WODC Repository
Not a member yet
    3500 research outputs found

    'Other than incidental' criterion in the Temporary Restraining Order Act - The appellate case law in the wider context of the application practice (full text only available in Dutch)

    No full text
    Sinds 1 januari 2009 is de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) van kracht.1 Op basis van deze wet kan de burgemeester - of namens deze de hulpofficier van justitie - een tijdelijk huisverbod opleggen aan een volwassen persoon waarvan de aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen die met hem in de woning wonen of daarin ‘anders dan incidenteel’ verblijven of indien een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor 10 dagen en kan indien de dreiging van het gevaar of het ernstige vermoeden daarvan zich voortzet, door de burgemeester tot 4 weken worden verlengd (art. 2, eerste en tweede lid, Wth). De aanleiding voor dit onderzoek is dat in de praktijk onduidelijkheid blijkt te bestaan over wat moet worden verstaan onder personen die ‘anders dan incidenteel’ in de woning verblijven. Uit gesprekken tussen het ministerie van Justitie en Veiligheid en de G4-gemeenten bleek dat deze gemeenten ervaren dat er regionale verschillen bestaan in de toetsing van dit criterium door de rechter. Het zou gaan om verschillen met betrekking tot de omstandigheden die worden meegewogen, de eisen die worden gesteld aan de toepassing van het criterium bij ex-partners en een verschillende uitleg van de vraag op wie criterium betrekking heeft, de vermoedelijke pleger of het slachtoffer. Centrale vraagstelling: In hoeverre is sprake van verschillen bij de toetsing door de rechter van het ‘anders dan incidenteel’-criterium in de Wet tijdelijk huisverbod? In hoeverre is het mogelijk en wenselijk om harmonisatie te bevorderen? Deze vraagstelling is uitgewerkt in twee deelvragen met elk vier subvragen. De eerste deelvraag luidt: ‘Hoe beoordeelt de rechter het ‘anders dan incidenteel’-criterium?’ waarbij de volgende subvragen zijn geformuleerd: Op welke wijze toetst en onderbouwt de rechter of wordt voldaan aan het criterium ‘anders dan incidenteel’? Past de rechter het criterium toe op de vermoedelijke pleger of het slachtoffer? Worden er andere eisen aan het criterium gesteld bij specifieke slachtoffers of daders, bijvoorbeeld wanneer het gaat om ex‐partners? Zijn er andere verschillen in de beoordeling van de rechters bij de toetsing van het ‘anders dan incidenteel’ criterium? De tweede deelvraag luidt: ‘Is sprake van regionale verschillen in de toepassing van het ‘anders dan incidenteel’-criterium?’ waarbij, in het geval er verschillen worden geconstateerd, moet worden onderzocht: om welke verschillen het gaat, hoe die kunnen worden verklaard, in hoeverre het nodig of wenselijk is deze verschillen te verkleinen, en op welke wijze dat kan worden bereikt. INHOUD Inleiding Het criterium in de context van de toepassingspraktijk De uitleg van het criterium in de rechtspraak Analyse, conclusies en aanbevelingenAccording to the law, a temporary restraining order may be imposed on an adult if facts or circumstances show that his or her presence in the dwelling presents a serious and immediate danger to the safety of one or more persons living with him or staying in the residence ‘other than incidentally’ or if, based on facts or circumstances, there is a serious suspicion of such danger (art. 2, paragraphs 1 and 2, Temporary Restraining Order Act). The research laid down in this report was conducted because in practice there is a lack of clarity as to what should be understood by persons staying in the dwelling 'other than incidentally'. This study focuses on the following general research question: “To what extent are there differences in the court’s assessment of the ‘other than incidental’ criterion in the Temporary Restraining Order Act? To what extent is it possible and desirable to promote harmonization?

    The measure on behavioral influence and limitation of freedom in 2021 - numbers and characteristics (full text only available in Dutch)

    No full text
    Met de Wet langdurig toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking (Wlt) is het mogelijk geworden langduriger en onder bepaalde voorwaarden levenslang toezicht te houden op personen die wegens een ernstig gewelds- of zedendelict zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf en/of een maatregel terbeschikkingstelling (tbs). De gedrags-beïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) is één van de drie onderdelen van de Wlt en geldt vanaf 1 januari 2018. Met deze zelfstandige toezichtmaatregel kan toezicht worden gehouden na afloop van een gevangenisstraf en/of tbs-maatregel. Aan de GVM kunnen voorwaarden worden verbonden waaraan de betrokkene zich moet houden, bijvoorbeeld een verplichte behandeling, locatie- of gebiedsverbod of een verbod om Nederland te verlaten. De reclassering is de toezichthoudende partij. De GVM is volgens de wetgever bij uitstek geschikt voor personen aan wie een variant van de tbs-maatregel is opgelegd die bij wet een maximale duur kent: de tbs met voorwaarden (maximaal negen jaar) en de gemaximeerde tbs-maatregel (maximaal vier jaar). Tevens zijn potentieel uitreizende zedendelinquenten, verdachten die het pro Justitia (pJ)-onderzoek weigeren en personen veroordeeld voor een terroristisch misdrijf genoemd als doelgroep. Het WODC monitort het aantal opleggingen en kenmerken van de GVM in de eerste vijf jaar: 2018 tot en met 2022. De cijfers over de GVM zijn elk jaar enigszins aan verandering onderhevig, omdat er uitspraken in hoger beroep bijkomen. Dit rapport blikt terug op de cijfers over de GVM’s uit 2018 tot en met 2020 en laat de resultaten van de nieuwe opleggingen tot de GVM in 2021 zien. Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het huidige rapport is het terugblikken op de cijfers over de GVM uit 2018 tot en met 2020 en het geven van informatie over de GVM in 2021. De onderzoeks-vragen gaan over het aantal opleggingen, kenmerken van de opleggingen, adviezen van de reclassering en het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) en de argumentatie van de rechtbanken en hoven. Ook zijn er inmiddels enkele uitspraken over de tenuitvoerlegging van de GVM. INHOUD Inleiding Opleggingen van de GVM's ConclusiesThe Long-Term Supervision Act (LTSA; Wet Langdurig Toezicht) makes it possible to provide long-term or, under certain circumstances, even life-long supervision on (mentally ill) violent or sex offenders, who are sentenced to time in prison or who have been imposed a tbs-order (maatregel terbeschikkingstelling). The tbs-order is a judicial measure that entails mandatory hospitalization and treatment in a forensic psychiatric hospital (Article 37a.1 Dutch Criminal Code [DCC]). The Measure on Behavioural Influence and Limitation of Freedom (MBI; Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende maatregel) is one of the three parts of the LTSA, and came into effect on the 1st of January 2018. This independent supervision measure makes it possible to provide supervision after a prison sentence and/or tbs-order. With the MBI, supervision by Probation Services is imposed and each individual has to adhere to certain conditions. For example, mandatory treatment, a location or area ban, or being prohibited to leave The Netherlands. The Probation Service (reclassering) is responsible for supervising offenders with an MBI. The goal of the current report is to look back on primary court impositions of the MBI in 2018 to 2020 and give new information about MBI impositions in 2021. The research questions are about the amount of MBI impositions and their characteristics, recommendations about the necessity of the MBI from the Probation Services and the Netherlands Institute for Forensic Psychiatry and Psychology (Nederlands Instituut voor Forensische psychiatrie en psychologie; NIFP), and the reasoning of primary, appeal and higher appeal courts decisions to impose the MBI. Moreover, there are now several court rulings about the execution of the MBI.The study answers the following research questions: Which indicators can be used to gain insight into the extent to which ransomware attacks on organizations and companies in the Netherlands occur and the nature and consequences of these attacks with regard to the characteristics of the affected organizations and companies, the response to the attacks, the damage suffered and other consequences? Do existing data sources contain information that provide insight into the relevant indicators? Based on existing data sources, what image can be formed for the years 2020, 2021 and 2022 about the extent to which ransomware attacks on organizations and companies in the Netherlands occur and the nature and consequences of these attacks in terms of the characteristics of the organizations and companies involved, the response to the attacks, the damage suffered and other consequences? What limitations do existing data sources have with regard to the availability, completeness and quality of information and to what extent are there other limitations? How can these limitations be reduced or removed

    Under Pressure; exploratory research into intimidation of local political office holders and government employees through legal procedures (full text only available in Dutch)

    No full text
    De Nederlandse wetgeving biedt verschillende juridische procedures om de rechten van burgers te beschermen tegen onrechtmatig handelen van overheidsorganen. Bij een onjuiste behandeling, of een onrechtvaardig besluit, kunnen burgers procedures starten om de situatie recht te laten zetten. Het gaat dan bijvoorbeeld om bestuursrechtelijke, civielrechtelijke en strafrechtelijke procedures, klachtenregelingen en Wob- of Woo-verzoeken (Wet openbaarheid van bestuur, per 1 mei 2022 vervangen door Wet open overheid). Deze wettelijke middelen kunnen echter ook op een oneigenlijke manier worden gebruikt en worden ingezet als middel om bestuurders en overheidsmedewerkers te intimideren (Boswijk, 2021; Klein Kranenburg et al., 2020a). Het gaat dan om een relatief nieuw fenomeen: het intimideren van politieke ambtsdragers en overheidsmedewerkers door middel van het inzetten van wettelijke middelen. We definieerden intimidatie in dit onderzoek als volgt: ‘gedragingen die het slachtoffer angst aanjagen’. In dit onderzoek staat de volgende vraag centraal: Wat is de aard en omvang van intimidatie jegens decentrale politieke ambtsdragers en overheidsmedewerkers middels wettelijke middelen, (hoe) wordt er tegen dit fenomeen opgetreden, en hoe zou er (aanvullend) hiertegen kunnen worden opgetreden? INHOUD Inleiding Aard en omvang intimidatie door wettelijke middelen Procedeerders en hun motieven Gevolgen voor slachtoffers Maatregelen Conclusies en aanbevelingenDutch law provides various legal procedures to protect citizens' rights against wrongful actions by public bodies. In the event of incorrect treatment or an unjust decision, citizens can initiate procedures to rectify the situation. These include, for example, administrative, civil and criminal law procedures, complaint mechanisms and Wob or Woo requests (Wet openbaarheid van bestuur, replaced on 1 May 2022 by Wet open overheid). However, these legal means can also be used improperly and deployed as a means to intimidate administrators and government employees (Boswijk, 2021; Klein Kranenburg et al., 2020a). This is a relatively new phenomenon: intimidating political office holders and government employees through the use of legal means. In this report the following central question is addressed: What is the nature and extent of intimidation against decentralised political office holders and government employees through legal means, (how) is this phenomenon being dealt with, and how (additionally) could it be dealt with

    Evaluation zbo Politieacademie 2016-2023 (full text only available in Dutch)

    No full text
    Dit onderzoek betreft een beschrijvend en evaluerend onderzoek naar een complex geheel van nieuwe organisatorische verhoudingen en werkwijzen en een pallet aan doelen. De vraagstelling van dit onderzoek luidt als volgt: Wat kan worden gezegd over de realisatie van de doelen van de inbedding van de PA in het nieuwe politiebestel, te weten: Het borgen van de kwaliteit van het politieonderwijs en de onderzoeks- en kennis-functie in het nieuwe politiebestel (met behoud van de onafhankelijke positie van de PA)? Het versterken van de verbinding tussen de PA en de politie? Het verbeteren van de aansluiting van het politieonderzoek op de politiepraktijk? Het efficiënter en effectiever inrichten van de bedrijfsvoering van de PA?INHOUD Begrippenlijst, Samenvatting en Summary Achtergrond en uitvoering onderzoek Governance van de PA BPO VPO HPO K&O Invloed wetswijziging op taakuitvoering PA Conclusies AanbevelingenThe aim of the study is to provide an assessment of the realisation of the goals of embedding the Police Academy (PA) in the new police system. This also fulfils the Minister of Security and Justice's promise to Parliament to evaluate the embedding of the PA as well as the requirement of the ZBO Framework Act to send a report to the Senate and Parliament every five years on the functioning of the governing body. To describe and assess the functioning of the PA, the three fixed components of a ZBO evaluation were used: (i) effectiveness, (ii) efficiency and (iii) quality. Furthermore, (iv) the impact of the legislative amendment (embedding in the new police system) on the functioning of the PA was described. In addition to safeguarding the quality of police education and the research and knowledge function in the new police system, the amendment of the law aimed at strengthening the connection between the PA and the police, improving the connection between police research and police practice, and organising the PA's operations more efficiently and effectivel

    A date with [Art.] 8 - evaluation of the Road Traffic Act article 8 drugs in traffic (full text only available in Dutch)

    No full text
    In de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW1994), artikel 8, eerste lid, staat dat het “een ieder verboden is een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht”. Per 1 juli 2017 is de WVW1994 uitgebreid met de mogelijkheid om bij bestuurders van voertuigen een speekseltest en een Psychomotorische test (PMT) op drugs te doen (Stb. 2014, 353; MvT 32 859, 3). De wetswijziging, ook aangeduid als de Wet drugs in het verkeer, geeft opsporingsambtenaren de bevoegdheid om bestuurders die vermoedelijk onder invloed van drugs deelnemen aan het verkeer, te bevelen mee te werken aan een speekseltest of aan een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties (PMT). Daarnaast is met deze wet een afzonderlijke strafbaarstelling voor het rijden onder invloed van drugs geregeld. Het onderzoek kent de volgende drieledige probleemstelling (hoofdvragen): Hoe verloopt de opsporing en vervolging van rijden onder invloed van drugs na invoering van de wet drugs in het verkeer? Hoe verhoudt zich dat tot vóór de wetswijziging? Hoe verloopt het opleggen van straf- en bestuursrechtelijke maatregelen aan bestuurders die onder invloed van drugs deelnemen aan het verkeer? Hoe verhoudt zich dat tot vóór de wetswijziging? Welke knelpunten worden in de praktijk waargenomen bij de uitvoering van de wet en wat zouden mogelijke oplossingen kunnen zijn? INHOUD Inleiding Theoretisch kader Opsporing rijden onder invloed van drugs Bloedonderzoek en opvolging Strafrechtelijke vervolging Bestuursrechtelijke maatregel Doeltreffendheid ConclusiesArticle 8 of the 1994 Road Traffic Act (hereafter: WVW1994) states that "anyone is prohibited from driving a vehicle, or having a vehicle driven as a driver, while under the influence of a substance, of which he knows or should reasonably know that its use - whether or not in combination with the use of another substance - may impair the driving ability, such that he should not be considered capable of driving properly". From 1 July 2017, the WVW1994 was extended to include the possibility of performing a saliva test and a Psychomotor test (PMT) on drivers of vehicles for drugs (Stb. 2014, 353; MoT 32 859, 3). The legislative amendment, also referred to as the Drugs in Traffic Act, empowers investigating officers to order drivers suspected of driving under the influence of drugs to cooperate with a saliva test or an examination of psychomotor functions and eye and speech functions (PMT). In addition, this law regulates a separate offence for driving under the influence of drugs. A blood test follows in case of a positive result on the PMT or saliva tester. A criminal offence is committed if the blood test result is above the legally permitted limit or if one or more drugs were used in conjunction with alcohol, exceeding the combined use limit. As part of the law amendment, the minister promised the House of Representatives on 17 June 2014 to carry out an evaluation five years after the law came into force. The present summary reports on the main findings

    Update liquidaties 2022

    Get PDF
    In het rapport Tweede verkennende studie liquidaties (zie link hiernaast) is verslag gedaan van het aantal liquidaties in Nederland van het jaar 2000 tot en met 2020 (Van Gestel & Kouwenberg, 2021). Deze notitie bevat een update van die aantallen voor het jaar 2022. We kijken in hoeverre de aantallen uit 2022 aansluiten bij het eerder geschetste beeld. Naast het aantal liquidaties, worden in deze notitie ook enkele andere kenmerken van gepleegde liquidaties beschreven zoals pleegplaats (regio) en leeftijd van slachtoffers en de relatie met drugscriminaliteit

    Unaccompanied minors in the Netherlands - The narrative behind the numbers (English full text also available)

    No full text
    Dit kennisbericht gaat over het toegenomen aantal alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s) dat in Nederland asiel aanvraagt. In 2022 en in 2023 lag dat aantal hoger dan in de voorgaande jaren (respectievelijk 4.205 en 4.803 (tot en met oktober). Vanuit beleid werd de wens geuit te onderzoeken waarom deze aantallen stijgen, aangezien deze verhoogde instroom veel druk legt op de opvangcapaciteit en uitvoerende instanties als COA en NIDOS. De centrale vragen van dit onderzoek zijn: Wat kan er gezegd worden over de redenen van de recente toename in de instroom van AMV’s en de veranderingen in de samenstelling van de groep? Wat zijn de redenen voor AMV’s om in Nederland terecht te komen? Is het aannemelijk dat deze redenen anders zijn voor de huidige piek dan die voor in 2015? Dit vooronderzoek is gebaseerd op inzichten uit een quick-scan van de recente literatuur en een kennistafel. INHOUD Inleiding Fluctuaties in het aantal alleenstaande minderjarige vreemdelingen in Nederland en veranderingen in de samenstelling Mogelijke redenen waarom alleenstaande minderjarige vreemdelingen naar Nederland komen ConclusiesThe number of unaccompanied minors (UMs) applying for asylum in the Netherlands has been fluctuating over the past fifteen years. Between 2008 and 2022, per year an average of 1,400 UMs came to the Netherlands, with some peak years: in 2015, 3,860 UMs applied for asylum, after which the numbers more or less stabilised. Since 2021 this number is subject to an increase again. The aim of the present preliminary study is to investigate the possible causes of the current peak in the number of UMs and whether the reasons why they end up in the Netherlands are different from those during the peak in 2015. The main questions of this research were: What are the possible r easons for the recent increase in the numbers of UMs and the changes in the composition of the group? What are the possible reasons for UMs to end up in the Netherlands? Is it plausible that these reasons are different for the current peak than for the 2015 peak year

    Case study of the treatment route and preparation for the return to society of prisoners with an outplacement and those without (full text only in Dutch)

    No full text
    Na de veroordeling van Michael P. voor de ontvoering, verkrachting en om het leven brengen van Anne Faber hebben de Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd onderzoek gedaan naar het detentieverloop van P. en de verleende zorg. Op basis van deze resultaten heeft de minister voor Rechtsbescherming in 2019 een aantal maatregelen getroffen die zich onder andere specifiek richten op uitplaatsingen van ernstige gewelds- en zedendelinquenten in het kader van artikel 15.4 (voorheen 15.5) en artikel 43.4 (voorheen 43.3) van de Penitentiaire beginselen wet. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in het detentieverloop, het behandeltraject en de voorbereiding op terugkeer voor uitgeplaatste en niet-uitgeplaatste gedetineerden. De nadruk ligt daarbij op het ongewenste effect dat een gedetineerde die aan alle voorwaarden voldoet, niet wordt uitgeplaatst. De hoofdvraag van dit onderzoek is daarom: Hoe hebben de maatregelen de beslissing om wel of niet uit te plaatsen veranderd en welke gevolgen heeft dit voor de gedetineerden? Om de hoofdvraag te beantwoorden, worden uitplaatsingen van voor en na de invoering van de maatregelen onderzocht. De laatste onderzoeksvraag betreft: Welke conclusies kunnen worden getrokken als de verschillende casussen (wel/niet-uitplaatsing, voor en na invoering van de verbetermaatregelen) met elkaar worden vergeleken? INHOUD Inleiding Wettelijk kader en maatregelen Proces van uitplaatsing Overzicht uitplaatsingen en doelgroep Ervaringen met uitplaatsing vóót en na de maatregelen ConclusiesThis study aims to obtain a picture of how detention proceeds, the treatment route and preparation for the return to society of prisoners with an outplacement and those without. The focus is on the unwanted effect of a prisoner not getting an outplacement despite fulfilling all the conditions for one. Accordingly, the main question addressed by this study is: How have the measures changed the decision to arrange an outplacement and what consequences does this have for prisoners

    Willingness to self-report among convicts with self-reporting status (full text only available in Dutch)

    No full text
    De probleemstelling van dit onderzoek luidt als volgt: Wat zijn de oorzaken van de geringe meldingsbereidheid van de gestraften in de zelfmeldprocedure (‘veroordeelden met zelfmeldstatus’)? Het uiteindelijke doel van dit onderzoek (dat wil zeggen, waaraan de resultaten volgens ons zouden moeten bijdragen) is om het aantal zelfmelders te verhogen. De volgende onderzoeksvragen staan centraal in dit onderzoek: Welke factoren spelen een rol bij het besluit van een veroordeelde met zelfmeldstatus om zich te melden bij de PI (zelfmelder)? Welke factoren spelen een rol bij het besluit van een veroordeelde met zelfmeldstatus om zich niet te melden bij de PI (niet-zelfmelder)? Komen er uit pilots met zelfmelders inzichten voor het verhogen van de meldingsbereidheid van veroordeelden met een zelfmeldstatus? Welke oplossingsrichtingen kunnen bedacht worden om de meldingsbereidheid (van veroordeelden met een zelfmeldstatus) te verhogen?INHOUD Introductie De zelfmeldprocedure: theorie en praktijk Theoretisch kader: Het COM-B gedragsmodel Methode onderzoek Data-analyse: Zelfmelders in cijfers Veldwerk: Interviews in PI's Mogelijke oplossingsrichtingen Conclusies ReflectiesConvicts who are to serve a custodial sentence in a penitentiary institution (hereinafter: PI) may be summoned to self-report at a designated penitentiary institution on a specified date ("convicts with self-report status"). Since January 1, 2020, the Minister for Legal Protection is responsible for deciding whether a convict is eligible for self-reporting. This decision is made by CJIB-AICE on behalf of the Minister. AICE then defaults to self-reporting ("it is self-reporting unless..."), but has some hard grounds for exclusion. AICE determines on a case-by-case basis whether or not to grant self-reporting status. In doing so, implementation takes into account the interests of (the resocialization of) the convicted person, the victims and relatives, and the safety of society. Although self-reporting has obvious advantages for the convict, at least at first sight (see above), in practice, nevertheless, less than half (around 45%) of convicts with self-reporting status use this option. This study investigates the reasons for the low willingness to report of those sentenced in the self-reporting procedure

    Evaluation of the Law on stipulations on the right to have contact or interaction after partner killing (full text only available in Dutch)

    No full text
    Per 1 januari 2018 is een wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in werking getreden, te weten de inwerkingtreding van de Wet clausuleren recht op contact of omgang na partnerdoding. Het recht op contact of omgang van de ouder met zijn kind is een fundamenteel recht. Van contact wordt gesproken als de ouder het gezag heeft over het kind; omgang ziet op de situatie dat de ouder geen gezag heeft over het kind. Ook indien de ene ouder de andere ouder heeft gedood, heeft deze ouder in beginsel recht op contact of omgang met zijn kind. De wetswijziging heeft geregeld dat in het geval van (vermoedelijke) partnerdoding de kinderrechter altijd oordeelt of contact of omgang in het belang van het kind is, en dit doet op basis van een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). De wetswijziging had als doel om de zorgvuldigheid bij besluiten inzake omgang in partnerdodingszaken te waarborgen, en daarbij de behartiging van de belangen van het kind goed te borgen. Het doel van dit onderzoek was om inzicht te verkrijgen in de effecten van deze wetswijziging. De probleemstelling die hieruit voortvloeit, behelst de volgende vier hoofdvragen: Is de wet uitgevoerd, en zo ja hoe, zo nee waarom niet? Hoe is de verhouding van de wet tot het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)? Zijn er neveneffecten opgetreden met de toepassing van de wet? Is het belang van het kind met de (toepassing van de) wetswijziging voldoende gediend?INHOUD Inleiding Uitvoering van de wet Plaatsing van de wet in een verdragsrechtelijk kader Het belang van het kind ConclusieA change in Book 1 of the Dutch Civil Code (Burgerlijk Wetboek) entered into force on 1 January 2018: the enactment of the Law on stipulations on the right to have contact or interaction after a partner kill-ing (Wet clausuleren recht op contact of omgang na partnerdoding). The right to contact or interaction of a parent with their child is a fundamental right. Contact is understood as the parent having custody of the child; interaction is understood as the situation in which the parent has no custody of the child. Even if one parent killed the other parent, in principle that parent has a right to have contact or interaction with their child. The law change had as objective the safeguarding of the carefulness of decisions regarding interaction in cases of partner killing, and therefore the proper safeguarding of advocacy for the child's interests. The purpose of this investigation was to obtain insight into the effects of this law change

    2,605

    full texts

    3,500

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    WODC Repository
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇