WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Deelevaluatie vier maatregelen weigeraanpak
Het komt regelmatig voor dat verdachten medewerking aan gedragskundig onderzoek weigeren, in het bijzonder bij het klinisch gedragskundig onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC). Hier worden ver-dachten van ernstige delicten onderzocht aan wie mogelijk een tbs-maatregel kan worden opgelegd. Om weigeren van medewerking aan gedragskundig onderzoek tegen te gaan, heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) een ‘weigeraanpak’ ontwikkeld, met als doelstellingen: veiliger maken van de maatschappij ten aanzien van weigerende verdachten; terugdringen van het aantal weigeraars; terugdringen van het effect van weigeren. De ‘weigeraanpak’ bestaat uit diverse onderdelen die onderzocht worden in een aantal deelonderzoeken. Deze rapportage doet verslag over één van de deelonderzoeken naar de wetswijzigingen en de (ongewenste) neveneffecten daarvan. Daartoe zijn vier maatregelen uit de weigeraanpak (gedeeltelijk) geëvalueerd: de regeling weigerende observandi (hierna: de regeling); de aanscherping van het begrip ‘stoornis’; de verduidelijking van het risicocriterium; de aanpassing van de rechtspositie van tbs-gestelden. Binnen de evaluatie zijn de implementatie, uitvoering, neveneffecten en knelpunten van de vier maatregelen onderzocht. Daarnaast is de bijdrage van de vier maatregelen aan de doelen van de weigeraanpak geëvalueerd en zijn mogelijke aanpassingen van de vier maatregelen die het doelbereik zouden kunnen vergroten geïnventariseerd. Dit onderzoek omvat geen evaluatie van de effecten van de vier maatregelen. INHOUD Inleiding Implementatie van de vier maatregelen Uitvoering en doelbereik van de vier maatregelen Samenvatting en conclusi
Towards more evidence-based policy within the ministry of JenV (full text only available in Dutch)
The Dutch Ministry of Justice and Security (JenV; Justitie en Veiligheid) regards knowledge as an indispensable compass for well-founded and effective policy. A better use of knowledge would lead to the improvement of existing and new policies. Therefore, in 2017 the Ministry of JenV decided that the strategic knowledge function of the Ministry should be strengthened. The message was clear: knowledge management and knowledge innovation, steering for knowledge utilisation and knowledge development, should receive (more) attention within the Ministry of JenV. The aim of the present study is to gain an impression of the extent to which work activities and policymaking within JenV are 'evidence-based' and/or 'evidence-informed'. The main research question of the study is: to what extent can work activities and policymaking within the Ministry of JenV be characterised as 'evidence-based', and which institutional and contextual factors influence this?Het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) ziet kennis als een onmisbaar kompas voor een goed onderbouwd en effectief beleid. Een betere kennisbenutting leidt tot de verbetering van bestaand en nieuw beleid. In 2017 wordt daarom op het ministerie van JenV aangegeven dat de strategische kennisfunctie bij het ministerie zou moeten worden versterkt. De boodschap is helder: kennismanagement en kennisinnovatie, sturen op kennisbenutting en kennisontwikkeling, moeten (meer) aandacht krijgen binnen het ministerie van JenV. Het doel van het onderhavige onderzoek is om een beeld te krijgen in welke mate het werken en het beleid binnen JenV ‘evidence-based’ en/of ‘evidence-informed’ is. De hoofdvraag van het onderzoek luidt: in hoeverre kan het werken en beleid binnen het ministerie van JenV worden gekarakteriseerd als ‘evidence-based’ en welke institutionele- en contextfactoren zijn hierop van invloed? INHOUD: 1. Aanleiding, doel en vraagstelling van het onderzoek 2. Institutionele inbedding 3. Wat is 'evidence-based' werken en -beleid 4. Daadwerkelijk gebruik van kennis en beleid 5. Motieven en belemmeringen bij 'evidence-based' werken en -beleid 6. Conclusies en aanbevelinge
Standardization and updating of the Halt-Signaling Instrument (Halt-SI) (full text only available in Dutch)
On a yearly basis, 10 to 15 thousand juveniles receive a Halt sanction. The Halt sanction is an extrajudicial intervention with the aim of making juveniles aware of their behavior and to prevent recurrence of criminal behavior (Halt Manual, 2020). The underlying idea is that by confronting the juvenile with the consequences of his or her behavior and offering the juvenile behavioral alternatives, the juvenile is prevented from engaging in delinquent behavior again. Halt uses the Halt-Signaling Instrument (Halt-SI), which is administered during the initial interview. The purpose of the Halt-SI is to gain insight into: (a) the level of recidivism risk, (b) the presence of dynamic risk factors with respect to the juvenile’s delinquent behavior, and (c) signs of underlying psychosocial problems and victimization of domestic violence and child abuse. Based on the outcome of the Halt-SI, it is determined what type of Halt sanction will be given (i.e., which Halt-modules and learning assignments), as well as whether any additional referral to social services and/or a report to Child Protective Services (CPS) is necessary. The present study examined the predictive validity of the Halt-Signaling instrument (Halt-SI) with respect to predicting reoffending (research aim 1). In addition, the current study examined how the Halt-SI could be updated with respect to risk- and needs assessment, referral to modules and learning assignments, and the identification of psychosocial problems and victimization of domestic violence and child abuse (research aim 2). The third objective was to map the composition of the current population of Halt participants in order to gain more insight into the underlying problems of Halt participants and the severity of the offenses for which youth are referred to Halt.De Halt-afdoening is begin jaren tachtig ontwikkeld als een buitenstrafrechtelijke interventie, om jongeren die door de politie worden opgepakt voor een strafbaar feit, in de gelegenheid te stellen een strafblad te ontlopen. Het doel van de Halt-afdoening is om jongeren bewust te maken van hun gedrag en om herhaling van strafbaar gedrag te voorkomen. Het doel van het Halt-signaleringsinstrument (Halt-SI) is inzicht te verkrijgen in: (a) de hoogte van het recidiverisico, (b) de aanwezige dynamische risicofactoren ten aanzien van (herhaling van) het strafbare gedrag van de jongere, en (c) signalen van achterliggende psychosociale problematiek en slachtofferschap van huiselijk geweld en kindermishandeling. Op basis van de uitkomsten van het Halt-SI wordt de verdere invulling van de Halt-afdoening vormgegeven en wordt bepaald of doorverwijzing naar hulpverlening en/of een melding bij Veilig Thuis nodig is. Sinds de ontwikkeling van het Halt-SI in 2009 is nog geen onderzoek uitgevoerd naar de psychometrische eigenschappen ervan en daarom werd in de huidige studie de predictieve validiteit van het Halt-signaleringsinstrument (Halt-SI) onderzocht met betrekking tot het voorspellen van hernieuwd delictgedrag (onderzoeksdoel 1). Daarnaast werd onderzocht hoe het Halt-SI zou kunnen worden geactualiseerd met betrekking tot risico- en behoeftetaxatie, toeleiding naar modules en leeropdrachten, en het signaleren van psychosociale problemen en slachtofferschap van huiselijk geweld en kindermishandeling (onderzoeksdoel 2). Het derde doel was de samenstelling van de actuele populatie Halt-deelnemers in kaart te brengen om meer inzicht te verkrijgen in de achtergrondproblematiek van Halt-deelnemers en in de zwaarte van de delicten waarvoor jongeren naar Halt worden verwezen
Indicators drug-related crime (full text only available in Dutch)
This study shows that a relevant basic set of drug indicators is potentially available. A section of these indicators is already part of the National Drug Monitor (NDM). In addition to the systematic collection of the indicators identified, the main gain lies in improving the quality of the source data of the indicators in this basic set for different drugs markets. A possible future monitor will always have to be accompanied by qualitative research. After all, not everything can be measured. Drug-related crime is a complex phenomenon that is not easy to quantify, and it also develops more quickly than the data on it. Moreover, drug-related crime is a global phenomenon of which the Netherlands is only a part.Dit onderzoek laat zien dat in potentie een relevante basisset aan drugscriminaliteit-indicatoren beschikbaar is. Een deel van de indicatoren wordt bovendien al verzameld ten behoeve de Nationale Drug Monitor (NDM). Winst zit – naast allereerst het systematisch bijeen brengen van de aangemerkte indicatoren – vooral in het verbeteren van de kwaliteit van brondata van de indicatoren in deze basisset, voor verschillende drugsmarkten. Wel zal een mogelijke toekomstige monitor altijd gepaard dienen te gaan met flankerend kwalitatief onderzoek. Niet alles is immers meetbaar. Drugscriminaliteit is een complex fenomeen dat zich niet eenvoudig in cijfers laat vatten, en zich bovendien sneller ontwikkelt dan de data die daarover rapporteren. Daarbij typeert drugscriminaliteit zich als een mondiaal fenomeen waarvan Nederland slechts een onderdeel is. INHOUD: 1. Inleiding en aanpak, 2. Totstandkoming selectie indicatoren, 3. Een voorstel voor monitoring, 4. Conclusie
Secure access and responsible sharing: psychological factors of safe password behaviour and safe sharing of personal data online (full text only available in Dutch)
In the current study, based on the protection motivation theory (PMT), the following psychological factors have been measured to investigate the extent to which they play a role in safe password behaviour and the safe sharing of personal data online: response cost, perceived vulnerability, perceived severity, perceived self-efficacy, and response efficacy. In addition to the PMT factors, we also investigated the role of responsibility in both target behaviours.Bij online activiteiten is het belangrijk dat mensen zich veilig gedragen, om te voorkomen dat ze slachtoffer worden van cybercriminaliteit. Hoewel maatregelen als firewalls, virusscanners, en tweestapsverificatie goed werken om de risico’s van onveilig wachtwoordgedrag en het onveilig delen van persoonsgegevens tegen te gaan, is een aanzienlijk deel van het slachtofferschap terug te voeren op menselijk gedrag. Eerder onderzoek vanuit het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC; Van ’t Hoff-de Goede et al., 2019) heeft zich gericht op de vraag hoe veilig Nederlanders zich online gedragen en hoe dit kan worden verklaard. Eén van de belangrijkste conclusies uit het onderzoek was dat, hoewel zowel zelfgerapporteerd gedrag als geobserveerd gedrag onveilig bleek, mensen zich onveiliger gedroegen dan dat ze zelf rapporteerden, met name bij het gebruik van wachtwoorden en het online delen van persoonsgegevens. Het huidige onderzoek richtte zich specifiek op deze laatste twee doelgedragingen. Het onderzoek bestond uit een literatuurstudie en twee empirische studies. Onderzocht is welke psychologische factoren een rol spelen bij 1) of mensen veilige wachtwoorden aanmaken en 2) of mensen online hun persoonsgegevens alleen delen wanneer dit veilig en/of noodzakelijk is. Daarnaast hebben we een interventie ontwikkeld en getest om veilig wachtwoordgedrag en het veilig online delen van persoonsgegevens te bevorderen
With an open but critical view; creation of a manual for ex ante evaluation of counterterrorism policy (full text only available in Dutch)
De centrale twee problemen die de aanleiding vormen van dit onderzoek zijn: Er is behoefte aan verduidelijking over het doel, de opzet en de uitvoering van verschillende vormen van evaluatieonderzoek. Er is behoefte aan een handreiking inzake de voorbereiding van het evalueren van beleid en wetgeving, aan de hand van de geïdentificeerde vormen van evaluatieonderzoek. Dit onderzoek beantwoordt drie onderzoeksvragen. De eerste is een preliminaire vraag die het mogelijk maakt om de handreiking vorm te geven. De tweede en derde onderzoeksvraag vormen samen de inhoud van de handreiking. Wat is de huidige kennis over de verschillende vormen van beleidsevaluaties? Hoe kunnen ex ante evaluaties vorm gegeven worden zodat zij het meest geschikt zijn voor de evaluatie van (voorgenomen) beleid en wetgeving binnen het NCTV-domein contraterrorisme? Op welke wijze kunnen binnen het contraterrorisme domein doelstellingen worden geoperationaliseerd, beoogde mechanismen worden geïdentificeerd en indicatoren worden onderscheiden? INHOUD Inleiding Vraag 1 IAK: Wat is de aanleiding Vraag 2 IAK: Wat is het probleem? Vraag 3 IAK: Wat rechtvaardigt overheidsinterventie? Vraag 4 IAK: Wie zijn betrokken? Vraag 5 IAK: Wat is het doel? Vraag 6 IAK: Wat is het beste instrument? Vraag 7 IAK: Wat zijn de gevolgen? Vervolgstappen: voorbereiding op latere evaluaties in de beleidscyclus Referenties Annex methoden en techtnieken Annex voorbeeldenThe two main issues that prompted this research are: There is a need for clarification on the purpose, design and implementation of various forms of evaluation research. There is a need for guidance on preparing for an evaluation of policy, based on the previously identified forms of evaluation research. This study answers three research questions. The first is a preliminary question that makes it possible to shape the manual. The second and third research questions together form the content of the manual. What is the current knowledge about the different forms of policy evaluation? How can ex ante evaluations be designed so that they are most suitable for the evaluation of (pro posed) policy and legislation within the NCTV domain of counterterrorism? How can objectives be operationalized within the counterterrorism domain, intended mechanisms identified and indicators distinguished
Prison occupancy rate in the Netherlands - developments 2015-2019 (full text only available in Dutch)
Na jarenlange daling van de bezetting in het gevangeniswezen is sinds 2017 weer een stijging te zien. Het is onduidelijk waar deze stijging vandaan komt, omdat de geregistreerde criminaliteit tot en met 2018 daalde en pas sinds 2019 weer een stijging vertoont. De vraag waarom de bezetting stijgt of daalt, en meer in het algemeen of straffen wel of niet strenger worden, is een regelmatig terugkerende vraag, die tot nu toe moeilijk te beantwoorden is. Dit onderzoek moet dan ook niet worden gezien als een éénmalig project, maar als een eerste stap in de richting van een mogelijk meer structurele oplossing voor het beantwoorden van soortgelijke vragen. De hoofdvraag is wat mogelijke oorzaken zijn van de waargenomen stijging van de bezetting in het gevangeniswezen. De bezetting in dit onderzoek is gedefinieerd als het aantal bedden in het gevangeniswezen dat op een peildatum bezet is, dus exclusief extramuraal geplaatsten. Om de hoofdvraag te kunnen beantwoorden is gebruikgemaakt van gegevens over de verblijfsduur van mannelijke gedetineerden in het gevangeniswezen in de periode 2015-2019. De gegevens zijn afkomstig van de Dienst Justitiële Inrichtingen. INHOUD Inleiding Achtergronden Data en definities Tijdreeksanalyse ResultatenAfter years of declining occupancy rates in the prison system, an increase is observed since 2017. It is unclear where this increase comes from, as registered crime declined through 2018 and has only started to rise again since 2019. The question why the occupancy is increasing or decreasing, and more generally, whether or not prison sentences are becoming stricter, is a regularly recurring question, which has so far been difficult to answer. This research should therefore not be seen as a one-off project, but as a first step towards a possible structural solution for answering similar questions. The main question is what causes the observed increase in prison occupancy rates? Prison occupancy in this study is defined as the number of beds in the prison system that are occupied on a reference date, excluding people with a prison sentence placed outside the prison system
Working papers binnenlandse afstand en adoptie
Vijf working papers over binnenlandse afstand en adoptie Deze working papers zijn de vruchten van het onderzoek waaraan het Verwey-Jonker Instituut in opdracht van het WODC in de zomer van 2019 begon en dat in november 2021 voortijdig werd stopgezet (zie nieuwsbericht). Verslag van het archiefonderzoek bij Moederheil, Breda 1956-1972: Working paper Verslag van het archiefonderzoek bij Ons Tehuis 1956-1984, Utrrecht: Working paper Verslag van het archiefonderzoek bij Tehuis Annette 1956-1984, Amsterdam: Working paper Verslag van het kranten- en literatuuronderzoek: Persoonlijke ervaringen met binnenlandse afstand en adoptie: Working paper Verslag van archief- en literatuuronderzoek rond regels en toezichthouders bij binnenlandse afstand en adoptie, 1956-1984: Working pape
Referral to behavioural interventions in the juvenile justice chain; national instruments and the personalized approach (full text only available in Dutch)
Het belangrijkste doel van het jeugdstrafrecht is het terugdringen van recidive door het bevorderen van gedragsverandering. Om die gedragsverandering te bereiken en recidive te voorkomen is een bij de persoon passende interventie nodig volgens de principes van het Risk Need Responsivity (RNR)-model. De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) adviseert op basis van een strafonderzoek aan de Officier van Justitie (OvJ) en de rechter welke straf en welke gedragsinterventie binnen die straf passend is om recidive te voorkomen. Om de kenmerken van jongeren in kaart te brengen, wordt in de jeugdstrafrechtketen het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen (LIJ) gebruikt. Om duidelijkheid te verschaffen over hoe de toeleiding naar gedragsinterventies met behulp van het LIJ in de praktijk gebeurt, is het volgende door de DSP-groep onderzocht: In hoeverre sluiten de vanuit het LIJ gesuggereerde gedragsinterventies aan bij het risicoprofiel van jeugdige delinquenten? In hoeverre worden deze suggesties door de RvdK in zijn advisering overgenomen? In hoeverre worden de adviezen van de RvdK vervolgens bij het afdoen van strafzaken gevolgd door het Openbaar Ministerie (OM) en de rechter? INHOUD Inleiding Methodische verantwoording Van LIJ-suggestie naar raadsadvies Van advies naar eis en oplegging Persoonsgerichte aanpak Conclusie en discussieThe main aim of the juvenile justice system is to reduce recidivism by promoting behavioural change. Achieving that behavioural change and preventing recidivism requires an intervention appropriate to the individual according to the principles of the Risk, Need, Responsivity model (RNR). Based on a criminal investigation, the Child Protection Board (in Dutch: Raad voor de Kinderbescherming or RvdK) advises the Public Prosecutor and the judge on which punishment and which behavioural intervention within that punishment is suitable to prevent recidivism. To identify the characteristics of young people, the National set of Instruments Juvenile Justice System (LIJ) is used in the juvenile justice chain. To shed light on how the referral to behavioural interventions using the LIJ takes place in practice, the following is investigated by the DSP-group: To what extent do the behavioural interventions suggested by the LIJ match the risk profile of juvenile offenders? To what extent are these suggestions adopted by the RvdK in its advice? To what extent are the recommendations of the RvdK subsequently followed by the Public Prosecution Office (in Dutch: Openbaar Ministerie or OM) and the judge when settling criminal cases
The influence of (technical) developments on de the concept of personal data in relation to the GDPR (full text only available in Dutch)
De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is misschien wel het belangrijkste kader voor het digitale domein in Europa en daarbuiten. De AVG stelt regels aan- en bevat normen voor de verwerking van gegevens, legt verplichtingen vast voor personen en organisaties die gegevens verwerken (verwerkingsverantwoordelijken) en kent rechten toe aan personen van wie gegevens worden verwerkt (betrokkenen). Hoewel pas in 2016 aangenomen, stammen de regels in essentie uit de jaren 70 van de vorige eeuw. Doorslaggevend voor de toepassing van het gegevensbeschermingskader was toen, en is vandaag de dag nog steeds, of de gegevens die worden verwerkt informatie van een identificeerbaar individu (natuurlijke persoon) betreffen. Hoewel een dergelijke vaststelling in de jaren 70 van de vorige eeuw relatief eenvoudig was, is die in de loop van de tijd steeds complexer geworden, vooral in het licht van technologische ontwikkelingen, de algemene toegankelijkheid van technologieën en het streven naar meer open data. Deze ontwikkelingen hebben tot gevolg dat het steeds makkelijker is om persoonsgegevens af te leiden uit datasets die dergelijke gegevens op het eerste gezicht niet lijken te bevatten. Ze hebben ook tot gevolg dat de juridische status van data steeds meer fluïde wordt: doordat data worden gedeeld tussen partijen en de verwerkingen van datasets aanzienlijk verschillen, kan dezelfde dataset het ene moment worden gekwalificeerd als persoonsgegevens en het andere moment niet, of als persoonsgegevens in handen van partij A maar tegelijkertijd als geen persoonsgegevens in handen van partij B. Tegen deze achtergrond is de onderzoeksvraag voor dit onderzoek: Welk effect hebben huidige en toekomstige technische ontwikkelingen op het gebied van anonimisering, pseudonimisering, aggregatie en identificatie van gegevens, op het gegevensbeschermingskader en de bescherming van de verschillende soorten gegevens? INHOUD Juridische categorieën en de elementen daarvan Juridisch regime: de categorale en de contextuele benadering De impact van de beschikbaarheid van data en datatechnologieën op de wettelijke regulering van data De impact van huidige en toekomstige datatechnologieën op de juridische categorieën De kloof tussen het wettelijke regime en de technologische realiteit Reguleringsalternatieven gevonden in wet en literatuur Reguleringsdoelstelling van de gegevensbeschermingsregeling Gevaren van over- en onderregulering Hoe zullen de huidige en toekomstige technische ontwikkelingen de komende periode van invloed zijn op de AVG en rechtsbescherming in brede zin? Antwoorden op de onderzoeksvragenThe General Data Protection Regulation (GDPR) is one of, if perhaps the most important framework for the digital domain in Europe and beyond. It sets rules and standards for the processing of data, lays down obligations for persons and organisations processing data (data controllers) and grants rights to individuals whose data are processed (data subjects). Although adopted in 2016, its origins trace back to the 1970s. The decisive element for the application of the data protection framework was and remains whether the data being processed concern information about an individual (natural person). Although this determination was relatively easy to make in the 1970s, it has become increasingly difficult over time, especially in light of technological developments, the general availability of technology and the push towards open data. These phenomena have meant that it is increasingly possible to derive or infer personal data from datasets that, prima facie, seem to contain no data of this kind. In turn, this has also meant that the legal status of data is increasingly volatile: since data are shared between parties and the operations performed on datasets differ substantially, a single dataset may be considered to contain personal data for one second and no personal data for the next, or as containing personal data in the hands of party A but no personal data in the hands of party B at the same moment. Against this background, the research question for this study is: What effect do current and future technical developments have on the data protection framework and the protection afforded to the different types of data with respect to the anonymisation, pseudonymisation, aggregation and identification of data