WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Untapped potential - Qualitative research into active factors in the design and practice of the safety measure placement in an Institution for Repeat Offenders (ISD) (full text only available in Dutch)
Onderzocht is hoe de ISD-maatregel tot stand is gekomen, wat de aannames zijn achter het wettelijk kader en het beleid, hoe die aannames zich verhouden tot de literatuur en wat dit betekent voor de uitvoering en mogelijke werkzaamheid van de maatregel. Kern van de onderzoeksbevindingen is dat er onduidelijkheid bestaat over het doel van de ISD. Deze maatregel behelst namelijk twee doelen met ieder een eigen perspectief. Aan de ene kant het kortetermijnperspectief: het beschermen van de samenleving tegen de criminaliteit en overlast afkomstig van stelselmatige daders, door opsluiting in een speciale inrichting binnen een Penitentiaire Inrichting (PI) gedurende maximaal twee jaar. Aan de andere kant is er het langetermijnperspectief: resocialisatie via het verminderen van de problematiek van personen die tot de ISD zijn veroordeeld, door het aanbieden van een intensief zorg- en behandeltraject tijdens de vrijheidsbeneming. INHOUD Onderzoeksopzet en methoden Planevaluatie ISD-beleid: wat is de beleidstheorie van de ISD-maatregel Procesevaluatie deel 1: invulling van de ISD op basis van documenten en procedures Procesevaluatie deel 2: praktijkervaring met de ISD Conclusie en discussieSince 2004, the safety measure placement in an Institution for Repeat Offenders (ISD measure) can be imposed on highly active repeat offenders. It is a custodial measure lasting up to two years, based on the nuisance caused by the criminal behaviour, the high risk of its recurrence and the perceived need to better protect society against it. The implementation of the measure (partly) takes place intramurally in one of the ISD-locations that are housed in nine Penitentiary Institutions (PI’s) throughout the Netherlands. A PI is in principle a (remand) prison. This report describes a qualitative study into the design and practice of the safety measure placement in an Institution for Repeat Offenders (ISD Institution). We researched how the ISD measure came about, what the assumptions are underlying its legal framework and policy, how these assumptions relate to the literature and what this means for its execution and efficacy
Incidents and crimes among COA-inhabitants 2017-2021 (full text only available in Dutch)
The purpose of the report is twofold. Firstly, it describes incidents taking place at housing of the Central Agency for the Reception of Asylum Seekers (COA), in relation to the total population of COA inhabitants. Hereby, the report provides a general impression of the situation at COA housing facilities. Secondly, the report outlines crimes of which the suspects were living at a COA facility at the time that the crime was committed. Where possible, we draw comparisons with crime figures for the general population of the Netherlands to put the numbers into perspective. Furthermore, adopting a five-year report period allows for tracing of developments over time.Tot en met 2020 werd deze publicatie verzorgd door de Analyse-proeftuin Migratieketen (APM) van de directie Regie Migratieketen, onderdeel van het Directoraat-Generaal Migratie (DGM) van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Het onderhavige rapport is het eerste dat onder WODC-vlag verschijnt. Vanaf deze editie zal het WODC de rapportage jaarlijks uitbrengen. In de komende jaren zal dit product bovendien verder verfijnd worden. Bij dit rapport dient opgemerkt te worden dat het nadrukkelijk het karakter van een monitor heeft. Een monitor kenmerkt zich door een beschrijvend karakter, waarmee een algemeen beeld wordt geschetst. Door over de jaren eenzelfde opzet aan te houden, kunnen opeenvolgende publicaties vergeleken worden. Aanvullende analyses zullen onderwerp zijn van (toekomstige) verdiepende studies en vallen buiten de scope van dit rapport. Het doel van de onderhavige rapportage is tweeledig. Ten eerste worden incidenten op COA-locaties (in relatie tot de totale groep COA-bewoners) beschreven en wordt daarmee een algemeen beeld geschetst van de situatie op COA-locaties. Daarnaast geeft het een overzicht van de misdrijven waarvan bewoners tijdens hun verblijf op COA-locaties verdacht werden. Om deze cijfers in perspectief te kunnen plaatsen, worden waar mogelijk vergelijkingen gemaakt met criminaliteitscijfers over de algemene Nederlandse bevolking. Door een rapportageperiode van vijf jaar aan te houden, kunnen bovendien ontwikkelingen over de tijd in kaart gebracht worden. Hoewel deze en toekomstige edities vergelijkbaar zullen zijn van jaar tot jaar, heeft het WODC een andere werkwijze gehanteerd dan APM. Dit betekent dat de hier gerapporteerde cijfers en trends niet zonder meer vergelijkbaar zijn met die uit eerdere edities. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Beleidscontext, 3. Vreemdelingen op COA-locaties, 4. Incidenten waarbij COA-bewoners zijn betrokken, 5. Misdrijven waarvan COA-bewoners worden verdacht, 6. Conclusie en discussie
The (im)possibilities of measuring class justice in the Dutch criminal justice system; an exploratory study with recommendations for further quantitative research (full text only available in Dutch)
Het doel van deze studie was om de haalbaarheid van het kwantificeren van klassenjustitie in kaart te brengen en nadrukkelijk niet om klassenjustitie in de Nederlandse strafrechtketen daadwerkelijk kwantitatief aan te tonen. Het gaat hier enkel om een verkenning. Dit rapport bevat om deze redenen ook geen kwantitatieve resultaten en geeft geen antwoord op de vraag of en in welke mate klassenjustitie in Nederland voorkomt. Aan de hand van de bevindingen van de verkenning worden wel aanbevelingen gedaan over hoe toekomstige kwantitatieve analyses aangepakt kunnen worden. De hoofdvraag van deze verkenning luidt als volgt: In hoeverre kan klassenjustitie in kaart gebracht worden met behulp van kwantitatieve analysetechnieken? Om bovenstaande vraag te beantwoorden, is de verkenning in drie delen onderverdeeld: 1 meetbaarheid van het begrip klassenjustitie; 2 beschikbare data; 3 kwantitatieve methoden en technieken. INHOUD: 1. Inleiding 2. De meetbaarheid van klassenjustitie in de strafrechtketen 3. Data en beschikbare bronnen 4. Meten van selectiviteit in de strafrechtketen 5. Conclusie en aanbevelinge
Experiences with elements of the COVID-19 Jus-tice and Security (Interim Measures) Act (full text only available in Dutch)
Op 24 april 2020 trad de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid (Tijdelijke wet) in wer-king.1 Deze spoedwet treft enkele voorzieningen op het terrein van Justitie en Veiligheid (JenV) die noodzakelijk geacht werden in verband met de uitbraak van corona. Daarna zijn er nog aanvullingen gekomen in de Verzamelspoedwet COVID-19, in de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 en in de Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV. In deze wetgeving worden voor alle rechtsgebieden (strafrecht, bestuursrecht, privaatrecht) voorzieningen getroffen, veelal voor het waarborgen van de continuïteit van het rechtsverkeer tijdens de coronacrisis. Deze tijdelijke voorzieningen gelden tot het vervallen van de wet. Dit was in beginsel op 1 september 2020, maar de wet bevat mogelijkheden om de werkingsduur (van onderdelen) om de twee maanden te verlengen. De hoofdvraag in dit onderzoek luidt als volgt: In hoeverre en onder welke (juridische en praktische) condities kunnen (onderdelen van) voorzieningen van de tijdelijke COVID-19-wetgeving JenV omgezet worden in permanente regelingen? Doel van het onderzoek is inzichtelijk maken in hoeverre het juridisch mogelijk en volgens betrokkenen wenselijk is om (onderdelen van) voorzieningen van de tijdelijke COVID-19-wetgeving JenV in de rechtspleging en het notariaat om te zetten in permanente regelingen. INHOUD: Inleiding Mondelinge digitale behandeling in burgerlijke, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures Elektronisch horen penitentiair beklag/beroep Mondelinge digitale behandeling in tuchtzaken Herstel verzuim hoger beroep in vreemdelingenzaken Verlenging termijn tenuitvoerlegging taakstraf Verlijden van akten Uitreiken van exploten SlotbeschouwingOn 24 April 2020, the COVID-19 Justice and Security (JenV) (Interim Measures) Act entered into force.1 This Emergency Act contains a number of provisions within the domain of Justice and Security that were considered necessary in connection with the outbreak of corona. Later, additions were made in the COVID-19 Collective Emergency Act, in the Second COVID-19 Collective Emergency Act and in the COVID-19 SZW and JenV (temporary) Act. This legislation makes provisions for all areas of law (criminal law, administrative law, private law), mostly to ensure the continuity of legal transactions during the corona crisis. The aim of the research is to provide insight into the extent to which it is legally possible and desirable, according to those involved, to convert (parts of) the provisions of the temporary COVID-19 legislation JenV into permanent regulations in the judiciary and the notarial profession. The main question in this research reads as follows: To what extent and under what (legal and practical) conditions can (parts of) the provisions of the temporary COVID-19 legislation JenV be converted into permanent regulations
Data processing in criminal investigations; an exploratory study of the relevant viewpoints for the regulation of the processing of personal data for criminal investigation purposes (full text only available in Dutch)
De wetgever is voornemens de wettelijke regeling inzake de bevoegdheden ter gegevensverwerking in het Wetboek van Strafvordering (WvSv) en de Wet politiegegevens (Wpg) te herschikken en waar nodig aan te passen. Met het doel bij te dragen aan het nader doordenken van de wijze van normeren van het onderzoek van gegevens voor strafvorderlijke doeleinden, stelt deze studie drie vragen centraal: Waar liggen de juridische knelpunten in het huidige wettelijke kader ter zake van het doen van onderzoek aan vergaarde (persoons)gegevens voor strafvorderlijke doeleinden? Welke eisen en waarborgen stellen relevante Europeesrechtelijke rechtsbronnen aan de normering van het verwerken van (persoons)gegevens voor strafvorderlijke doeleinden? Welke voor deze normering relevante gezichtspunten kunnen worden ontleend aan de Wiv 2017 en het recht in België, Duitsland en Noorwegen? INHOUD Inleiding Het huidige en het gemoderniseerde wettelijke kader voor onderzoek aan gegevens voor strafvorderlijke doeleinden Europeesrechtelijk kader Verzameling en verwerking van gegevens onder de Wiv 2017 Een blik over de grens: gegevensverwerking voor strafvorderlijke doeleinden in België, Duitsland en Noorwegen Conclusie Dit is de gecorrigeerde tweede versie (2022-11). van dit onderzoek.The legislator intends to recast and, where necessary, amend the statutory provisions regarding the powers of data processing as laid down in the Dutch Code of Criminal Procedure (CCP) and the Dutch Police Data Act (DPDA). Aiming to make a contribution to the rethinking of the way in which the processing of data for the sake of criminal procedure purposes needs to be regulated, we pose three key questions in this study: Where are the legal bottlenecks in the current legal framework with regard to examining data collected for criminal procedure purposes? Which requirements and safeguards do the relevant European law sources set for the regulation of the processing of data for the benefit of criminal procedure purposes? Which of the points of view that are relevant to this regulation are derived from the Dutch Intelligence and Security Services Act 2017 (ISS Act 2017) and the law in a few nearby countries (Belgium, Germany and Norway)
Exploring the basis for name changes linked to Dutch slavery (full text only available in Dutch)
In deze verkenning staan drie onderzoeksvragen centraal: Zijn er één of meer (geaccepteerde) register(s) of overzicht(en) van geslachtsnamen die verband houden met het Nederlandse slavernijverleden in Suriname, de voormalige Nederlandse Antillen, of voormalig Nederlands-Indië? Zo ja, dan de volgende subvragen: Welke register(s)/ overzicht(en) zijn dat en waar zijn deze te vinden? In hoeverre zijn deze registers/ overzichten compleet en historisch betrouwbaar? Welke geslachtsnamen in deze registers/ overzichten houden verband met het slavernijverleden? Welke verbanden er zijn tussen deze namen en de betreffende slavernijcontext? Voor de historische contexten waarin er geen (geaccepteerd) register of overzicht beschikbaar is, komt de tweede centrale vraag in beeld: Is het mogelijk om met de relevante experts en bronnen zo’n overzicht van geslachtsnamen die verband houden met het slavernijverleden alsnog samen te stellen voor de desbetreffende historische context? Subvragen bij vraag 2: Zo ja, wat is de beste werkwijze om een dergelijk overzicht op te stellen? Wat zijn de problemen bij het opstellen van zo’n nader samen te stellen overzicht? Wat is de geschatte orde van grootte van het aantal namen dat wordt verwacht op een dergelijk overzicht binnen de betreffende slavernijcontext? Welke verbanden er zijn tussen de namen en de betreffende slavernijcontext? Wat is de bruikbaarheid van de verzamelde beschikbare registers (per context en overkoepelend), in relatie tot eventuele verzoeken tot naamswijziging in verband met het slavernijverleden? Welke technische overwegingen spelen volgens de experts bij het beantwoorden van de bruikbaarheidsvraag? Welke maatschappelijke overwegingen spelen volg INHOUD Inleiding: het Nederlands slavernijverleden en achternamen Doel, onderzoeksvragen en visie in de verkenning Suriname: volledigheid en bruikbaarheid van beschikbare overzichten Voormalige Nederlandse Antillen: volledigheid en bruikbaarheid van beschikbare overzichten Voormalig Nederlands-Indië en het octrooigebied van de VOC: beschikbare overzichten en bruikbaarheid Overkoepelende conclusies en overwegingen bij registers als basis voor naamswijzigingen Relevante LiteratuurThe Research Questions This exploration attempts to answer the following three research questions: Are there any (recognized) records or lists of surnames historically related to Dutch slavery in Surinam, the former Dutch Antilles, and the former Dutch East Indies? Is it possible to reconstruct a list of surnames related to Dutch slavery with the help of experts and sources in these geographical/historical contexts? How suitable are the available records (for each context and overall) as a basis for name change requests on the grounds of the surnames’ link to slavery
Criminalisation of Corpse Desecration (full text only available in Dutch)
Het doel van het onderzoek is om argumenten in kaart te brengen die relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of het noodzakelijk is om bepaalde vormen van lijkschennis strafbaar te stellen dan wel bestaande strafbepalingen aan te passen en om op basis daarvan – indien het onderzoek daar aanleiding voor geeft – concrete aanbevelingen te doen voor aanpassing van de strafwetgeving. De centrale onderzoeksvraag luidt: Is het noodzakelijk om vormen van lijkschennis strafbaar te stellen die nog niet strafbaar zijn of om bestaande strafbepalingen ter zake van vormen van lijkschennis te wijzigen? Het onderzoek dat tot beantwoording van deze vraag leidt, is uitgevoerd aan de hand van de volgende deelvragen: Hoe wordt de integriteit van het gestorven lichaam buiten het strafrecht juridisch beschermd, zoals in de context van fundamentele rechten (art. 11 Grondwet en art. 3 en 8 EVRM), het privaatrecht en het gezondheidsrecht? Welke rechtsbeginselen en rechtsgoederen zijn daarbij relevant? Welke vormen van lijkschennis zijn naar huidig recht strafbaar of niet strafbaar in Nederland, hoe worden deze strafrechtelijk afgedaan en wat is de prevalentie ervan? Bestaat in Nederland draagvlak voor strafbaarstelling van vormen van lijkschennis die nog niet strafbaar zijn of voor wijziging van bestaande strafbepalingen ter zake van vormen van lijkschennis? Welke argumenten voor of tegen strafbaarstelling kunnen worden ontleend aan buitenlands recht? INHOUD Inleiding Criteria voor strafbaarstelling De juridische status van het lijk Strafbaarheid, afdoening en prevalentie van lijkschennis in Nederland Opvattingen over de strafbaarheid van lijkschennis in Nederland Rechtsvergelijking toepassing van de criteria voor strafbaarstelling op lijkschennis ConclusiesThere were several reasons to conduct this study. First, in a case in which necrophilia could be proven, prosecution was not possible because there was no question of a criminal offence. Second, there is no independent criminal provision for the violation of a dead body. Third, a court was of the opinion that the penalty carried by an offence in respect of disposing of a corpse with the intention of concealing the cause of death (article 151 of the Dutch Criminal Code) is too low. Fourth, a body broker is active in the Netherlands, which is a company that makes donated bodies available to commercial companies in return for payment, and the question has arisen as to whether there is cause to criminalise certain activities of body brokers. The central research question is: Is it necessary to criminalise forms of corpse desecration that are not punishable yet or to amend existing criminal provisions relating to forms of corpse desecration
Data protected? Evaluation of the Dutch General Data Protection Regulation Implementing Act (UAVG), the duty to report data breaches and the power to impose fines (full text only available in Dutch)
De overkoepelende vraag die in het onderzoek centraal staat luidt als volgt: Hoe werden in de periode 2018 - 2020 de normen van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG) nageleefd en in hoeverre heeft de UAVG bijgedragen aan een doelmatige en doeltreffende uitvoering en handhaving van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)? Het onderzoek is uitgevoerd langs de lijnen van de volgende zestiental onderzoeksvragen: Hoe beoordelen juristen, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en verwerkers van persoonsgegevens de duidelijkheid en toegankelijkheid van de UAVG? In hoeverre worden de normen van de UAVG verduidelijkt door de AP en de jurisprudentie? Welke informatie wordt op welk moment aan de verschillende doelgroepen gegeven en op welke manier? Wat is de rol van de AP hierbij? Hoe beoordelen juristen, de AP en verwerkers van persoonsgegevens de uitvoerbaarheid van de UAVG? Hoe beoordelen juristen, de AP en verwerkers van persoonsgegevens de handhaafbaarheid van de UAVG? Hoe leven verwerkers van persoonsgegevens de bepalingen van de UAVG na? In welke mate wordt de meldplicht datalekken nageleefd door verwerkers van persoonsgegevens? Wat is de rol van de Functionaris voor Gegevensbescherming binnen organisaties, onder meer bij de naleving van de meldplicht? In hoeverre heeft de jurisprudentie preventieve werking voor de naleving van de bepalingen van de UAVG en de meldplicht datalekken en hoe zou deze kunnen worden vergroot? Hoe ziet de toezichtstrategie van de AP er uit? Hoe luidt het handhavingsbeleid van de AP? Op welke wijze vinden toezicht en handhaving door de AP in de praktijk plaats? Hoe worden bij het uitoefenen van de boetebevoegdheid door de AP de ernst van de normschending, de mate van verwijtbaarheid en een passende wijze van optreden bepaald? In hoeverre draagt de boetebevoegdheid en het toepassen daarvan door de AP bij aan een doelmatige en doeltreffende uitvoering en handhaving van de AVG? Is er aanleiding tot een wijziging van de toepassing van de bevoegdheden door de AP en zo ja, in welk opzicht? Hoe beoordelen juristen, de AP en verwerkers van persoonsgegevens de mate waarin de UAVG de ruimte heeft benut die de AVG laat voor nationale keuzes bij de uitvoering van de AVG? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Juridisch kader, 3. Jurisprudentieonderzoek, 4. Vragenlijstonderzoek en interviews: FG’s aan het woord, 5. De meldplicht datalekken en de bestuurlijke boete in de praktijk, 6. Het functioneren van de UAVG, 7. Conclusies en aanbevelingen.The General Data Protection Regulation Implementing Act (UAVG) entered into force on 25 May 2018. In accordance with Article 50 UAVG, within three years the Minister will send a report to the States General on the effects and the practical implementation of the UAVG. This evaluation consequently addresses both of these elements: how is the implementation pro ceeding and what are the effects of the law
Program evaluation for the Forensic care act; reconstruction and evaluation of policy theory (full text only available in Dutch)
Sinds 1 januari 2019 is de Wet forensische zorg (Wfz) van kracht. Artikel 2.3 van de Wfz, het zogeheten schakelartikel waarmee de strafrechter de mogelijkheid krijgt om een civiele machtiging af te geven, is gelijktijdig met de civiele zorgwetten de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de Wet zorg en dwang (Wzd) op 1 januari 2020 in werking getreden. Met de Wfz beoogt de wetgever een kader te bieden voor de wijziging van het forensische zorgstelsel. Deze stelselwijziging werd reeds vanaf 2008 doorgevoerd. Ten behoeve van de evaluatie van de Wfz wordt in dit rapport de beleidstheorie van de Wfz gereconstrueerd en geëvalueerd. De nadruk bij deze reconstructie ligt op de door de wetgever beoogde doelstellingen en veronderstelde werkzame mechanismen van de Wfz. De onderzoeksvragen luiden: Binnen welke maatschappelijke en historische context is het wetsvoorstel voor de Wfz geïntroduceerd en door welke maatschappelijke veranderingen heeft het verder vorm gekregen? Hoe ziet de beleidstheorie van de Wfz eruit? a. Wat zijn de belangrijkste doelen van de Wfz? b. Wat zijn de veronderstelde werkzame mechanismen van waaruit de doelen van de Wfz behaald zouden moeten worden? Wat kan er gezegd worden over de onderbouwing van de beleidstheorie, de beschikbaarheid van benodigde randvoorwaarden en de afstemming met andere wetgeving? Welke concrete indicatoren kunnen uit de planevaluatie afgeleid worden die in de proces- en doelbereikingsevaluatie ingezet kunnen worden om inzicht te geven in de mate waarin (tussen)doelen van de Wfz worden bereikt? INHOUD: Inleiding en Methoden Beknopte wetsgeschiedenis Doelen en uitgangspunten van de Wet forensische zorg Patiënt op de juiste plek Voldoende forensische zorg Kwalitatief goede forensische zorg Verbetering aansluiting forensische en curatieve zorg Discussie en conclusieThe Forensic care act (Dutch: Wet forensische zorg or Wfz, hereafter called Wfz) came into force on January 1st 2019. Section 2.3 of the Wfz, which provides a link between the Wfz and the Compulsory mental healthcare act (Dutch: Wet verpichte geestelijke gezondheidszorg or Wvggz) and the Care and compulsion act (Dutch: Wet zorg en dwang or Wzd) came into force on January 1st 2020. The Wfz is meant to provide a framework for changes made to forensic healthcare system that were enacted in 2008. Research questions The research questions are as follows: 1. Within what societal and historical context was the bill for the Wfz introduced and by what societal changes did it later take shape? 2. How does the policy theory of the Wfz look? a. What are the most important goals of the Wfz? b. What are the presumed working mechanisms of the Wfz? 3. What can be said about the substantiation of the policy theory, the availability of required preconditions and the coordination with other legislation? 4. What specific indicators can be extracted from the reconstruction of the policy theory that can be used in future research regarding the use of the Wfz in practice or the goal attainment of the Wfz
The effectiveness of the BORG training programme: A comparative recidivism study conducted among perpetrators of intimate partner violence (full text only available in Dutch)
In dit onderzoek is onderzocht in hoeverre de BORG-training effectief is in het terugdringen van de (huiselijk gewelds)recidive bij daders van partnergeweld en wat mogelijk succesvolle en minder succesvolle aspecten van de training zijn. De volgende onderzoeksvragen stonden centraal: Wat zijn de achtergrondkenmerken van de onderzoeksgroep? a. Wat zijn de dader-, strafzaak- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken (zoals leeftijd, type huiselijk geweld en aantal eerdere strafzaken) van de onderzoeksgroep en in hoeverre zijn deze vergelijkbaar met die van de controlegroep? b. In hoeverre voldoet de onderzoeksgroep aan de BORG-selectiecriteria? c. Wat zijn de uitvoeringskenmerken van de BORG-training (zoals aanwezigheids-percentage, individuele of groepstraining en training voltooid of voortijdig beëindigd) bij de onderzoeksgroep? Hoe effectief is de BORG-training in het terugdringen van recidive? Meer specifiek: hoe verhoudt de recidive van de onderzoeksgroep zich tot de recidive van de controlegroep? Welke uitvoeringskenmerken van de BORG-training hangen samen met de kans op recidive, indien er gecorrigeerd is voor verschillen in dader-, strafzaak- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken? Hoe kijken ex-BORG-deelnemers terug op de BORG-training en wat zijn voor hen de succes- en faalfactoren van de training?This study examined to what extent the BORG training programme has been effective in reducing (domestic violence) reoffending among perpetrators of intimate partner violence and what any potential successful and less successful aspects of the training programme may be. The following research questions were key to this study: What are the background characteristics of the BORG participants (research group)? a. What are the characteristics of the research group, in terms of the characteristics of the perpetrators, criminal cases and criminal histories (such as age, sex, type of domestic violence and number of previous criminal cases), and to what extent are these comparable to those of the control group? b. To what extent does the research group meet the BORG selection criteria? c. What are the execution characteristics of the BORG training programme (such as attendance percentage, individual or group training programme, and completed or prematurely terminated training programme) within the research group? How effective is the BORG training programme in reducing reoffending? More specifically: how does the recidivism of the research group relate to the recidivism of the control group? Which execution characteristics of the BORG training programme are related to the risk of recidivism, when correcting for perpetrator, criminal case and criminal history characteristics? How do former BORG participants reflect on the BORG training programme and what do they feel are the success and failure factors of the programme