Bulletin KNOB
Not a member yet
783 research outputs found
Sort by
Koninklijke bedkamers in de Republiek: Situering en gebruik naar Engels voorbeeld
This article takes a fresh look at the royal bedchambers of Stadholder-King William III (1650-1702) in his residences in the Republic. By placing their spatial and functional development in a Dutch-English perspective, it arrives at a new interpretation of these bedchambers.
Until 1689, the stadholder residences were predominantly characterized by the French arrangement of antechamber, bedchamber, cabinet and wardrobe. The bedchamber, the only room that contained a bed, was probably also used to receive guests. New analysis of the surviving inventories makes clear that the Stadholder-King’s apartments at Het Loo, Huis te Dieren and Breda Castle contained not one but two bedchambers. In all three cases the second bedchamber dated from the renovations carried out in the wake the Glorious Revolution of 1689, which saw Willem III crowned king of England, Scotland and Ireland.
The comparative research that underpins this article shows how, in contrast to the Dutch Republic, where most stadholder apartments had just one bedchamber, English royal apartments after the restoration of the monarchy in 1660 consistently featured two bedchambers. Examples include Whitehall, Winchester and Windsor. Charles II (1660-1685) introduced the French custom of the ‘great bedchamber’ for ceremonial and representational purposes. Charles also laid down the ceremonial use of the bedchamber in dedicated bedchamber court decrees. When Willem III became king of England, he tailored his own court decrees to this ceremonial usage. He also emulated his uncle Charles’s architectural arrangement, by creating a great and a little bedchamber in his royal apartments at Hampton Court and Kensington Palaces.
The substantial similarities in spatial organization between Breda Castle and Windsor Castle indicate a shared English royal layout. Following the example of Charles II of England, ‘Sijn Majt’ [His Majesty’s] bedchamber’ in Breda functioned as the ceremonial bedchamber of the Stadholder-King. In the palaces of Huis te Dieren and Het Loo the rooms of the English royal apartment could not be replicated one-on-one. In the inventory for Het Loo, the differentiation between ‘bedcamer’ and ‘slaepcamer’ does however suggest a division between a ceremonial bedchamber and a private bedchamber for sleeping. This article consequently argues that in introducing two bedchambers, Stadholder-King Willem III was modelling himself on his English predecessor Charles II. Although originally based on the ceremonial use of the bedchamber at the French court, when Willem introduced two bedchambers at Breda Castle, Huis te Dieren and Het Loo, he was presenting himself as king of England.Dit artikel gaat over de bedkamers van koning-stadhouder Willem III (1650-1702) in zijn residenties in de Republiek. Door de ruimtelijke en functionele ontwikkeling hiervan in een Nederland-Engels perspectief te plaatsen, komt dit artikel tot een nieuwe duiding van deze bedkamers.
De stadhouderlijke residenties werden tot 1689 overwegend gekenmerkt door de Franse opdeling van voorkamer, slaapkamer, kabinet en garderobe. Alleen in de slaapkamer bevond zich een bed. De ruimte werd behalve als slaapkamer, mogelijk ook gebruikt om gasten in te ontvangen. Door nieuwe analyse van de overgeleverde inventarissen wordt duidelijk dat op Het Loo, het Huis te Dieren en het kasteel van Breda niet één maar twee bedkamers in het appartement van de koning-stadhouder aanwezig waren. In alle gevallen dateert deze tweede bedkamer van verbouwingen na de Glorious Revolution van 1689, waarbij Willem III koning van Engeland, Schotland en Ierland werd.
Het in dit artikel uitgevoerde comparatieve onderzoek toont aan hoe, in tegenstelling tot in de Republiek, waar de stadhouderlijke appartementen in de meeste gevallen beschikten over één bedkamer, het Engelse koninklijke appartement vanaf de jaren 1660 consequent werd ingericht met twee bedkamers. Voorbeelden hiervan zijn Whitehall, Winchester en Windsor. Naar Frans voorbeeld introduceerde Karel II van England de great bedchamber voor ceremoniële en representatieve doeleinden. Het ceremoniële gebruik van de bedkamer werd door Karel eveneens vastgelegd in bedkamer-specifieke hofordonnanties. Als koning van Engeland sloot Willem in zijn eigen hofordonnanties aan bij dit ceremonieel. Tevens volgde hij het architecturale schema van zijn oom Karel, door bij de inrichting van zijn koninklijke appartementen op Hampton Court Palace en Kensington Palace een great en een little bedchamber te creëren.
De grote overeenkomsten tussen het kasteel van Breda en de ruimtelijke organisatie van het kasteel van Windsor wijzen op een gedeelde Engelse koninklijke indeling. Naar het voorbeeld van Karel II van Engeland, functioneerde ‘Sijn Majt’ bedcamer’ in Breda als ceremoniële bedkamer van de koning-stadhouder. Voor het Huis te Dieren en Het Loo konden de ruimtes van het Engelse koninklijke appartement niet één op één worden ingepast. De in de inventaris van Het Loo gebruikte differentiatie tussen ‘bedcamer’ en ‘slaepcamer’ doet echter eveneens een opdeling tussen een representatieve bedkamer en private slaapkamer vermoeden. Dit artikel beargumenteert dan ook dat koning-stadhouder Willem III bij de introductie van de twee bedkamers een voorbeeld nam aan zijn Engelse voorganger Karel II. Hoewel oorspronkelijk gebaseerd op het ceremonieel gebruik van de bedkamer aan het Franse hof, presenteerde Willem zich met de introductie van twee bedkamers op het kasteel van Breda, het Huis te Dieren en Het Loo als koning van Engeland
Common Ground: Dutch-South African Architectural Exchanges 1902-1961
Review of a book written by Nicholas J. Clarke, Roger C. Fisher and M.C. Kuipers (eds)
Bespreking van een boek van Nicholas J. Clarke, Roger C. Fisher en M.C. Kuipers (red)
 
Veranderende idealen: Post 65-wijken in Capelle aan den IJssel
In this article Capelle aan den IJssel features as a case study of changes in architecture and urban design in the Post-65 period (1965-1990). During those years the original dike village of Capelle, on the eastern edge of Rotterdam, expanded significantly. Several completely new districts were developed, among them Oostgaarde and Schollevaar. This article focuses on the social trends and ideas that influenced the changes and what phases can be discerned in those changes.The first phase was dominated by economic growth and quantitative thinking. In the final phase of the post-war reconstruction this resulted in large-scale districts with a lot of high-rise flats and a repetition of identical housing complexes. Growing discontent with the outcome eventually led to the realization that this type of spatial design had no future. It also largely ignored the single-family dwelling, yet this was precisely the section of the housing stock that was very much in demand, including in the greater Rotterdam area.This did not, however, prompt an immediate breakthrough of small-scale architecture and urban design in the next phase. Under the influence of Team X and its Dutch offshoot centred around the journal Forum there were even proposals for megastructures, the best-known Dutch example being the (unbuilt) Pampus project of Van den Broek & Bakema. Even cars were initially tolerated. The urban designer Tjakko Hazewinkel proposed one such megastructure for Oostgaarde.From the early 1970s, criticism of large-scale developments led to a broad interest in ecology, return to nature and sociologically-informed architectural experiments. Following Hazewinkel’s departure, there was a change of course in Capelle, too. In the new residential areas of Oostgaarde and Schollevaar, orthogonality and repetition gave way to adventurous housing subdivisions and road layouts featuring home zones; high-rise was renounced and replaced by single-family dwellings and multilevel low-rise. Playfulness and fantasy were given free rein. This was also facilitated by the introduction of sector plans, which allowed architects much greater freedom.Rising mortgage interest rates and the economic recession of the early 1980s led to a sharp decline of the demand for private sector housing. It was decided to build more social housing, which necessarily entailed higher densities. That densification can be clearly seen in the eastern and last realized section of the district. In terms of amenities, the plan had been considerably trimmed back and there were growing doubts as to its financial feasibility. Whimsicality and playful brick architecture – typical of the 1970s – had had their day, replaced in the 1980s by straightforward, rational subdivisions and a more functional architecture.In dit artikel figureert Capelle aan den IJssel als casestudy om de veranderingen in de architectuur en stedenbouw in de Post-65 periode te beschrijven. In die periode (1965-1990) maakte het oorspronkelijke dijkdorp Capelle, dat grenst aan Rotterdam, een grote groei door en werden twee geheel nieuwe wijken gerealiseerd: Oostgaarde en Schollevaar. Centraal staan de vragen welke maatschappelijke tendensen en ideeën aan de veranderingen ten grondslag lagen en welke fasen hierin te onderkennen zijn.De eerste fase stond in het teken van een economische groei en het kwantitatieve denken, wat in de laatste fase van de wederopbouw resulteerde in grootschalige wijken met veel hoogbouw en repetitie van steeds dezelfde eenheden. Groeiende onvrede met de resultaten daarvan leidde in toenemende mate tot het besef dat dit een doodlopende weg was. Bovendien was er weinig aandacht voor de eengezinswoning, en juist dát deel van de woningvoorraad was – ook in de Rotterdamse agglomeratie – zeer gewild.Dat leidde in de volgende fase echter nog niet onmiddellijk tot een doorbraak van kleinschalige architectuur en stedenbouw. Onder invloed van Team X en de Nederlandse tak ervan rond het tijdschrift Forum werden zelfs megastructuren voorgesteld – het bekendste Nederlandse voorbeeld is het Pampusproject van Van den Broek en Bakema. Ook de auto werd aanvankelijk niet in de ban gedaan. De stedenbouwkundige Tjakko Hazewinkel stelde een dergelijk grootschalige structuur voor Oostgaarde voor.Kritiek op de grootschaligheid leidde vanaf begin jaren zeventig tot een brede interesse in ecologie, natuurlijkheid en architectonische experimenten op sociologische basis. Na het vertrek van Hazewinkel werd ook in Capelle een nieuwe koers ingeslagen. In de nieuwe woonwijken Oostgaarde en Schollevaar maakten rechtlijnigheid en herhaling plaats voor avontuurlijke verkavelingspatronen en wegenstructuren met woonerven; hoogbouw werd afgezworen en vervangen door eengezinswoningen en gestapelde laagbouw. Speelsheid en fantasie kregen alle ruimte. De invoering van vlekkenplannen, waardoor architecten veel meer vrijheid kregen, maakte dit ook mogelijk.Door de stijgende hypotheekrente en de crisis liep begin jaren tachtig de vraag naar vrijesectorwoningen terug. Besloten werd om meer woningwetwoningen te bouwen, wat hogere dichtheden veronderstelde. In het oostelijke en laatst gerealiseerde deel van de wijk is die verdichting goed te zien. Qua voorzieningen werd het plan sterk versoberd; aan de haalbaarheid hiervan werd meer en meer getwijfeld. Grilligheid en speelse baksteenarchitectuur – kenmerken van de jaren zeventig – hadden afgedaan. Eenvoudige rationele verkavelingen en een meer zakelijke architectuur kwamen er in de jaren tachtig voor in de plaats
Bemind maar onbekend: Landschapsarchitectuur in de periode 1965-1990
Post 65 garden and landscape architects bridged the town and country divide. They worked at various levels of scale and for all kinds of users: from private garden to industrial area and from urban design scheme to land consolidation. Using their analysis and design methods they succeeded in accommodating a wide range of functions in a spatially coherent design. Despite the extent and appeal of their production, current knowledge and appreciation of Post 65 green heritage lags behind that of the architectural heritage. This is evident from redevelopment plans for green areas and from recently delivered big-city inventory reports from which this type of heritage is largely absent. Knowledge of theory development in landscape architecture, landscape history and architectural history can help to generate greater appreciation for Post 65 green space. After all, Post 65 green heritage is not just of interest from a cultural-historical perspective. It can also contribute to the improvement of nature and the environment in a way that is in keeping with Post 65 ideas.Post 65 tuin- en landschapsarchitecten sloegen een brug tussen stad en buitengebied. Zij werkten op verschillende schaalniveaus en voor alle soorten gebruikers: van tuin tot industriegebied en van stedenbouwkundig plan tot ruilverkaveling. Ze wisten met hun analyse- en ontwerpmethoden uiteenlopende functies onder te brengen in een ruimtelijk samenhangend ontwerp. Ondanks hun grote en interessante productie blijft de huidige kennis en waardering van Post 65 groen erfgoed achter. Dit blijkt uit herontwikkelingsplannen van groengebieden en uit recent opgeleverde inventarisatierapporten van de grote steden waarin dit type erfgoed veelal ontbreekt. Kennis van theorievorming uit de landschapsarchitectuur, landschapsgeschiedenis en de architectuurgeschiedenis kan bijdragen aan een hogere waardering van Post 65 groen. Het Post 65 groen erfgoed is immers niet alleen vanuit cultuurhistorisch oogpunt interessant, maar kan ook bijdragen aan de verbetering van natuur en milieu op een wijze die past bij het Post 65 gedachtengoed. 
Naar een architectuur van vereenvoudiging? Victor Horta’s lezingen over Amerikaanse architectuur in de jaren twintig
The Belgian architect Victor Horta (1861-1947) spent most of the First World War in the United States. Over the course of three years, from December 1915 to January 1919, he explored how the American skyscrapers, standardized dwellings and ingenious urban planning might serve as a model for a modern, post-war Belgium.
Yet Horta’s memoirs had very little to say about his discussion of American architecture or any influence his travels might have had on his post-war work. This article consequently breaks new ground in examining the various talks on the subject that Horta gave in the 1920s. Horta’s lectures actually provide a good picture of how he started to see American architecture as a model for the future. In American architectural practice, serial production, standardization and economies of scale facilitated a simplification of the design – a solution Horta also proposed for war-torn Belgium.
By way of illustration, the article describes the affinity between Horta’s more classical formal language of the 1920s, as in his 1925 pavilion for the Exposition international des Arts décoratifs et industriels modernes, and the architecture of the United States. It also shows that Horta was an important proponent of American architecture in Belgium, and also played a pioneering role in the introduction of some of its defining features, such as high-rise construction.De Belgische architect Victor Horta (1861-1947) verbleef het grootste deel van de Eerste Wereldoorlog in de Verenigde Staten. Gedurende drie jaar, van december 1915 tot januari 1919, onderzocht hij daar hoe de Amerikaanse wolkenkrabbers, gestandaardiseerde woningen en ingenieuze stedenbouw als model konden dienen voor een modern, naoorlogs België.
In zijn memoires was Horta echter erg summier over zijn bespreking van de Amerikaanse architectuur, en de mogelijkse invloed die zijn reis heeft gehad op zijn naoorlogs werk. Dit artikel onderzoekt daarom voor de eerste keer de verschillende lezingen die Horta in de jaren twintig over het onderwerp heeft gegeven. Horta’s voordrachten laten namelijk goed zien hoe hij de Amerikaanse architectuur begon te zien als een model voor de toekomst. Serieproductie, standaardisatie en schaalvergroting werkten in de Amerikaanse architectuurpraktijk een vereenvoudiging van ontwerp in de hand – een oplossing die Horta ook voorstelde in het door de oorlog geruïneerde België.
Om dit te illustreren beschrijven de auteurs in dit artikel hoe Horta’s klassiekere vormentaal van de jaren twintig, zoals zichtbaar in zijn paviljoen voor de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes uit 1925, verwant was aan de architectuur in de Verenigde Staten. Het toont daarnaast aan hoe Horta een belangrijke rol heeft gespeeld in het propageren van de Amerikaanse architectuur in België, en ook een pioniersrol heeft gespeeld in de introductie van enkele van haar voornaamste principes, zoals hoogbouw
Kunststof dromen: Gevels van glasvezelversterkt polyester in Nederland
In the wake of the Second World War, architects and construction companies in the Netherlands started to experiment with the use of fibre-reinforced plastic (FRP) in architecture. At the time this combination of polyester and fibreglass, which is strong, malleable and lightweight, was seen as an ideal building material. Yet to date very little research has been carried out into the use of FRP in Dutch architecture. This article investigates the social changes that prompted architects and construction companies to experiment with FRP.After the Second World War various factories in the transport industry were keen to find new markets for their expertise with FRP. They found them in housing construction. The plastic material was eminently suited to system building, a process that speeded up the construction of much-needed housing. Thanks to its high load-bearing capacity and factory production, FRP was ideal for the sandwich panels used in this construction method.Another factor in FRP’s favour was the prevailing sense of optimism about the future in the Netherlands in that period. Architects were considering new, flexible forms of living and the designs they produced gave residents the freedom to organize, extend and even relocate their dwelling. Some architects also felt that the outward appearance of buildings should change – that a new era demanded new forms. Buildings should express an optimistic view of the future, and for that FRP, which could be produced in a wide range of shapes and colours, was ideal. Until 1973, that is, when the global oil crisis caused the price of oil to rise so steeply that the use of FRP in large-scale housing projects ceased to be cost-effective.Many of the buildings containing FRP have since been demolished. The earliest examples were often experimental prototypes, one-off structures not intended for long-term occupancy. Plastic never became really popular as a building material for housing; people were reluctant to exchange their solid brick or concrete dwellings for a plastic version.Fast forward to today and the restoration and preservation of buildings constructed with FRP is problematical since the relevant expertise is still lacking in the heritage sector. Nonetheless, interest in plastic architecture is growing, accompanied by an emphasis on preservation rather than demolition. This new approach is a corollary of the increasing interest in post-1965 architecture. The negative image of FRP is gradually starting to change.Na de Tweede Wereldoorlog experimenteerden architecten en bedrijven met het gebruik van glasvezelversterkt polyester (gvp) in de architectuur. Dit mengsel van polyester en glasvezel werd in die tijd gezien als een ideaal bouwmateriaal: het is sterk, makkelijk te vervormen en weegt weinig. Tot nu toe is er nog weinig onderzoek gedaan naar het gebruik van gvp in de Nederlandse architectuur. Dit artikel onderzoekt de maatschappelijke veranderingen die belangrijk waren bij de keuze van architecten en bedrijven om gvp toe te passen.Aan de experimenten met gvp in de architectuur liggen een aantal maatschappelijke veranderingen ten grondslag. Ten eerste zochten verschillende fabrieken in de vervoersmiddelenindustrie na de oorlog naar nieuwe afzetmarkten waar ze hun expertise op het gebied van gvp konden inzetten. Deze vonden ze in de woningbouw. Het kunststofmateriaal was namelijk goed bruikbaar binnen de systeembouw, waarmee in snel tempo huizen werden gebouwd. Door de enorme draagkracht en de fabrieksmatige productie was gvp geschikt voor sandwichplaten die bij deze bouwmethode werden gebruikt. Ten tweede heerste in Nederland een optimistisch gevoel over de toekomst. Architecten dachten na over nieuwe, flexibele vormen van wonen. Ze maakten ontwerpen die bewoners de vrijheid boden hun woning zelf in te delen, uit te breiden en zelfs te verplaatsen. Ook meenden sommigen dat het uiterlijk van gebouwen moest veranderen; bij een nieuwe tijd hoorden nieuwe vormen. De gebouwen moesten een optimistisch toekomstbeeld uitdragen en gvp kon makkelijk in allerlei vormen en kleuren worden uitgevoerd. In 1973 werd door de oliecrisis aardolie echter fors duurder, waardoor de inzet van gvp in grootschalige woningbouwprojecten niet langer rendabel kon zijn.Veel van de gebouwen met gvp zijn inmiddels gesloopt. De vroegste voorbeelden van waren vaak experimentele prototypes. Deze werden maar één keer uitgevoerd en waren niet bedoeld voor een langdurige bewoning. Als materiaal voor woningbouw is kunststof nooit echt populair geworden. Mensen durfden hun huizen van baksteen of beton niet zomaar in te wisselen voor een kunststof variant. Daarnaast is het restaureren en conserveren van gebouwen van gvp een probleem, omdat daarover in de erfgoedsector nog weinig kennis is.Toch neemt de aandacht voor kunststof architectuur in de erfgoedsector toe, waarbij steeds meer wordt ingezet op het behoud in plaats van sloop. Deze nieuwe benadering vloeit voort uit de groeiende interesse voor architectuur van na 1965. Het negatieve beeld van gvp-architectuur lijkt langzaam te kantelen
De eeuw van de grote reparaties: Funderingsherstel en andere constructieve ingrepen in Amsterdam in de vroegmoderne tijd
This article considers several major repairs to Amsterdam buildings during the seventeenth and eighteenth centuries. It concerns two types of reparation: strengthening of foundations and repair of supporting and roof structures. Foundation problems could be caused by a fluctuating groundwater level, an insufficiently deep foundation, or defects in the construction, sometimes compounded by irregularities in the natural marshy substratum. Apart from houses, whose foundations had already been reinforced much earlier, repairs to towers were undertaken from the early seventeenth century. This usually entailed sinking supplementary footings to which the existing structure was anchored. Well-known examples are the Stadhuis tower, the Montelbaan tower and the tower of the Oude Kerk.
Repairs to supporting and roof structures were often due to other issues such as overdue maintenance, overly heavy or incorrect loading, construction defects, and the effect of external forces like wind. Repairs to the roof of the Burgerzaal in 1700 were due to faulty construction and water ingress. An example of external forces was the Lisbon earthquake of 1 November 1755, which was also felt in Amsterdam, and two further tremors in December of that year and on 18 February 1756. It was probably these earthquakes that prompted the city authorities to demolish dilapidated houses shortly hereafter and to carry out major repairs to the Montelbaan tower and the Oosterkerk.
As the examples presented in this article show, very costly repairs were sometimes required to ensure a building’s continued existence. But what is also clear is that while some of this restoration work was undertaken in response to a single incident like an earthquake, the phenomenon of restoration is inherent to the long lifespan of buildings.Dit artikel gaat in op een aantal zeer ingrijpende reparaties van Amsterdamse gebouwen in de zeventiende en achttiende eeuw. Het gaat daarbij om twee soorten reparaties: herstel van fundamenten en reparatie van steun- en kapconstructies. Problemen met fundamenten konden worden veroorzaakt door een fluctuerende grondwaterstand, een te hoog gelegd fundament of ondeugdelijkheden in de constructie, al dan niet in combinatie met onregelmatigheden in de natuurlijke drassige ondergrond. Behalve huizen, waarvan de fundamenten al veel eerder werden verstevigd, kwamen vanaf de vroege zeventiende eeuw reparaties van torens voor. Daarbij werd doorgaans een extra fundering geslagen waaraan de bestaande structuur werd verankerd. Bekende voorbeelden zijn de Stadhuistoren, de Montelbaanstoren en de toren van de Oude Kerk.
Reparatie van steun- en kapconstructies had vaak een andere reden: achterstallig onderhoud, te zware of onjuiste belasting, bouwfouten en krachtenwerking van buitenaf, zoals wind of andere krachten. De reparatie van de kap van de Burgerzaal in 1700 werd uitgevoerd vanwege een ondeugdelijke constructie en inwatering. Een voorbeeld van krachten van buitenaf vormt de ook in Amsterdam gevoelde aardbeving van Lissabon van 1 november 1755 en twee latere bevingen, in december van dat jaar en op 18 februari 1756. Deze aardschokken waren vermoedelijk de aanleiding dat het stadsbestuur kort hierna bouwvallige huizen in de stad liet slopen, en ook om de Montelbaanstoren en de Oosterkerk ingrijpend te herstellen.
De in dit artikel gepresenteerde voorbeelden laten zien dat er soms uiterst kostbare herstellingen moesten worden uitgevoerd om het voortbestaan van een gebouw te garanderen. Hiermee wordt tevens duidelijk dat dit soort herstel weliswaar kan worden ingegeven door een incident zoals een aardbeving, maar dat herstel een fenomeen is dat onlosmakelijk is verbonden met de lange levenscyclus van gebouwe
Tanken in de stad: De typologische ontwikkeling van service-en benzinestations in Antwerpen, 1945-1975
The global automotive industry has undergone major developments in the last decade, perhaps the most decisive transformations in its one hundred-year existence. The current fundamental transition from a fossil fuel-driven motor to an electric power source heralds the end of an era. This revolutionary change is perhaps a good time to reflect upon the past one hundred years of fossil-fuel powered driving and in particular on its very distinctive service architecture. This article provides insight into the evolution from kerbside pump to self-service petrol station within the greater Antwerp area of Belgium in the period 1945 to 1975. It is a condensed version of an architectural-historical research project based on over two hundred building and environmental permits held in the Antwerp City Archives and involving the close study and analysis of a set of parameters. The outcome of this research served as the basis for conclusions about developments in the design of post-war service stations seen in relation to the socio-economic situation and the evolving spatial design of the city of Antwerp. In situ research into the current state of those buildings or locations resulted in an inventory of surviving examples of this built heritage which could serve as basis for further revaluation and, ultimately, protection of part of this built heritage.De wereldwijde automobielindustrie bevindt zich de laatste jaren in de grootste omwenteling sinds haar ontstaan, nu zo’n honderd jaar geleden. De nog lopende omschakeling van aandrijving door fossiele brandstoffen naar een elektrische krachtbron luidt het einde van een tijdperk in. Deze revolutie is een goede aanleiding om terug te kijken op honderd jaar rijden op benzine– en de bijbehorende service-architectuur. In dit kader geeft Thomas Vanhaute een representatief overzicht van de ontwikkeling van straatpomp naar selfservice station in Antwerpen en de directe omgeving in de periode 1945 tot en met 1975. Het is een beknopte weergave van een architectuurhistorisch onderzoek op basis van meer dan 200 bouwaanvragen en milieuvergunningen uit het Stadsarchief van Antwerpen waarin een aantal parameters van naderbij bekeken en geanalyseerd werden. Hierdoor was het mogelijk om ontwikkelingslijnen van de naoorlogse service- en benzinestations bloot te leggen en vervolgens te duiden in het licht van de socio-economische en stedenbouwkundige situatie en transformaties in en rond de stad. Door het historisch onderzoek te koppelen aan actueel in situ-onderzoek, konden bovendien de nog bestaande restanten van deze structuur opgespoord en voor herwaardering en bescherming aangemerkt worden
Paleis Het Loo: Een koninklijk huis
Review of a book written by Anne-Dirk Renting (composition and editing)Bespreking van een boek van Anne-Dirk Renting (samenstelling en redactie
BRUUT: Atlas van het brutalisme in Nederland
Review of a book written by Arjan den Boer, Bart van Hoek, Martijn Haan, Martjan Kuit and Teun MeursBespreking van een boek van Arjan den Boer, Bart van Hoek, Martijn Haan, Martjan Kuit en Teun Meur