WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
The efficacy of defendants who refuse pre-trial forensic psychiatric assessment; background and research plan (full text only available in Dutch)
Some suspects of serious crimes refuse to participate in pre-trial forensic psychiatric assessments. These assessments are conducted by behavioral experts, mostly psychiatrists and psychologists, and are necessary to determine the possible influence of psychiatric disorders at the time of the crime. If psychiatric disorders were present at and related to the (time of the) crime, this may lead to diminished criminal responsibility and instead of or in combination with a prison sentence, mandatory treatment may be imposed. Some defendants, however, refuse to participate in these assessments. In some cases, this may lead to a lack of information on the mental state of the defendant, thereby making it more difficult to impose mandatory treatment. In other cases, information on the defendant is available through other sources and the influence of assessment refusal is less prominent. For defendants who need treatment to reduce their risk of recidivism, refusal of forensic psychiatric pre-trial assessment is an unwanted situation as this may make a judge’s imposition of mandatory treatment more difficult. In order to reduce the number of defendants who refuse pre-trial forensic psychiatric assessment, the legislator took several measures. Together these measures are called the ‘refusal approach’. The Research and Documentation Centre (WODC) was asked to write a research plan evaluating the refusal approach. In the current report, this research plan is set out.Sommige verdachten van een strafbaar feit weigeren mee te werken aan Pro Justitia (PJ-)onderzoek, gedragskundig onderzoek dat nodig is om te bepalen of er ten tijde van het plegen van een delict een psychische stoornis was. Dit kan ertoe leiden dat er geen behandeling wordt opgelegd, zoals een maatregel terbeschikkingstelling (tbs), als er te weinig informatie over de verdachte beschikbaar is. Dit kan een onwenselijke situatie zijn op het moment dat behandeling wel nodig is om de kans op recidive terug te dringen of op een aanvaardbaar niveau te houden. Om deze weigerproblematiek terug te dringen heeft de wetgever verschillende maatregelen getroffen, gezamenlijk bekend als de weigeraanpak. Het WODC is door het Directoraat-Generaal Straffen en Beschermen, afdeling Toezicht en Behandeling van het ministerie van JenV gevraagd om voor de evaluatie van de weigeraanpak een onderzoeksprogramma te schrijven. Dat programma is het huidige stuk. INHOUD: Kader Onderdelen weigeraanpa
The management burden of foreigners in the detention centre Rotterdam: Description and interpretation of the period 2015-2019 (full text only available in Dutch)
In the Netherlands, foreigners1 can be placed into custody, as an ultimate resource, when they refuse to leave the country on their own. This constitutes an administrative law measure to detain foreigners until departure or eviction is possible and takes place. According to the Aliens Act 2000, this measure can be imposed upon foreigners who have been refused at the border (article 6) or have been arrested due to their illegal residence in the Netherlands (article 59). The majority of foreigners in the Netherlands who resides in immigration detention are detained on the base of article 59. Furthermore, the vast majority of foreigners in detention is male: they are detained in the Detention Centre Rotterdam (DCR). At the start of this study there were clear indications that the management burden of foreigners in DCR had increased between 2015 and 2019: the staff had had to increasingly exert themselves to manage unacceptable behaviours of foreigners to uphold the order and safety within the institution. Given this context, the current study focused on the following two research questions: 1. Has the management burden of foreigners in the detention centre Rotterdam increased during the period 2015-2019 (the research period)? 2. If yes (to question 1): What are potential explanations for this increase? If no (to question 1): How to explain the indications of the increase of the management burden?Dit onderzoek heeft tot doel duidelijk te maken of de beheerslast van vreemdelingen die in bewaring zijn gesteld in het DC Rotterdam is toegenomen in de periode 2015-2019. Indien dit het geval blijkt, wordt achterhaald hoe deze toename kan worden verklaard. Blijkt er geen toename te zijn geweest in de beheerslast, dan dient dit onderzoek duidelijk te maken hoe de indicaties van de toename kunnen worden verklaard. Dat leidt tot de volgende onderzoeksvragen voor het huidige onderzoek: 1. Is de beheerslast van ingesloten vreemdelingen in het DC Rotterdam toegenomen in de periode 2015 tot en met 2019? 2. Zo ja (op vraag 1): Wat zijn de mogelijke verklaringen voor deze toename? Zo nee (op vraag 1): Hoe kunnen de indicaties van de toename van de beheerslast worden verklaard? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Methoden van onderzoek, 3. Operationalisatie van beheerslast, 4. Beantwoording onderzoeksvraag 1: Is de beheerslast in het DCR toegenomen in de periode 2015-2019?, 5. Beantwoording onderzoeksvraag 2: Mogelijke verklaringen voor de toegenomen beheerslast in het DCR in de periode 2015-2019, 6. Conclusie en discussie
National Drug Monitor 2020 (full text only available in Dutch)
This document contains a description of the latest developments derived from the National Drug Monitor (NDM) Annual Report 2020. Tables 1a and 1b provide an overview of the latest figures on substance use and drug crime up to and including 2019. However, 2020 is an exceptional year. In mid-March 2020, measures were taken in the Netherlands to prevent the spread of COVID-19. This NDM Annual Report includes available information that we have gained from research on the impact of the corona-crisis on substance use and indicators in the field of police and justice.De Nationale Drug Monitor (NDM) is in 1999 opgericht op initiatief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het NDM-jaarbericht als geheel wordt geproduceerd door het Programma Drug Monitoring van het Trimbos-instituut. Drugsbeleid kent echter niet alleen volksgezondheidsaspecten, maar ook aspecten van criminaliteit en overlast. Sinds 2002 ondersteunt ook het WODC de NDM. In de NDM handelen drie hoofdstukken over onderwerpen die op het terrein van het ministerie van JenV liggen, namelijk een hoofdstuk over wetgeving en beleid op JenV-terrein, een hoofdstuk over illegale handel, productie en bezit van drugs en een hoofdstuk over criminaliteit en overlast door alcohol- en drugsgebruikers. Voor het Jaarbericht 2020 van de NDM besteedt het WODC het opstellen van twee van de drie hoofdstukken extern uit: het hoofdstuk over illegale handel, productie en bezit van drugs, en het hoofdstuk over criminaliteit en overlast door alcohol- en drugsgebruikers. Het onderzoek moet ook enige informatie bieden, op basis van dezelfde databronnen die gebruikt worden voor de NDM, voor het Nederlandse hoofdstuk in het European Drug Report van de European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA). INHOUD: 1. Inleiding, 2. Wetgeving & beleid, 3. Cannabis, 4. Cocaïne, 5. Opiaten, 6. Ecstasy, 7. Amfetamine, 8. Nieuwe psychoactieve stoffen, 9. GHB, 10. Slaap- en kalmeringsmiddelen, 11. Alcohol, 12. Tabak, 13a. Lachgas, 13b. Ketamine, 13c, Ritalin, 14. Illegale handel, bezit en productie, 15. Criminaliteit en overlast door alcohol- en drugsgebruiker
The use of restorative justice by the police in the Netherlands (full text only available in Dutch)
In the Netherlands, restorative justice facilities can be applied at all stages of the criminal justice process. The Policy framework for restorative justice facilities during the criminal justice process (Beleidskader herstelrechtvoorzieningen gedurende het strafproces) describes which restorative justice facilities are available when a case is settled by the public prosecutor’s office or is heard by a judge. The aim of this research is to make a first inventory of restorative justice facilities in the preceding stage, when a case is handled by the police. In this ‘police phase’ a diversity of restorative initiatives exists. However, it is not clear exactly which initiatives exist and what they entail, how and when they are deployed and how they are regarded by professionals. This report provides an initial inventory and charts the experiences with these facilities.Herstelrechtvoorzieningen kunnen in alle fasen van het strafproces worden ingezet. Het Beleidskader herstelrechtvoorzieningen gedurende het strafproces beschrijft welke herstelrechtvoorzieningen beschikbaar zijn wanneer een zaak wordt afgedaan door het Openbaar Ministerie of wordt behandeld door een rechter. Dit onderzoek heeft tot doel een eerste inventarisatie te maken van herstelrechtvoorzieningen in het traject dat hieraan voorafgaat: van melding, aangifte of ambtshalve vervolging tot en met de eventuele doorzending van een zaak naar het Openbaar Ministerie (OM). In deze politiefase is sprake van een grote diversiteit aan op herstel gerichte initiatieven. Het is echter niet duidelijk welke dit precies zijn en wat deze voorzieningen inhouden, hoe en wanneer ze worden ingezet en hoe professionals tegen deze voorzieningen aankijken. Dit rapport biedt een eerste inventarisatie van herstelrechtvoorzieningen in de politiefase en brengt de ervaringen met deze voorzieningen in kaart. INHOUD: 1. Inleiding 2. Literatuuroverzicht 3. Herstelrechtvoorzieningen in de politiefase 4. Perspectieven op herstelrecht bij de politie 5. Conclusie en slotbeschouwin
Evaluation of the structure and measurability of the Dutch National Cyber Security Agenda (full text only available in Dutch)
Security in the digital domain is a top priority for the Government, and so the Dutch Cyber Security Agenda (NCSA) was written in 2018 by various ministries in collaboration with public and private parties and the scientific community.1 With the NCSA, the Government has set the course for its approach to cyber security in the coming years. There is therefore a great need to gain insight into the implementation and effect of the NCSA. The present study is one of the steps being taken to achieve this and concerns a plan evaluation of the policy measures. The research serves, among other things, as a preparation for a possible process and effect evaluation. The research questions of this study are as follows: A. Structure NCSA - 1. What were the objectives of the Dutch National Cyber Security Agenda (NCSA)? 2. What are the policy measures covered by the NCSA? 3. What can be said about each policy measure - in a concise manner - regarding: a) The reasoning behind (the choice for) the measure? b) The ex-ante expected contribution of the measure to the achievement of the strategy goals? c) The goals of the measure? d) The preconceived way in which the goals are to be achieved? e) The policy instruments covered by the measure? f) The organisations involved in the measure? B. Measurability NCSA - 4. For which policy measures is measuring the goal attainment 'promising' or not? What aspects make it more difficult to measure the goal attainment? 5. Based on the answers to the research questions above, which policy measures are possibly suitable to be included in the possible follow-up research? For what reasons might they be suitable? And (as far as possible), why are the other measures not suitable to be included in the possible follow-up study?Veiligheid in het digitale domein is voor het kabinet een topprioriteit, en zodoende is door verschillende departementen in samenwerking met publieke en private partijen en de wetenschap in 2018 de Nederlandse Cyber Security Agenda (NCSA) geschreven. Met de NCSA heeft het kabinet de koers voor de aanpak van cybersecurity in de komende jaren uitgezet. Er bestaat dan ook grote behoefte om zicht te krijgen op de uitvoering en het effect van de NCSA. Het onderhavige onderzoek is één van de stappen die worden gezet om dit te bereiken en betreft een planevaluatie van de beleidsmaatregelen. Het onderzoek dient onder meer als voorbereiding op een mogelijke proces- en effectevaluatie. De onderzoeksvragen van dit onderzoek zijn als volgt: A. Opbouw NCSA - 1. Wat waren de doelen van de Nederlandse Cyber Security Agenda (NCSA)? 2. Welke beleidsmaatregelen vallen onder de NCSA? 3. Wat kan voor iedere beleidsmaatregel – op beknopte wijze - worden gezegd over: a) De onderbouwing van (de keuze voor) de maatregel? b) De vooraf verwachte bijdrage van de maatregel aan de realisatie van de strategiedoelen? c) De doelen van de maatregel? d) De vooraf veronderstelde wijze waarop de doelen gerealiseerd moeten worden? e) De beleidsinstrumenten die onder de maatregel vallen? f) De bij de maatregel betrokken organisaties? B. Meetbaarheid NCSA -4. Bij welke beleidsmaatregelen is het meten van het doelbereik al dan niet ‘kansrijk’? Welke aspecten bemoeilijken het meten van het doelbereik? 5. Welke beleidsmaatregelen zijn – uitgaande van de antwoorden op bovenstaande onderzoeksvragen – mogelijk geschikt om bij het eventuele vervolgonderzoek te betrekken? Om welke redenen zijn deze mogelijk geschikt? En (voor zover mogelijk): waarom zijn de andere maatregelen niet geschikt om bij het eventuele vervolgonderzoek te betrekken
Crimes in their infancy - The available judicial and nonjudicial approaches for 12 and 13-year-old juvenile suspects (full text only available in Dutch)
In 2017, the Council for the Administration of Criminal Justice and Protection of Juveniles (RSJ) recommended that the minimum age of criminal responsibility be increased from 12 to 14 years (Council for the Administration of Criminal Justice, 2017). In the Dutch House of Representatives, the Minister for Legal Protection indicated that the minimum age for criminal responsibility will not be increased, but that the Minister, if necessary, is prepared to further invest in the approach for 12 and 13-year-olds outside the criminal justice system. This study was carried out at the behest of the Ministry of Justice and Security in order to gain greater insight into the approach for this target group. The Ministry’s requirement was translated into the following study questions: What were the available judicial1 and nonjudicial approaches for 12 and 13-year-old juvenile suspects in 2017 and 2018, and how often was each approach used? Why was a certain approach selected? What did the different approaches entail in actual practice? How effective were the various approaches in preventing recidivism in the opinion of the involved organisations?In 2017 heeft de Raad voor Strafrechtstoepassing en jeugdbescherming het advies gegeven om de strafrechtelijke minimumleeftijd te verhogen van 12 naar 14 jaar (Raad voor de Strafrechtstoepassing, 2017). De minister voor Rechtsbescherming heeft aangeven aan de Tweede Kamer dat de strafrechtelijke minimumleeftijd niet verhoogd wordt, maar dat hij, indien noodzakelijk, bereid is om verder te investeren in de aanpak van 12- en 13-jarigen buiten het strafrecht. De aanname hierbij was, dat zaken van 12- en 13-jarige misdrijfverdachten in de meeste gevallen al buiten het strafrecht worden afgedaan. Dit onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de behoefte bij het ministerie van Justitie en Veiligheid om meer inzicht te krijgen in de aanpak voor deze doelgroep. De wens vertaalt zich in de volgende centrale onderzoeksvragen: Welke strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke1 aanpakken voor 12- en 13-jarige misdrijfverdachten bestonden er in 2017 en 2018 en hoe vaak werd voor elke aanpak gekozen? Waarom werd voor een bepaalde aanpak gekozen? Wat hielden de verschillende aanpakken in de praktijk in? Hoe effectief menen betrokken organisaties dat de verschillende aanpakken waren om recidive te voorkomen? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Bevindingen uit de literatuur, 3. Analyse van misdrijven en aanpakken, 4. Effectiviteit en werkzame bestanddelen, 5. Alternatieve (niet-)strafrechtelijke aanpakken, 6. Aandachtspunten in de aanpak, 7. Beantwoording onderzoeksvragen en beschouwing
Background characteristics and recidivism among offenders of domestic violence convicted between 2008 and 2017 (full text only available in Dutch)
In the current study, we examined the background characteristics and recidivism of DV offenders convicted between 2008 and 2017. This study is part of a five-year research program on recidivism among DV offenders, which started mid-2016 and will end mid-2021. The current study is the third and last recidivism follow-up study among all convicted DV offenders in the Netherlands, with previous studies reporting on DV offenders in the Netherlands between 2008 and 2013, and between 2008 and 2015. In addition to these previous studies, the current study also investigated specific groups of DV offenders and their recidivism rates (i.e., offenders convicted of partner abuse, child abuse and parental abuse). The following research questions were answered: 1 What are the background characteristics of convicted DV offenders in 2017 in the Netherlands, and how do the characteristics of these DV offenders compare to the characteristics of the total group of convicted offenders in 2017 in the Netherlands? 2 What percentage of the DV offenders came back into contact with the criminal justice system within two years of their DV criminal case (prevalence of recidivism)? 3 How do recidivism rates among convicted DV offenders develop between 2008 and 2017, taking into account shifts in the background characteristics of offenders over time?In dit rapport staan de achtergronden en recidive centraal van daders van huiselijk geweld (HG-daders) die in de periode 2008 tot en met 2017 zijn veroordeeld voor een huiselijk-gewelddelict. De onderhavige studie maakt deel uit van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HG-daders dat medio 2016 van start is gegaan en medio 2021 afloopt. De huidige studie betreft de derde en laatste in de reeks recidivemetingen onder alle HG-daders in Nederland, na eerder de HG-daders tussen 2008 en 2013, en 2008 en 2015 in kaart te hebben gebracht. In deze studie wordt daarnaast, als uitbreiding op de eerdere recidivemetingen, ook gerapporteerd over specifieke groepen HG-daders en hun recidive (i.e., daders veroordeeld voor partnermishandeling, oudermishandeling en kindermishandeling). De volgende drie onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van veroordeelde daders van huiselijk geweld in 2017 in Nederland, en hoe verhouden deze kenmerken zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017 in Nederland? 2 Welk deel van de daders van huiselijk geweld veroordeeld in 2017 kwam binnen twee jaar na de strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? 3 Wat is de ontwikkeling van de recidive onder veroordeelde daders van huiselijk geweld in 2008 tot en met 2017 rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over tijd
Ontwikkelingen in de recidive onder jeugdigen
In de recidivemetingen van het WODC werd na jaren van daling weer een stijging van de tweejarige recidive onder jeugdige daders en jongeren die vrijkwamen uit een Justitiële Jeugdinrichting (JJI) waargenomen. Deze constatering leidt tot de vraag hoe deze stijging te duiden is. Zijn er verklaringen te geven voor de stijging van de recidive? In dezelfde periode liet ook de recidive onder deze dadergroepen een dalende ontwikkeling zien. Sinds het cohort 20121 is echter een einde aan deze daling in de recidiveprevalentie gekomen en is de recidive onder jeugdigen juist weer aan het stijgen. Om nader te onderzoeken hoe deze omslag naar een stijging te duiden is, is het WODC gevraagd onderzoek te doen naar mogelijke verklaringen voor deze ontwikkeling. Het onderzoek naar mogelijke verklaringen voor de stijging van de recidive is opgeknipt in twee delen. In het eerste deel, waarover in voorliggend rapport wordt gerapporteerd, wordt dieper ingegaan op de ontwikkeling van de recidive onder jeugdige daders en ex-JJI-pupillen. Hiertoe gaan we ten eerste na of deze stijging zich voortzet onder de jongeren die in 2016 veroordeeld zijn of vrijkwamen uit een JJI. Daarnaast gaan we in dit onderzoek na of de ontwikkelingen in de recidive verschillen per subgroep binnen de jeugdige dadergroep en de groep ex-JJI-pupillen. Hiervoor splitsen we de recidivecijfers uit naar een aantal statische factoren waarvan we weten dat ze samenhangen met recidive. Het gaat daarbij om sekse, leeftijd van de eerste strafzaak, de aanwezigheid van eerdere strafzaken of niet, het type delict van de uitgangszaak. Voor jeugdige daders splitsen we daarnaast uit naar de opgelegde afdoening, en voor ex-JJI-pupillen naar de strafrechtelijke titel waaronder men vast zat. In het vervolg op voorliggend onderzoek zal nagegaan worden of in Nederland ontwikkelingen in recidive verschillen tussen jongeren uit meer of minder welvarende gezinnen of buurten. Hiertoe wordt dan gekeken naar de sociaal-economische status van het gezin en de buurt
Tackling organized drug crime - 25 years of policy and implementation in retrospect (full text only available in Dutch)
The central question in the research was: “What can be said about the policy choices made and their execution and implementation concerning the criminal, financial and administrative approach to organized drug crime, the considerations of these choices, and the effectiveness of the approach in the period 1995-2020?” To answer this question, we conducted an extensive document search, interviewed professionals who are, or were, employed by various relevant organizations, and we interviewed researchers in this field. Relevant outcomes were discussed and explained in a focus session with experts.De centrale vraag in het onderzoek luidde: “Wat kan gezegd worden over de gemaakte beleidskeuzes en de uitvoering en implementatie daarvan wat betreft de strafrechtelijke, financiële en bestuurlijke aanpak van georganiseerde drugscriminaliteit, de onderbouwing van deze keuzes, en de effectiviteit van de aanpak in de periode 1995-2020?” Om deze vraag te beantwoorden is een uitgebreid documentonderzoek uitgevoerd en zijn interviews gehouden met professionals die werkzaam zijn of waren bij diverse relevante organisaties, alsmede met onderzoekers op dit gebied. In een focussessie met experts zijn relevante uitkomsten besproken en geduid. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Het beleid en de beleidskeuzes, 3. De aanpak van wietteelt, 4. De aanpak van cocaïnesmokkel, 5. De aanpak van synthetische drugs, 6. Indicatoren, 7. Conclusie
Evaluation of ANPR legislation, Section 126jj of the Dutch Code of Criminal Procedure; The Dutch Act on ‘the Recording and storage of vehicle registration data by the police’ evaluated (full text only available in Dutch)
The Dutch Act on the ‘Recording and storage of vehicle registration data by the police’39 (wet ‘Vastleggen en bewaren kentekengegevens door de politie’) entered into force on 1 January 2019. Based on the new Section 126jj of the Dutch Code of Criminal Procedure (Wetboek van Strafvordering) (referred to in the rest of the report as ‘126jj’), the police may record and store the vehicle registration data of passing vehicles using designated cameras for a period of 28 days. The data may be inspected during that period for the purpose of investigating a crime or persons at large. The Act contains an evaluation and sunset clause. Initially, the power will be in force for three years unless decided otherwise by Royal Decree. Based partly on this evaluation, it will be determined whether the power will be maintained. The evaluation is based on two monitor reports. The first monitor report was published in 2020 and the second monitor report was published at the same time as this evaluation. The central research question for this study is as follows: In what way are number plates that have been stored on the basis of the Dutch Act on the ‘Recording and storage of vehicle registration data by the police’ used in the investigation of criminal offences and what role do the data play in investigations?Op 1 januari 2019 is de wet ‘Vastleggen en bewaren kentekengegevens door de politie’ in werking getreden. Op basis van het nieuwe artikel 126jj Wetboek van Strafvordering (in de rest van het rapport aangeduid als 126jj) is het voor de politie mogelijk om door middel van daarvoor aangewezen camera’s kentekengegevens van passerende voertuigen te registreren en op te slaan voor een periode van 28 dagen. Deze gegevens kunnen gedurende deze periode worden ingezien ten behoeve van de opsporing van een misdrijf of van voortvluchtige personen. De wet bevat een evaluatie- en horizonbepaling. De bevoegdheid is in beginsel voor drie jaar van kracht, tenzij bij Koninklijk Besluit anders wordt besloten. Mede op basis van de onderhavige evaluatie wordt bepaald of de bevoegdheid zal worden gehandhaafd. De evaluatie is gebaseerd op twee monitorrapportages. Het eerste monitorrapport verscheen in 2020 (zie: link hiernaast) en het tweede monitorrapport is gelijktijdig met de onderhavige evaluatie verschenen (zie: link hiernaast). De centrale onderzoeksvraag van dit onderzoek luidt als volgt: Op welke wijze wordt bij de opsporing van strafbare feiten gebruikgemaakt van kentekens die op basis van de wet ‘Vastleggen en bewaren kentekengegevens door de politie’ worden opgeslagen en welke rol spelen deze gegevens in de opsporing? INHOUD: 1. Inleiding 2. Achtergrond van de wet 3. Plaatsing en inzet van camera's 4. Vastlegging, raadpleging en verstrekking gegevens 5. Effecten van de wet 6. Conclusie