3685 research outputs found
Sort by
Meaning in life of older adults in daily care: A qualitative analysis of participant observations of home nursing visits.
Morele stress. Een empirisch onderzoek naar de ervaring van morele dilemma’s bij docenten in het voortgezet onderwijs.
Doceren kan beschouwd worden als een fundamenteel morele activiteit. Levinson bespreekt dat docenten de plicht hebben om rechtvaardig te handelen, terwijl ze hier in sommige situaties onmogelijk naar kunnen handelen. Dit betekent, onder andere, dat docenten in de dagelijkse praktijk in aanraking komen met morele dilemma’s: situaties waarin men het ‘goede’ wil doen maar het gevoel heeft dat er geen ‘goede’ handeling is of dat men moet kiezen voor de ‘minst slechte’ handeling. Eerder onderwijs-filosofisch en empirisch onderzoek bood, onder andere, inzicht in de typen morele dilemma’s die docenten elders ervaren. Maar met wat voor morele dilemma’s docenten in Nederland te maken krijgen is nog niet eerder onderzocht. Voortbouwend op conceptueel en empirisch onderzoek naar morele stress bij veteranen, verpleegkundigen en docenten, wordt in deze scriptie middels een kwalitatief exploratieve studie onderzocht: a) met wat voor morele dilemma’s docenten in relatie tot leerlingen te maken krijgen; b) of dit bij de docenten tot morele stress leidt, en zo ja; c) wat kenmerkend is aan de morele stress van docenten en hoe ze erbij stilstaan. In totaal zijn er tien docenten geïnterviewd, afkomstig van scholen in verschillende regio’s. Thematische analyse van de data maakt inzichtelijk dat de geïnterviewde docenten in relatie tot leerlingen voornamelijk te maken krijgen met dilemma’s met betrekking tot de zorg voor zichzelf, het willen zorgen voor de leerlingen, het aandacht willen besteden aan de sociale behoefte van anderen en de schoolregels en onderwijsstandaarden die in de school gelden. Morele stress komt vooral voor bij de docenten die aangeven dat er sprake is van een innerlijke strijd of een gebrek aan ondersteuning van leidinggevenden of collega’s. Ook lijkt de taakopvatting van de docent een rol te spelen. De morele stress wordt gekenmerkt door vier typen impact. De meeste docenten ervaren een emotioneel-psychische impact. Kenmerkend hieraan zijn gevoelens van verlies van (zelf)vertrouwen, gevoelens van machteloosheid/tekortschieten en angstgevoelens. Daarnaast ervaren verschillende docenten ook een gedragsmatige impact, zoals het vertonen van vermijdingsgedrag. Verder ervaren enkele docenten een impact op het werkzame leven, waaronder een verlies van werkplezier en werkgerelateerde idealen. Enkele docenten gaven tevens aan een verlies van zekerheid, passie en zingeving te ervaren. Docenten die met anderen praatten over de impact van morele stress of hier individueel op reflecteerden, bleken dit als waardevol te beschouwen. De verworven inzichten, in de typen morele dilemma’s die docenten in Nederland ervaren, alsmede wat gerelateerde stress kenmerkt, kunnen gebruikt worden bij de ontwikkeling van professionaliseringsstrategieën en de humanisering van het onderwijs
Ik vraag je niet om blind te vertrouwen, ik vraag je te vertrouwen met je ogen open. Masterthesis over de rol van geestelijk verzorgers bij meaning making processen van patiënten die geconfronteerd worden met een levensbedreigende ziekte.
Dit empirische, verkennende onderzoek geeft inzicht in de zingevingsprocessen die op gang komen tijdens de gesprekken tussen geestelijk verzorgers en patiënten die met hun eigen sterfelijkheid geconfronteerd worden. De aanleiding voor dit onderzoek is een gebrek aan onderzoek naar de werkwijze van geestelijk verzorgers. In deze thesis wordt aandacht geschonken aan het werk van geestelijk verzorgers in ziekenhuizen bij mensen met een levensbedreigende ziekte. In het bijzonder in de manier waarop geestelijk verzorgers patiënten begeleiden bij meaning making processen. Voor dit onderzoek zijn participerende observaties uitgevoerd en diepte-interviews.
Wat vernieuwend is aan dit onderzoek, is dat de global meaning uit de theorie van Park (2010) is gecombineerd met de het zingevingskader van Mooren (1998) en is aangevuld met de theorie van Littooij (2016).
De theorie van Park (2010) gaat over het meaning making proces dat op gang komt na een life event: een levensontwrichtende gebeurtenis.
Opvallend is dat de thema’s in de gesprekken, zoals angst voor de dood of leven met beperkingen het de gesprekken snel op het zingevingsniveau en op het niveau van de zinervaring brengen. Dit doet de geestelijk verzorger door ruimte te maken voor deze thema’s, door te luisteren en soms te sturen. Ook wordt duidelijk dat patiënten een discrepantie tussen betekenisverleningen ervaren. Uit mijn resultaten blijkt dat de geestelijk verzorgers vier manieren hebben om hiermee om te gaan en de patiënten te begeleiden in dit meaning making proces. Deze manieren zijn het bevestigen van de global meaning, het actualiseren van de global meaning, het veranderen van de global- of situational meaning en het begeleiden tussen de verschillende fases van het meaning making proces
Zingeving als oriëntatieproces. Een empirisch onderzoek naar verschuivingen in oriëntatie op het ‘goede’ door behandeling van personen met een persoonlijkheidsstoornis.
Volgens Charles Taylor (1989) is de oriëntatie in de morele ruimte de meest kenmerkende eigenschap van het menselijk bestaan. De oriëntatie op het ‘goede’ bepaalt hoe we ons levensverhaal vormgeven. Levensverhalen zijn een articulatie van waardeoordelen en overtuigingen over dat wat het leven zin en inhoud geeft. Voor personen met een persoonlijkheidsstoornis kan zingeving een complex en kwetsbaar thema vormen. Het doel is te onderzoeken in hoeverre en hoe personen met de diagnose persoonlijkheidsstoornis zich oriënteren op visies van het ‘goede’ voor en na psychotherapeutische behandeling. De respondenten schrijven tweemaal hun levensverhaal op, voor én na de behandeling (r=19). De verhalen zijn onderzocht volgens de holistische contentanalyse (Lieblich, 1991). De bevindingen laten zien dat de oriëntatie op het ‘goede’ in het tweede verhaal op verschillende manieren is verschoven. Op sommige thema’s neemt de oriëntatie op het ‘goede’ toe, op andere thema’s komt het gebrek aan het ‘goede’ meer naar voren. Sommige bronnen van zinvol leven worden in het tweede verhaal niet meer genoemd. Tevens wordt het gebrek aan zinvol leven sterker beschreven. De verschuivingen lijken goed te passen bij therapeutische doelstellingen: kwetsbaarheid, reflectie en verbondenheid met anderen. Dat sommige gebreken aan het ‘goede’ meer worden beschreven kan voortkomen uit de bekwaamheid die de respondenten ontwikkelen in reflecteren. Ze leren beter zien wanneer het ‘goede’ niet lukt. Het wegvallen van bepaalde bronnen van zinvol leven en toename van beschrijvingen schuld en schaamte zijn opmerkelijk. Dit biedt eventueel mogelijkheden voor verbetering van de geestelijke gezondheidszorg door het bieden van meer aandacht op deze thema’s in vormen van existentiële begeleiding. Hier schuilt een mogelijke complementaire rol van de geestelijke verzorger in de behandeling
In rouw gevangen. Een sociaal-constructivistisch perspectief op rouw in detentie.
In dit onderzoek is vanuit sociaal-constructivistisch perspectief onderzocht wat het betekent om te rouwen binnen de Nederlandse detentie. Centraal staat de rol van rituelen in het rouwproces van gedetineerden. Uit de twaalf diepte-interviews blijkt dat ritualiteit het specifieke betekenisproces van gedetineerden ook binnen detentie kan faciliteren. Rituelen maken a) het overlijden tastbaar, faciliteren b) een afscheid waardoor er (opnieuw) verbinding wordt ervaren met de sociale omgeving, kanaliseren c) de complexiteit aan (schuld-) gevoelens die rouw in detentie teweegbrengt, en stellen d) gedetineerden in staat betekenis te geven aan de (blijvende) band met de overledene. Tegelijkertijd is toestemming tot deelname aan (publieke) rouwrituelen uitzonderlijk. Wanneer de uitsluiting van publieke rouwrituelen gepaard gaat met de ervaring niet erkend of niet gelegitimeerd te worden in het verlies, dan stagneert het rouwproces en vergroot de afstand tussen gedetineerde en samenleving. De conclusie van het onderzoek is dan ook aanleiding voor reflectie op het justitiële beleid omtrent rouw, om de menswaardigheid en zingeving van gedetineerden te waarborgen
Veranderingen in het verzorgend beroep . Zorgethisch onderzoek naar de geleefde ervaringen rondom het veranderende beroep van verzorgenden in de ouderenzorg.
Inleiding: De afgelopen 10 tot 15 jaar is er veel veranderd in de (ouderen)zorg en deze veranderingen zijn ook van invloed op het verzorgend beroep. Hoewel er in de literatur aandacht is voor de vraag of verzorgenden zich capabel voelen voor de nieuwe taken die ze krijgen toebedeeld, is er tot nu toe weinig aandacht voor de vraag hoe verzorgenden deze veranderingen ervaren en wat dit betekent voor goede zorg.
Hoofdvraag: Of en hoe hebben verzorgenden veranderingen ervaren in hun beroepspraktijk door veranderingen in de maatschappelijke en politieke context, met specifieke aandacht voor de relatie tussen de verzorgende en de zorgontvanger? En wat betekent dit voor goede zorg?
Methode: Er is exploratief, zorgethisch onderzoek uitgevoerd waarbij gebruik gemaakt is van een theoretische verkenning en een narratieve analyse. Het theoretische concept dat centraal staat in dit onderzoek is relationaliteit. De empirische data zijn verzameld door middel van het schaduwen en interviewen van verzorgenden die minstens 10 jaar werkervaring hebben en werkzaam zijn in de ouderenzorg en door het houden van een focusgroep met verzorgenden met dezelfde criteria.
Bevindingen & conclusie: Veranderingen worden per individu verschillend ervaren. Door iedereen wordt een sterke toename in werkdruk en administratielast ervaren. Deze toegenome werkdruk gaat gepaard met strakke tijdsschema’s indicatiestellingen. Er is steeds minder ruimte en tijd om om te gaan met het ongewisse aspect van zorg. Verzorgenden lijken vooral voor dit aspect van verzorgen ruimte te creëren door (nog) harder te werken en soms dingen in hun eigen tijd te doen. Hierdoor vormen zij een onzichtbare buffer tussen de institutionele/politieke context en de zorgontvanger. Dit is zorgethisch problematisch, omdat hierdoor de negatieve uitwerking van veranderingen in de inrichting van het zorgproces in de prakijk verhuld blijven en omdat het geen duurzame manier is voor verzorgenden om hun werk te doen terwijl zorgverleners zelf waardevolle en kwetsbare mensen zijn.
Verzorgenden blijken ook een veel bredere verantwoordelijkheid te hebben gekregen. Dit duidt erop dat de zorg (op een aantal vlakken) holistischer is geworden. De vraag die in dit onderzoek wordt opgeworpen is echter of verzorgenden ook voldoende in staat gesteld worden om de voordelen hiervan te cultiveren. Daarnaast blijkt ook dat verzorgenden door de veranderingen soms juist een spagaat ervaren tussen hun eigen (holistische) zorgbeeld en de gefragementeerde indicatiestelling.
Tot slot kwam in dit onderzoek naar voren dat een deel van de verzorgenden een (groot) verschil ervaart tussen de jonge en de oudere generatie verzorgenden. Dit verschil, dat meerdere oorzaken zou kunnen hebben, wijst erop dat de beroepsgroep van verzorgenden niet als een homogene groep gezien kan worden. Het zou goed zijn als hier meer inzicht in verkregen wordt, om zo beter recht te doen aan de beroepsgroep
The care-receivers perspective: how care dependent people struggle with accepting help from family-members, friends and neighbours.
In many countries in north‐western Europe, the welfare state is changing, and governments expect a great deal of informal care. In the Netherlands, citizens are also increasingly expected to rely on informal instead of professional care. In this study, we aim to determine to what extent Dutch care‐dependent people want to rely on social network members and what reasons they raise for accepting or refusing informal care. To answer this question, we observed 65 so‐called ‘kitchen table talks’, in which social workers assess citizens’ care needs and examine to what extent relatives, friends and/or neighbours can provide help and care. We also interviewed 50 professionals and 30 people in need of care. Our findings show that a great deal of informal care is already given (in 46 out of 65 cases), especially between people who have a close emotional bond. For this reason, people in need of care often find it difficult to ask their family members, friends or neighbours for extra assistance. People are afraid to overburden their family members, friends or neighbours. Another reason people in need of care raise against informal care is that they feel ashamed of becoming dependent. Although the government wants to change the meaning of autonomy by emphasising that people are autonomous when they rely on social network members, people who grew up in the heyday of the welfare state feel embarrassed and ashamed when they are not able to reciprocate. Our findings imply that policymakers and social professionals need to reconsider the idea that resources of informal care are inexhaustible and that citizens can look after each other much more than they already do. It is important that social policymakers approach the codes and norms underlying social relations more cautiously because pressure on these relations can have negative effects