Web-based Archive of RIVM Publications
Not a member yet
    15852 research outputs found

    Monitoring sexual health in the Netherlands. An exploration of relevant topics and current measurements

    No full text
    De Tweede Kamer pleit voor een brede en positieve benadering van seksuele gezondheid in Nederland. Een onderdeel daarvan is seksuele gezondheid vollediger en structureler in beeld te brengen. Dat betekent dat de focus niet alleen moet liggen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's) en hiv. De benadering van seksuele gezondheid moet ook aansluiten bij maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de aandacht voor grensoverschrijdend gedrag en genderidentiteit. Het RIVM heeft daarom verkend welke onderwerpen van seksuele gezondheid wel en niet al worden gemonitord in Nederland. Uitgangspunt hierbij was de brede definitie van seksuele gezondheid van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Om deze definitie concreter te maken, heeft het RIVM deskundigen gevraagd welke onderwerpen relevant zijn om seksuele gezondheid breed in beeld te brengen. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen onderwerpen op fysiek, emotioneel en sociaal gebied. Over de meeste onderwerpen is informatie beschikbaar in de huidige metingen van seksuele gezondheid in Nederland. Informatie die nog ontbreekt gaat bijvoorbeeld over een gevoel van veiligheid en zekerheid op seksueel gebied, een positief beeld over de eigen seksuele oriëntatie / genderidentiteit en seksueel zelfvertrouwen. Het RIVM beveelt aan om met deskundigen tot een definitieve set van onderwerpen te komen om seksuele gezondheid in Nederland volledig in beeld te hebben en te volgen. Deze deskundigen kunnen aangeven welke metingen we daarvoor moeten gebruiken, hoe vaak en bij wie. Door de deskundigen nu alvast te betrekken, heeft het RIVM een eerste stap gezet naar een breed gedragen set van onderwerpen met metingen van seksuele gezondheid. De huidige informatie over seksuele gezondheid is verspreid over verschillende organisaties en databronnen. Het RIVM beveelt daarom aan de informatie op hoofdpunten op één plek te bundelen in een 'Monitor Seksuele Gezondheid'.The House of Representatives is arguing for a broad and positive approach to sexual health in the Netherlands. One aspect of this is getting a more complete and structural overview of sexual health, which means the focus should not just be on sexually transmitted infections (STIs) and HIV. The approach to sexual health should also align with social developments, such as attention to sexually transgressive behaviour and gender identities. That is why RIVM has taken a look at which sexual health topics are already being monitored in the Netherlands and which are not. The starting point was the definition of sexual health used by the World Health Organization (WHO). To make this definition more concrete, RIVM asked experts which topics are relevant to getting a better overview of sexual health. A distinction was made between topics related to physical, emotional and social aspects. For most of the topics, information is available in the current measurements of sexual health in the Netherlands. The information that is still missing includes, among other things, information about feelings of sexual safety and security, a positive image of one's own sexual orientation/gender identity and sexual self-esteem. RIVM recommends working with experts to draw up a definitive set of topics for gaining a complete overview of and monitoring sexual health in the Netherlands. These experts can indicate which measurements should be used for this, how often and with which target group. By already including the experts at this stage, RIVM has taken a first step towards a set of topics for measuring sexual health that his broadly supported. The current information about sexual health is scattered across multiple organisations and data sources. That is why RIVM recommends collecting the information in broad outline in a single location in a 'Sexual Health Monitor'

    A behavioural scientific analysis of the press conferences during the COVID-19 pandemic

    No full text
    Tijdens de coronacrisis waren persconferenties een belangrijk middel voor de overheid om het publiek te informeren. De overheid kondigde er maatregelen en adviezen over gedrag in aan, zoals afstand nemen, thuiswerken en de sluiting van de scholen. Ook legde ze daarin uit wanneer maatregelen werden afgeschaft. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt welke technieken uit de sociale wetenschappen tijdens persconferenties zijn gebruikt. Daarbij hebben onderzoekers gekeken naar communicatietechnieken die kunnen helpen om draagvlak te creëren voor het coronabeleid en het gewenste gedrag te ondersteunen. Op basis hiervan stelt het RIVM voor om bij een volgende gezondheidscrisis meer te benoemen wanneer en hoe de mening van burgers is meegewogen bij bepaalde beslissingen. Bij de introductie van nieuwe maatregelen, die nieuw of ander gedrag van mensen vragen, is het altijd belangrijk om duidelijk te maken wat mensen moeten doen, waarom en hoe. Dit gebeurde tijdens de persconferenties niet altijd. Verder is het belangrijk om ook voor andere zaken dan gezondheid aandacht te hebben als een crisis invloed heeft op verschillende aspecten van het leven. Denk aan de economie en het maatschappelijk welzijn. Andere communicatietechnieken die kunnen helpen om draagvlak voor beleid te ondersteunen zijn vaak ingezet. Bijvoorbeeld uitleggen met welke informatie een besluit is genomen, of welke dilemma’s er waren. Ook zijn verschillende gedragsveranderingstechnieken ingezet om nieuw gedrag te ondersteunen. Bijvoorbeeld door te benoemen wat de gevolgen zijn als het gedrag wordt uitgevoerd (‘minder besmettingen’), of door steun en waardering uit te spreken voor het naleven van de maatregelen. Het overzicht van helpende communicatietechnieken kan gebruikt worden voor toekomstige persconferenties. De technieken kunnen ook worden ingezet voor andere communicatiemiddelen.During the COVID-19 pandemic, press conferences were an important way for the government to provide information to the public. The government announced measures and issued advice about behaviour, such as social distancing, working from home and the closure of schools. It also used press conferences to let people know when measures had been lifted. RIVM has created an overview of communication techniques derived from behavioural science that were used during press conferences. Researchers looked at the communication techniques that could help create support for coronavirus policies and encourage the desired behaviour. Based on this research, RIVM proposes that – in the event of another health crisis – the government should mention more explicitly when and how the opinions of citizens are taken into consideration in certain decisions. When introducing new measures that require people to behave in a new or different way, it is always important to make clear what people must do, and why and how. This did not always happen during the press conferences. It is also important to consider matters other than health when a crisis impacts different aspects of life, such as the economy and social well-being. Different communication techniques that could help to generate support for policies were already frequently used. Examples included explaining what information was relied on when making a decision, or what the dilemmas were. In addition, various behavioural change techniques were used to promote new behaviour, such as specifying the positive outcomes if the behaviour is adopted (‘fewer infections’) and expressing support and appreciation for people’s compliance with the measures. The overview of helpful communication techniques can be used for future press conferences. The techniques can also be used with other means of communication

    Agricultural practices and water quality at farms registered for derogation in 2022

    No full text
    Sinds 2006 mogen bepaalde agrarische bedrijven in Nederland meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor een vergunning hebben en aan bepaalde voorwaarden voldoen, zoals minimaal 80 procent grasland hebben. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten elk jaar de invloed van de waterkwaliteit bij driehonderd bedrijven die van derogatie gebruikmaken. Op de derogatiebedrijven daalde de concentratie nitraat in het grondwater tussen 2006 en 2017. In de jaren daarna steeg de concentratie, vooral in de Zandregio. Deze stijging komt waarschijnlijk door de droge jaren van 2018 tot en met 2020. Door droogte wordt er minder nitraat in de bodem afgebroken, waardoor de nitraatconcentratie in het grondwater stijgt. Sinds 2021 daalde de nitraatconcentratie weer in alle regio’s en deze daling zet door in 2022, waarschijnlijk door een aantal nattere jaren. In 2023 lag in de meeste regio's de gemiddelde concentratie nitraat in het bovenste grondwater op derogatiebedrijven onder de norm van 50 milligram per liter grondwater. Alleen in het zuiden en midden van de Zandregio was de concentratie nitraat gemiddeld genomen even hoog als de norm. In deze regio had 47 procent van de derogatiebedrijven een concentratie boven de norm. Door veranderingen in het mestbeleid en de bedrijfsvoering gebruiken boeren minder stikstof uit dierlijke mest. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor gemiddeld gedaald, vooral tussen 2006 en 2017. Dit betekent dat er minder stikstof in de bodem overblijft dat als nitraat met regenwater kan wegzakken naar diepere lagen in de bodem, en uiteindelijk in het grondwater terechtkomt. Vanaf 2018 tot 2022 schommelde het stikstofbodemoverschot. In 2022 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 228 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Dat is minder dan de 230 of 250 kilogram stikstof per hectare die, afhankelijk van de bodemsoort en regio, is toegestaan. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). In september 2022 heeft de Europese Commissie besloten de derogatie voor Nederland stapsgewijs af te bouwen. Vanaf 2026 zal Nederland geen derogatie meer hebben.Dutch farms that meet certain conditions, such as a minimum of 80 percent acreage as grassland, may use more animal manure than the general limit prescribed by the European Nitrates Directive. This partial exemption is referred to as ‘derogation’. The Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) and Wageningen Economic Research monitor the water quality on 300 farms in the derogation monitoring network. On derogation farms, the concentration of nitrate in groundwater decreased between 2006 and 2017. In the following years, nitrate concentrations increased, especially in the Sand region. This increase is probably due to the droughts occurring in 2018-2020. Due to drought, less nitrogen is broken down, causing the nitrate concentration in groundwater to rise. Since 2021, the nitrate concentration in all regions has decreased, and this decrease continued in 2022, most likely due to some wetter years. In 2023, average nitrate concentrations in the upper metre of the groundwater were below the EU standard of 50 milligrams per litre for most regions. Only in the south and east of the Sand region was the concentration, on average, equal to the standard. In this region, 47 percent of the derogation farms are above the standard. Changes in legislation and management have resulted in farmers using less nitrogen from animal manure. As a result, the nitrogen surplus on the soil surface balance has decreased, especially between 2006 and 2017. This means that less nitrogen, in the form of nitrate, was available to leach to the lower parts of soil profiles and eventually into the groundwater. From 2018 to 2022, the soil surplus fluctuates. On average, derogation farms have used 228 kilograms of nitrogen from animal manure per hectare in 2022. This is less than the 230 or 250 kilograms of nitrogen per hectare allowed, depending on the soil type and region. The monitoring was commissioned by the Ministry of Agriculture, Nature, and Food Quality. In September 2022, the European Commission decided to phase out the derogation for the Netherlands. From 2026 on, the Netherlands will no longer have a derogation

    Annual report (2023) on enteric, vectorborne and zoonotic infections

    No full text
    Infecties aan maag en darmen, zogeheten enterale infecties, worden veroorzaakt door verschillende bacteriën, parasieten of virussen. Meestal krijgen mensen daarvan maag-darmklachten, zoals overgeven, buikpijn en/of (bloederige) diarree. In sommige gevallen kunnen de klachten ernstig zijn, zoals hepatitis, bloedvergiftiging of hersenvliesontsteking. Mensen raken meestal besmet via voedsel of water dat in contact is gekomen met ontlasting van mensen of dieren. Als de ziekteverwekker via dieren wordt overgedragen, spreken we van zoönosen. Goede hygiëne in toiletten en keukens en bij de bereiding van vlees is heel belangrijk om een besmetting te voorkomen. In 2022 was het aantal mensen met maag-darminfecties veel lager door de coronapandemie, in 2023 was dat effect bijna niet meer te zien. Het aantal infecties was vergelijkbaar met de jaren voor de pandemie. Wel viel in 2023 het hoge aantal infecties op met Shigella, Shiga toxine-producerende E. coli (STEC), norovirus en Cryptosporidium. De stijging van shigellose is vooral te zien onder mannen die seks hebben met mannen (MSM). Voor de andere ziekteverwekkers is geen duidelijke oorzaak bekend. In 2023 is bij verschillende uitbraken onderzocht welke bron de oorzaak was: een uitbraak door de Campylobacter-bacterie, vier uitbraken door de Salmonella-bacterie en één door de STEC-bacterie. Alleen van twee salmonellose-uitbraken is de bron gevonden. Dat waren eieren van leghenbedrijven die besmet waren via besmet voer; en droge worst die niet genoeg was gerijpt. Ook geleedpotigen, zoals muggen en teken, kunnen bacteriën, parasieten en virussen bij zich dragen waar mensen ziek van worden. Hersen(vlies)infecties door het tekenencefalitisvirus zijn in 2023 in drie nieuwe gebieden in Nederland vastgesteld. Tot slot liepen dat jaar een recordaantal reizigers een dengue (knokkelkoorts) infectie op. Deze toename is in de hele wereld te zien. Het RIVM houdt bij hoe vaak dit soort infecties in Nederland voorkomen en brengt uitbraken in kaart. Bij een uitbraak zijn twee of meer mensen besmet door dezelfde bron. Het RIVM probeert dan de bron op te sporen. Bij enterale en voedselgerelateerde infecties werkt het RIVM samen met partners als de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en Wageningen Food Safety Research (WFSR).Gastrointestinal, or enteric, infections are caused by various bacterial, parasitic and viral pathogens. Infected people usually experience gastrointestinal complaints, such as vomiting, abdominal pain and/or diarrhoea (which may be bloody). In some cases, serious complaints may develop, such as hepatitis, blood poisoning or meningitis. People usually become infected through food or water that has come into contact with human or animal faeces. When transmitted via animals, we speak of zoonoses. Good hygiene in toilets and kitchens and when preparing meat is very important to prevent infection. In 2022, the number of people with gastrointestinal infections was much lower due to the coronavirus pandemic, in 2023, this effect was almost no longer visible. The number of infections was comparable to the years before the pandemic. However, a notable factor in 2023 was the high number of infections with Shigella, Shiga toxin-producing E. coli (STEC), the norovirus, Cryptosporidium and leptospirosis. The increase in shigellosis was mainly seen among men who have sex with men (MSM). No clear cause is known for the other pathogens. In 2023, an active outbreak investigation was conducted into an outbreak of campylobacteriosis, four salmonellosis outbreaks and a STEC outbreak. The source of only two salmonellosis outbreaks was found. These were eggs from laying hen farms that had been contaminated via contaminated feed; and dry sausage that had insufficiently matured. Arthropods, such as mosquitoes and ticks, can also carry bacteria, parasites and viruses that make people ill. Tickborne encephalitis infections were diagnosed in three new areas in the Netherlands in 2023. Finally, there were a record number of travellers with a dengue infection in 2023. This increase was seen all over the world. RIVM keeps track of how often these types of infections occur in the Netherlands and maps outbreaks. An outbreak is when two or more people are infected by the same source. RIVM then tries to trace the source. RIVM works with partners such as the Netherlands Food and Consumer Product Safety Authority (NVWA) and Wageningen Food Safety Research (WFSR) in case of enteric and food-related infections

    Health effects of interventions for active mobility: an exploratory literature review

    No full text
    Er bestaat geen twijfel over het positieve effect van lopen en fietsen als vervoerswijze (actieve mobiliteit) op de gezondheid. Mede daarom nemen overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties maatregelen en initiatieven die actieve mobiliteit stimuleren. Denk aan de aanleg van fietspaden en scholieren onder begeleiding laten fietsen. In verschillende internationale wetenschappelijke onderzoeken is het effect van dit soort maatregelen op de gezondheid geëvalueerd. Ook zijn er verschillende literatuurstudies (reviews) verschenen die de resultaten daarvan hebben samengevat. Het gaat om evaluatieonderzoeken van maatregelen voor scholieren, werknemers en de hele bevolking. Het RIVM heeft de resultaten van deze literatuurstudies beschreven. De maatregelen voor werknemers laten vaak positieve gezondheidseffecten zien, zoals lichamelijke fitheid. Er is niet veel evaluatieonderzoek gedaan naar deze effecten bij werknemers, maar de kwaliteit van deze onderzoeken is wel vaak goed. In de evaluatieonderzoeken is niet goed terug te zien welke gezondheidseffecten de maatregelen voor actieve mobiliteit hebben op scholieren en de hele bevolking. Een deel van de onderzoeken laat een positief effect op de gezondheid zien, maar niet alle onderzoeken. Volgens de literatuurstudies kan nog geen duidelijke conclusie worden getrokken over de effecten op de gezondheid. De opzet van de onderzoeken verschilt vaak veel waardoor de resultaten moeilijk met elkaar te vergelijken zijn. Ook is de kwaliteit van de onderzoeken niet altijd goed. De meeste voldoen niet aan de belangrijkste kwaliteitsnormen. Wel is duidelijk dat de maatregelen stimuleren dat mensen meer gaan bewegen. Bij alle doelgroepen richten de onderzoeken zich vaak op effecten als gewicht, bloeddruk en lichamelijke fitheid. Er is weinig evaluatieonderzoek gedaan naar andere effecten op de gezondheid van de maatregelen, zoals ziekteverzuim en arbeidsproductiviteit en effecten op de lange termijn, zoals hart- en vaatziekten. Onderzoek van goede kwaliteit is nodig om de kennis die nu nog ontbreekt, te krijgen. Ook is meer onderzoek nodig naar maatregelen die in Nederland effectief zouden kunnen zijn.There is no doubt about the positive health effects of walking and cycling as modes of transport (active mobility). That is part of the reason why government authorities, companies and community organisations are taking measures and introducing initiatives to stimulate active mobility. Examples include the construction of cycling paths and having pupils cycle under supervision. Various international scientific studies have evaluated the health effects of such measures. Various reviews that summarise the results have been published as well. These reviews include evaluative studies on measures for pupils, workers and the overall population. RIVM has described the results of these reviews. The measures for workers largely show positive health effects, such as physical fitness. Few evaluative studies have been carried out into these effects among workers, but the quality of these studies is often good. The evaluative studies do not clearly show what health effects active mobility measures have for pupils and the overall population. Some of the studies have demonstrated a positive effect on health, but not all of them. According to the reviews, it is therefore not yet possible to draw a clear conclusion on the health effects. These studies often differ widely in their design, making it difficult to compare the results. Furthermore, not all of the studies are of high quality. Most of them do not satisfy the most important quality standards. However, it is clear that the measures do stimulate people to exercise more. Among all target groups, the studies tended to focus on effects such as weight, blood pressure and physical fitness. There have been few evaluative studies into other health effects resulting from the measures, such as absenteeism and labour productivity and long-term effects, such as cardiovascular disease. This will require high-quality research. Research into measures that could be effective in the Netherlands is needed as well

    821

    full texts

    15,852

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    Web-based Archive of RIVM Publications
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇