Bulletin KNOB
Not a member yet
    783 research outputs found

    Voorwoord

    Full text link
    to the theme issue 'Binnenhof'bij het themanummer 'Binnenhof

    “Als het maar tot iets leidt…”: Mr. Dr. J.C. Overvoorde (1865-1930): Strijder voor erfgoed en feminisme

    Full text link
    Review of a book written by Paul P.J OvervoordeBespreking van een boek van Paul P.J Overvoord

    Goede muren maken goede buren: Verbouwingen en buurtleven in Brugge 1500-1800

    Full text link
    Review of a book written by Heidi Denweth    Bespreking van een boek van Heidi Denwet

    Eduard Cuypers, architect met een eigen koers

    Full text link
    Review of a book written by Constant van NispenBespreking van een boek van Constant van Nispe

    Grootschalig bouwen in een historische context: De lange weg naar nieuwbouw voor de Tweede Kamer

    Full text link
    The new, enlarged premises for the Tweede Kamer (Lower House) took shape between 1970 and 1992. The key issue was how to integrate this huge complex with the historic Binnenhof. This article describes the design process, the underlying ideas, and the outcome. In 1975 an open architectural competition was organized for the building’s design. The task was to house the Tweede Kamer in accordance with a detailed brief and to insert the resulting complex with utmost sensitivity into the Binnenhof heritage site. The jury concluded that none of the submitted designs met these requirements. OMA’s design did, however, spark debate. It broke open the buildings around the Binnenhof and placed the new-build next to the thirteenth-century Ridderzaal (Knights’ Hall). The sheer radicality of the intervention appalled the jury. In the wake of the failed competition, three architects were invited to submit designs. Once again, the designs were deemed unsatisfactory, and the parameters were revised. The panel of judges felt Pi de Bruijn had best understood the nature of the task. In 1980 he was appointed architect. Crucial to the eventual outcome was a recommendation from the Rijksdienst voor de Monumentenzorg (Government Department for the Preservation of Historic Buildings) to the effect that the urban design structure should be meticulously preserved. The newbuild shouldonly be visible on Het Plein and on the Hofplaats-Lange Poten corner. A major consideration was how to conjure a coherent parliament building out of the mix of old and new. De Bruijn strove for clarity and legibility. He conceived the new section as both a central hall in the Tweede Kamer and a public passagewayin the city: a public route as an expression of the transparency and proximity of the parliament vis-á-vis citizens. Architecturally he aimed for an impression of calm and a clearly laid-out hall that would radiate unity and coherence. In the materialization this was achieved through the use of granite for the floors and the internal and external elevations. Even before the opening, the Chairman of the Parliament had decided against making the building publicly accessible; the central hall became part of the interior. The ambition to make the Tweede Kamer open and accessible came to naught and from the outside the complex looked like an impenetrable fortress. The question of what constituted a dignified centre of government and what architectural expression that entailed was never posed. Instead, the focus was on functionality, integration with the heritage context, connecting old and new, rendering the business of politics visible and striving for simplicity and calm. This manifested as a taut new-build volume slotted in between the existing buildings. Against the simplicity of the grand gesture, there is the disorderly connection with which the new building lands on the anything but simple and unambiguous converse of the surrounding historical buildings.Tussen 1970 en 1992 kreeg de nieuwbouw van de Tweede Kamer gestalte. Daarbij was de vraag hoe dit grote complex zich in het historische Binnenhof moest voegen. Dit artikel beschrijft het ontwerpproces, de achterliggende ideeën en het resultaat. Voor de nieuwbouw werd in 1975 een architectenprijsvraag uitgeschreven. De opgave was de Tweede Kamer te huisvesten volgens een gedetailleerd programma van eisen en het complex zorgvuldig in te passen in het beschermde stadsgezicht van het Binnenhof. Volgens de jury voldeed geen enkele inzending hieraan. Het ontwerp van OMA leidde tot discussie. Het brak de bebouwing rondom het Binnenhof open en plaatste de nieuwbouw naast de Ridderzaal. De radicaliteit van de ingreep stuitte de jury tegen de borst. Na de mislukte prijsvraag werden drie architecten uitgenodigd voor een meervoudige opdracht. Andermaal voldeden de ontwerpen niet en de randvoorwaarden werden bijgesteld. Architect Pi de Bruijn voelde volgens de beoordelingscommissie de opgave het beste aan. Hij werd in 1980 aangesteld als architect. Bepalend voor het vervolg was een advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, waarmee de stedenbouwkundige structuur nauwkeurig werd bewaard. Nieuwbouw kon zich alleen tonen aan het Plein en op hoek Hofplaats-Lange Poten. Een belangrijke vraag was hoe uit de mix van oude en nieuwe gebouwen een helder parlementsgebouw kon ontstaan. De Bruijn streefde naar helderheid en afleesbaarheid. Hij zag de nieuwbouw als centrale hal van de Tweede Kamer en publieke passage in de stad; een openbare route als uiting van de transparantie en nabijheid van het parlement voor de burgers. Architectonisch zocht hij naar een rustig beeld en een overzichtelijke hal, die eenheid en samenhang zouden uitstralen. In de materialisatie werd dit bereikt door een uitvoering van vloeren en binnen- en buitengevels in graniet. Nog voor de opening besloot de Kamervoorzitter het gebouw niet openbaar toegankelijk te maken; de centrale hal werd een deel van het interieur. De ambitie om de Tweede Kamer open en toegankelijk te maken mislukte en het complex manifesteert zich naar buiten als een gesloten vesting. De vraag wat een waardig regeringscentrum is en welke architectonische uitdrukking daarbij hoort werd nooit gesteld. In plaats daarvan ging het om functionaliteit, inpassing in het stadsgezicht, het verbinden van oud en nieuw, het zichtbaar maken van het politieke bedrijf en het streven van eenvoud en rust. Dit vertaalde zich in een strak nieuwbouwvolume dat tussen de bestaande gebouwen is geschoven. Tegenover de eenvoud van het grote gebaar, staat de wanordelijke aansluiting waarmee de nieuwbouw landt op de allesbehalve eenvoudige en eenduidige contramal van de omringende historische gebouwen.

    ‘Batavische constantie’: De verdediging van Amsterdam in het Rampjaar 1672

    Full text link
    Based on archival research, this article describes the actions taken by the city government to put Amsterdam into a state of defence during 1672, the so-called Disaster Year. Particular attention is paid to the spatial consequences of these measures. In the spring of 1672, the Dutch Republic was attacked by an alliance between France, England, Cologne and Münster. The French army’s advance was eventually halted on the border of the province of Holland by dint of flooding the polders. In 1673, the tide of the war turned in the Republic’s favour, and hostilities ceased in 1674. In 1659, Amsterdam had embarked on a series of major urban expansion works between the Leidsegracht canal and the IJ inlet. On 10 June 1672, all city works were halted except those on the fortifications. Priority was given to the restoration of the city wall, which had been weakened by subsidence. Outside the wall, a free field of fire was created, and measures were taken to defend the unfortified IJ shore. The city militia was also reorganized. From June 1672, a semi-circle of low-lying polders around Amsterdam were flooded by opening sluices and breaching dykes. This was done step by step, in a form of dynamic water management that was constantly adapted to the changing circumstances in order to maximize the defensive potential and to  minimize the damage. Waterways were blocked off and defended by armed ships. Six fortifications were built on the higher access roads in the immediate vicinity of the city, often close to one of the inundation openings. These were permanently manned. The city government also arranged for the construction of outposts further away, such as in Uithoorn, which were crucial to maintaining the flooding operations. With the river Vecht acting as the first line of defence – the ‘outer wall’ of Amsterdam as it were – Muiden, Weesp, the Hinderdam and Nieuwersluis were also reinforced with fortifications. After the recapture of Naarden in 1673, the first steps were taken to return to normality and in 1674-1675 all temporary fortifications were demolished. All defensive structures disappeared from the landscape around Amsterdam. From this point of view, the spatial consequences seem to have been short-lived. However, the 1672 defence concept served as a model for all later defence lines around Amsterdam, the last one being the Stelling van Amsterdam, or Amsterdam Defence Line, in which the capital city functioned as a ‘national redoubt’. In this respect the spatial consequences of the Disaster Year cannot be underestimated.Based on archival research, this article describes the actions taken by the city government to put Amsterdam into a state of defence during 1672, the so-called Disaster Year. Particular attention is paid to the spatial consequences of these measures. In the spring of 1672, the Dutch Republic was attacked by an alliance between France, England, Cologne and Münster. The French army’s advance was eventually halted on the border of the province of Holland by dint of flooding the polders. In 1673, the tide of the war turned in the Republic’s favour, and hostilities ceased in 1674. In 1659, Amsterdam had embarked on a series of major urban expansion works between the Leidsegracht canal and the IJ inlet. On 10 June 1672, all city works were halted except those on the fortifications. Priority was given to the restoration of the city wall, which had been weakened by subsidence. Outside the wall, a free field of fire was created, and measures were taken to defend the unfortified IJ shore. The city militia was also reorganized. From June 1672, a semi-circle of low-lying polders around Amsterdam were flooded by opening sluices and breaching dykes. This was done step by step, in a form of dynamic water management that was constantly adapted to the changing circumstances in order to maximize the defensive potential and to  minimize the damage. Waterways were blocked off and defended by armed ships. Six fortifications were built on the higher access roads in the immediate vicinity of the city, often close to one of the inundation openings. These were permanently manned. The city government also arranged for the construction of outposts further away, such as in Uithoorn, which were crucial to maintaining the flooding operations. With the river Vecht acting as the first line of defence – the ‘outer wall’ of Amsterdam as it were – Muiden, Weesp, the Hinderdam and Nieuwersluis were also reinforced with fortifications. After the recapture of Naarden in 1673, the first steps were taken to return to normality and in 1674-1675 all temporary fortifications were demolished. All defensive structures disappeared from the landscape around Amsterdam. From this point of view, the spatial consequences seem to have been short-lived. However, the 1672 defence concept served as a model for all later defence lines around Amsterdam, the last one being the Stelling van Amsterdam, or Amsterdam Defence Line, in which the capital city functioned as a ‘national redoubt’. In this respect the spatial consequences of the Disaster Year cannot be underestimated

    Eigentijds maar niet modern: De architectuur van Arnold Ingwersen

    Full text link
    The Amsterdam architect Arnold Ingwersen (1882-1959) left behind a substantial body of work, yet it is still largely undocumented and has left very few traces in Dutch architectural history. One reason for this was Ingwersen's lack of affinity with the architectural world of his day; in the 1920s and 1930s he did not belong to any of the movements now regarded as of historical importance. His orthodox Protestant views were incompatible with those of his modernist confreres. As an introduction to the work of Arnold Ingwersen, this article first sketches his background: his Protestant youth and his long apprenticeship in the profession of architect. This is followed by a brief account of his architectural oeuvre, which is characterized by a craftsmanlike and sober style that, combined with a certain purism, was contemporary but not modernist. Compositions of brick volumes with alternating horizontal and vertical elements were accentuated by means of different roof forms and a rhythmic disposition of windows, bays and dormers, supplemented by recurring archetypical motifs like arches, chimneys and pointed gables. A meticulous detailing of ‘pure’ forms was also typical of his work. Ingwersen’s commissions emanated from his own Protestant community. Initially, the Patrimonium housing association provided the bulk of those commissions, but later on other contacts within the  Protestant network and organizations became his main clients. Public housing projects in Amsterdam – in collaboration with Tjeerd Kuipers – constitute an important component of his oeuvre. In the mid-1920s Ingwersen ventured outside this field as an independent architect, designing schools, churches, homes for the aged and private houses. Relatively little is known about his private housing commissions. In a class apart are the hostels he built in Limburg and Brabant (in  particular Eindhoven) for Protestant workers from the north. In the mid-1930s Ingwersen turned to renovations of which the Valeriuskliniek in Amsterdam was a major commission. Ingwersen in addition wrote articles and books, chiefly serving his ‘own circle’, such as the  Protestant newspaper De Standaard. In 1935, when his career as architect was at an end, he addressed the much wider readership of De Telegraaf in a series of articles critical of modernist colleagues. The ensuing fierce debate whereby Ingwersen became an object of scorn and alienated himself still further from his profession is discussed, along with In Holland stond een huis (1950), the book in which Ingwersen expounded his ideas about the importance of Calvinist culture for Dutch architecture and town planning. Notwithstanding the moralizing tone of his publications, Ingwersen’s architectural work is not without its own special merits, witness the fact that several have been heritage listed. A considerable number of his buildings have been demolished, while others have yet to be tracked down. Nevertheless, greater attention to the architecture and underlying ideas of Arnold Ingwersen (as one of many who operated outside the well-known movements) can help to foster a broader understanding and appreciation of relatively unknown architecture in the first decades of the twentieth century.De Amsterdamse architect Arnold Ingwersen (1882-1959) heeft een aanzienlijk oeuvre nagelaten, dat nog weinig is gedocumenteerd en in de Nederlandse architectuurgeschiedenis nauwelijks sporen heeft nagelaten. Een van de redenen daarvoor is een gebrekkige aansluiting bij de vakgemeenschap van zijn tijd; in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw behoorde hij niet tot een stroming die nu van architectuurhistorisch belang wordt geacht. Zijn orthodox protestantse opvattingen waren niet verenigbaar met die van zijn modernistische tijdgenoten. Als inleiding tot het werk van Arnold Ingwersen schetst dit artikel eerst de achtergronden van zijn gereformeerde jeugd en de lange leerweg tot het beroep van architect. Daarop volgt een indruk van zijn architectonische oeuvre, dat zich kenmerkt door een ambachtelijke en tegelijk sobere stijl die met een zeker purisme wel eigentijds maar niet modernistisch was. Samenstellingen van bakstenen bouwvolumes met afwisselend horizontale en verticale delen benadrukte hij door verschillende dakvormen en ritmiek in raampartijen, erkers, dakkapellen met daarbij terugkerende archetypische motieven als poort, schoorsteen en puntgevel. Zorgvuldige detaillering van ‘pure’ vormen waren tevens kenmerkend. Ingwersens opdrachten kwamen voort uit de eigen gereformeerde zuil. Hierbij speelde aanvankelijk woningbouwvereniging Patrimonium een grote rol, later waren andere contacten binnen het gereformeerde netwerk en verenigingsleven de voornaamste opdrachtgevers. Volkshuisvestingsprojecten in Amsterdam – in samenwerking met Tjeerd Kuipers – vormen een belangrijk onderdeel van zijn oeuvre. Vanaf midden jaren twintig verliet Ingwersen dit werkterrein om als zelfstandig architect scholen, kerken, tehuizen en particuliere woningen te ontwerpen. Over zijn particuliere woningbouw is nog relatief weinig bekend. Opvallend zijn de gezellenhuizen voor protestantse gastarbeiders die hij in Limburg en Brabant (vooral Eindhoven) bouwde. Midden jaren dertig richtte Ingwersen zich op renovaties, waarbij de Amsterdamse Valeriuskliniek een grote en tevens laatste opdracht was. Ingwersen schreef ook artikelen en boeken, meestal voor de ‘eigen kring’ in onder andere het gereformeerde dagblad De Standaard. In 1935, toen zijn carrière als architect aan het einde was, bekritiseerde hij modernistische vakgenoten in De Telegraaf, dat een breder publiek had. Aandacht wordt besteed aan deze heftige discussie, waarmee hij zich als doelwit van spot verder van zijn vakgebied vervreemdde. Ook gaat het artikel in op zijn latere boekpublicatie In Holland stond een huis (1950), waarin hij zijn opvattingen uiteenzet over het belang van de calvinistische cultuur voor de Nederlandse architectuur en stedenbouw. De prekerige toon van zijn publicaties ten spijt, blijkt het architectonisch werk van Ingwersen over eigenzinnige kwaliteiten te beschikken. Een behoorlijk deel van zijn oeuvre is inmiddels  gesloopt; andere delen nog niet gelokaliseerd. Niettemin kan aandacht voor de architectuur en het achterliggende denken van Arnold Ingwersen – als een van velen die buiten bekende stromingen vielen – bijdragen aan ruimte voor meervoudigheid in de interpretatie van de Nederlandse architectuurgeschiedenis van de eerste decennia van de twintigste eeuw

    Afstudeerwerk

    Full text link
    Voorwoord bij een nieuwe rubriek met afstudeerwerk Het Bulletin KNOB biedt een podium aan zowel ervaren onderzoekers als aanstormend talent. Met een zekere regelmaat publiceren afgestudeerden een artikel op basis van hun masterscriptie of ander onderzoek dat zij aan de universiteit deden. Maar dit is slechts een topje van de ijsberg. Er is immers veel meer werk van studenten dat de aandacht van de lezer verdient. Daarom starten wij in het Bulletin KNOB een rubriek met afstudeerwerk. Eens in de twee jaar vragen wij een aantal pas afgestudeerden van wie de masterthesis of eindopdracht goed is beoordeeld hiervan een synthese te maken. Voor de eerste aflevering van deze rubriek zijn dat degenen die meedongen naar de KNOB Stimuleringsprijs 2021. Het resultaat vindt u in dit nummer: zeventien bijdragen over uiteenlopende onderwerpen, van Cubex-keuken tot herbestemming van industrieel erfgoed en van klimaatverbetering in steden tot Antwerpse zeemanshuizen. De auteurs zijn alumni van universitaire opleidingen op het gebied van architectuur- en stadsgeschiedenis, erfgoed en (landschaps)architectuur in Nederland en België. Met deze rubriek laten wij onze lezers kennisnemen van door studenten verricht onderzoek en bieden wij beginnende onderzoekers en ontwerpers een gelegenheid hun werk in het Bulletin KNOB te presenteren. Onze dank gaat daarbij uit naar collega Jeroen Goudeau, die ons het idee voor een rubriek met afstudeerwerk aan de hand deed. Wij wensen u veel leesplezier en inspiratie toe. De redactieVoorwoord bij een nieuwe rubriek met afstudeerwerk Het Bulletin KNOB biedt een podium aan zowel ervaren onderzoekers als aanstormend talent. Met een zekere regelmaat publiceren afgestudeerden een artikel op basis van hun masterscriptie of ander onderzoek dat zij aan de universiteit deden. Maar dit is slechts een topje van de ijsberg. Er is immers veel meer werk van studenten dat de aandacht van de lezer verdient. Daarom starten wij in het Bulletin KNOB een rubriek met afstudeerwerk. Eens in de twee jaar vragen wij een aantal pas afgestudeerden van wie de masterthesis of eindopdracht goed is beoordeeld hiervan een synthese te maken. Voor de eerste aflevering van deze rubriek zijn dat degenen die meedongen naar de KNOB Stimuleringsprijs 2021. Het resultaat vindt u in dit nummer: zeventien bijdragen over uiteenlopende onderwerpen, van Cubex-keuken tot herbestemming van industrieel erfgoed en van klimaatverbetering in steden tot Antwerpse zeemanshuizen. De auteurs zijn alumni van universitaire opleidingen op het gebied van architectuur- en stadsgeschiedenis, erfgoed en (landschaps)architectuur in Nederland en België. Met deze rubriek laten wij onze lezers kennisnemen van door studenten verricht onderzoek en bieden wij beginnende onderzoekers en ontwerpers een gelegenheid hun werk in het Bulletin KNOB te presenteren. Onze dank gaat daarbij uit naar collega Jeroen Goudeau, die ons het idee voor een rubriek met afstudeerwerk aan de hand deed. Wij wensen u veel leesplezier en inspiratie toe. De redacti

    Gerüste und Hilfskonstruktionen im historischen Baubetrieb: Geheimnisse der Bautechnikgeschichte

    Full text link
    Review of a book written by Steffen M. HolzerBespreking van een boek van Steffen M. Holze

    Architectenbureau Baanders: Van jugendstil naar modernisme

    Full text link
    Review of a book written by R.-J. Baanders and A. Baanders-BuismanBespreking van een boek van R.-J. Baanders en A. Baanders-Buisma

    707

    full texts

    783

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    Bulletin KNOB
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇