WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Een eerste evaluatie van de gemeentelijke Versterkingsgelden 2020-2021
Jaarlijks stelt de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) financiële middelen beschikbaar aan gemeenten voor de versterking van hun lokale aanpak van radicalisering en extremisme. Gemeenten kunnen een beroep doen op deze zogeheten Versterkingsgelden door financiering aan te vragen voor activiteiten in een of meerdere van de volgende clusters: analyse van de lokale problematiek met betrekking tot radicalisering of (gewelddadig) extremisme; de persoonsgerichte aanpak (PGA) van geradicaliseerde personen; het opbouwen, behouden en faciliteren van een netwerk van sleutelfiguren betrokken bij het signaleren van mogelijke radicalisering; deskundigheidsbevordering en voorlichting; preventie-activiteiten; en evaluatie van de activiteiten. De centrale vraagstelling in dit onderzoek is: Wat waren de vooraf verwachte effecten van activiteiten gefinancierd door middel van Versterkingsgelden in 2020-2021, hoe is de uitvoering van deze activiteiten geweest en welke opbrengsten kunnen worden geïdentificeerd? De centrale vraag is opgedeeld in een aantal deelvragen. Deze deelvragen zijn vervolgens verdeeld in vragen die het karakter hebben van: een planevaluatie (wat is de coherentie en logica van de toegekende activiteiten op papier?); een procesevaluatie (hoe zijn de activiteiten uitgevoerd?); en een eerste aanzet voor een effectevaluatie (wat kan er worden gezegd over de opbrengsten van de activiteiten?). INHOUD Inleiding Methodologische verantwoording Overzicht van interventies gefinancierd door de Versterkingsgelden in 2020 en 2021 Cluster A: Analyse Cluster B: Persoonsgerichte aanpak (PGA) Cluster C: Sleutelfiguren Cluster D: Deskundigheidsbevordering en voorlichting Cluster E en F: Preventie Conclusie en aanbevelinge
Monitor administrative response to organised crime - state of affairs 2022 (full text only available in Dutch)
Een effectieve bestrijding van de georganiseerde criminaliteit vraagt om een geïntegreerde aanpak op strafrechtelijk, fiscaal en bestuurlijk vlak. In 2009, 2012 en 2016 zijn metingen uitgevoerd naar de invulling van deze bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit door gemeenten. De bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit is het geheel van maatregelen en inzet van instrumenten door gemeenten, gericht op het bestrijden, voorkómen, belemmeren en frustreren van criminele activiteiten, al dan niet in samenwerking met andere partners in een (geïntegreerde) aanpak. Daarbij kan het bestuur een uiteenlopend palet van instrumenten en bevoegdheden inzetten, zoals het sluiten van panden, het opleggen van dwangsommen, intrekken of weigeren van vergunningen, toezicht en handhaving en het toepassen van de Wet Bibob. Onderdeel van de aanpak zijn de Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC’s). Deze ondersteunen gemeenten met capaciteit en deskundigheid bij het uitwisselen van informatie, het uitvoeren van analyses, advisering van het bestuur en het bieden van ondersteuning bij bijvoorbeeld de inzet van het Bibob-instrumentarium. Daarnaast moeten de RIEC’s de continuïteit en uniformiteit in de bestuurlijke aanpak borgen en bijdragen aan een structurele kennis- en ervaringsopbouw. Het hoofddoel van de hernieuwde vierde meting is het inzichtelijk maken van de stand van zaken in de bestuurlijke aanpak in 2022 en de veranderingen ten opzichte van 2016 met het oog op aandachtspunten voor de toekomst. De centrale hoofdvraag van het onderzoek luidt als volgt: Wat is in 2022 de stand van zaken in de bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit, wat zijn de ontwikkelingen daarin sinds 2016 en welke factoren verklaren eventuele verschillen? INHOUD Inleiding Bewustzijn van georganiseerde criminaliteit Rolopvatting en bestuurlijke verankering Organisatorische verankering Samenwerking Inzet instrumenten en effectiviteit Waardering RIEC-samenwerking ConclusiesTo effectively tackle organised crime an integrated response is needed, combining actions under criminal, fiscal and administrative law. In 2009, 2012 and 2016, surveys were carried out into how municipalities are implementing this administrative response to organised crime. The administrative response to organised crime constitutes the set of measures and deployment of instruments by municipalities aimed at combating, preventing, impeding and frustrating criminal activities, sometimes in cooperation with other partners in an (integrated) response. In doing so, the authorities can deploy a diverse palette of instruments and powers, such as closing premises, imposing penalties, revoking or refusing licences, supervision and enforcement and applying the Administrative Integrity/Public Administration (Probity Screening) Act (Bibob). The main objective of this survey is to provide insight into the administrative response in 2022 and the changes compared to 2016 in order to identify areas of focus for the future. The main research question is as follows: What is the progress of the administrative response in 2022, how has this developed since 2016, and what factors explain any differences in the progress
Evaluation of the expansion of the victim impact statement act in a criminal process (full text only available in Dutch)
Dit onderzoek betreft een empirische evaluatie van een van de slachtofferrechten: het onbelemmerde spreekrecht. Slachtoffers mogen zich sinds juli 2016 onbelemmerd uitlaten over de onderwerpen die zij graag willen bespreken. Zij mogen zich dus over de gevolgen van het misdrijf, maar ook over de schuld van de verdachte, het bewijs, de op te leggen sanctie en hoe zij het strafproces ervaren. Deze evaluatie is erop gericht om te onderzoeken in welke mate de uitbreiding van het spreekrecht tegemoet is gekomen aan de behoefte van slachtoffers om zich meer te uiten. Daarnaast is het doel te achterhalen of het onbelemmerde spreekrecht negatieve effecten heeft. De centrale onderzoeksvraag in dit evaluatieonderzoek is: Wat is het verloop van en hoe zijn de ervaringen met het onbelemmerd spreekrecht? INHOUD Introductie Literatuuronderzoek Rechtbankobservaties Slachtofferverklaringen en vonnissen Vragenlijstonderzoek Interviews met professionals Interviews slachtoffers Conclusie en discussieThe current study concerns an empirical evaluation of one of the victims' rights: the unrestricted Victim Impact Statement (VIS). This research focuses on the oral VIS. The VIS was introduced in a limited form in 2005, where victims were only allowed to speak about the consequences of the crime they experienced. Earlier evaluations of that form of the VIS showed that it was not sufficient for a certain group of victims, which led to them not exercising their right. In addition, there was disparity between district courts regarding the limits which were applied to victims exercising their right to speak; some speakers were already allowed to express themselves freely. For these reasons, the VIS was expanded and, since July 2016, victims have been allowed to speak freely on the topics they would like to put forward during the court hearing. This means that they not only are allowed to speak about the consequences of the crime, but also about the guilt of the accused, the punishment, the criminal process and the facts of the crime. The current evaluation aims to examine to what extent the expansion of the VIS has met the need of victims to express themselves more extensively. In addition, the aim is to find out whether the unrestricted VIS has any negative effects. Also, it is aimed to examine to what extent the legal objective of the right Vis is being met, i.e.: to make a start at repairing victims' emotional damage.The central research question is: What is the course of and what are the experiences with the unrestricted Victim Impact Statement
Evaluation of The Family Representative/Case Holder Pilot 'Divorce without Damage' (full text only available in Dutch)
De gevolgen van een complexe scheiding kunnen voor kinderen groot zijn. Het overheidsprogramma Scheiden zonder Schade van het ministerie van Justitie en Veiligheid en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft als doel schade bij kinderen als gevolg van een complexe scheiding te voorkomen. Dit gebeurt onder andere door het ontwikkelen van een nieuwe scheidingsaanpak in de regiolabs Den Haag en Oost-Brabant. Een onderdeel van de nieuwe scheidingsaanpak is de pilot Gezinsvertegenwoordiger/Casushouder. In deze pilot wordt zo vroeg mogelijk in het scheidingsproces een gezinsvertegenwoordiger bij een gezin betrokken om ouders en kinderen te begeleiden tijdens de scheiding. Het doel van de inzet van een gezinsvertegenwoordiger is de-escalatie en dejuridisering van het conflict. Onderzoeksverantwoording Het doel van het huidige onderzoek is inzicht te geven in de bijdrage van de gezinsvertegenwoordiger aan de beoogde doelen van de nieuwe scheidingsaanpak: de-escalatie en dejuridisering en in de wenselijkheid van een gezinsvertegenwoordiger als onderdeel van de nieuwe scheidingsaanpak en de wijze waarop dat kan worden ingevuld. In de onderzoeksopdracht staan acht onderzoeksvragen verdeeld over de drie fasen van de pilot: A. Voorbereidende fase: werkzame elementen? B. Uitvoerende fase: gezinsvertegenwoordiger: onderdeel scheidingsaanpak? C. Opbrengstfase. INHOUD: 1. Inleiding en opzet van de pilot, 2. Onderzoeksverantwoording, 3. De pilot, 4. Ervaringen, 5. Beantwoording onderzoeksvragen, 6. Reflectie
Evaluation Safety BES Act (full text only available in Dutch)
The Safety BES Act (‘Veiligheidswet BES’) was introduced on 10 October 2010 when the constitutional structure of the Kingdom of the Netherlands was changed and Bonaire, Sint Eustatius and Saba became part of the Netherlands as public entities. The Safety BES Act regulates the duties and composition of the police force and the structure and organization of firefighting, disaster relief, crisis management, and medical assistance in the Caribbean Netherlands. The following research question was at the heart of the investigation: How is the Safety BES Act functioning in the light of the principles and objectives formulated on 10 October 2010, what are the bottlenecks, and to what extent is the Act future-proof, bearing in mind current and future developments in the safety field and the findings of the evaluation of the Safety Regions Act at the end of 2020?De Veiligheidswet BES is op 10-10-’10 ingevoerd toen de staatkundige structuur van het Koninkrijk der Nederlanden werd gewijzigd en Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen deel zijn gaan uitmaken van het land Nederland. De Veiligheidswet BES regelt de taak en samenstelling van het politiekorps en de inrichting en organisatie van de brandweerzorg, rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening in Caribisch Nederland. De volgende onderzoeksvraag stond in het onderzoek centraal: Hoe functioneert de Veiligheidswet BES gelet op de per 10-10-’10 geformuleerde uitgangspunten en doelstellingen, welke knelpunten zijn te onderscheiden en in hoeverre is de wet toekomstbestendig, mede gelet op de huidige en toekomstige ontwikkelingen in het veiligheidsdomein en de bevindingen van de eind 2020 geëvalueerde Wet veiligheidsregio’s? INHOUD: 1. Inleiding 2. Doelen en uitgangspunten van de wet 3. Beleid, uitvoering, financiering en toezicht 4. Samenwerking onderling en in de regio 5. Toekomstbestendigheid en verhouding tot de Wet veiligheidsregio's 6. ConclusieRampomstandighede
Evaluation Dutch National Rapporteur on Human Trafficking and Sexual Violence Against Children (full text only available in Dutch)
On 1 April 2000, the Netherlands was the first EU Member State to appoint a National Rapporteur in the area of human trafficking, following the implementation of the Hague Declaration that was drafted after a European ministerial conference on trafficking in women. This evaluation study poses four main questions: 1. How did the National Rapporteur perform his duties in the period 2017-2020? 2. What financial resources did the National Rapporteur have at his disposal in the period 2017-2020 and how were they used? How does this compare to the financial resources and expenditures of the National Rapporteurs in three other EU Member States? 3. What did external parties think of the way the National Rapporteur performed his duties in the period 2017-2020? 4. To what extent should the tasks, working methods and/or powers of the National Rapporteur be changed – considering the answers to the first three main questions and the sub-questions – and what are the National Rapporteur's views on any possible changes?Sinds 1 april 2000 heeft Nederland als eerste EU-lidstaat een Nationaal Irapporteur op het gebied van mensenhandel. Op grond van art. 9 van de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen (wet van 15 november 2013) en daaraan voorafgaande regelingen dient het instituut elke vier jaar geëvalueerd te worden. Dit evaluatieonderzoek heeft vier hoofdvragen: 1. Hoe heeft de Nationaal rapporteur in de periode 2017-2020 zijn taken uitgevoerd? 2. Welke financiële middelen had de Nationaal rapporteur in de periode 2017-2020 beschikbaar en hoe zijn die besteed? Hoe verhoudt zich dat tot de middelen en besteding daarvan door de nationaal rapporteurs in drie andere EU-lidstaten? 3. Wat was de externe waardering voor de taakuitvoering van de Nationaal rapporteur in de periode 2017-2020? 4. In hoeverre is – de antwoorden op de eerste drie hoofdvragen en de deelvragen overziend – een wijziging van de taken, werkwijze en/of bevoegdheden van de Nationaal rapporteur gewenst en hoe kijkt de Nationaal rapporteur aan tegen deze eventuele wijzigingen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksaanpak 3. De taak van de Nationaal rapporteur 4. Bestuurlijke inbedding 5. Organisatie en financiën 6. Taakopvatting Nationaal rapporteur 7. Activiteiten 2017-2020 8. Externe waardering 9. Landenvergelijking 10. Integrale analys
Quickscan legislation childlike sex dolls and childlike sex robots in The Netherlands (full text only available in Dutch)
testin
Return migration: interests and perspectives (full text only available in Dutch)
ARTIKELEN: Huub Verbaten - 25 jaar terugkeerbeleid: fappez toujours. De fictie van een coherent terugkeerbeleid Arjan Leerkes - Terugkeer door legitimiteit? Alternatieven voor afschrikkingsbeleid ten aanzien van irreguliere migranten Christian Mommers - Eigen verantwoordelijkheid voor terugkeer: op zoek naar de grenzen Laura Cleton - Tussen dwang en drang. Hoe terugkeercounselors de 'vrijwillige terugkeer' van ongedocumenteerde migranten realiseren Lars Breuls - Werken aan terugkeer in vreemdelingenbewaring? Een blik op de werkpraktijken van terugkeerfunctionarissen en hun interacties met opgesloten personen Karlien Strijbosch - Slachtoffers, criminelen of helden? Mannelijke migranten in Senegal na terugkeer uit Europa. SAMENVATTING: De terugkeer van migranten zonder verblijfsrecht. Het is al lang een politiek gevoelig hot topic in de Europese Unie als geheel, maar ook in Nederland. Toch blijft het fenomeen ‘terugkeer’ voor veel mensen moeilijk te doorgronden. In dit themanummer wordt de terugkeerproblematiek vanuit verschillende perspectieven belicht. Op grond van de Vreemdelingenwet 2000 heeft een persoon zonder recht op verblijf (‘vreemdeling’) de plicht Nederland uit eigen beweging te verlaten. Echter, de praktijk van terugkeer is weerbarstig. De bijdragen in dit themanummer raken aan verschillende aspecten van discussies rondom het thema van terugkeer en laten tegenstrijdige belangen zien tussen de verschillende bij terugkeer betrokken actoren, zoals de Nederlandse overheid en de migrant. We kijken terug op 25 jaar terugkeerbeleid en zoomen vervolgens in op de verschillen tussen instrumentele en normatieve modellen van wetsnaleving in het bewerkstelligen van terugkeer. Daarna volgt een kritische bespreking van de eigen verantwoordelijkheid van de migrant binnen het terugkeerbeleid, waarin wordt gepleit voor een meer begrensde opvatting van de eigen verantwoordelijkheid, die de grondrechten van de migrant en internationale wetgeving bovendien respecteert. Een volgend artikel is gewijd aan de uitvoeringspraktijk van ‘vrijwillige’ terugkeer dat laat zien hoe terugkeercounselors de tegengestelde belangen proberen te overbruggen van de Nederlandse overheid en die van migranten van wie verwacht wordt dat zij terugkeren naar hun land van herkomst. Ook worden in dit nummer Nederland en België vergeleken wat betreft beleid en organisatie van vreemdelingenbewaring en de invloed van verschillen hierin op de werkpraktijk en interacties tussen functionarissen en migranten. Tot slot krijgen we aan de hand van verhalen van twee migranten een inkijkje in PhD-onderzoek over mannelijke migranten die zijn teruggekeerd van Europa naar Senegal. Alle bijdragen belichten belangrijke aspecten van terugkeer. Gezamenlijk geven zij ons een veelzijdig beeld in de verschillende perspectieven van beleid, migrant en het land van herkomst. Dit themanummer maakt eens te meer duidelijk dat er geen gemakkelijke oplossingen zijn voor het terugkeerprobleem en toont de enorme complexiteit ervan
Differential effectiveness of alcohol and traffic measures (full text only available in Dutch)
Om de verkeersveiligheid te vergroten, kunnen in Nederland verschillende bestuursrechtelijke (rij)geschiktheidsmaatregelen worden opgelegd aan bestuurders van motorrijtuigen die zich schuldig hebben gemaakt aan het rijden onder invloed van alcohol. Het gaat hierbij om de LEMA (Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer), de EMA (Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer) en – voor de zwaarste groep overtreders – het onderzoek alcohol (officieel: onderzoek naar de geschiktheid). Van december 2011 tot en met september 2014 kon in Nederland ook een alcoholslot-programma (ASP) worden opgelegd. Deze bestuursrechtelijke maatregelen worden opgelegd naast de strafrechtelijke sanctie. In het onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: Wat zijn de achtergrondkenmerken van de interventiegroepen van de verschillende (rij)geschiktheidsmaatregelen (LEMA, EMA, ASP en onderzoek alcohol) en in hoeverre verschillen de interventiegroepen van de verschillende maatregelen van elkaar? Wat is de samenhang tussen de achtergrondkenmerken van de interventiegroepen van de verschillende (rij)geschiktheidsmaatregelen en rijden-onder-invloed recidive? Welke (differentiële) effecten van doorverwijzing naar de verschillende (rij)geschiktheidsmaatregelen op rijden-onder-invloedrecidive zijn er te vinden? INHOUD: Introductie Eerder onderzoek en hypotheses Data en methoden Verschillen in kenmerken van interventiegroepen Samenhang achtergrondkenmerken en rijden-onder-invloedrecidive voor interventiegroepen Differentiële effectiviteit LEMA Differentiële effectiviteit EMA Differentiële effectiviteit ASP Differentiële effectiviteit onderzoek alcohol Discussie en conclusieIn order to improve road traffic safety, various administrative measures relating to motorists’ driving fitness can be imposed on drivers for driving under the influence of alcohol. Such penalties may relate to the Educational Measure for Alcohol and Traffic (Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer, EMA), a light version of the EMA (Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer, LEMA) or – for the most serious group of offenders – a fitness-to-drive test (onderzoek naar de geschiktheid). From December 2011 until September 2014, drivers could also be required to participate in the Alcohol Ignition Interlock Programme (Alcoholslotprogramma, ASP). These administrative measures are imposed in addition to the criminal sanction. The study answers the following research questions: What are the background characteristics of the intervention groups of the various measures aimed at motorists’ driving fitness (LEMA, EMA, ASP and the fitness-to-drive test) and to what extent do the intervention groups of the various measures differ from one another? What is the relationship between the background characteristics of the intervention groups of fitness-to-drive measures and drink-driving recidivism? What (differential) effects of referral to the various fitness-to-drive measures can be found on drink-driving recidivism
Insight into tackling unauthorized pupil absenteeism - The Methodical Approach to Pupil Absenteeism (MAS) (full text only available in Dutch)
De methodische aanpak schoolverzuim (MAS) is na de eerste introductie in het werkveld in 2017 bijgesteld en vervolgens ook geëvalueerd. Deze eerste evaluatie wees uit dat de methodiek over het algemeen door gebruikers (i.c. Leerplicht en ketenpartners) als positief werd beoordeeld. Dit onderzoek heeft als vervolg hierop tot doel na te gaan hoe ongeoorloofd schoolverzuim van jongeren door leerplichtambtenaren in samenwerking met ketenpartners wordt aangepakt in gemeenten die de MAS toepassen - en hoe daarbij invulling wordt gegeven aan de MAS - en welke eventuele verbeteringen in de aanpak mogelijk zijn. De twee hoofdvragen van het onderzoek zijn: Hoe verloopt de methodische aanpak van schoolverzuim bij 12- tot 18-jarigen? Wat zijn eventuele mogelijkheden voor verbetering van de MAS? INHOUD: Inleiding Doel en aanpak van het onderzoek Toepassing van de MAS in dossiers van Leerplichtzaken Ervaringen met de toepassing van de MAS Conclusies en aanbevelingenWhen dealing with absenteeism among school-age children it is considered important that steps are quickly taken to make sure it does not become a long-term problem. An unambiguous approach, and clarity about who does what at which stage, may help. In March 2007 the MAS (a Dutch acronym meaning ‘Methodical Approach to Pupil Absenteeism’) was launched as a follow-up to the ‘Criminal-Law Approach to Pupil Absenteeism’. After the MAS was first introduced in the field, it was adapted in 2017, and was then also evaluated. This first evaluation showed that the methodology was well received by its users (school attendance authorities and POs) As a follow-up to this,the purpose of the present study is to determine how absenteeism among teenagers is tackled by school attendance officers in cooperation with parner organizations that use the MAS approach, how the MAS is actually implemented there, and what improvements can be made to it. The two main questions to be answered in the study are: How is the methodical approach to absenteeism among 12- to 18-year-olds applied? How could the approach be improved