381023 research outputs found
Sort by
Heat transfer to supercritical refrigerants in the near-critical region
Dit doctoraatsonderzoek heeft als voornaamste doel de kennis rond warmteoverdracht van koelmiddelen onder superkritische condities (werkingsdruk boven de kritische druk) te vergroten. Deze kennis is nodig in het ontwerp van thermodynamische cycli die laagwaardige warmte (afkomstig van restwarmte, geothermische warmte of warmte van de zon) kunnen omzetten in elektriciteit of hoogwaardige warmte, zoals bijvoorbeeld de transkritische organische Rankine cyclus en de superkritische warmtepomp. Het concept van warmteoverdracht onder superkritische condities wordt al decennia lang toegepast in verschillende applicaties (denk aan de elektriciteitscentrales op stoom, die ook onder superkritische condities werken). Tijdens deze warmteoverdracht kunnen er zich echter fenomenen voordoen die ook afhankelijk zijn van het werkingsmedium en de werkingscondities. Dit komt deels doordat verschillende eigenschappen van het medium een sterke verandering doorgaan over een klein temperatuurbereik tijdens verwarmen of koelen. In dit doctoraat werd een opstelling gebouwd die het mogelijk maakt de warmteoverdracht naar superkritische koelmiddelen te meten. Op basis van metingen onder verschillende testcondities werd een database gecreëerd. Deze database, aangevuld met metingen uit literatuur, werd als input gebruikt voor het creëren van een algemeen toepasbare warmteoverdracht correlatie, die op zijn beurt kan gebruikt worden bij het ontwerpen van de warmtewisselaars van de hierboven beschreven cycli
Insights into plant genomic evolution : platycarya adaptation, fagales karyotype evolution, and angiosperm phylogeny
Thio-substituted cyclopentannulation reagents : strategic tools to escape from flatland in medicinal chemistry
Doorheen de jaren heeft de farmaceutische industrie in toenemende mate te maken met een productiviteitscrisis. Dit wilt zeggen dat steeds toenemende financiële investeringen nodig zijn om een nieuw geneesmiddel te kunnen ontwikkelen. Hiertoe zijn meerdere factoren relevant, waaronder een stijgende discrepantie tussen screening bibliotheken en nieuw ontwikkelde geneesmiddelen. Meer bepaald, met het oog op hun efficiënte ontwikkeling bevatten screening bibliotheken steeds vaker moleculair platte fragmenten, terwijl commercialiseerbare geneesmiddelen een mate aan driedimensionaliteit vereisen om selectief en specifiek met het menselijk lichaam te interageren.
Het onderzoek binnen dit manuscript heeft als doel om driedimensionaliteit te installeren op moleculen uit screening bibliotheken. Dit laat het toe om hun efficiënte ontwikkeling te benutten in de synthese van een geneesmiddel. Hiertoe werden twee reagentia ontwikkeld die, via cycloaddities, met hoge selectiviteit screening moleculen kunnen deplanariseren: dithioallyl reagentia en donor-acceptor cyclopropanen als kationische en dipolaire reagentia respectievelijk. In deze reagentia speelt het element zwavel een sleutelrol, daar deze enerzijds de gewenste cycloaddities faciliteert, en deze anderzijds benut kan worden in farmaceutisch relevante derivatisaties, waaronder het “spoorloos” verwijderen van de zwavel-houdende groep ter vorming van een lichtgewicht en driedimensioneel productskelet.
Het doel van dit onderzoek is om gekende chemische procedures aan te vullen op zo’n manier dat deze rechtstreeks benut kunnen worden in de geneesmiddelontwikkeling, en een antwoord kunnen bieden op bovengenoemde productiviteitscrisis
Navigating the transition to higher education : the role of identity and support for the basic psychological needs in first-year students’ academic motivation
Canine hip dysplasia : a forceful exploration through stress radiography
Canine Hip Dysplasia (CHD) remains a significant challenge in veterinary medicine, primarily due to hip joint laxity, which contributes to secondary osteoarthrosis (OA) of the coxofemoral joint (CFJ). Despite good technical repeatability and reproducibility of the Vezzoni Modified Badertscher Distension Device (VMBDD) when operated by trained clinicians, there is a lack of standardized force guidelines which complicates training of the technique and can compromise screening program integrity. Previous studies have attempted to explore the force-laxity relationship, but were limited to cadaveric settings, failing to accurately reflect in vivo conditions. As detailed in Chapter 3, the initial objective was to develop and validate a device capable of quantifying applied force in vivo during stress radiographic imaging, called the Vezzoni Modified Badertscher Distension measuring Device (VMBDmD). This objective was achieved through a two-step approach. First, four load cells were integrated into the original VMBDD, and a dedicated computer program was developed. The accuracy of the device was validated, with a trueness of 0.19 N (0.1%FS) and precision of 0.26 N (0.2%FS) for individual load cells. The assembled VMBDmD exhibited a trueness of 0.02 N (0.02%FS) and precision of 0.52 N (0.38%FS). Secondly, the device was validated on an intact cadaver, providing a first proof of concept for the relationship between applied force and Laxity Index (LI)
Dynamics of social influence: effects of social variables on advice taking and instruction following
Potential sources of flexibility for the Belgian electricity system
Driven by a sharply falling cost price and rising demand for low-carbon electricity, the share of renewable energy in the energy mix has risen dramatically over the last decade, including in Belgium. However, renewable energy is intermittent, creating both technical and economic challenges. There is an increasing need for flexibility in both consumption and production of electricity to keep the system stable. This thesis examines to what extent a number of technologies can contribute to this, and this from a unique techno-economic framework that analyses the economic side in addition to technical feasibility
Exploring the potential of future radar satellite missions for hydrological applications
Aardobservatie speelt een essentiële rol in het begrijpen en beheren van water op onze planeet. Het stelt ons in staat om hydrologische processen, zoals de verdeling en circulatie van water, efficiënt te monitoren. In tegenstelling tot traditionele in situ meetmethoden, dewelke uitgevoerd worden op de specifieke plek waar het natuurlijke fenomeen zich voordoet, biedt aardobservatie via satellieten systematisch observaties over zowel ruimte als tijd. Een specifieke techniek binnen aardobservatie is microgolf teledetectie. Deze techniek is zeer waardevol omdat de straling de wolken kan doordringen en niet afhankelijk is van de van de zon als lichtbron. Dit maakt het mogelijk om dag en nacht en onder bijna alle weersomstandigheden bruikbare gegevens te verzamelen. Microgolf teledetectie is bijzonder nuttig voor het monitoren van veranderingen in sneeuw, oppervlaktewater, bodemvocht, en het watergehalte in vegetatie. Dit proefschrift focust op het gebruik van L-band SAR (Synthetic Aperture Radar) satellietmissies, een geavanceerde vorm van microgolf teledetectie, voor het monitoren van bodemvocht en terrestrische verdamping, beide cruciale elementen in de watercyclus die een grote invloed hebben op landbouw, ecologie en waterbeheer. In dit proefschrift wordt de waarde van innovatieve multistatische, d.w.z. gelijktijdige mono- en bistatische, en sub-dagelijkse SAR-technologieën om de nauwkeurigheid en resolutie van inschattingen van bodemvocht en verdamping te verbeteren, geanalyseerd, waarbij nieuwe inzichten en aanbevelingen worden geboden voor toekomstige radar satellietmissies. Deze innovatieve technologieën zijn cruciaal omdat ze potentieel verbeteringen bieden ten opzichte van bestaande satellietsensoren. Multistatische SAR heeft het vermogen om de nadelige effecten van oppervlakteruwheid voor het bepalen van het bodemvocht te reduceren, terwijl sub-dagelijkse SAR-observaties rekening kunnen houden met de kortetermijndynamiek van het watergehalte binnen en op het oppervlak van vegetatie voor de inschatting van verdamping en de verschillende componenten ervan (bodem evaporatie, transpiratie, interceptieverlies, sneeuwsublimatie en openwaterverdamping)
Towards an integrated approach for effective Cyperus esculentus control
Cyperus esculentus L. (knolcyperus) is één van ‘s werelds gevaarlijkste onkruiden in de landbouwsector vanwege zijn hoog vermenigvuldigingspotentieel, het grote risico op verspreiding met machines en voertuigen en zijn lage gevoeligheid voor bestrijdingsmaatregelen. Ondanks strenge overheidsinterventies en intensieve chemische controle blijft het areaal besmette percelen sterk toenemen. De optimalisatie van een IWM-strategie (geïntegreerde onkruidbestrijding) voor C. esculentus is noodzakelijk en vormde de aanleiding van deze doctoraatsthesis. De volgende onderwerpen werden onderzocht in vier delen en vormen de ruggengraat van de vijf hoofdstukken in deze doctoraatsthesis: 1. Genetische en morfologische variatie binnen en tussen C. esculentus klonale populaties (Hoofdstuk 2). 2. In situ vestiging en reproductief potentieel van C. esculentus zaailingen (Hoofdstuk 3). 3. Bestrijding van C. esculentus door middel van intensief maaien met of zonder interspecifieke concurrentie (Hoofdstuk 4). 4. Herbicide-gevoeligheid van verschillende klonale populaties van C. esculentus (Hoofdstuk 5) en effectiviteit van herbicide-sequenties op C. esculentus besmettingen met een verschillend knollendistributieprofiel in de bodem (Hoofdstuk 6). Dit doctoraatswerk identificeerde verschillende kritieke punten voor het ontwikkelen van effectieve IPM-strategieën: De preventie pijler kan versterkt worden door ten eerste praktijken aan te bevelen die het verspreidingsrisico binnen en tussen percelen verlagen en door praktijken te ontmoedigen die het verspreidingsrisico van C. esculentus verhogen. Ten tweede, wanneer interventiepraktijken snel na de introductie van de infectie worden uitgevoerd, kan de verspreiding van C. esculentus binnen het veld worden beperkt. Ten laatste moet C. esculentus zaadzetting ten allen tijde voorkomen worden. De monitoringspijler moet, om te beginnen, focussen op het in kaart brengen van de besmette gebieden in een perceel zodat enerzijds bodem verstorende praktijken in deze gebieden vermeden kunnen worden en anderzijds de prestaties van controle strategieën opgevolgd kunnen worden in de tijd. Bijkomend kan het monitoren van de aanwezige genotypes of morfotypes in besmette percelen helpen bij het ontwerpen van gepaste C. esculentus controle strategieën. De interventiepijler kan op verschillende manieren geoptimaliseerd worden. Ten eerste kunnen C. esculentus planten in teeltvrije zones bestreden worden door intensief maaibeheer. Ten tweede is het cruciaal om de herbiciden bij hun maximaal toegelaten dosering te gebruiken om rekening te houden met interklonale verschillen in gevoeligheid en om hormetische effecten op de knolproductie te vermijden. Ten derde moet een effectieve en robuuste chemische bestrijdingsstrategie bestaan uit een herbicidenreeks met minstens twee toepassingen. Ten vierde, om de effectiviteit van chemische bestrijding van C. esculentus klonale populaties te maximaliseren, is het aan te raden om kerend ploegen te vermijden. Als laatste en belangrijkste punt; de meerderheid van de chemische strategieën die in deze doctoraatsthesis zijn getest, leidt niet tot een vermindering van de knoldichtheid in de bodem wanneer ze op zichzelf worden toegepast. Een combinatie van bestrijdingstactieken die gedurende opeenvolgende jaren worden toegepast is een vereiste om een vermindering van de knoldichtheid te bereiken en is de hoeksteen van elke succesvolle geïntegreerde onkruid beheersingsstrategie voor C. esculentus