3685 research outputs found
Sort by
Van eigenwijs naar samen wijs: hoe praktische wijsheid leraren wél kan helpen het goede te doen.
Slotcouplet: Een zorgethische studie naar de geleefde ervaring van artsen ten aanzien van gespreksvoering met patiënten en hun naasten over de laatste levensfase en het levenseinde
In het huidige maatschappelijke en wetenschappelijke debat is sprake van tegenstrijdig gedachtengoed ten aanzien van de juiste houding van artsen jegens patiënten, specifiek in het kader van het leveren van zorg aan hen die gaan sterven. Als antwoord hierop wordt in de literatuur besproken dat een arts voor het leveren van goede zorg zowel de rol van gedistantieerde medisch deskundige alsook de rol van betrokken empathische communicator moet kunnen aannemen. Hiertussen dient een arts flexibel te balanceren door kundig om te gaan met eigen emoties alsook die van de patiënt/naasten (emotionele intelligentie). De rationale van dit onderzoek was om inzicht te bieden in hoe artsen deze verschillende rollen van gedistantieerde en betrokken zorgverlener ervaren, evenals hoe zij de omgang met hun eigen emoties en die van een ander ervaren. Dit is onderzocht binnen het grotere kader van de geleefde ervaring van artsen ten aanzien van gespreksvoering over de laatste levensfase en het levenseinde, aan de hand van acht interviews met artsen die deels middels fenomenologische data-analyse en deels middels kwalitatieve thematische data-analyse geanalyseerd zijn.
Uit de bevindingen blijkt dat de geleefde ervaring van de participanten wordt gekenmerkt door het ‘gevoel van onderdeel te mogen zijn van een intiem proces tussen mensen dat zich kenmerkt door de confrontatie met kwetsbaarheid, waarbij bij het vormgeven van het zorg- en sterfproces ook gevoelens van onmacht en onzekerheid kunnen opspelen, evenals een strijd van meerstemmigheid.’ In het kader van goede zorg, bespreekt dit onderzoek dat deze meerstemmigheid inherent is aan het leveren van zorg waarbij zorgverlener en zorgontvanger(s) samen vorm geven aan een zorgproces. Daarnaast beschrijft dit onderzoek hoe ruimte bij het vormgeven van het zorgproces op verschillende manieren een essentiële rol lijkt te spelen, in het bijzonder voor de manier waarop de participanten emoties en de dynamiek tussen betrokkenheid en distantie ervaren. Hierbij lijkt ruimte voor emoties nauw verbonden te zijn met de acceptatie van zorgontvangers van de naderende dood: acceptatie creëert ruimte voor emotie en versterkt de betrokkenheid van de participant; het niet accepteren beperkt de ruimte en versterkt distantie. Daarnaast is de ruimte voor emoties verbonden met identificatie van de participant met de zorgontvangers: identificatie creëert ruimte voor emotie en confrontatie met kwetsbaarheid; het niet identificeren met ‘de ander’ beperkt deze ruimte en versterkt distantie. Voor het leveren van goede zorg in de laatste levensfase betekent dit dat zorgverleners bewust moeten omgaan met deze barrières die de ruimte voor emotie in het zorgproces inperken zodat het vormen van een emotionele band tussen zorgverlener en zorgontvanger, die juist voor goede zorg in de laatste levensfase zo belangrijk is, niet wordt belet
Social workers in a modernising welfare state: professionals or street-level bureaucrats?
De kunst van het accepteren: innerlijke ruimte in het omgaan met chronische pijn.
Het existentiële en maatschappelijke spanningsveld rondom acceptatie van chronische pijnklachten vormt de aanleiding van dit afstudeeronderzoek: pijn accepteren die per definitie niet te accepteren valt, in een samenleving met weinig ruimte voor kwetsbaarheid. Vanuit een zorgethisch perspectief ontstond de behoefte aan andere invalshoeken op dit spanningsveld en acceptatie te plaatsen in de context van de samenleving. De volgende onderzoeksvraag is geformuleerd: Welke discursieve structuren beïnvloeden chronische pijnpatiënten in het accepteren van hun klachten en het ervaren van innerlijke ruimte en wat kunnen deze inzichten bijdragen aan (het denken over) goede zorg vanuit een zorgethisch perspectief?
In het theoretisch-conceptuele onderzoek zijn beschouwingen ten aanzien van pijn en acceptatie onderzocht. Het zorgethische perspectief benadrukte onder andere de existentiële aard van chronische pijn en het belang van zinervaring. Met vier chronische pijnpatiënten zijn vervolgens narratieve interviews gevoerd, die zijn geanalyseerd middels discoursanalyse en binnen het Ars Moriendi model.
‘Acceptatie’ blijkt onderhevig aan discursieve structuren en wordt soms functioneel ingevuld. Het denken van chronische pijnpatiënten over ‘acceptatie’ ontwikkelt zich binnen de leefwereld en wordt sociaal en cultureel geconstrueerd. Daarentegen biedt ‘innerlijke ruimte’ een verruimd perspectief en doet meer recht aan de complexiteit van chronische pijn. ‘Innerlijke ruimte’ geeft woorden aan de existentiële spanningsvelden ‘houvast en onzekerheid’ en de zoektocht naar betekenisgeving aan pijn en lijden. Daarnaast wordt zichtbaar dat het transformatieve karakter van chronische pijn vraagt om verschillende verhoudingen tot het lichaam om maatschappelijk te kunnen meedoen.
De inzichten stimuleren de reflectie over goede zorg bij chronische pijnpatiënten. Het blijkt belangrijk om vanuit de zorgpraktijk ruimte te geven aan kwetsbaarheid en de mogelijkheden om maatschappelijk te kunnen meedoen. Vanuit een zorgethisch perspectief helpt ‘innerlijke ruimte’ om verscholen stemmen in het spanningsveld rondom chronische pijn bloot te leggen. Het Ars Moriendi voor chronische pijn is vernieuwend maar vraagt om meer empirisch en conceptueel onderzoek. Daarbij lijkt het belangrijk om voortdurend een vertaalslag te maken naar de zorgpraktijk, en te onderzoeken hoe het Ars Moriendi en bestaande behandeltheorieën elkaar kunnen aanvullen en versterken
Hart voor de psychiatrie . Onderzoek naar drijfveren van verpleegkundigen in de acute psychiatrie
De zorgsector in Nederland lijdt al jaren onder personeelstekort. Dit geldt tevens voor de verpleegkundigen van de intensive care van Altrecht. De verpleegkundigen die nog werkzaam zijn op de intensive care zetten zich elke dag weer in voor hun patiënten, ondanks het personeelstekort. Dit persoonlijke concern was de aanleiding om in het kader van de master zorgethiek en beleid een zorgethisch onderzoek uit te voeren naar de drijfveren van de verpleegkundigen om op deze afdeling te werken en welke machtsstructuren de drijfveren beïnvloeden. Het conceptueel onderzoek biedt inzichten voor het denken over machtsstructuren in zorgpraktijken. Het empirisch onderzoek laat zien dat de drijfveren van de verpleegkundigen door verschillende machtsstructuren worden beïnvloedt. Door middel van een institutioneel etnografisch onderzoeksmethode verschillende machtsstructuren zichtbaar. Door de dialectische verbinding tussen de conceptuele en empirische bevindingen werd inzicht verkregen in de meerwaarde van dit onderzoek voor het denken over machtsstructuren in zorgpraktijken vanuit zorgethisch perspectief. Deze inzichten laten zien dat op verschillende niveaus verandering nodig is om de drijfveren om te zorgen van verpleegkundigen te behouden
Voorbij niet schaden. De zorgzame onderzoeker
Kwalitatief zorgethische onderzoek doen naar vluchtelingen en asielzoekers wordt overstelpt met culturele, methodologische en ethische uitdagingen. Hoewel de basisprincipes van onderzoeksethiek getuigen van een zekere morele verantwoordelijkheid van onderzoekers, blijken deze principes te ‘smal’ en reductionistisch te zijn en niet te passen bij doelgroepen die afwijken van de westerse cultuur en andere filosofieën en waarden hebben. De theorie van filosofe Margaret Urban Walker laat zien dat perspectieven op morele verantwoordelijkheid kunnen verschillen omdat mensen vanuit verschillende posities andere morele achtergronden hebben. Om recht te doen aan andere morele dimensies binnen kwalitatief onderzoek, waar zorgethische onderzoekers (of alle onderzoekers) ongetwijfeld mee te maken krijgen, dient er binnen onderzoeksethiek verder gekeken te worden dan de gevestigde morele principes binnen kwalitatief wetenschappelijk onderzoek. Wil de zorgethische onderzoeker morele verantwoordelijkheid op zich nemen en niet alleen recht doen aan divergerende morele opvattingen, zoals Walker poneert, maar ook andere epistemologische en ontologische achtergronden, dient hij of zij op reflexieve wijze zijn interpretatieve middelen opnieuw vorm te geven. Een standpunt waar Walker zich slechts spaarzaam over uit laat, zal tot in het extreme doorgetrokken worden met behulp van een antropologische stroming genaamd ‘the ontological turn’. Dit ontologisch pluralistische standpunt vraagt van de zorgethische onderzoeker stil te staan bij niet alleen zijn culturele of conceptuele vooronderstellingen, maar zijn meest basale inferenties van de werkelijkheid
Kundig en Kwetsbaar. Een zorgethische studie naar de geleefde ervaring van kinderverpleegkundigen ten aanzien van second victimhood.
In Nederland is nog te weinig aandacht voor hulp aan verpleegkundigen bij het omgaan met incidenten. Zorgverleners zijn vatbaar voor fouten en kwetsbaar voor de gevolgen, die als traumatiserend ervaren kunnen worden.
In de literatuur is weinig geschreven over de geleefde ervaring van specifiek kinderverpleegkundigen ten aanzien van second victimhood en tevens ontbreekt hiervoor voldoende inzicht en empirisch bewijs. Doel van dit onderzoek is inzicht krijgen in de ervaringen van kinderverpleegkundigen ten aanzien van second victimhood. Dit inzicht kan worden ingezet voor het verbeteren van zorg voor kinderverpleegkundigen in deze context.
In het theoretische kader is eerst verkend welke inzichten de verpleegkundige en zorgethische literatuur biedt ten aanzien van second victimhood bij kinderverpleegkundigen met betrekking tot de concepten ‘verantwoordelijkheid’, ‘relationaliteit’ en ‘kwetsbaarheid’. Hierbij is gebruik gemaakt van sensitizing concepts.
Om inzicht te krijgen in de geleefde ervaring van kinderverpleegkundigen ten aanzien van second victimhood, zijn drie kinderverpleegkundigen geïnterviewd. De verkregen data is geanalyseerd volgens de Interpretative Phenomenological Analysis (IPA).
Na het empirisch onderzoek zijn de theoretische en conceptuele inzichten uit de literatuurstudie doordacht met de resultaten van het empirisch onderzoek. Dit is gedaan om te onderzoeken hoe deze inzichten vanuit zorgethisch perspectief, kunnen bijdragen aan goede zorg voor kinderverpleegkundigen in Nederland bij second victimhood.
Concluderend kan worden gesteld, dat de geleefde ervaring van kinderverpleegkundigen ten aanzien van second victimhood is, dat het een grote impact heeft op persoonlijk en professioneel vlak. Het risico om betrokken te raken bij een incident ligt voor kinderverpleegkundigen voortdurend op de loer. Na een incident proberen kinderverpleegkundigen houvast te vinden in het geloof in zichzelf als goede kinderverpleegkundige.
De zorgverlener is niet alleen verbonden met verschillende relaties, maar deze zijn onderdeel van de identiteit van de zorgverlener. De zorgverlener is kwetsbaar en afhankelijk van deze relaties, bijvoorbeeld voor een vervullend beroepsleven en sociale steun.
Voor goede zorg voor kinderverpleegkundigen na het maken van een medische fout, is het van essentieel belang hier binnen een verpleegkundig team, de zorginstelling en op sociaal-politiek niveau een goed beleid op te maken om deze afhankelijkheidsrelaties te ondersteunen.
Tijdens het onderzoek is een logboek bijgehouden en peer debriefing gedaan met als doel de analyse en interpretatie zo objectief mogelijk te houden