381023 research outputs found
Sort by
Fractional order models enabling control strategies based on material properties
Het proefschrift biedt een theoretisch en praktisch (experimenteel) kader om dynamica en bewegingsvariaties te testen in vloeistoffen die buiten de klassieke lineaire Newtonse eigenschappen vallen. Dergelijke vloeistoffen komen in de praktijk zeer vaak voor, om er een paar op te sommen: bloed, vloeibaar wasmiddel, vloeibaar staal, shampoo, enz. De nieuwigheid van de voorgestelde benadering is dat nieuwe hulpmiddelen uit de wiskunde worden vermengd met systeem- en controletheorie om een beter begrip te krijgen van de niet-Newtoniaanse vloeistofdynamica. De aanpak maakt gebruik van fysische kenmerken van het systeem om de dynamica te modelleren en legt een verband met de voorgestelde wiskundige modellen. Bewegingscontrole van deze vloeistoffen (via externe krachten) of van ondergedompelde objecten wordt voorgesteld. De toepassingsgebieden zijn breed en de bruikbaarheid van de resultaten is interdisciplinair. Op basis van de samenwerkingsovereenkomst en de stand van de techniek met Arcelor Mittal Gent wordt speciale aandacht besteed aan de modellering van de bewegingseigenschappen van vloeibaar staal en de regeling met externe krachten om de stroming in het continugietproces te regelen. Er wordt ook een andere industriële casestudie voorgesteld aan de hand van droge/natte granulatie in een farmaceutisch tabletproductieproces. De voorgestelde onderzoeksbenadering is in lijn met de VWRI-verkenning voor 2025 door middel van opkomende contextbewuste regelstrategieën, die het potentieel hebben om een technologie-enabler te zijn in verschillende domeinen
Flow dynamics at T-shaped open-channel confluences : effects of bed elevation discordance
Samenvloeiingen van stromingen met vrij oppervlak komen voor in netwerken van natuurlijke rivieren of in door de mens gemaakte kanalen en hydraulische structuren. De stroming in deze knooppunten is complex en driedimensionaal en wordt mee gestuurd door de vorm van de bodem. Dit onderzoek spitst zich toe op geschematiseerde samenvloeiingen met een T-vorm in planzicht, waarbij het bodempeil van de zijtak hoger ligt dan deze van de hoofdtak. Dit is een vaak voorkomend fenomeen bij samenvloeiingen van natuurlijke rivieren, maar komt ook voor bij door de mens gemaakte configuraties. Het effect op de stroming van een dergelijk verschil in bodemhoogte tussen de twee takken op de stroming wordt onderzocht met behulp van numerieke simulaties en labo-experimenten. Ook het effect op de menging van opgeloste stoffen in de samenvloeiende waterstromen wordt onderzocht. De toegepaste Large Eddy Simulaties (LES) laten niet alleen toe de tijdsgemiddelde eigenschappen van de stromingspatronen te bestuderen, maar ook hun tijdsafhankelijk gedrag. Naast het aanreiken van fundamentele kennis met betrekking tot de stroompatronen draagt dit werk bij tot het optimaliseren van kunstmatige samenvloeiingen
Dietary intake of methyl-group carriers and breast cancer risk : compilation of nutrient databases and findings from epidemiological studies
Uncovering diversity in plant plant-parasitic nematodes using morphological, molecular and phylogenetic approaches
Increasing the applicability of population balance models in continuous pharmaceutical twin-screw wet granulation
Running on good vibes : music induced running-style adaptations for lower impact running
Intra-continental evolution of the Chinese Tianshan and Junggar orogenic collage
De Centraal Aziatische Orogene Gordel (CAOG) is gesitueerd tussen de cratons van Baltica, Siberië en Tarim-Noord China, en vormt één van de grootste Fanerozoïsche orogene gordels op Aarde. De ontwikkeling van de CAOG begon in het Neoproterozoïcum en liep verder tijdens het Paleozoïcum via de accretie van verschillende eilandenbogen, seamounts, accretie wiggen en micro-continenten. Dit uitgestrekt orogeen systeem amalgameerde uiteindelijk met de finale sluiting van de Paleo-Aziatische Oceaan in het laat Paleozoïcum, wat resulteerde in de botsing van het Tarim-Noord China craton vanuit het zuiden. Sinds het laat Paleozoïcum, ontwikkelden delen van de CAOG (bv. Tianshan en Altai) zich tot typische voorbeelden van intra-continentale orogenen waar de relatie tussen plaatrand-processen en compressieve intraplaat vervorming kan bestudeerd worden. Doorheen het Mesozoïcum, werd het zuidwestelijk (ZW) deel van de CAOG blootgesteld aan meerdere grootschalige perioden van intra-continentale vervorming, die geïnterpreteerd zijn m.b.t. een serie van zgn. Cimmeriaanse collisies (bv, de collisies van Qiangtang, Lhasa en het Karakorum blok met Eurazië) langsheen de zuidelijk Euraziatische rand. De evolutie van de ZW CAOG ging verder met actieve deformatie t.g.v. zgn. “far-field” effecten gerelateerd aan de convergentie tussen de Indische plaat met het Euraziatische continent doorheen het Cenozoïcum.
Spanningsvelden t.g.v. deze distale tektonische gebeurtenissen werden via overgeërfde Paleozoïsche structuren doorheen de CAOG gepropageerd, met als gevolg de progressieve en gepulseerde processen van exhumatie en gebergtevorming die het prominente Tianshan en Altai-Sayan gebergte vorm hebben gegeven. Deze studie focust op de complexe intra-continentale evolutie van het Chinese Tianshan en Junggar orogeen systeem dat een sleutel component vormt van de ZW CAOG. Na zijn initiële vorming in het laat Paleozoïcum, werd deze orogene gordel meteen herwerkt door bewegingen langsheen verschillende diep-gewortelde schuifbreuken, tot wellicht in het vroegste Trias, om dan onderworpen te worden aan grootschalige reactivatie in het Meso-Cenozoïcum. Aangezien de bouw van de Tianshan en Junggar orogene gordel ingewikkeld is, en zijn intra-plaat evolutie langdurig, blijven meerdere zaken m.b.t. zijn thermo-tektonische geschiedenis sinds het laat Paleozoïcum onduidelijk. Belangrijke objectieven van dit onderzoek zijn het beter ontrafelen van de laat Paleozoische tektoniek gerelateerd aan de bewegingen langs systemen van schuifbreuken en om een beter licht te werpen op de Meso-Cenozoïsche reactivatie geschiedenis van de Tianshan en Junggar systemen, met focus op enkele van hun ononderzochte en minder gekende gebieden.
M.b.t. de laat Paleozoïsche schuifbreuk systemen ontwikkeld langsheen de Chinese Tianshan gordel, voerden we structurele en geochronologische analysen uit op de weinig bestudeerde Xiaergou en Wulasitai shear zones rondom en in het Centrale Tianshan blok (Hoofdstuk 4). De Xiaergou shear zone is een connecterend segment tussen de Noord Tianshan breuk en de zgn. Main Tianshan shear zone langs de noordelijk rand van het Yili - Centrale Tianshan blok. Het heeft een NW-ZO strekking met een breedte van ~3-5 km en vertoont vnl. dextrale kinematiek. Zirkoon U-Pb ouderdommen van pre- en syn-kinematische granitische dykes in de Xiaergou shear zone wijzen er op dat de dextrale bewegingen actief waren ongeveer ~312-295 Ma geleden. De Wulasitai shear zone is een zgn. “high-strain” gordel in het interne deel van het Centrale Tianshan blok, deze zone strekt zich in NW-ZO richting uit voor meer dan 40 km en heeft variabele breedtes van ~1-5 km. Een steile mylonitische foliatie en sub-horizontale rek lineaties zijn goed ontwikkeld en verschillende kinematische indicatoren suggereren hoofdzakelijk sinistrale bewegingen. Nieuwe biotiet 40Ar/39Ar ouderdommen van twee meta-sedimentaire gesteentelichamen, ondersteund door gepubliceerde metamorfe zirkoon U-Pb ouderdommen, leggen het tijdstip van deze sinistrale bewegingen vast op ~312-301 Ma. Onze nieuwe resultaten, gecombineerd met deze van voorgaande studies, onthullen dat de dextrale schuifbreuken en shear zones die de Centrale Tianshan omzomen, nagenoeg gelijktijdig gevormd werden in het laatste Carboon (~310 Ma) en actief bleven tot het midden tot laat Perm. Ze vormden zich t.g.v. oostwaarts gerichte tektonische vervormingen en relatieve onderlinge rotaties tussen continentale blokken in de ZW CAOG. De sinistrale bewegingen langs de Wulasitai shear zone in de Centrale Tianshan werden vermoedelijk gegenereerd door differentiële oostwaartse bewegingen van de noordelijke en zuidelijke delen van de Centrale Tianshan.
Nieuwe apatiet fissiesporen (AFS) data werden bekomen op de Paleozoïsche gesteenten in en aangrenzend aan de Chinese Centrale Tianshan, inclusief twee hoogteprofielen in de Alagou en Gangou regio’s. Inverse modellering van de thermische geschiedenis toont aan dat de sokkel van de Centrale Tianshan op regionale schaal traag tot matig afkoelde gedurende het grootste deel van het Mesozoïcum, en dat de huidige topografie vnl. werd gevormd door Cenozoïsche opheffing van de gesteenten en hun resulterende erosie. Geomorfologische observaties tonen verschillende relict fragmenten van vlakke, laag-reliëf oppervlakken in de Centrale Tianshan, die vermoedelijk werden gevormd in het Mesozoïcum zoals aangetoond door de modellering van de thermische geschiedenis van het Alagou hoogteprofiel. Daarenboven, suggereert onze nieuwe data dat de Chinese Centrale Tianshan en de omliggende gebieden geen intensieve reliëfsvorming hebben meegemaakt doorheen hun Mesozoïsche evolutie. Immers, verschillende pre-Mesozoïsche, diepgewortelde regionale breuken registreerden geen significante Mesozoïsche reactivatie. Tot slot werd ook de differentiële exhumatie van de sokkel in de westelijke Chinese Tianshan en Junggar bestudeerd en de resultaten tonen aan dat de ontwikkeling van regionale breuken een duidelijke invloed hebben op processen van intra-continentale deformatie (Hoofdstuk 5).
De Chinese Oostelijke Tianshan en Oost-Junggar orogene gordels vormen eveneens belangrijke elementen in de ZW CAOG. Lage-temperatuur thermochronologische analysen werden uitgevoerd om de thermo-tektonische geschiedenis van deze twee domeinen te onderzoeken (Hoofdstuk 6). AFS datering van Paleozoïsche sokkelgesteenten uit deze regio geven hoofdzakelijk Krijt (~126-70 Ma) ouderdommen, behalve voor twee graniet monsters uit Oost-Junggar, waar AFS ouderdommen werden bekomen van respectievelijk ~239 en ~157 Ma. Modellering van de thermische geschiedenis onthult verder dat de Oostelijke Tianshan en het zuidelijk deel van Oost-Junggar matige tot snelle sokkel afkoeling ondervonden doorheen het Krijt. We interpreteren dit als een “far-field” effect van accretie en collisie processen langsheen de zuidelijke rand van Eurazië sinds het Vroeg Krijt. Belangrijke breuken werden zodoende gereactiveerd en kunnen zo een belangrijke rol hebben gespeeld in het focusseren en controleren van gelokaliseerde en snelle opheffing van de sokkelgesteenten met hun afkoeling tot gevolg. We dateerden ook zeven Mesozoïsche zandsteen monsters afkomstig van de oostelijke rand van het Junggar Bekken. De detritische AFS ouderdomspectra, samen met de modellering van de thermische geschiedenis van de sokkel, tonen aan dat deze sokkel van Oost-Junggar onderhevig was aan laat Perm tot Vroeg Jura episodische afkoeling. Deze afkoeling wordt als een gevolg van post-orogene transpressie langs belangrijke breuken als distaal effect van de Qiangtang-Eurazië collisie beschouwd. Gecombineerd met reeds gepubliceerde bewijzen, suggereren onze nieuwe data dat de Oostelijke Tianshan en Oost-Junggar geen significante (> ~2-3 km) exhumatie ondergingen in het Cenozoïcum.
Het Yili blok in de westelijke Chinese Tianshan vormt de meest oostelijke uitloper van het Kazakhstan paleocontinent, en het bestuderen van zijn thermo-tektonische geschiedenis is belangrijk om de volledige intra-continentale evolutie van de Tianshan gordel te begrijpen. We rapporteren nieuwe AFS data van de sokkelgesteenten van de noordelijke (i.e. het Wenquan complex) en de zuidelijke (i.e. de Dahalajunshan - Nalati keten) randen van het Yili blok (Hoofdstuk 7). Het modelleren van de thermische geschiedenis toont aan dat het Wenquan complex onderhevig was aan matige afkoeling van haar sokkelgesteenten in het Krijt, mogelijks als een “far-field” effect van de Tethys sluiting en convergente deformatie en de uiteindelijke collisie van Lhasa-Qiangtang. Deze gebeurtenissen aan de zuidelijke rand van Eurazië propageerden spanningen doorheen de korst tot aan het noorden van het Yili blok en veroorzaakten gelokaliseerde vervorming. Matige afkoeling van de sokkel in het vroeg Trias-midden Jura werd ook waargenomen in de Dahalajunshan - Nalati keten, en wordt geïnterpreteerd in relatie tot de post-orogene schuifbewegingen langs de grote shear zones, gedreven door de Qiangtang en Kunlun-Qaidam collisies. Samen met gepubliceerde thermochronologische data, zien we bewijzen dat de noordelijke en de zuidelijke delen van het Yili blok een duidelijk verschillende Mesozoïsche thermo-tektonische evolutie doormaakten. Afkoeling van de sokkelgesteenten in het noordelijk deel van Yili manifesteerde zich vnl. voor aanvang van het Krijt en is geassocieerd met de exhumatie van relatief ondiepere crustale segmenten van die sokkel in vergelijking met deze van de zuidelijke Yili. Het intermontane Yili Bekken kan er hierbij voor gezorgd hebben dat een substantieel deel van de gepropageerde spanningen t.g.v. de Krijt collisies, werden geabsorbeerd hierin en dus het noordelijk deel van Yili beperkt bereikten. Gebaseerd op onze nieuwe resultaten en beschikbare gepubliceerde thermochronologische gegevens, suggereren wij dat de intra-continentale reactivatie van de Noord Tianshan en de Nalati breuken waarschijnlijk geen significante regionale exhumatie van de sokkel hebben veroorzaakt in het Meso-Cenozoïcum. In plaats daarvan, lijken kleinere breuksystemen zeer gelokaliseerd de denudatie van de sokkel gecontroleerd te hebben.
Over het algemeen kan het onderzoek uitgevoerd in het kader van deze thesis nieuwe bijdragen en belangrijke verbeteringen aanleveren m.b.t. onze kennis van de tijdspannen en aard van de intra-continentale vervorming en reactivatie van het Chinese Tianshan and Junggar orogeen systeem sinds het laat Paleozoïcum. Bovendien legt het ook de basis voor een systematische overzichtsanalyse van de beschikbare lage-temperatuur thermochronologische data die zou kunnen worden aangevat nu vele van de regionale onbekende terreinen in de Tianshan-Junggar hun geheimen hebben prijs gegeven (Hoofdstukken 8 en 9)
China, BRICS, and beyond : explaining the institutionalization of an informal major power group
European fiscal union : the missing design?
This dissertation examines the prospects of establishing a genuine European fiscal union – a key structure for completing the economic and monetary pillar of the European Union (EU). Whereas the evidence in the scholarship on such a requisite is somewhat mixed, the magnitude of the COVID-19 crisis and its economic implications have pushed the EU in forging temporary, new fiscal instruments that have the potential of maturing into central capacities of a fiscal union. With these developments at hand, empirical research on the said topic is all the more so pertinent and timely. The dissertation therefore contributes to the literature on the ever-evolving EU fiscal governance processes, namely the establishment of a genuine European fiscal union. By considering multi-strand methodological approaches, the conducted research is spread over three empirical chapters that form an extensive study on fiscal and institutional prospects in the EU
Wheat production and water productivity under deficit irrigation and integrated soil fertility management in Koga, Upper Blue Nile Basin, Ethiopia
Wheat is one of the staple crops in Ethiopia. Nationally, irrigated wheat production is done by resource-constrained smallholder farmers. But, in Koga, wheat productivity is declining from time to time owing to soil acidity-induced fertility problems coupled with water scarcity during the dry spell time. As a result of these factors, the soil's productive capacity has declined, and competition for scarce water has increased, resulting in lower wheat productivity despite increasing population demands for wheat production. This study was designed to explore the effects of deficit irrigation combined with improved soil management practices on wheat production and water productivity.
A review of deficit irrigation and its effect on the water productivity of irrigated crops in Ethiopia was done. Besides, a detailed investigation of soil condition, irrigation water availability, irrigation project performance and major constraints that hampered irrigation development in Koga was done. Parallel to the baseline study, a detailed critical review of deficit irrigation's effect on water productivity, yield reduction and overall yield of irrigated crops was carried out. Based on the baseline study, fixed experimental plots were established at Ambomesk in the Koga irrigation scheme. Experiments were carried out under deficit and full irrigation for four consecutive irrigated seasons with two cropping intensities (2018/19 to 2019/20).
Integrated soil fertility management (ISFM) treatments with three levels of lime, fixed level of manure and inorganic fertilizer were arranged in a randomized complete block design with three replications. The ISFM treatments were (i) 0.86 t ha-1 lime (60% of the lime requirement) combined with 3 t ha-1 manure and full dose inorganic fertilizer (L3), (ii) 1.15 t ha-1 lime (80% of lime requirement) combined with 3 t ha-1 manure and full dose inorganic fertilizer (L2), (iii) 1.43 t ha-1 lime (100% of lime requirement) combined with 3 t ha-1 manure and full dose inorganic fertilizer (L1), (iv) 3 t ha-1 manure combined with full dose inorganic fertilizers (M); and (v) full dose inorganic fertilizer (C) as a control.
In the scenario analysis, we evaluated the effect of reducing the net irrigation requirement (100% ETc) by 50%, 40%, 20%, and 0% during the whole growth stages of wheat. The deficit irrigation (DI) strategies are expressed relative to the crop water requirements, ETc. The water application was done using a 15-cm throat width calibrated standard Parshall flume.
The review results showed that DI considerably increased water productivity (WP) compared with full irrigation. Despite higher WP, the reduced yield was obtained in some of the studied DI practices compared to full irrigation. It was also found that yield reduction may be low compared to the benefits gained by diverting the saved water to irrigate extra arable land. Maize revealed the highest WP when irrigated at only the initial stage compared with being fully irrigated in all growth stages. Also, onion showed a decreasing WP with increased irrigation water from 60% crop water requirement (ETc) to 100% ETc. Increasing water deficit from 100 to 30% ETc led to an increase of wheat WP by 72%. For tomato, the highest WP was found at 75% ETc followed by 50% ETc and 85% ETc, while 100% ETc showed the least WP when DI was applied during the whole crop growing season. Teff showed the lowest WP under 25% ETc irrigation, while it was highest under 50% ETc and 75% ETc throughout the growing season. Teff is more susceptible to water stress when the crop water requirement is reduced by more than 50%.
The baseline study confirmed that all of the respondents had a good perception of soil acidity and its management strategies. Respondents’ perception was in line with the mean soil pH, soil texture, infiltration rate, exchangeable acidity and soil organic carbon obtained from lab analysis and field tests. Soil acidity, unwise use of water, water scarcity and lack of market linkages hampered the performance of the Koga irrigation scheme. Over-fertilization-induced soil acidity problem hampers productivity and farmers' income in Koga. Yet, respondents had a low awareness of irrigation water management, which was confirmed by applying the same amount of water regardless of the crop type. As a result, low yield and water productivity were commonly found. Thus, to reduce soil acidity, an adequate lime supply for farmers with hands-on training on how to apply it would be desirable. Farmers should be aware of how to design effective irrigation scheduling and adopt water-saving management strategies.
Our findings show significantly higher (P L2 > M > L3 > and C for both soil depths 0-10 and 10-20 cm. The Ks under plots treated with L1 was 64% and 37% higher than that of C for the 0-10 and 10-20 cm soil depths, respectively. Significantly (P<0.05) higher infiltration capacity was found at L1 followed by L2, L3 and M compared with C. Good soil structural quality (Sq) score was identified in L1, L2, L3 and M, whereas in C poor Sq score was found. In conclusion, the application of organic manure combined with lime and inorganic fertilizer enhanced the infiltration rate and water holding capacity more than the inorganic fertilizer application alone.
The effect of DI and liming, as well as manuring on average grain yield and biomass, were highly significant. Under all irrigation scenarios, higher grain yield and biomass were found at L1, L2, L3 and M, compared with C. The highest WP was obtained at 50% ETc at L1, L2, L3 and M, respectively, compared with 100%, 80% and 60% ETc. Yet, the lowest WP was found at C under all irrigation scenarios compared with L1, L2, L3 and M. The WP increased when the amount of water supply decreased and liming doses increased. Under 100%, 80% and 50% ETc irrigation scenarios, full dose liming is more profitable but, at 60% ETc, manuring is more profitable. Profitability rises as irrigation water supply reduces. It could be concluded that liming and manuring could be used to mitigate the yield penalty effect of DI.
In conclusion, the findings of this study demonstrate that to increase wheat production in Koga, deficit irrigation and enhanced soil management strategies are required. From a soil management viewpoint, farmers are advised to practice liming and manuring combined with inorganic fertilizers to boost soil quality which in turn, enhances wheat production and water productivity. From an irrigation water management standpoint, farmers can apply 60% ETc to save more water to irrigate extra land with less yield penalty