WODC Repository
Not a member yet
    3500 research outputs found

    Alternative business structures for lawyers - Lawyering as a societal enterprise (full text only available in Dutch)

    No full text
    De hoofdvraag van het onderzoek bestaat uit twee delen. Ten eerste: welke alternatieve bedrijfsstructuren (ABS) bestaan er in Engeland, België (vooral Vlaanderen), Duitsland en Frankrijk, en welke ervaringen zijn er in de praktijk mee opgedaan? En ten tweede: hoe zou het toelaten van ABS in Nederland zich verhouden tot de toegang tot, de kernwaarden en privileges van, de samenwerkingsvormen in, en het toezicht op de advocatuur zoals we die in Nederland kennen? Met ‘advocaten’ wordt hier gedoeld op advocaten (Nederland en België), solicitors en barristers (Engeland), Rechtsanwälte (Duitsland) en avocats (Frankrijk en België). Met de resultaten van het onderzoek wil de aanvrager beter kunnen beoordelen of er binnen de advocatuur en het huidige systeem en instrumentarium van toezicht in Nederland ruimte kan bestaan voor alternatieve bedrijfsstructuren voor juridische dienstverlening door advocaten. De minister voor Rechtsbescherming heeft een dergelijk onderzoek in juni 2020 toegezegd aan de Tweede Kamer. INHOUD Over het onderzoek Nederland Engeland België Duitsland Frankrijk Landenvergelijking, evaluatie en conclusieThe main research question comprises two parts. Firstly: which alternative business structures (ABS) exist in England, Belgium (e.g. Flanders), Germany en France, and what are the experiences with ABS in practice? And secondly: what impact would allowing ABS in the Netherlands have on the access to, the core values and privileges of, the partnerships in, and the supervision of the legal profession as currently known in the Netherlands? The term ‘lawyers’ as used herein means advocaten (Netherlands and Belgium), solicitors and barristers (England), Rechtsanwälte (Germany) and avocats (France and Belgium)

    The environment: crime, harm and enforcement (full text only available in Dutch)

    No full text
    ARTIKELEN Joost van Onna en Johan van Wilsem -Inleiding Karin van Wingerde, Sammie Verbeek en Lieselot Bisschop - De aanpak van milieucriminaliteit in Nederland. Lessen van de afgelopen decennia Rudie Neve - Focus op criminaliteit in milieumarkten: het Dreigingsbeeld Milieucriminaliteit Jenny van Houten-Peschier - Bestrijding van milieucriminaliteit in de praktijk. Ontwikkelingen in toezicht en opsporing Victor van der Geest, Joost van Onna en Johan van Wilsem - Regelovertreding, daders en handhaving bij milieucriminaliteit. Empirische inzichten uit twee recente studies Elbert de Jong en Michael Faure - De corrigerende rol van het aansprakelijkheidsrecht bij bedrijfsmatige vervuiling van de leefomgeving Daan van Uhm - Milieucriminaliteit en groene criminologie Tineke Lambooy, Ronald Jeurissen en Renske Mackor - Het verlenen van rechten aan natuurentiteiten onderzocht vanuit een juridisch-maatschappelijk en ethisch perspectiefSAMENVATTING Schade aan het milieu door menselijk handelen is een urgent maatschappelijk probleem dat misschien wel meer dan ooit in de publieke belangstelling staat. Het belang van een gezond milieu, het beschermen van de biodiversiteit en het tegengaan van de opwarming van de aarde worden inmiddels door de meesten als evident gezien. Milieucriminaliteit wordt wel omschreven als ‘een veelkoppig monster’ (Neve 2021). Zo zijn er veel uiteenlopende verschijningsvormen, zoals stroperij, gebruik van illegale gewasbeschermingsmiddelen, maar ook illegale export van gevaarlijk afval en het illegaal lozen of uitstoten van gevaarlijke stoffen. Dergelijke overtredingen kunnen worden gepleegd door grote multinationals, maar ook door kleine zelfstandigen of door criminele organisaties. In sommige gevallen is sprake van onwetendheid, opportunisme of onkunde, maar in andere gevallen van daders die stelselmatig, in georganiseerd verband en (vaak) in een internationale context regels overtreden. Een kenmerkend aspect van dit thema – en een van de rode draden in dit themanummer – is dat het niet altijd eenduidig is wanneer er sprake is van milieucriminaliteit. De milieuwetgeving wordt gehandhaafd via een duaal stelsel, waarbij zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk opgetreden kan worden. De bijdragen in dit themanummer gaan zowel over milieucriminaliteit in Nederland als over overtredingen die via het bestuursrecht worden gehandhaafd. Ook gedragingen die legaal zijn maar grote schade aan het milieu veroorzaken (wel verwoord als ‘lawful but awful’ (Passas 2005), het schadeperspectief), komen aan bod

    Resilience quantified; A method for understanding resilience to threats to national security (full text only available in Dutch)

    No full text
    In de context van nationale en internationale veiligheid is weerbaarheid een veelgebruikte term. Ook in Nederland zet het Rijk zich in om de weerbaarheid van de samenleving te versterken tegen dreigingen voor de nationale veiligheid. Het is echter niet eenvoudig om de mate van weerbaarheid noch wijzigingen daarin vast te stellen. Dit onderzoek is gericht op het ontwikkelen van een methode om de mate van weerbaarheid te bepalen in relatie tot de nationale veiligheid. De centrale doelstelling van dit onderzoek is het ontwikkelen van een flexibele methode waarmee de overheid de mate van weerbaarheid kan bepalen tegen het volledige spectrum van actuele en toekomstige dreigingen en risico’s op het gebied van de nationale veiligheid, zoals vastgelegd in de Rijksbrede risicoanalyse (RbRA) 2022. Binnen deze centrale doelstelling kunnen vervolgens drie subdoelstellingen worden onderscheiden: Het verkennen en definiëren van het begrip weerbaarheid in de context van de nationale veiligheid; Het ontwikkelen en uitwerken van een methode om de mate van weerbaarheid te bepalen in de context van de nationale veiligheid; Het testen van de methode op actuele dreigingen uit de Rijksbrede risicoanalyse.INHOUD Inleiding Definiëren van weerbaarheid Bestaande methode voor het meten van weerbaarheid Uitwerken van een methode om weerbaarheid in de context van de nationale veiligheid meetbaar te maken Reflectie op de toepassen van de weerbaarheidsmatrixThis research started with an analysis of how the concept of resilience is used and interpreted in policy documentation on the national security of the Netherlands, as well as how the concept is defined and operationalised in Dutch and foreign academic and grey literature. Based on the collected data, we established a working definition of resilience in the context of national security. In addition, we analysed the characteristics, advantages and disadvantages of 15 identified existing approaches to measure resilience

    Behoeften slachtoffers grootschalige incidenten

    Get PDF
    De onderzoeksvraag die in dit rapport centraal staat is wat de behoeften zijn van slachtoffers van grootschalige incidenten en in hoeverre deze verschillen van de behoeften van slachtoffers van kleinschalige criminaliteit met grote impact voor het slachtoffer. In het verlengde daarvan is de vraag of het huidige palet aan slachtofferondersteuning voldoende is toegesneden op slachtoffers van grootschalige incidenten, of dat er nog aanvullende voorzieningen nodig zijn. In dit onderzoek staan de volgende vragen centraal: Wat zijn de behoeften van slachtoffers van grootschalige incidenten en in hoeverre verschillen deze behoeften van die van andere slachtoffers? In welke mate komt het huidige slachtofferbeleid tegemoet aan de behoeften van slachtoffers van grootschalige incidenten? In hoeverre is aanvullend beleid noodzakelijk?INHOUD Inleiding Slachtofferrechten Hulpverlening en bijstand aan slachtoffers Behoeften van slachtoffers van grootschalige incidenten naar fase Verschil van behoeften tussen typen grootschalige incidenten Verschil in behoeften tussen grootschalige incidenten en kleinschalige criminaliteit Waardering Invulling van behoeften Conclusie en slotbeschouwin

    Early intervention in antisocial behavior in 0-15 year olds; What if you ask the actual practice? (full text only available in Dutch)

    No full text
    Hoewel er sprake is van een dalende trend in de jeugdcriminaliteit zijn er momenteel zorgen over jonge minderjarigen die betrokken zijn bij vermogensdelicten, drugs- en wapendelicten en ernstige feiten als doodslag en zware mishandeling. De vrees bestaat dat jong starten en recidiveren leidt tot ‘ingroei’ in de criminaliteit en ‘doorgroei’ naar de positie van regisseur die nieuwe, jonge plegers rekruteert voor het plegen van delicten. De zorgen sluiten aan bij prospectieve longitudinale studies waaruit blijkt dat frequente plegers van ernstige delicten vaker een langere criminele carrière hebben, meer verschillende typen delicten plegen en op jongere leeftijd beginnen met het plegen van delicten. Het doel van dit onderzoek is aanknopingspunten te identificeren voor interventies die gericht zijn op het voorkomen dat kinderen in hun vroege adolescentie (9-15 jaar) bij deze ernstige delicten betrokken raken. De centrale onderzoeksvraag luidt: Welke aanknopingspunten zijn er om de kans op de ontwikkeling van antisociaal gedrag van kinderen in de leeftijd 0-15 te verkleinen en om delictgedrag in de vroege adolescentie bij te sturen of om te buigen? INHOUD Aanleiding en achtergrond onderzoek Kennis over risicofactoren Kennis over interventies Interventies in Nederland Methode van het Delphi-onderzoek Resultaten van het Delphi-onderzoek ConclusieAlthough there is a downward trend in juvenile crime, there are currently concerns about young minors involved in property crimes, drug and weapons offences and serious offences such as manslaughter and aggravated assault. The concerns are that young on start and recidivation leads to a career in crime and advancing into the position of recruiter of new, young offenders. These worries are consistent with prospective longitudinal studies showing that frequent perpetrators of serious offences are more likely to have longer criminal careers. They commit more different types of offences and start at a younger age. The aim of this study is to identify starting points for interventions aimed at preventing children from becoming involved in these serious crimes in early adolescence (9-15 years). The central research question is: What interventions are there to reduce the likelihood of children aged 0-15 developing antisocial behaviour and to adjust or redirect delinquent behaviour in early adolescence

    The inflow and throughput of online crime in the criminal justice system (full text only available in Dutch)

    No full text
    Onderhavig onderzoek is erop gericht meer zicht te bieden op de in- en doorstroom van online criminaliteit in de strafrechtketen. Naast inzicht in de actuele in- en doorstroom biedt het onderzoek ook inzicht in mogelijke knelpunten binnen de strafrechtketen, good practices en verbetermogelijkheden. Het onderzoek beantwoordt de volgende onderzoeksvragen: Zijn er volgens de literatuur vormen van online criminaliteit waarvan verdachten niet of nauwelijks de strafrechtketen instromen? Zo ja, welke? Welke verklaringen worden er in de literatuur gegeven voor die lage instroom? Wat zijn de meest recente cijfers over 2018-2020 met betrekking tot de instroom en doorstroom van online criminaliteit in de strafrechtketen? Welke knelpunten kunnen geïdentificeerd worden binnen de in- en doorstroom van online criminaliteit in de strafrechtketen? In hoeverre hebben andere landen ook te maken met de onder vraag 3 geconstateerde knelpunten? Welke ervaringen zijn er in andere landen met het oplossen van deze knelpunten? Welke verbeteringen kunnen per schakel van de strafrechtketen worden doorgevoerd om de strafrechtpleging bij online criminaliteit te bevorderen? INHOUD Inleiding Onderzoeksvragen en -methoden Wel slachtoffer, geen instroom In- en doorstroom in cijfers Knelpunten volgens de literatuur en volgens actoren in de strafrechtketen Verbeteringsmogelijkheden volgens de literatuur, actoren binnen de strafrechtketen en experts uit binnen- en buitenlandThis research is aimed at providing more insight into the inflow and throughput of online crime in the criminal justice system. In addition to insight into the current inflow and throughput, the research also provides insight into possible bottlenecks within the criminal justice system, good practices and opportunities for improvement. The research answers the following research questions: According to the literature, are there forms of online crime in which suspects do not or hardly enter the criminal justice system? If yes, which one? What explanations are given in the literature for this low inflow? What are the most recent figures for 2018-2020 regarding the inflow and throughput of online crime in the criminal justice system? Which bottlenecks can be identified within the inflow and throughput of online crime in the criminal justice system? To what extent do other countries also have to deal with the bottlenecks identified under question What experiences do other countries have with solving these bottlenecks? What improvements can be made per link of the criminal justice system

    Ethnic profiling by the police; a systematic literature review focused on the Dutch context (full text only available in Dutch)

    No full text
    Het doel van dit onderzoek was om een wetenschappelijke kennisbasis te ontwikkelen die relevant is voor de Nederlandse praktijk over etnisch profileren door de politie. Deze kennisbasis zal in de toekomst bijdragen aan verdere studies over dit onderwerp en fungeert als richtlijn voor nog ontbrekend onderzoek in Nederland. Daarnaast legt dit onderzoek een kennisbasis voor de beleidsontwikkeling in Nederland. Door dit fundament voor onderzoek én beleid te leggen, komt dit onderzoek tegemoet aan twee subdoelen: het opstellen van een overzicht van kennis over etnisch profileren op basis van bestaande literatuur, met een nadrukkelijke verwijzing naar de lacunes hierin het bieden van inzicht in strategieën om etnisch profileren door de politie aan te pakken en de risico's ervan te verminderen of weg te nemen. De centrale vraag in dit onderzoek was: Welke huidige wetenschappelijke kennis bestaat er over etnisch profileren door de politie en hoe is deze kennis toepasbaar in de huidige Nederlandse context? INHOUD Inleiding en onderzoeksvragen Methoden van onderzoek Resultaten verkennende literatuurstudie Resultaten verdiepende literatuurstudie ConclusieThe central question in this study was: What current scientific knowledge exists on ethnic profiling by police officials and how is this knowledge applicable in the current Dutch context? This main question was broken down into the following sub-questions: a. How can publications on ethnic profiling in (international)scientific literature be characterized (e.g. theoretical or conceptual, legal, empirical, review)? b. What subthemes can be identified in the scientific literature on ethnic profiling ? On what countries does the literature focus? What is the state of scientific knowledge and/or insights on ethnic profiling by the police with regard to: a. defining the concept of ethnic profiling? b. valid empirical research methods to identify ethnic profiling? c. the nature and scope of ethnic profiling in police practice? d. the backgrounds and contexts (social psychological processes, national legislation and case law, organizational and institutional context, social and political context) in which ethnic profiling takes place? e. dealing with the risks of ethnic profiling (possible "effective approaches" to combat it), and how those approaches relate to particular contexts? What do the answers to questions 2 and 3 mean for policing in the Netherlands

    Evaluation of the Deployment and Use of the Short Baton by Special Investigation Officers (boa's) (full text only available in Dutch)

    No full text
    In recent years, an increasing number of so-called municipal enforcement officers is deployed in the public square in addition to the ‘regular’ police force. These officers are assigned a status of a special investigative officer and are authorised to enforce a variety of local and national legislation in the public domain. The last years have seen increasing concerns about personal safety in their work. One of the venues to respond to these concerns has been to explore an expansion of the possibilities of equipping these enforcement officers with a short baton. This requires changes to the formal request procedure, which the Ministry of Justice and Safety is considering to facilitate through a new and separate regulation for the arming and equipping of special investigating officers. In preparation for this possible future regulation, a pilot approach was chosen in which ten municipalities could request a short baton for their municipal enforcement officers in line with the intended future regulation. On behalf of the Ministry of Justice and Security's Scientific Research and Documentation Centre (WODC), an external evaluation was launched to review the outcomes of the pilot. To be able to investigate the experiences of introducing and working with the short baton during the year 2021, a process evaluation was chosen. This evaluation collected insights from four distinct levels; experiences at the system level, at the organisational level, level of incidents, and at the individual level. These insights offer together the pieces that allow responding to the main evaluation question: What can be learned from the results in the pilot in relation to the new to be developed separate regulation for the arming and equipping enforcement officers.In toenemende mate zijn naast de politie ook gemeentelijke handhavers zichtbaar in de openbare ruimte. Deze handhavers opereren als buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) en zijn bevoegd op te treden op een pakket van toezichts- en handhavingstaken. In de laatste jaren wordt daarbij in toenemende mate aandacht gevraagd voor de veiligheid van boa’s bij uitoefening van hun taken. Een van de aspecten die daarbij op de agenda staan betreft het verruimen van de mogelijkheden tot het aanvragen van een korte wapenstok. Hiertoe overweegt het Ministerie van Justitie en Veiligheid een nieuwe afzonderlijke regeling op te stellen voor de bewapening en uitrusting boa’s. In dit kader is gedurende 2021 aan tien gemeenten de mogelijkheid geboden om bij wijze van pilot boa’s uit te rusten volgens de uitgangspunten van de voorgenomen toekomstige regeling. Per gemeente is aan maximaal 20 boa’s toestemming verleend tot het dragen van de korte wapenstok. In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (WODC) is een evaluatie van deze pilot uitgevoerd. Hiervoor is gekozen voor een procesevaluatie om zo de ervaringen van de tien pilotgemeenten systematisch in kaart te brengen. Deze ervaringen zijn verzameld op vier verschillende niveaus: de ervaringen op het systeemniveau, op het niveau van boa-werkgevers, op dat van incidenten, en tot slot op het individueel niveau van boa’s. Op basis daarvan richtte de evaluatie zich op de beantwoording van de volgende hoofdvraag, waarvoor tevens meer specifieke deelvragen zijn geformuleerd (zie hiervoor de bespreking van onderzoeksresultaten): • Welke lering kan op grond van de resultaten van de pilot worden getrokken met betrekking tot de op te stellen afzonderlijke regeling bewapening en uitrusting boa’s? INHOUD: 1. Achtergrond, aanleiding voor het onderzoek 2. Onderzoeksopzet 3. Onderzoeksresultaten op systeemniveau 4. Onderzoeksresultaten op organisatieniveau 5. Onderzoeksresultaten van inzet van de wapenstok bij incidenten 6. Onderzoeksresultaten op individueel niveau 7. Conclusie

    The business climate for drug crime in the Netherlands (full text only available in Dutch)

    No full text
    For several decades, both national and international studies and threat analyses have shown that criminal networks based in the Netherlands play an important role in the international trade in narcotics and the production of synthetic drugs and cannabis. This raises the question why the Dutch ‘drug industry’ has developed to such importance. The question examined in this report is whether the Netherlands has a favourable ‘business climate’ for drug-related crime. It concerns the question which factors determine this climate, how these can be measured and influenced, and how these factors can be visualised in a conceptual model. This report is the result of a literature study, supplemented with a limited number of interviews with academics and practitioners.Uit zowel nationale als internationale onderzoeken en dreigingsanalyses komt al meerdere decennia het beeld naar voren dat in Nederland gebaseerde criminele netwerken een belangrijke rol spelen in de internationale handel in verdovende middelen en in de productie van synthetische drugs en cannabis. Dit roept de vraag op waarom drugscriminaliteit zich juist in Nederland heeft kunnen ontwikkelen tot een, naar breed wordt aangenomen, zeer grootschalige omvang. De vraag die in dit rapport wordt onderzocht is of Nederland een gunstig ‘vestigingsklimaat’ voor drugscriminaliteit heeft. Het gaat daarbij om de vragen welke factoren dit vestigingsklimaat bepalen, hoe deze kunnen worden gemeten en beïnvloed, en hoe deze factoren in onderlinge samenhang kunnen worden gevisualiseerd in een conceptueel model. Dit rapport vormt de weerslag van een literatuuronderzoek, aangevuld met een beperkt aantal interviews met academici en praktijkexperts. INHOUD: 1. Algemene inleiding 2. Analysemodel en theoretisch kader 3. Misdaadondernemers: keuzes en motivatie (micro) 4. Het criminele bedrijfsproces (meso) 5. Bestedingen van misdaadgeld (meso) 6. Systematische factoren (macro) 7. Conceptueel model 8. Meetbaarheid en beïnvloedbaarheid 9. Conclusi

    Evaluation of the Child Protection Act 2015: new thresholds for child protection orders in the context of a faltering system (full text only available in Dutch)

    No full text
    In dit onderzoeksrapport wordt verslag gedaan van de eindevaluatie van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen. Op 1 januari 2015 is deze wet in werking getreden. Het hoofddoel van de wet was om te komen tot een effectievere en efficiëntere jeugdbescherming. Dat houdt in dat tijdig de juiste kinderbeschermingsmaatregel wordt getroffen waarbij het belang van het kind voorop moet staan. Daartoe is onder meer de regeling van de ondertoezichtstelling (OTS) op belangrijke punten aangepast en zijn de maatregelen van ontheffing van en ontzetting uit het gezag samengevoegd tot één nieuwe maatregel, de gezagsbeëindiging. De rechtsgronden voor de OTS en de maatregel van gezagsbeëindiging zijn aangepast tot een kindgerichte formulering zodat het eenvoudiger is om te kiezen voor de maatregel die het meest aansluit bij de omstandigheden waarin het kind zich bevindt. In deze eindevaluatie van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen staan de volgende vragen centraal: Zijn de doelstellingen van de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen behaald? Hierbij is in kaart gebracht hoe de situatie is ten aanzien van de door Regioplan ontwikkelde indicatoren vijf jaar na de invoering van de wet. Hoe verloopt de uitvoering van deze wet en zijn er in dat opzicht nog knel- of aandachtspunten? In hoeverre sluit deze wet aan bij de Jeugdwet en ontwikkelingen ten aanzien van de toepassing daarvan? INHOUD 1. Inleiding 2. De beschermingsbehoefte van het kind centraal 3. Het verbreden van de toegang tot een kinderbeschermingsmaatregel 4. Voorkomen oneigenlijk gebruik van de OTS 5. Een transparante en doelgerichte uitvoering van de ondertoezichtstelling 6. Waarborgen van stabiliteit en continuïteit bij beslissingen over wijziging verblijf van een minderjarige bij een OTS 7. Uitvoering van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen en contextfactoren 8. Conclusies en aanbevelingen.This research report evaluates the reform of the Dutch legislation on child protection proceedings: the Child Protection Act 2015. This new law came into effect on the first of January 2015 and aims to better protect children by prioritizing their best interests when deciding on child protection orders. The newAct’s main goalwasto develop a more efficient and effective child protection system. To this end, both the legal basis for a supervision order with or without an out-of-home placement and the legal basis for a care order (the discharge of parental responsibilities by a third party (natural or legal person) having custody of the child) were amended. This final evaluation of the Child Protection Act 2015 focuses on the following questions: Have the objectives of the Child Protection Act 2015 been achieved? How is the implementation of this Act progressing and are there any bottlenecks or points for attention in that regard? To what extent is the Child Protection Act 2015 in line with the Youth Act and devel opments with regard to its implementation

    2,605

    full texts

    3,500

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    WODC Repository
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇