WODC Repository
Not a member yet
    3500 research outputs found

    Sexual Offences Act (Wsm) - Preparatory Work for the Evaluation and Baseline measurement (full text only available in Dutch)

    No full text
    De Wet seksuele misdrijven (Wsm) is op 1 juli 2024 in werking getreden met als doel slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag beter te beschermen. De wet beoogt een modernisering van de zedenwetgeving en sluit aan bij veranderende maatschappelijke normen. Er is meer aandacht voor vrijwilligheid en gelijkwaardigheid in seksuele contacten, evenals voor nieuwe vormen van online seksueel grens-overschrijdend gedrag. Ter voorbereiding op de procesevaluatie twee jaar en de evaluatie van de Wsm vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet is een onderzoek uitgevoerd naar de beleidslogica achter de Wsm. Op basis van de beleidslogica is een meetplan opgesteld met kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren en is een nulmeting uitgevoerd van de beschikbare indicatoren. In het onderzoek stonden drie hoofdvragen centraal: Wat zijn de beoogde doelen van de Wsm, en hoe worden deze bereikt? Met welke indicatoren kan de wet worden gemonitord en geëvalueerd? Wat is de situatie in de praktijk voorafgaand aan de invoering

    Persistent service - Research into the management and deployment of Support Groups and Arrest and Support Teams for the police task (full text only available in Dutch)

    No full text
    Voor politiewerk onder levensbedreigende omstandigheden beschikt het Nederlandse politiebestel over zes zogeheten Aanhoudings- en Ondersteuningsteams (AOT) bij de politie en één bij de Koninklijke Marechaussee (KMar) (art. 11, Besluit beheer politie). Voor aanhoudingen met een verhoogd risico beschikken de eenheden van de politie over 11 zogeheten Ondersteuningsgroepen (OG). Dit onderzoek heeft als centrale vraag: Wat zijn de positie en betekenis van de OG’s en AOT’s binnen de politietaak en hoe verlopen de onderlinge afstemming, sturing en toetsing van de werkzaamheden van deze teams? De centrale vraag is onder te verdelen in vier onderzoeksvragen: Hoe worden besluiten genomen over de inzet van OG’s en AOT’s bij aanhoudingen? Hoe vaak en voor welke taken zijn de OG’s en AOT’s in 2023 ingezet? Wat zijn de werkwijzen van OG’s en AOT’s bij het verrichten van aanhoudingen? Hoe zijn OG’s en AOT’s toegerust om aanhoudingen te verrichten? INHOUD Inleiding Aanvraag en besluitvorming OG's, AOT en hun inzetten Aard van de inzetten Opleiding en training Bewapening en uitrusting Evaluatie en beoordeling Conlusi

    A multicolored horizon - Characteristics, needs, decision-making and policy implications regarding long-term forensic mental health care (full text only available in Dutch)

    No full text
    Binnen het tbs-systeem verblijft ongeveer 15% van de populatie in een voorziening voor langverblijf: een voorziening voor Langdurige Forensische Psychiatrische Zorg (LPFZ) of een longcare-voorziening. De rechtspositie van patiënten is zeer verschillend. De LFPZ heeft een formele status waarbij de Landelijke Adviescommissie Plaatsing Langdurig Forensisch Psychiatrische Zorg (LAP) betrokken is bij een uitgebreide plaatsingsprocedure en tevens eens per twee jaar toetst of het verblijf nog nodig en passend is en er een nieuw plaatsingsbesluit wordt genomen. De longcare betreft echter, geen officiële status die door een besluit wordt toegekend, maar enkel een interne (binnen dezelfde instelling) of externe overplaatsing. Er wordt niet door een onafhankelijke instantie met een zekere frequentie getoetst of de patiënt nog op de juiste plek zit en er is geen apart beleidskader voor de longcare. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te bieden in de kenmerken van langverblijvenden in de LFPZ en longcare; welke behoeften zij, en betrokken professionals, hebben ten aanzien van zorg, beleid en rechtspositie en welke factoren een rol spelen in de besluitvorming tot plaatsing in, of uitstroom uit, de LFPZ of longcare. Ten slotte wordt nagegaan tot welke beleidsimplicaties de uitkomsten van dit onderzoek kunnen leiden. Deze doelen zijn weergeven in vier verschillende onderzoeksvragen: Wat zijn kenmerken (demografische, diagnostische, justitiële en behandelkenmerken) van de huidige langverblijvers en uitstromers van de LFPZ in vergelijking met die van de longcare en welke ontwikkelingen hebben zich in die doelgroepen voorgedaan sinds 2017? Welke (verschillende) behoeften hebben patiënten op de LFPZ en longcare, en bij hun tbs-traject betrokken professionals, ten aanzien van zorg, beleid en rechtspositie? Welke factoren/kenmerken spelen op de verschillende beslismomenten bij de bijbehorende actoren een (doorslaggevende) rol in de besluitvorming rond plaatsing, door- en uitstroom ten aanzien van de LFPZ en longcare? In hoeverre nopen de uitkomsten van dit onderzoek tot verandering van het bestaande (verschillende) beleid ten aanzien van de LFPZ en longcare? INHOUD Inleiding Kenmerken van langverblijvers – verslag van een dossierstudie Behoeften van betrokkenen - verslag van een interviewstudie Besluitvorming – verslag van een vignetstudie Beleidsimplicaties - verslag van een focusgroep Conclusies, discussie en aanbevelingen Een veelkleurig vergezich

    Trauma and the criminal justice chain (full text only available in Dutch)

    No full text
    In dit themanummer van Justitiële verkenningen staat het onderwerp ‘trauma-geïnformeerd’ werken in de strafrechtspleging centraal. Bij deze werkwijze houden professionals, zoals rechters en officieren van justitie, rekening met traumatische ervaringen van betrokkenen. Ze passen de manier aan waarop ze deze personen benaderen en richten zich op gedrag dat kan duiden op een posttraumatische stressstoornis. Het kan hierbij gaan om slachtoffers en nabestaanden, maar ook om verdachten en veroordeelden. De bijdragen in deze editie van Jv laten zien dat trauma-geïnformeerde strafrechtspleging niet enkel een idealistisch streven is, maar een noodzakelijke ontwikkeling om rechtvaardigheid en effectiviteit binnen het strafrecht te verbeteren. Door de rol van trauma niet alleen te erkennen, maar er ook actief rekening mee te houden in beleid en praktijk, kunnen we bouwen aan een strafrechtsysteem dat niet alleen straft, maar ook herstelt. INHOUD Inleiding Maarten Kunst - Hard nodig: trauma-geïnformeerd werken in de strafrechtsketen Tine Molendijk en Marjan Helmich - Daderschap en morele verwonding binnen het huidige strafrechtsysteem Pauline Aarten, Iva Bicanic, Marijke Brouwer en Carlo Contino - Van de keukentafel naar de rechtbank. Het voorkomen van secundaire victimisatie en hertraumatisering bij slachtoffers van seksueel geweld in de strafrechtsketen Ariane Hendriks en Marscha Mansvelt - Trauma-geïnformeerd werken in huiselijk-geweldzaken: het begint met de erkenning van het geweld Janne van Doorn en Joyce Schot - De rol van traumagerelateerde emoties in juridische beslissingen Summarie

    Effectieve interventies voor het bevorderen van diversiteit en inclusie bij de politie

    Full text link
    Onderzoek naar de effectiviteit van mechanismen van interventies ter bevordering van diversiteit en inclusie bij de politie, en hoe de unieke organisatiecontext van de politie deze mechanismen beïnvloedt. Het onderzoeksdoel is om vanuit de wetenschappelijke literatuur inzicht bieden in de werkzame mechanismen van interventies ter bevordering van diversiteit en inclusie bij de politie. De onderzoekers brengen in kaart welke mechanismen in de wetenschappelijke literatuur zijn onderzocht, hoe deze mechanismen in de context van de politieorganisatie functioneren, en hoe de context van de politie als organisatie de effectiviteit van deze mechanismen en interventies beïnvloedt. Vanuit de opdracht van WODC focust dit onderzoek op twee van de vijf prioriteiten van de opgave Politie voor iedereen, namelijk: diverse instroom en veilige en inclusieve teams.This reports examines the effectiveness of intervention mechanisms to promote diversity and inclusion in policing, and how the unique organisational context of policing affects these mechanisms

    In-depth qualitative research into gambling problems

    Full text link
    In dit kwalitatieve onderzoek hebben de onderzoekers in totaal 50 diepte-interviews van een uur gehouden met 36 mensen met gokervaring, 7 naasten, en 7 hulpverleners. Deze interviews zijn systematisch geanalyseerd op belangrijke thema’s. Het onderzoek richt zich met name op jongvolwassenen (18–34 jaar), een groep die relatief kwetsbaar is voor de negatieve gevolgen van gokken. Onder deze groep is de laatste jaren een sterke toename te zien in deelname aan kansspelen. Daarnaast hebben de onderzoekers volwassenen gesproken (35+ jaar) om inzicht te krijgen in de ervaringen deze groep. Binnen deze groepen is onderscheid gemaakt tussen respondenten met matige en ernstige gokproblematiek (respectievelijk een score tussen 3-7 en 8+ op de Problem Gambling Severity Index (PGSI), een internationaal erkend meetinstrument). Er is bewust gekozen voor een oververtegenwoordiging van 2 mensen met ernstige problematiek, omdat zij zowel kunnen reflecteren op een fase waarin hun gokken nog niet problematisch was, als inzicht kunnen geven in het ontstaan en ontwikkelen van negatieve gevolgen van gokken. Ook zijn naasten en hulpverleners die ervaring hebben met mensen met gokproblematiek geïnterviewd. De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord door te spreken met mensen met matige tot ernstige gokproblematiek in Nederland, hun naasten en hulpverleners: Hoe redeneren zij over het ontstaan van gokproblemen? Wat zijn de negatieve gevolgen van gokken voor hen? Welke ervaringen hebben zij ten aanzien van suïcidale gedachten of suïcidepogingen? Wat is hun attitude en wat zijn hun ervaringen ten aanzien van zorg en hulp? Wat is hun attitude en wat zijn hun ervaringen ten aanzien van interventies van kansspelaanbieders? Wat is hun attitude en wat hun de ervaringen ten aanzien van Cruks/Gokstop? Welke overwegingen hebben mensen die gokken bij het kiezen tussen legaal en illegaal aanbod? INHOUD Aanleiding en onderzoeksvragen Methode Resultaten Conclusies en discussie AanbevelingenIn this qualitative study, we conducted one-hour, in-depth interviews with 50 individuals who have experience with gambling, their close contacts, and care providers. We systematically analyzed these interviews for key themes. The study focused on young adults (18–34 years), a group that is relatively vulnerable to the negative consequences of gambling. This group has shown a significant rise in participation in gambling. We also interviewed older adults (35+) to broaden our perspective. Within each age group, we distinguished between respondents with moderate (PGSI score 3–7) and severe (PGSI score 8+) gambling problems. PGSI scores were assessed using the internationally recognized and validated Problem Gambling Severity Index. We intentionally over-sampled those with severe problems to gain deeper insight into the progression and impact of gambling problems and harms. Those with severe problems can also retrospectively reflect on a phase wherein their gamble was recreational. In total, 50 people were interviewed, included close contacts and care providers

    Experiences with player limits in online gambling – 2025 survey (Full text only available in Dutch)

    No full text
    Sinds de invoering van de Wet Kansspelen op afstand in 2021 zijn vergunde aanbieders van online kansspelen verplicht om spelers speellimieten te laten instellen. Deze limieten zijn bedoeld om onmatige deelname en kansspelverslaving te voorkomen. De praktijk wees echter uit dat spelers deze limieten (te) hoog konden instellen. Als reactie hierop zijn eind 2024 aanvullende regels ingevoerd (de Regeling speellimieten en bewuster speelgedrag (Rsbs) en de Beleidsregel verantwoord spelen 2024) en heeft de Staatssecretaris begin 2025 een nieuwe visie op het kansspelbeleid gepresenteerd. Als vervolg op een eerdere meting in 2023, heeft dit onderzoek tot doel inzicht te bieden in de ervaring, het gebruik en de waardering van het huidige systeem van speellimieten door online kansspelspelers. Specifieke aandacht gaat uit naar eventuele veranderingen sinds de recente beleidswijzigingen, de waardering van deze aanpassingen, en de visie van spelers op voorgenomen maatregelen, zoals overkoepelende limieten en een draagkrachttoets. INHOUD Inleiding Beleidscontext en -wijzigingen Stappen Speellimieten instellen Overwegingen bij het instellen van limieten Omgang met speellimieten Houding en veronderstelde effectiviteit speellimieten Ervaring met en waardering van (mogelijke) aanpassinge

    Digital resilience of Dutch organisations - Opportunities and challenges for measurability

    Full text link
    Het doel van dit onderzoek was inzichtelijk maken of de digitale weerbaarheid van Nederlandse organisaties meetbaar gemaakt kan worden op een breed toepasbare manier door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). Dit onderzoek is een verkenning van de mogelijkheden voor het meten van (aspecten van) digitale weerbaarheid van organisaties, welke – bij voorkeur kwantitatieve (waarbij alles met een ordinale schaal als kwantitatief opgevat wordt) – indicatoren daarvoor gebruikt of ontwikkeld kunnen worden, en wat deze data kunnen zeggen over de staat van de digitale weerbaarheid van organisaties. Deze open insteek betekent ook dat dit onderzoek niet is gericht op het opleveren van een uitgewerkte meetmethode waar de NCTV vervolgens mee aan de slag kan gaan. In plaats daarvan worden de voor- en nadelen van verschillende benaderingen uiteengezet, evenals de overwegingen die bepalend zullen zijn voor de opzet van een mogelijk toekomstig meetinstrument. INHOUD Introductie Gebruik en afbakening van de term ‘digitale weerbaarheid’ Bestaande instrumenten voor het meten van digitale weerbaarheid ConclusieThe aim of this study was to provide insight into whether the digital resilience of Dutch organisations can be made measurable in a broadly applicable way by the National Coordinator for Security and Counterterrorism (NCTV). The hope is that, in time, it will become possible for the government to monitor changes in the degree of digital resilience of organisations, whether as a result of policy interventions aimed at increasing it or not. The study was conducted on behalf of the Research and Data Centre (WODC), an independent knowledge institute that falls under the Dutch Ministry of Justice and Security, and at the request of the NCTV. This study is an exploration of the possibilities for measuring (aspects of) the digital resilience of organisations, which indicators can be used or developed for this purpose (preferably quantitative ones, in which everything with an ordinal scale is considered quantitative), and what these data can say about the state of the digital resilience of organisations. This explorative approach also means that this study does not seek to produce a detailed measurement method that the NCTV can then use. Instead, the advantages and disadvantages of different approaches are outlined, as well as the considerations that will determine the design of a possible future measurement tool

    Explosive trade-Offender types and interventions in economic firework crime

    Full text link
    Het gebruik van professioneel vuurwerk is voor consumenten verboden. Desondanks wordt regelmatig gebruikgemaakt van professioneel vuurwerk door consumenten, bijvoorbeeld rondom de jaarwisseling of bij sportevenementen, waarbij het vuurwerk overlast veroorzaakt en een groot veiligheidsrisico vormt. Verder neemt het aantal aanslagen waarbij professioneel vuurwerk als explosief wordt ingezet de afgelopen jaren sterk toe. Voordat het vuurwerk bij deze eindgebruikers terechtkomt, heeft het een lange weg afgelegd vanuit het buitenland naar de illegale handel in zwaar vuurwerk binnen Nederland. De personen die betrokken zijn bij deze handel vormen de focus van dit onderzoek naar economische vuurwerkcriminaliteit. Onder professioneel vuurwerk valt momenteel al het vuurwerk met de categorie F4 en F3 van de Europese Pyrorichtlijn. Daarnaast valt F2-vuurwerk onder professioneel vuurwerk als dit niet in de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk (RACT) als consumentenvuurwerk wordt aangemerkt. Het onderzoek geeft verder inzicht in welke interventies voor het tegengaan van economische vuurwerkcriminaliteit effectief (kunnen) zijn, toegespitst op specifieke daderprofielen. In dit onderzoek wordt speciale aandacht besteed aan jeugdige daders in de leeftijd tot 23 jaar, mede vanuit de wens om scherper te krijgen wat de instroom en doorgroei van jongeren in deze criminele wereld kan voorkomen. Het onderzoek kent op grond van het voorgaande de volgende twee doelen: Het vergroten van het inzicht in de verschillende typen daders van economische vuurwerkcriminaliteit. Het vergroten van het inzicht in de bedoelde/onbedoelde effecten van straffen/interventies, zowel repressief als preventief en gespecificeerd naar typen daders. INHOUD Inleiding Huidige kennis Onderzoeksopzet Dadertypen economische vuurwerkcriminaliteit Jurisprudentieonderzoek Analyse van politie- en OBJD-data Experts over effecten van interventies Economische markt- en gedragsanalyse SyntheseRegular consumers are not permitted to use professional fireworks. Nevertheless, these types of fireworks are routinely set off by consumers in the Netherlands, for instance during New Year’s Eve and at sporting events, causing disturbance and posing a major safety risk. Also, the number of attacks using professional fireworks as explosives has increased strongly over the last few years. Before reaching the end users, these professional fireworks were imported from abroad to the illegal fireworks trade within the Netherlands. The people behind this illegal trade in professional fireworks are the focus of this current study on economic firework crime. In the Netherlands professional fireworks currently in clude all fireworks with the F4 and F3 category of the European Pyro Directive. In addition, F2-fireworks are considered professional if they are not classified as consumer fireworks in the Consumer and Theatre Fireworks Act (RACT). The current study provides insight into which interventions for combating economic fire work crime are (or can be) effective, focusing on specific offender profiles. In this research, special attention is paid to young offenders aged 22 and under, to (among other things) shed light onto what can prevent the influx and progression of young people in organized crime. Based on the above, the study has the following two objectives: Increasing understanding of the different types of perpetrators of economic fire work crime. Increasing understanding of the intended/unintended effects of punishments/in terventions, both repressive and preventive and specified by types of offenders

    Evaluation of the Center for Crime Prevention and Safety

    No full text
    Dit rapport bevat de evaluatie van het CCV (2019-2024). Een belangrijk kenmerk van het CCV is dat het jaarlijks subsidie ontvangt van het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) voor de basisprogrammering. Deze basissubsidie is onderwerp van deze evaluatie en beslaat de periode 2019-2024. In de afgelopen twintig jaar is de basissubsidie van het CCV twee keer geëvalueerd (2013 en 2019). Daarmee wordt voldaan aan de verplichting om vijfjaarlijks (deels) gesubsidieerde organisaties te evalueren op hun effectiviteit en efficiëntie. De evaluatie moet inzicht geven in de wijze waarop de bijdrage van het CCV leidt tot meerwaarde voor de samenleving. Daarbij wordt ook gekeken naar de toerusting van het CCV en de mate waarin deze voldoende is om die meerwaarde te realiseren voor maatschappij en stakeholders. Tevens is het belangrijk om na te gaan in welke mate het CCV opvolging heeft gegeven aan de aanbevelingen uit de evaluaties van 2013 en 2019. Ten slotte brengt de evaluatie de efficiëntie van het CCV in kaart. INHOUD Inleiding Het CCV in de evaluatieperiode Benchmarks Evaluatie van het CCV ConclusieThis report presents the evaluation of the CCV (2019-2024). An important component of the CCV is that the organization receives a subsidy from the Ministry of Justice and Security (JenV) for the execution of a program (in Dutch: ‘basisprogrammering’). This subsidy is the subject of this evaluation and covers the period 2019-2024. This fulfills the obligation to evaluate (partially) subsidized organizations on their effectiveness and efficiency every five years. The evaluation should provide insights into how the CCV's contribution leads to added value for society. This includes an examination of the how equipped the CCV is and the extent to which it is sufficient to realize that added value for society and stakeholders. It is also important to see to what extent the CCV has followed up on the recommendations of the 2013 and 2019 evaluations. Finally, the evaluation maps the efficiency of the CC

    2,605

    full texts

    3,500

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    WODC Repository
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇