WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Evaluation ‘Wet homologatie onderhands akkoord’ (full text only available in Dutch)
De totstandkoming van de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) was onderdeel van de tweede pijler – versterking van het reorganiserend vermogen van bedrijven – en is op 1 januari 2021 in werking getreden. Doel van de WHOA is, kort gezegd, te voorkomen dat ondernemingen die op zichzelf levensvatbaar zijn, door een te hoge schuldenlast of door te hoge structurele schulden failliet gaan. Dat geschiedt – zoals de naam al zegt – door homologatie, dat wil zeggen goedkeuring of bekrachtiging door de rechter van een onderhands akkoord tussen een schuldenaar en (een deel van) diens schuldeisers en/of aandeelhouders dat voorziet in de wijziging van hun rechten en dat ook schuldeisers en aandeelhouders kan binden die daarmee niet instemmen. Doel van dit onderzoek is om in aansluiting op artikel IIA van de Wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid tot homologatie van een onderhands akkoord (Wet homologatie onderhands akkoord) antwoord te geven op de vraag of, en zo ja in hoeverre, de doelen van de WHOA in de (prille) praktijk worden gerealiseerd, en wat in de praktijk de ervaringen en (overige) resultaten zijn van de invoering van deze wet. INHOUD Inleiding en onderzoeksopzet Reconstructie beleidslogica Jurisprudentieonderzoek Expertmeeting Casestudies Survey Synthese: Eerste ervaringen met en opbrengsten van de WHOA Conclusies en aanbevelingenOn January 1, 2021, The Act on court confirmation of extrajudicial restructuring plans (Wet homologatie onderhands akkoord (‘WHOA’) or ‘Dutch scheme’) came into effect. The WHOA aims to strengthen the reorganizational capacity of debtors with viable business prospects facing financial hardship potentially resulting in insolvency due to an excessive debt. To this end, the WHOA allows a debtor or the restructuring expert to offer a composition plan to all or some of its creditors or shareholders. If certain requirements are met, the plan can be confirmed (gehomologeerd) by the court, making it binding on all affected parties, even if they did not consent to it. This option can also be utilized in cases where a company is no longer viable, and a liquidation plan outside a formal insolvency proceeding would yield a better outcome than a liquidation within bankruptcy. When the WHOA was enacted, the Act contained a provision stipulating that an evaluation must take place within three years after the WHOA coming into effect, to assess the effectiveness and impact of the WHOA in practice. The present report contains the outcome of that evaluation
Corporate self-investigations and self-reporting of fraud and corruption (full text only available in Dutch)
De doelstelling van het onderzoek is het inventariseren van ervaringen met het zelfonderzoek en het zelfmelden van mogelijke financieel-economische criminaliteit door bedrijven in enkele andere landen, en de gepercipieerde opbrengsten en risico’s van het zelf (laten) onderzoeken en zelfmelden van mogelijk financieel-economische criminaliteit door bedrijven in Nederland. Het onderzoek valt uiteen in twee deelonderzoeken die onlosmakelijk verbonden zijn. In Deel A staan de ervaringen met zelfonderzoek en zelfmelden in andere landen in rechtsvergelijkend perspectief centraal. In Deel B wordt – op basis van de resultaten van Deel A – empirisch onderzoek verricht naar de gepercipieerde opbrengsten en risico’s van zelfonderzoek en zelfmelden in Nederland. In het onderzoek staan daarbij de hiernavolgende vragen centraal. INHOUD Inleiding Uitgangspunten rechtsvergelijking: zelfonderzoek en zelfmelden in Nederland Ervaringen met zelfonderzoek en zelfmelden in Duitsland Ervaringen met zelfonderzoek en zelfmelden in Engeland (en Wales) Ervaringen met zelfonderzoek en zelfmelden in Frankrijk Ervaringen met zelfonderzoek en zelfmelden in de Verenigde Staten Ervaringen met zelfonderzoek en zelfmelden vanuit rechtsvergelijkend perspectief Zelfonderzoek en zelfmelden in de Nederlandse praktijk Conclusie en reflectieThis research focuses specifically on self-investigation and self-reporting in the context of fraud and corruption. The public discussion on self-investigation and self-reporting is not limited to fraud and corruption and extents to other unacceptable behaviour. In particular, the broader discussion focuses mostly on (self)investigation in the context of integrity and inappropriate behaviour. 16 As a result of the scope of this study, these behaviours are not covered in this report
The impact of encryption in criminal investigations (full text only available in Dutch)
Encryptie, oftewel de versleuteling van gegevens, komt steeds meer voor bij allerlei vormen van criminaliteit. Dat heeft op hoofdlijnen twee oorzaken. Encryptie wordt steeds vaker standaard toegepast in software en hardware. Ook wordt het bewust gebruikt om relevante informatie en communicatie te verbergen. Een logisch gevolg is dat de opsporing vaker met encryptie te maken heeft. Een vraag die dat oproept is welke rol encryptie speelt in de opsporing. Daarover gaat dit onderzoek. De aanleiding tot dit onderzoek is een dilemma dat gepaard gaat met encryptie. Dit dilemma is bijvoorbeeld te zien in een resolutie over versleuteling die op 14 december 2020 door de Europese Raad werd aangenomen. Enerzijds geldt encryptie daarin als noodzakelijk middel om de grondrechten en de digitale veiligheid van burgers, overheden, het bedrijfsleven en de samenleving te beschermen. Anderzijds geeft de Raad daarin aan dat de rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten hun wettelijke bevoegdheden moeten kunnen uitoefenen om onze samenlevingen en burgers te beschermen terwijl dat door encryptie lijkt te worden bemoeilijkt. Het doel van dit onderzoek is drieledig: inzicht bieden in (1) de aard van encryptie in opsporingsonderzoeken, (2) de rol van encryptie in het verloop van opsporingsonderzoeken en (3) de rol van encryptie in de opbrengst van opsporingsonderzoeken. INHOUD Inleiding Methodische verantwoording Theoretische verkenning Resultaten Conclusie, discussie en beperkingenEncryption poses a dilemma to policy makers and legislator. This dilemma can be seen, for example, in a resolution on encryption adopted by the European Council on 14 December 2020. On the one hand, encryption is considered crucial to protect the fundamental rights and digital safety and security of citizens, governments, businesses and society. On the other hand, encryption hampers law enforcement and judicial authorities in the exercise of their legal powers to protect society and citizens. The main research question that this study aims to answer is: What is the role of encryption in police investigations? This question is elaborated in three sub-questions: (i) What is the nature of encryption that is encountered in criminal investigations?; (ii) Does encryption affect the conduct of criminal investigations, and if so, how?; (iii) Does encryption affect the outcome of criminal investigations, and if so, how
Ransomware attacks on organizations and companies in the Netherlands (full text only available in Dutch)
Het onderzoek beantwoordt de volgende onderzoeksvragen: Met welke indicatoren kan inzicht worden gekregen in de mate waarin ransomware-aanvallen op instellingen en bedrijven in Nederland voorkomen en de aard en gevolgen van deze aanvallen met betrekking tot de eigenschappen van de getroffen instellingen en bedrijven, de response op de aanvallen, de geleden schade en andere gevolgen? Bevatten bestaande databronnen gegevens die inzicht bieden in de relevante indicatoren? Welk beeld kan aan de hand van de bestaande databronnen worden gevormd voor de jaren 2020, 2021 en 2022 over de mate waarin ransomware-aanvallen op instellingen en bedrijven in Nederland voorkomen en de aard en gevolgen van deze aanvallen met betrekking tot de eigenschappen van de betrokken instellingen en bedrijven, de response op de aanvallen, de geleden schade en andere gevolgen? Welke beperkingen hebben de bestaande databronnen met betrekking tot de beschikbaarheid, volledigheid en kwaliteit van data en in hoeverre gelden er andere beperkingen? Op welke wijze kunnen deze beperkingen worden verminderd of weggenomen?The study answers the following research questions: Which indicators can be used to gain insight into the extent to which ransomware attacks on organizations and companies in the Netherlands occur and the nature and consequences of these attacks with regard to the characteristics of the affected organizations and companies, the response to the attacks, the damage suffered and other consequences? Do existing data sources contain information that provide insight into the relevant indicators? Based on existing data sources, what image can be formed for the years 2020, 2021 and 2022 about the extent to which ransomware attacks on organizations and companies in the Netherlands occur and the nature and consequences of these attacks in terms of the characteristics of the organizations and companies involved, the response to the attacks, the damage suffered and other consequences? What limitations do existing data sources have with regard to the availability, completeness and quality of information and to what extent are there other limitations? How can these limitations be reduced or removed
Protocol 16 ECHR - Context, meaning, effects and experiences (full text available in English)
Op 1 augustus 2018 is Protocol 16 (hierna ook wel ‘Protocol’) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in werking getreden. Vijf jaar later is het Protocol door 19 van de 46 lidstaten van de Raad van Europa geratificeerd, waaronder Nederland. In de landen die het Protocol hebben geratificeerd kunnen aangewezen hoogste gerechten een verzoek indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) om advies te krijgen over de uitleg of toepassing van het EVRM in een lopende zaak. De Nederlandse gerechten die bevoegd zijn om een adviesverzoek in te dienen (de Hoge Raad, de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het Bedrijfsleven en het Gemeenschappelijk Hof van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba) hebben tot nu toe nog geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het EHRM te verzoeken om een advies. Rechters in andere lidstaten hebben dit wel gedaan. Sinds de inwerkingtreding van Protocol 16 (en tot 1 juni 2023) zijn vanuit de staten die het Protocol hebben geratificeerd acht adviesverzoeken ingediend. Dit onderzoek richt zich op het identificeren en analyseren van de eerste ervaringen die op nationaal niveau zijn opgedaan met het Protocol. Meer specifiek is de centrale vraag: hoe de invoering en toepassing van het Protocol 16 EVRM van het EVRM tot dusver verloopt en hoe de benutting van het Protocol kan worden verbeterd. INHOUD Inleiding Protocol 16 EVRM - een tour d'horizon De adviesprocedure in de praktijk: de door het EHRM uitgebrachte adviezen Goedkeuring en implementatie in Nederland Ratificatie in andere landen Adviesverzoeken in Nederland Adviesverzoeken in andere staten ConclusieOn 1 August 2018, Protocol 16 (hereinafter also referred to as ‘Protocol’) to the European Convention on Human Rights (ECHR) entered into force. Five years later, the Protocol has been ratified by 19 of the 46 member states of the Council of Europe, including the Netherlands. In the countries that have ratified the Protocol, designated highest courts can apply to the European Court of Human Rights (ECtHR) for an advisory opinion on the interpretation or application of the ECHR in a pending case. This advisory opinion procedure aims to strengthen the dialogue between national highest courts and the ECtHR, thereby enhancing the protection of ECHR rights at the national level. It is also considered that the number of complaints to the ECtHR can be reduced when the ECHR already can be applied correctly at the national level. This research focuses on identifying and analysing first experiences with the Protocol at the national level. More specifically, the question has been posed by the Research and Documentation Centre (WODC) as to how Protocol 16 ECHR has been implemented and applied so far and whether its use can be improved
The Research and Documentation Centre and 50 years of research (full text only available in Dutch)
ARTIKELEN Inleiding Jan van Dijk - Vijftig jaar victimologie vanuit wetenschapshistorisch perspectief Monika Smit - Veertig jaar onderzoek naar alleenstaande minderjarige vreemdelingen in Nederland Catrien Bijleveld - Empirisch juridisch onderzoek. Een impressie en beschouwing Edward Kleemans - Wetenschappelijk onderzoek naar georganiseerde misdaad en opsporingsmethode Katy de Kogel - Biocriminologie en forensische zorg: controverse - opbloei - integratie Peter van der Laan - Vijftig jaar onderzoek jeugdcriminaliteit en jeugdstrafrecht Gijs Weijters - Recidiveonderzoek in Nederland: een korte geschiedenis en blik op de toekomst Gerty Lensvelt-Mulders - Parels in het zand. Hoe het WODC zijn schatkist aan kennis wagenwijd openzet, ten dienste van beleid, wetenschap en samenlevingSAMENVATTING Vijftig jaar onderzoek, kennis, inzicht én impact. Voor u ligt een bijzonder themanummer van Justitiële verkenningen (Jv), geheel gewijd aan het gouden jubileum van het WODC. Een gouden jubileum is een bijzonder moment om bij stil te staan en op te reflecteren. Het WODC ontstond in 1973 uit het toenmalige Wetenschappelijk Voorlichtings- en documentatiecentrum (WVDC) van het ministerie van Justitie. Over de ontstaansgeschiedenis en de vroege jaren van het WODC is in het verleden al vaker in Justitiële verkenningen geschreven, bijvoorbeeld in het themanummer uit 1998 ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan. Dit themanummer is opgebouwd rond de ontwikkeling van kennisgebieden waarin het WODC een rol speelde en nog steeds speelt. Daarnaast is ter afsluiting een bijdrage opgenomen van Gerty Lensvelt-Mulders, de huidige directeur van het WODC, waarin zij de plannen van het WODC voor de komende tien jaar uiteenzet. Uit deze afsluitende bijdrage blijkt duidelijk dat het WODC niet stilstaat, maar probeert mee te bewegen met zijn tijd. Het instituut past zich aan en hoopt daarmee relevant te blijven
Gerechtelijke procedures en gesubsidieerde rechtsbijstand
In 2022 hebben rechters ongeveer 26.000 scheidingsprocedures afgehandeld; ruim 900 minder dan in 2021. Bij 14% gaat het om een eenzijdig verzoek met verweer van de andere partner. Bij circa 2.800 scheidingsverzoeken werden voorlopige voorzieningen aangevraagd; dit is ongeveer evenveel als in 2021. In 2022 waren bij ongeveer 12.100 echtscheidingen een of meer minderjarige kinderen betrokken; in totaal ging het om circa 23.600 kinderen (in 2021 26.000). De meeste scheidingsgerelateerde procedures, zoals afzonderlijke procedures omtrent levensonderhoud, omgangregelingen, en verdeling gemeenschap, laten een lichte daling zien ten opzichte van 2021, behalve procedures omtrent gezag. Daar is sprake van een lichte stijging. Het totale aantal hogerberoepprocedures in scheidings(gerelateerde)zaken is ten opzichte van 2021 met bijna 300 zaken gedaald en bedraagt in 2022 ongeveer 2.900 zaken. Het aantal familierechtzaken dat via de rechtspraak naar mediation is verwezen laat vanaf 2020 een lichte stijging zien. In 2022 werden bijna 1.300 zaken verwezen naar mediation. Bij 54% van de afgeronde mediations is (gedeeltelijke) overeenstemming bereikt. De Raad voor de Kinderbescherming heeft in 2022 voor circa 4.000 kinderen een Gezag- en Omgangonderzoek uitgevoerd: 800 minder dan in 2021. In 2022 is het onderzoek bij 25% van de kinderen uitgebreid tot een beschermingsonderzoek en in 19% van alle gezag en omgangsonderzoeken is een ondertoezichtstelling (OTS) gevraagd. Het totale aantal toevoegingen dat in 2022 is vastgesteld voor rechtsbijstand bij zaken rond scheidingen, alimentatie, omgang, gezag en boedel is ten opzichte van 2021 met bijna 4.600 toevoegingen gedaald. De daling ten opzichte van het voorgaande jaar is het grootst bij toevoegingen voor alimentatie en levensonderhoud (15% afname), en toevoegingen voor de verdeling van de gemeenschap (14% afname)
Recidive onder schuldig verklaarde volwassenen en jeugdigen
In deze factsheet wordt gerapporteerd over de recidive van volwassenen en jeugdigen die schuldig zijn bevonden aan één of meerdere misdrijven.1 Het gaat om personen van wie een strafzaak is afgedaan in de periode 2010 tot en met 2019. Tot juli 2022 is gekeken of deze personen nieuwe misdrijven hebben gepleegd die geleid hebben tot een strafzaak
Recidive onder ex-gedetineerde volwassenen en jeugdigen
In deze factsheet wordt gerapporteerd over de recidive van volwassenen en jeugdigen die respectievelijk in een penitentiaire inrichting (PI) of justitiële jeugdinrichting (JJI) verbleven.1 De personen in dit onderzoek zijn in de periode 2010 tot en met 2019 uit een PI of JJI vrijgekomen en vanaf dit moment is de recidive berekend. Tot juli 2022 is gekeken of deze personen nieuwe misdrijven hebben gepleegd die geleid hebben tot een strafzaak
Long-term detention after recidivism in serious violent and sexual offences (full text only available in Dutch)
Het doel van het onderzoek is na te gaan of recidive bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven leidt tot het daadwerkelijk opleggen van een zwaardere straf door strafrechters, met name of dit leidt tot een langdurige(r) detentie. Hoofdvraag: In hoeverre leggen strafrechters zwaardere straffen op na constatering van (meervoudige) recidive bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven (in vergelijking met first offenders); waaruit bestaat de strafvermeerdering en in hoeverre leidt dit tot langdurige(r) detentie? INHOUD Inleiding Juridisch Kader Analyse van jurisprudentie Dossieranalyse Focusgroepen ConclusieThe main research question is as follows: To what extent do criminal courts impose heavier sentences for recidivism in serious violent and sexual offences compared to first offenders? Specifically, what does the increase in sentence entail of and how often does it result in long(er) detention