en bestuursrechtelijke deel van de justitiële keten. Het model voor de veiligheidsketen bevat onderdelen zoals onder andere opsporing, vervolging en berechting, straffen en maatregelen, vreemdelingenbewaring, gevangeniswezen, justitiële jeugdinrichtingen, reclassering, gesubsidieerde rechtsbijstand in strafzaken en slachtofferzorg. Het model voor civiel- en bestuursrechtelijke keten bevat de onderdelen civiele rechtspraak, bestuursrechtspraak en gesubsidieerde rechtsbijstand in civiele zaken en bestuurszaken. Dit rapport zal niet uitgebreid ingaan op alle onderdelen van het PMJ maar alleen de belangrijkste elementen eruit lichten. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Achtergrondfactoren, 3. Overtredingen, 4. Misdrijven, 5. Tenuitvoerlegging, 6. Reclassering, kinderbescherming en rechtsbijstand, 7. Civiel recht en bestuursrecht, 8. Nawoord
Access to legal aid during police interrogations in the Netherlands: 2017-2019 (full text only available in Dutch)
The current report builds upon research by Klein Haarhuis (2018). She focused on the first year after the implementation of the new right. Klein Haarhuis (2018) described this new right predominantly from the perspective of the police organi-zation. The most serious criminal offenses were included only to a limited extent. The present study again sheds light on the new right, but this time mainly from the perspective of the legal profession and one to three years after the introduction of the right. In addition, a greater number of serious criminal offenses could be included in the analyses allowing for more definite conclusions. We also looked at two changes that were implemented simultaneously with the Implementation Act, i.e. the limited extension of lawyers’ powers during interrogation and the extension of the time period between arrest and police custody – the detainment period - for more serious criminal offenses from six to a maximum of nine hours. The present investigation focuses on interrogation aid for adult suspects and for criminal offenses for which pre-trial detention is possible. In particular for these topics, relevant policy knowledge gaps exist. Interrogation aid includes the assis-tance during police interrogations and so called ‘ivs’-interrogations during which a suspect is informed about placement in pre-trial detention. The following four research questions are central to this report: 1. How is the implementation of the Implementation Act progressing in terms of organization and work processes? 2. How does the implementation of the right to interrogation aid turn out in practice? 3. What role does the lawyer have during the interrogation? 4. How have the expenditures on (on-call) fees for consultation and interrogation aid developed?In deze rapportage wordt voortgebouwd op eerder onderzoek van Klein Haarhuis (2018). In dit eerdere onderzoek stond de opstartfase van het nieuwe recht centraal (de periode van 1 maart 2016 - 1 maart 2017) en de stand van zaken werd vooral beschreven vanuit de politieorganisatie. Bovendien konden zwaardere zaken maar beperkt worden meegenomen. Het onderhavige onderzoek belicht het nieuwe recht opnieuw, maar dan vooral vanuit het advocatenperspectief en één tot drie jaar na de invoering van het recht. Een wijziging in onderzoeksmethodiek zorgde ervoor dat we ditmaal meer van de zwaarste zaken in de analyse konden betrekken. Daarnaast is nog gekeken naar twee wijzigingen die gelijktijdig met de wettelijke verankering werden doorgevoerd, te weten de beperkte uitbreiding van bevoegdheden van de advocaat en de verlenging van de ophoudtermijn bij ernstigere strafbare feiten van zes naar maximaal negen uur. Het onderhavige onderzoek richt zich op verhoorbijstand voor meerderjarige verdachten van strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. Vooral voor deze onderzoeksonderwerpen bestaan er beleidsmatig gezien relevante kennislacunes. Onder verhoorbijstand rekenen we de door advocaten verleende bijstand tijdens het politiële verdachtenverhoor en het verhoor voor de inverzekeringstelling (ivs-verhoor). De volgende vier onderzoeksvragen staan in deze rapportage centraal: 1. Hoe verloopt de invoering van de Implementatiewet in termen van organisatie en werkprocessen? 2. Hoe pakt de implementatie van het recht op verhoorbijstand in de praktijk uit? 3. Welke rol heeft de advocaat tijdens het verhoor? 4. Hoe hebben de uitgaven aan (piket)vergoedingen voor consultatie- en verhoor-bijstand zich ontwikkeld? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Achtergronden bij het onderzoek, 3. Organisatie en werkprocessen, 4. Effectuering van het recht, 5. Invulling van de advocatenrol, 6. Conclusi
Continuity in the funding of the police, the public prosecution service and the judiciary (full text only available in Dutch)
Over the past ten years, changes in funding as a result of both cutbacks and extra financial resources have led to problems for the police, the public prosecution service and the judiciary. It is important that the method of funding remains in line with the cost structure and the roles of the three organizations. Funding can focus more than now on the criminal justice system as a whole and on broader societal benefits and goals such as crime prevention. The research is based on a starting memorandum from the Research and Documentation Centre (Dutch abbreviation: WODC) which proposed the following problem definition. Funding agreements: • “What are the main or basic agreements regarding the funding system of the police, the public prosecution service and the judiciary since 2010, to what extent can we speak of continuity and what is the underlying policy theory in this respect, and what is the role of the special characteristics of the organizations involved: the police as a ‘sui generis’ organization, the legal position of the public prosecution service and the independence of the judiciary? Do these main agreements also attend to issues of coordination within the criminal justice system?” Fluctuations in funding: • “Which fluctuations (cutbacks and investments) have occurred in the funding of the police, public prosecution service and judiciary since 2010 and which vision/objectives/policy considerations were the basis for this, what can be said about their realization, and what were the consequences for the organizations and the level of cooperation within the criminal justice system?” Lessons for future funding: • “Are there specific examples in the budget system of other policy areas that can contribute to increasing the continuity of funding? • What are the experiences with two system-wide programs in criminal law, namely “Justice done as soon, and as appropriately as possible” (Dutch abbreviation: ZSM) and the system-wide digitization program? • What significance do the findings, including those under two and three, have for the possibilities of better safeguarding the continuity of policy and funding of these organizations, in order to sustainably strengthen the rule of law?”De afgelopen tien jaar hebben bezuinigingen en extra financiële middelen tot problemen geleid bij politie, openbaar ministerie en rechtspraak. Het is van belang dat de wijze van bekostiging blijft aansluiten bij de kostenstructuur en de rollen van de drie organisaties. De bekostiging kan zich meer dan nu richten op de strafrechtketen als geheel en op bredere maatschappelijke effecten zoals preventie van criminaliteit. Als vertrekpunt fungeerde een startnotitie van het WODC met de volgende probleemstelling: “Wat zijn de hoofd- of basisafspraken omtrent de bekostigingssystematiek van politie, OM en de rechtspraak sedert 2010, in welke mate is daarin sprake van continuïteit en wat is de onderliggende beleidstheorie daaromtrent, en wat is daarin de rol van de bijzondere kenmerken van de betrokken organisaties: de politie als ‘sui-generis’ organisatie, de rechtsstatelijke positie van het OM en de onafhankelijkheid van de rechtspraak? Is er in deze hoofdafspraken ook aandacht voor afstemming ten opzichte van elkaar in de keten?” “Welke fluctuaties (bezuinigingen en investeringen) hebben zich voorgedaan in de bekostiging van politie, OM en rechtspraak sedert 2010 en welke visie/doelstellingen/beleidsafwegingen lagen daaraan ten grondslag, wat kan gezegd worden over de realisatie daarvan, en wat waren de consequenties voor de organisaties en de ketensamenwerking?” “Zijn er in de begrotingssystematiek op andere beleidsterreinen concrete voorbeelden te vinden die kunnen bijdragen aan vergroting van de continuïteit van de bekostiging? • Wat zijn de ervaringen met een tweetal ketenbrede programma’s in het strafrecht, te weten ZSM en de digitalisering van de keten? Welke betekenis hebben de bevindingen, ook die onder twee en drie, voor de mogelijkheden om te komen tot het beter borgen in de toekomst van de continuïteit van beleid en bekostiging van deze organisaties, teneinde de rechtsstaat duurzaam te versterken?” INHOUD: Inleiding Economische theorie van bekostigingssystemen Bekostiging politie, OM en Rechtspraak 2010-2020 Ketensamenwerking Verkenning alternatieve bekostigingssystematieken Bevindingen, conclusies en aanbevelingen
Mid-term review - The enforcement of the coronavirus restrictions between the period of March to November 2020 (full text only available in Dutch)
After the outbreak of the COVID-19 pandemic, the Dutch government has introduced measures in order to prevent the spread of the coronavirus. The measures consisted of basic rules but also of restrictions affecting personal freedoms of Dutch citizens. The introduction of these coronavirus restrictions added to the workload of the police and the community service officers (CSOs; Dutch: buitengewoon opsporingsambtenaren or boa’s) from March 2020. The Dutch Minister of Justice and Security has asked to perform a mid-term review into the enforcement of the coronavirus restrictions between the period of March to November 2020. The review was aimed at 1) the content and development of the enforcement policy, 2) the support for enforcement and the compliance with the measures, and 3) the implementation of the enforcement in practice and bottlenecks and difficulties that resulted from it. The following activities were performed within the framework of the study: desk research into enforcement policy and exploratory interviews, analysis of registered fines and warnings for breaking COVID- 19 rules and an empirical part existing of questionnaires among 955 enforcement officers and 1,637 citizens, an analysis of ongoing and previously conducted compliance studies and a media analysis.Sinds het uitbreken van de coronacrisis heeft de Nederlandse overheid maatregelen ingevoerd om de verspreiding van het Covid-19 virus tegen te gaan. Naast dringende adviezen om geen handen meer te schudden en zoveel mogelijk thuis werken, werden er gedragsregels ingesteld die gevolgen hadden voor de persoonlijke vrijheden van de Nederlanders, zoals verplicht 1,5 meter afstand houden tot elkaar en een verbod op groepsvorming in de openbare ruimte. Sommige maatregelen werden zonder veel commotie opgenomen in het maatschappelijk verkeer. Over andere maatregelen werd een maatschappelijke discussie gevoerd. Ook was sprake van overtreding van de gedragsregels. Politieagenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) hadden er, in het handhaven van de coronagedragsregels, vanaf maart 2020 ineens een taak bij. De minister van Justitie en Veiligheid verzocht een tussentijdse evaluatie uit te voeren van de handhaving van de coronagedragsregels in de eerste negen maanden na het van kracht worden van die gedragsregels. Het onderzoek gaat in op het handhavingsbeleid, de aansturing en uitvoering van de handhaving, de praktijkervaringen van handhavers, de naleving door burgers, en het draagvlak bij burgers voor handhaving en de eigen ervaringen die zij met handhavend optreden hadden. In het kader van het onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: deskresearch naar handhavingsbeleid en oriënterende interviews, analyse van geregistreerde bekeuringen en waarschuwingen voor overtreding van de coronagedragsregels, en een empirisch deel bestaande uit enquêtes onder 955 handhavers en 1.637 burgers, analyse van reeds uitgevoerde en lopende nalevingsonderzoeken en een media-analyse. INHOUD: 1. Inleiding 2. Handhavingsbeleid 3. Uitvoering handhaving 4. Ervaringen van handhavers 5. Ervaringen van burgers
Extremist thinking and doing - A systematic study of empirical findings on the radicalisation process (full text only available in Dutch)
Extremism refers to the ideas and movements that aim to bring about far-reaching political or social changes by overthrowing the system and/or disrupting society, whereby the use of violence is not rejected. Within science, the process of radicalisation towards extremism is regarded as highly complex and dynamic. It is therefore difficult to find an unequivocal explanation for it - let alone a simple remedy. The goal of this systematic literature review is to identify points of departure for a better understanding of and influence on this process. The central research questions of the study are: 1. Under what conditions are individuals receptive to extremist ideas and groups? 2. Under what conditions do people turn to extremist acts? 3. At what times and in what ways can intervention be used to reduce susceptibility to extremist ideas and prevent extremist actions?Het ontstane wetenschappelijke beeld van radicalisering is dat van een zeer complex en dynamisch proces, waarbij maar moeilijk een algemene beschrijving of verklaring – laat staan een remedie – kan worden gevonden. Echter, er is er ook al het nodige empirische onderzoek verricht dat handvatten kan bieden om de fenomenen van radicalisering en de stap naar geweld en ander extremistisch handelen beter te begrijpen. Dit onderzoek wil deze aanknopingspunten in kaart brengen, door de bestaande wetenschappelijke inzichten gebaseerd op empirisch onderzoek te analyseren aan de hand van de volgende drie onderzoeksvragen: 1. Onder welke condities zijn personen ontvankelijk voor extremistische ideeën en groepen? 2. Onder welke condities gaan personen over tot extremistische handelingen? 3. Op welke momenten en op welke manier kan worden ingegrepen om de ontvankelijkheid voor extremistische ideeën te verminderen en extremistisch handelen te voorkomen
Substitute community service in case of not paying a fine (full text only available in Dutch)
This preliminary study had to address a number of key questions: What is the expected effect on the individual concerned and on society as a whole of introducing into the legislation the option of imposing a substitute community service order on an offender who fails to pay a fine issued under criminal law? What positive and negative consequences can be expected, and what are the grounds for these expectations? These questions have been studied by consulting relevant literature and documents, including parliamentary documents, analysing Central Judicial Collection Agency (CJIB) data and conducting 23 interviews with key individuals and experts within criminal law for youth and adult offenders.In dit onderzoek stond de volgende probleemstelling centraal: Wat is de verwachte uitwerking van het wettelijk invoeren van de mogelijkheid om na niet-betaling van een strafrechtelijke geldboete een vervangende taakstraf te laten verrichten op de betrokken justitiabelen en de maatschappij als geheel? Welke positieve en welke negatieve gevolgen zijn te verwachten en waar zijn die verwachtingen op gebaseerd? De probleemstelling wordt in dit rapport beantwoord aan de hand van de volgende onderzoeksvragen: 1. Heeft de wetgever zich eerder uitgelaten over het al dan niet invoeren van een vervangende taakstraf voor volwassenen en, zo ja, wat waren toen de overwegingen het niet te doen? 2. Wat is over een eventuele vervangende taakstraf bij volwassenen te leren uit ervaringen met vervangende taakstraffen bij jeugdigen in Nederland en uit ervaringen met een dergelijke modaliteit in het buitenland? 3. Wat is de relatie tussen kenmerken van het boetevonnis (bijvoorbeeld de hoogte van de strafrechtelijke boete en het type delict waarvoor het is opgelegd) en het uitzitten van de vervangende hechtenis – versus het betalen ervan? (Bijvoorbeeld: worden lagere boetes substantieel vaker betaald dan hogere?) 4. Wat zijn de karakteristieken van de vervangende hechtenis (bijvoorbeeld de duur van de hechtenis, het boetebedrag en het gepleegd delict en van de uitgezeten vervangende hechtenis na niet-betaling van de strafrechtelijke geldboete? 5. Welke kenmerken hebben boetevonnissen die als vervangende hechtenis zijn afgedaan (na niet-betaling strafrechtelijke geldboete), in vergelijking met de boetevonnissen die wel zijn betaald (en geïnd door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB)? 6. Welke kenmerken hebben de mensen die in vervangende hechtenis worden genomen na niet-betaling strafrechtelijke geldboete, in vergelijking met de mensen die een stafrechtelijke boete wel betalen? (Het gaat hier uitsluitend om kenmerken die iets kunnen zeggen over het willen of kunnen betalen van een boete, niet om algemene persoonskenmerken. Denk bijvoorbeeld aan het hebben van schulden.) 7. Wat weten we uit de literatuur over de mate waarin vervangende hechtenis leidt tot de in de motie veronderstelde nadelige gevolgen (verlies woning en werk) en, zo ja, in welke mate? 8. Wat zijn volgens de literatuur en (praktijk)deskundigen de oorzaken en/of motieven van betrokkenen voor niet-betaling van een strafrechtelijke geldboete? 9. Is het aannemelijk dat de veroordeelden die hun geldboetes niet betalen, gelet op kenmerken en motieven, gebruik zullen maken van de mogelijkheid een vervangende taakstraf te verrichten om zo vervangende hechtenis te voorkomen en, zo ja, in welke mate? 10. In hoeverre draagt de invoering van een vervangende taakstraf naar verwachting bij aan het wegnemen van de in de motie veronderstelde gevolgen (verlies woning en werk) en de vermindering van de kans op recidive? 11. Wat is te zeggen over de financiële kosten en opbrengsten van de huidige praktijk voor de Staat? Zouden die naar verwachting toe- of afnemen met de invoering van een vervangende taakstraf? INHOUD: 1. Inleiding en Onderzoeksopzet, 2. Van veroordeling naar vervangende hechtenis, 3. De omzetting van de geldboete naar een taakstraf in het jeugdstrafrecht, 4. Taakstraf in plaats van vervangende hechtenis in het buitenland: Duitsland en Noorwegen, 5. Kwantitatieve analyse van afdoeningen van boetevonnissen, 6. Kenmerken van gedetineerden die vervangende hechtenis ondergaan, 7. Verwachte gevolgen van een vervangende taakstraf, 8. Samenvatting en conclusi