WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Listening to citizens after using force; Research into hearing citizens who have been subjected to the use of force by the police (full text only available in Dutch)
In this research report the following question is investigated: Can citizens who were subjected to the use of force by the police be given a right to be heard (within the course of internal proceedings) before the committee on the use of force by the police - considering the possible legal consequences of such a right to be heard – and if this is possible, in what way?In 2020 en 2021 zijn in wet- en regelgeving belangrijke stappen gezet in het proces rond de stelselherziening geweldsaanwending bij de politie. Hiermee is het einde van vernieuwingen en veranderingen in de beoordeling van geweldsaanwending door de politie nog niet bereikt. Dit onderzoek richt zich op de rol van de burger in het proces van het beoordelen van de geweldsaanwending door de politie. In dit rapport staat de volgende vraag centraal: Is het, mede gelet op mogelijke juridische gevolgen, mogelijk, en zo ja: op welke wijze, om een hoorrecht van de betrokken burger bij het interne beoordelingsproces door de commissies geweldsaanwending bij de politie in te richten? INHOUD: 1. Inleiding 2. Procedures waarin geweldsaanwendingen door de politie een rol kan spelen 3. De stelselherziening geweldsaanwending en twee procedures ter beoordeling van geweldsaanwending bekeken 4. De functie van het 'hoorrecht' (of de 'hoorplicht') - Horen in het bestuursrecht 5. De respondenten over de onderzoeksvragen 6. Antwoorden op de deelvragen en conclusie
Evaluatiekader Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (wet USB)
Dit onderzoek dient ter voorbereiding van de evaluatie van het programma USB (in de brede zin) die in 2025 zal plaatsvinden. Het onderzoek levert een blauwdruk op voor een evaluatie waarmee over enkele jaren kan worden bepaald of de doelen van het programma en de Wet USB ook daadwerkelijk zijn behaald. De tenuitvoerlegging (uitvoering geven aan een strafrechtelijke beslissing) is het wezenlijke sluitstuk van de strafrechtketen. De ambitie van het kabinet is de strafrechtketen doelmatiger te laten functioneren en de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen te optimaliseren. De probleemstellingen luiden als volgt: Probleemstelling A (‘Reconstructie van de beleidslogica’) - Welke werkzame bestanddelen worden verondersteld in de Wet USB en onderliggende initiatieven? Probleemstelling B (‘Identificeren van indicatoren’) - Welke indicatoren kunnen op basis van de beleidslogica worden onderscheiden? Zijn er indicatoren die gezien de beleidslogica ontbreken, onmisbaar zijn en die (eenvoudig) kunnen worden toegevoegd aan SKM of USB-monitor of uit andere bronnen moeten worden geëxtraheerd en zo ja, welke? Probleemstelling C (‘Vormgeven design van de effect-evaluatie’) - Op welke wijze kunnen (in de toekomst) plausibele uitspraken worden gedaan over de doeltreffendheid en de effecten van de wet
Contract killings in the Netherlands - second exploratory study (full text only available in Dutch)
Although contract killings are not a new phenomenon in the Netherlands, an exploratory study in 2017 showed that the methods used in these assassinations are constantly changing. One of the findings of the study was that the availability of new groups of hitmen and new means are leading to a number of changes in modus operandi. On the one hand, a process of professionalisation was identified in terms of preparations for contract killings, involving the use of the latest technological resources. On the other hand, it was established that coarser methods are being used for the actual shootings, which was attributed to the abundance of heavy firearms available in the Netherlands and of new, inexperienced hitmen. The key question was as follows: What recent developments can be identified in relation to the phenomenon of contract killings according to officers in the police and judiciary? For recent developments, we looked at the background, motives, individuals involved and modus operandi of contract killings.Hoewel liquidaties geen nieuw fenomeen zijn in Nederland, bleek uit een verkennende studie van het WODC uit 2017 dat de werkwijze bij deze moordaanslagen aan verandering onderhevig is (zie link hiernaast). Uit de studie kwam onder andere naar voren dat de beschikbaarheid van nieuwe groepen schutters en nieuwe middelen leidt tot een aantal stijlaanpassingen. Enerzijds werd een proces van professionalisering gesignaleerd bij de voorbereiding van liquidaties, waarbij gebruik werd gemaakt van nieuwe technologische middelen. Anderzijds werd een ruwere werkwijze gesignaleerd bij de uitvoering van liquidaties, die werd toegeschreven aan een ruime beschikbaarheid van zware vuurwapens in Nederland en aan een ruime beschikbaarheid van een nieuwe onervaren schutters. De centrale probleemstelling luidt: Welke recente ontwikkelingen doen zich voor ten aanzien van het fenomeen liquidaties, volgens sleutelinformanten van politie en justitie? Bij recente ontwikkelingen is gekeken naar achtergrond, motieven, betrokken actoren en de uitvoering (modus operandi) van liquidaties. INHOUD1. Inleiding 2. Definities 3. Achtergrond en criminele context 4. Aantal liquidaties 5. Verbreding van excessief geweld 6. Taakverdeling, aansturing en gevolgen van nieuwe technologie 7. Slotbeschouwin
Recidivism prediction by institution (full text only available in Dutch)
In the field of justice, there is often a need to compare institutions on their outflow results, especially in terms of recidivism. This can be for instance court districts, prisons or probation offices. In order to make institutions comparable in terms of recidivism, differences in the characteristics of the offenders entering the institution must be taken into account. This can only be done by developing a (statistical) model that corrects recidivism for these offender differences in intake. For the case of juvenile detention centers (JJIs), this study investigated under which conditions it is feasible to arrive at an unbiased (valid) and stable (reliable) estimate of the relative effect of the JJIs on recidivism. For this purpose, we looked at data for the period 2004 up to and including 2013. It was also examined whether a standard approach for modeling could be developed for this context. Previous WODC research on the population of hospital order (tbs) had already shown that the predictions of the method used to date were insufficiently precise.In dit onderzoek is voor de casus van justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s) onderzocht onder welke condities het haalbaar is om te komen tot een onvertekende (valide) en stabiele (betrouwbare) schatting van het relatieve effect van de JJI’s op recidive. Hiervoor is gekeken naar gegevens over de periode 2004 tot en met 2013. Ook is bekeken of er een standaardwerkwijze voor modellering ontwikkeld kan worden
Borderless!? An explorative study of the instruments in relation to (convicted) o enders of transnational child sexual abuse (full text only available in Dutch)
Following an article in the Dutch newspaper De Telegraaf about the case of the Dutchman Hans V. in March 2019, parliamentary questions were asked about the legal instruments or measures available for convicted transnational child sexual offenders. Two parliamentary motions were submitted requesting the government to investigate how international movements of offenders could be further restricted. In his response, the Minister of Legal Protection concluded that the available instruments and measures could be put to better use. The aim of this study is twofold: 1) to gain more insight into the profiles of transnational child sexual offenders and 2) to examine whether other countries have legal instruments or measures in place to prevent transnational child sexual abuse that could also be valuable for the Netherlands.Naar aanleiding van een artikel in De Telegraaf over de zaak van de Nederlander Hans V., worden in maart 2019 Kamervragen gesteld over de beschikbare maatregelen voor veroordeelde plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik. Ook worden twee moties ingediend waarin de regering verzocht wordt om te onderzoeken op welke wijze de reisbewegingen van plegers verder beperkt kunnen worden. In zijn reactie concludeert de minister voor Rechtsbescherming dat de huidige maatregelen beter benut kunnen worden. De doelstelling in dit onderzoek is tweeledig: 1) meer inzicht krijgen in de profielen van plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik en 2) nagaan of er in het buitenland maatregelen bestaan gericht op het voorkomen van transnationaal seksueel kindermisbruik die ook in Nederland van toegevoegde waarde zouden kunnen zijn. INHOUD: 1. Inleiding 2. Transnationaal seksueel kindermisbruik in de wetenschappelijke literatuur 3. Inventarisatie van het instrumentarium 4. Introductie internationaal onderzoek 5. Landenstudie Zweden 6. Landenstudie Duitsland 7. Landenstudie Ierland 8. Landenstudie Australië 9. Landenstudie Verenigde Staten 10. Beantwoording onderzoeksvragen en conclusie
Final report on information provisions by COA (full text only available in Dutch)
The Central Agency for the Reception of Asylum Seekers (Centraal Orgaan opvang asielzoekers, COA) is responsible for the care and support of asylum seekers. The COA provides accommodation, assists asylum seekers in preparing for a future in the Netherlands or elsewhere, and is responsible for maintaining the safety and quality of life at the reception centres. To support asylum seekers during their stay at the reception centre, all residents are given information after arrival on various topics that are relevant to living at an asylum seekers’ centre. This study is not concerned with the content of the communication provided by the COA but with the communication process only. The aim of the study is to provide insight into: - how asylum seekers perceive the information that they receive from the COA during the first phase of the reception process, and - starting points for possible improvements to the provision of information by the COA to asylum seekers.Op 1 juli 1994 is de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (de Wet COA) in werking getreden. Bij deze wet is het COA opgericht en zijn de taken van het COA vastgelegd. Deze taken omvatten het bieden van onderdak, de begeleiding naar een toekomst in Nederland of daarbuiten, het verwerven en beheren van opvanglocaties, het handhaven van veiligheid en leefbaarheid binnen de opvanglocaties en het voorzien van asielzoekers van de noodzakelijke middelen. Het onderzoek richt zich op de informatieoverdracht vanuit het COA in de eerste fase van de opvang. Het doel van het onderzoek is om inzicht te bieden in: - hoe asielzoekers de informatieoverdracht ervaren die zij in de eerste fase van opvang van het COA krijgen, en; - aanknopingspunten voor eventuele verbeteringen in de informatieoverdracht vanuit het COA naar asielzoekers. INHOUD: 1. Inleiding en verantwoording 2. Literatuurverkenning: informatieoverdracht aan asielzoekers 3. De inrichting van de informatievoorziening in de eerste opvangfase 4. Asielzoekers aan het woord: informatieoverdracht in de praktijk 5. Verbetermogelijkheden informatievoorziening 6. Samenvatting en conclusie 7. Summary and conclusion
Willingness of civilians to provide information on serious criminal offences and the use of tip and reward money (full text only available in Dutch)
When investigating serious criminal offences, the Dutch Police and Public Prosecutor’s Office (Openbaar Ministerie) may use information supplied to them by civilians. These persons can be managed as informants by police intelligence services or they may provide their information to the Police in reaction to a reward, that has been offered by a public prosecutor. A police informant can be described as a person who has knowledge of criminal offences, for example because he is a member of a criminal organization, and who provides this information to the police, whilst at the same time the identity of the informant is kept secret. A reward is written out by a public prosecutor when he needs the help of the public in finding a fugitive criminal or solving a criminal case. In both circumstances, a civilian is being paid by the government for providing information on criminal offences. Following a motion passed in the Dutch Parliament (Tweede Kamer), which called for an increase in tip and reward money (tip- en beloningsgelden) for citizens who provide information on drug-related crime, the Minister of Justice and Security has ordered an exploratory study into the relation between tip and reward money and the willingness of civilians to provide information on serious criminal offences and the use of tip and reward money in three foreign countries, which were selected by the authors as Australia, Belgium and Germany.Het doel van dit verkennende onderzoek is om meer inzicht te verkrijgen in de meldingsbereidheid van burgers in relatie tot (de hoogte van) tip- en beloningsgelden. Het voorgaande mondt dan ook uit in de volgende hoofdvraag: Wat is er, op basis van (inter)nationale literatuur en interviews met een aantal deskundigen, bekend over de invloed van tip- en beloningsgelden op de bereidheid van burgers tot het geven van tips aan opsporingsdiensten in Nederland en in (enkele) andere landen (Australië, België en Duitsland)? Welke zijn de meest relevante onderwerpen om te bespreken in een expertmeeting en met wie? INHOUD: 1. Inleiding 2. Tip- en beloningsgelden; procedures en praktijken 3. Meldingsbereidheid in Nederland: gedragswetenschappelij ke literatuur, interviews en expertmeeting 4. Bevindingen verkennend onderzoek Australië, België en Duitsland 5. Conclusie
Evidence-based interventions during detention (full text only available in Dutch)
The aim of this study is to gain insight into the offer of effective (preferably evidence-based) judicial in-terventions to improve the basic conditions for successful reintegration and reducing recidivism among adult detainees. The main question is: which evidence-based interventions are deployed in Dutch peni-tentiaries (or could be deployed) during detention and what are the preconditions to effective realisa-tion? Evidence-basedness is a strict requirement and therefore, the study also focuses on interventions that are not evidence-based, but are substantiated by scientific or practical knowledge and, preferably, have been subject to process evaluations.Het doel van dit onderzoek is om meer inzicht te krijgen in het aanbod van effectieve (bij voorkeur evi-dence-based) justitiële interventies voor het verbeteren van de basisvoorwaarden voor succesvolle re-integratie en het terugdringen van recidive onder volwassen gedetineerden. De centrale vraag is: welke evidence-based interventies worden in Nederlandse penitentiaire instellingen ingezet (of zouden inge-zet kunnen worden) tijdens detentie en wat zijn de randvoorwaarden voor een effectieve uitvoering? Evidence-based geldt als een strenge eis en daarom richt het onderzoek zich ook op interventies die niet evidence-based zijn, maar wel een goede onderbouwing hebben met wetenschappelijke of praktijkken-nis en waarnaar bij voorkeur procesevaluaties zijn uitgevoerd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Afbakening en methode van onderzoek 3. Inventarisatie 4. Uitvoering en randvoorwaarden 5. Conclusie
Lessen uit internationaal onderzoek
Als onderdeel van het Nederlandse re-integratiebeleid werken justitiële inrichtingen, gemeenten en reclasseringsorganisaties samen aan het tijdens en na detentie oplossen van problemen van (ex-)gedetineerden. Het gaat daarbij om problemen op de leefgebieden huisvesting, schulden en werk, opleiding, inkomen en dagbesteding. Reclasseringsorganisaties houden zich daarnaast bezig met toezicht op of mensen zich aan bepaalde voorwaarden houden en het begeleiden en motiveren van mensen. In deze notitie wordt een overzicht gegeven van internationaal onderzoek naar de effectiviteit van reintegratiebeleid op het gebied van de leefgebieden en reclasseringstoezicht in het terugdringen van recidive
Online derailment - nature and scale of harmful and immoral behaviour online in the Netherlands (full text only available in Dutch)
The WODC asked the Rathenau Instituut to answer the following research question: What is the nature and scale of harmful and immoral behaviour online in the Netherlands, what are the underlying mechanisms and causes, and what options for action are available to the ministry, and the government as a whole, for limiting harmful and immoral behaviour online? The report focuses on online behaviour that takes place in a moral twilight zone, and in which the government is currently hesitant to act. We looked at online behaviour that can be designated as harmful and/or immoral. This behaviour is not only harmful to individuals, but also larger groups or society as a whole. Some of the behaviours that we discuss in this study violate certain fundamental rights and laws and are therefore unlawful or illegal. Yet it turns out that it is much more difficult for people to judge whether something is acceptable in an online environment. The online world is not necessarily more lawless than the offline world, but it is more easily experienced as such.Het WODC verzocht het Rathenau Instituut om de volgende centrale onderzoeksvraag te beantwoorden: Wat zijn de aard en de omvang van online schadelijk en immoreel gedrag in Nederland, wat zijn de onderliggende mechanismen en oorzaken, en welke handelingsperspectieven zijn er voor het ministerie en de overheid als geheel voor het beperken van schadelijk en immoreel gedrag op internet? Met dit rapport zet het Rathenau Instituut een schijnwerper op online gedrag dat zich in een moreel schemergebied bevindt, en waar de overheid nu nog handelingsverlegen is. Het gaat om online gedrag dat als schadelijk en/of immoreel kan worden geduid. Dat gedrag kan schadelijk zijn voor individuen, maar ook voor grotere groepen of de samenleving als geheel. Een deel van het gedrag dat we in dit onderzoek bespreken is in strijd met bepaalde grondrechten en wetten, en daarmee onrechtmatig of strafbaar. Toch blijkt het voor internetgebruikers online een stuk lastiger om te beoordelen wanneer iets door de beugel kan. De online omgeving is niet de facto wettelozer of grenzelozer dan de offline wereld, maar wordt wel sneller zo ervaren. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Aanpak, 3. Taxonomie van schadelijk en immoreel gedrag online, 4. Mechanismen van immoreel en schadelijk gedrag, 5. De huidige aanpak van schadelijk gedrag online, 6. Strategische agend