381023 research outputs found
Sort by
Pathways to optimise clinical trials in a paediatric setting : an analysis on macro- and micro-level capabilities
Pluricentrisme in de praktijk : naar een methode voor de codificatie van grammaticale verschillen tussen Belgisch Nederlands en Nederlands Nederlands
In dit proefschrift ontwerpen we een wetenschappelijk betrouwbare en praktisch toepasbare methode om nationale variatie in de grammatica van het Standaardnederlands te onderzoeken en te beschrijven in een referentiegrammatica. De aanleiding is de lopende herziening van de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS), de belangrijkste referentiegrammatica van het Nederlands voor een breed publiek. Een van de doelen van het herzieningsproject is namelijk om de pluricentrische visie op het Nederlands te implementeren, i.e. de visie dat er meerdere nationale standaardvariëteiten van het Nederlands zijn. De Taalunie onderscheidt bijvoorbeeld Belgisch Nederlands (BN), Nederlands Nederlands (NN) en Surinaams Nederlands (SN). In zo’n pluricentrische ANS moeten grammaticale verschillen tussen de nationale standaardvariëteiten beschreven worden.
Om tot zo’n onderzoeks- en beschrijvingsmethode te komen, reflecteren we op basis van literatuurstudie over vragen (1)-(5). We beperken ons daarbij tot BN en NN, aangezien er te weinig voorstudies zijn over SN.
(1) Op welk geografisch niveau beschrijf je diatopische variatie in de standaardtaal: moet er bijvoorbeeld rekening worden gehouden met verschillen onder het nationale niveau?
(2) Op basis van welk type data kan de diatopische variatie het beste beschreven worden: productiedata, evaluatiedata of een combinatie van beide?
(3) Welke productiedata zijn representatief voor standaardtaal?
(4) Met welke methodes meet je diatopische variatie in productiedata?
(5) Hoe vertaal je productiedata naar een beschrijving in een referentiegrammatica?
Op basis van die literatuurstudie beargumenteren we bij (1) dat het gerechtvaardigd is om diatopische variatie op nationaal niveau te beschrijven. Bij (2) besluiten we dat evaluatiedata minder geschikt zijn bij onderzoek naar een groot aantal grammaticale verschijnselen, zodat we ons bij (3)-(5) toespitsen op productiedata. Bij (3) laten we zien dat krantentaal het beste bruikbaar is om standaardtaal te beschrijven, hoewel het genre een aantal beperkingen kent. Bij (4) en (5) stellen we vast dat er nood is aan productiedata waaraan methodes voor onderzoek en beschrijving kunnen worden afgetoetst. Daarom verkennen we de variatie tussen BN en NN bij een representatief staal van 24 grammaticale verschijnselen die potentieel diatopische variatie vertonen.
Voor dat verkennend onderzoek ontwerpen we een systematische methode, en we voeren het onderzoek uit in de krantencomponent van SoNaR. Op basis van de verzamelde productiedata worden zes categorieën grammaticale verschijnselen met diatopische variatie onderscheiden die relevant zijn voor de grammaticografische beschrijving. Voor elke categorie wordt een methode voorgesteld om volgende kenmerken te beschrijven in een referentiegrammatica:
(a) het verspreidingspatroon van de varianten;
(b) de normatieve status van de varianten;
(c) kwalitatieve noord-zuidverschillen in het gebruik van de varianten;
(d) de eventuele bijzondere pragmatische waarde van de varianten.
Zo komen we tot een methode om nationale variatie in de grammatica te onderzoeken en te beschrijven. Hoewel er daarbij een aantal blinde vlekken overblijven, heeft de methode als belangrijke voordelen dat ze grammaticografen houvast biedt om de grammaticale noord-zuidvariatie voor een groot aantal verschijnselen te beschrijven op een systematische en wetenschappelijk betrouwbare wijze. Bovendien wordt die variatie behoorlijk fijnmazig weergegeven in de referentiegrammatica, op zo’n manier dat voor de gebruikers ervan duidelijk wordt dat niet alle grammaticale noord-zuidverschillen over dezelfde kam geschoren kunnen worden.In this dissertation, we design a scientifically reliable and practically applicable method for investigating and describing national variation in the grammar of Standard Dutch in a reference grammar. The motivation for this research arises from the revision of the Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS), the main reference grammar of Dutch aimed at a broad audience. One of the goals of the revision project is to implement the pluricentric perspective on Dutch, i.e., the perspective in which multiple national standard varieties of Dutch are distinguished. The Taalunie, for instance, distinguishes between Belgian Dutch (BD), Netherlandic Dutch (ND), and Surinamese Dutch (SD). In such a pluricentric ANS, grammatical differences between the national standard varieties need to be described.
To develop such a method, we reflect on questions (1)-(5) through a literature review. We confine our focus to BD and ND, given that there is insufficient prior research on SD.
(1) At what geographical level should diatopic variation in standard language be described, e.g. should differences below the national level be considered?
(2) What type of data is most suitable for describing diatopic variation: production data, evaluation data, or a combination of both?
(3) What kind of production data are representative of standard language?
(4) What methods are used to measure diatopic variation in production data?
(5) How should production data be translated into a description in a reference grammar?
Regarding (1), we argue that it is justified to describe diatopic variation between national varieties. For (2), we conclude that evaluation data are less suitable for investigating a large number of grammatical phenomena, which is why we focus on production data in (3)-(5). For (3), we demonstrate that newspaper language is the most useful for describing standard language, even though the genre has certain limitations. For (4) and (5), we show that we need production data to test which methods for investigation and description are suitable. Therefore, we explore the variation between BD and ND in a representative sample of 24 grammatical phenomena that potentially exhibit diatopic variation.
For this exploratory research, we design a systematic method and we conduct the research within SoNaR Newspapers. Based on the collected production data, six categories of grammatical phenomena with diatopic variation are identified, which are relevant for grammaticographic description. For each category, a method is proposed to describe the following features in a reference grammar:
(a) the distribution pattern of variants;
(b) the normative status of variants;
(c) qualitative national differences in the use of variants;
(d) the potential special pragmatic value of variants.
By doing so, we arrive at a method for investigating and describing national variation in grammar. Although there are some remaining blind spots, the method offers significant advantages by providing grammarians with a framework to describe national grammatical variation for a wide range of phenomena in a systematic and scientifically reliable way. Moreover, this variation is presented in a nuanced manner in the reference grammar, making it clear to its users that not all national grammatical differences should be treated alike
Thinking outside the box : non-standard methods for atomic/molecular layer deposition
Het continu kleiner maken van micro-elektronica vereist een steeds hogere controle (tot op de atomaire schaal) op het fabricatieproces van de technologie. Atomaire Laag Depositie (ALD) en Moleculaire Laag Depositie (MLD) hebben zich reeds bewezen als ideale depositietechnieken voor deze toepassingen vanwege hun ongeëvenaarde filmkwaliteit, diktecontrole en mogelijkheid om complexe substraten te coaten. Toch zijn er nog veel uitdagingen, zoals de moeilijkheid om pure metalen af te zetten, de lage stabiliteit van hybride/organische lagen, de beperkte beschikbaarheid van precursoren en het maken van lagen met polyanionische verbindingen. Om de grenzen van de traditionele depositie processen te verleggen was er daarom nood aan een onderzoek van verschillende out-of-the-box ideeën. Tijdens dit proefschrift zijn er fotonen gebruikt om het nucleatiegedrag en de morfologie van metallische lagen te controleren; behandelingen met zuurstofplasma op verschillende zogenaamde ‘metalcones’ zijn toegepast om hun stabiliteit en compatibiliteit met latere deposities te verhogen; en ozon is gebruikt om via in-situ oppervlakte-functionalisatie voor het eerst een nieuw soort materiaal, i.e. fosfonaatfilms, te verkrijgen
NiCu-based catalyst design for the hydrodeoxygenation of bio-derived model compounds
Door de uitputting van fossiele grondstoffen en bijbehorende milieuproblemen is er behoefte aan hernieuwbare alternatieven. Lignocellulose is een ruimschoots beschikbare biomassa die niet concurreert met voedselproductie. Met behulp van verschillende processen die de hydrodeoxygenatiereactie gebruiken (HDO) kan de biomassa omgezet worden in zowel biobrandstoffen als chemicaliën. Echter, huidige HDO-katalysatoren, gebaseerd op de petroleumindustrie, zijn niet optimaal voor biomassa. Deze thesis richt zich op het vervangen van deze katalysatoren door NiCu katalysatoren die specifiek ontworpen worden voor deze hernieuwbare bronnen. NiCu op γ-Al2O3-drager bleek veelbelovend, maar miste stabiliteit. Diverse stoffen, zoals Ca, Mg, Ce en La, zijn getest voor modificatie om de katalysorprestaties te verbeteren. Ca verbeterde de stabiliteit, maar verminderde de selectiviteit voor gedeoxygeneerde producten. Ce en La beïnvloedden de activiteit en selectiviteit, afhankelijk van de impregneervolgorde. Sequentiële impregnering met La voor NiCu verbeterde de stabiliteit aanzienlijk. Ook voor valorisatie van furfural-afgeleide verbindingen toonden (La-)NiCu-katalysatoren potentieel, waarbij de drager een cruciale rol speelde. La toevoegen versterkte de activiteit opmerkelijk. Dit onderzoek levert een belangrijke bijdrage aan het optimaliseren van NiCu-katalysatoren voor HDO, biedt een kosteneffectief alternatief en bevordert duurzame productie van koolstofneutrale brandstoffen en waardevolle producten, bijdragend aan een duurzamere toekomst
Plant-parasitic nematodes of finger millet (Eleusine coracana (L.) Gaern.) in Kenya, and their management by enhancing plant defense
Exploring low Z elements in mixed metal oxides using X-ray Raman scattering spectroscopy
In dit proefschrift wordt Ni/MgFeAlO4 onderzocht als katalysator voor droge reforming van methaan (DRM), omwille van zijn potentieel voor koolstofbestrijding. De studie richt zich op de elektronische structuur, met name de rol van lichte elementen (O, Al en C) tijdens opeenvolgende reacties, cruciaal om de katalytische prestaties te koppelen aan zijn chemisch gedrag. Geavanceerde X-straaltechnieken zoals X-straal-Ramanspectroscopie (XRS) en X-straal-Emissiespectroscopie (XES) worden voor het eerst in-situ toegepast, waarbij inzicht wordt verkregen in de rol van lage-Z-elementen in de katalyse. De resultaten tonen hoe er een elektronische uitwisseling plaatsvindt tussen zuurstof en naburige 3d-overgangselementen (Ni en Fe) en detailleren het gedrag van Ni en Fe tijdens redoxcycli, waarbij Ni volledig metallisch wordt na reductie, maar Fe in een gemengde oxidatietoestand blijft. Het proefschrift onderzoekt ook een multifunctioneel materiaal (NiO/CaO/Fe2O3-MgAl2O4) dat CO2-opvang, redoxactiviteit en warmtegeneratie combineert, met een XRS-analyse die zich vooral richt op de rol van Ca en O in de structurele veranderingen. Daarnaast wordt een literatuuroverzicht gepresenteerd over het simuleren en interpreteren van O K-spectra om het begrip van de rol van zuurstof in katalyse en energieopslag te verbeteren. Het proefschrift benadrukt hoe zuurstof katalytische en (electro)chemische prestaties beïnvloedt, met impact in heterogene katalyse en energieopslagsystemen
Smart animal monitoring using wearables and ingestibles : automated solutions for training, health, and behavior analysis
Writing to the authorities : a study on the materiality of official requests from Roman and Late Antique Oxyrhynhcos
This dissertation investigates the materiality of hypomnemata (petitions, declarations and applications) addressed from the citizens to the state during the Roman and Late Antique periods. These documents were central for the official communication between individuals and the administration, and their materiality offers critical insights into the social dynamics, administrative practices, and everyday interactions with the state. The study employs a tripartite analytical framework that considers the physical aspects of the writing support (material frame), the methods of production (production frame) and social conventions (relational frame) as the fundamental constraints that shape the materiality of hypomnemata.
The material frame urges an investigation of the materiality of the writing support, i.e. the documentary roll, which is currently lacking. From a quantitative and contextual analysis, a significant evolution in the size and format of documentary rolls emerged over time, reflecting technological, economic, and administrative changes. Geographical variations in document height and format were observed between different nomes, highlighting regional differences in writing practices and access to materials.
Within the production frame, the study examines the methods and processes used to create these documents, with a particular emphasis on the practice of writing duplicates on continuous rolls and how it contributed to shape their final format and layout. In particular, it will be demonstrated how this process affected aspects such as the alignment of text and the use of margins, and how it influenced the persistence of certain aspects of the materiality despite broader administrative and cultural shifts.
Finally, the relational frame highlights the impact of social conventions and administrative procedures on documentary materiality. Standardized practices, handwriting styles, and administrative procedures all played significant roles in how these documents were produced and perceived. Over time, as the administrative system evolved, changes in document layout and format reflected important political and administrative shifts, notably the weakening of the central state during the Byzantine period.
This research offers a new framework for understanding the materiality of documentary texts in historical contexts, providing a foundation for future research in papyrology and related fields
Immunity, inviolability and countermeasures : a closer look at non-UN targeted sanctions
Netwijdte : de sublieme verbeelding van het internet in de Nederlandse en Vlaamse roman
De sterk toenemende verspreiding en ontwikkeling van genetwerkte informatietechnologieën heeft van het internet een onmisbaar instrument gemaakt in het leven van alledag. De alomtegenwoordigheid van digitale media, zo betogen talloze onderzoekers, dringt door tot in de haarvaten van de samenleving, en bepaalt met name de kennis die over mens en wereld mogelijk wordt. Daarom wordt geopperd dat het digitale tijdperk heeft plaats gemaakt voor het ‘postdigitale’.
Dit proefschrift stelt de vraag hoe de hedendaagse roman reflecteert op de status, productie en verwerving van kennis in het internettijdperk. Als literair genre wordt de roman in een postdigitale context nieuwe betekenissen toegedicht en krijgen specifieke literaire strategieën en modi nieuwe functies. Het proefschrift voorziet een postdigitaal leeskader dat de verbeelde relaties tussen mediatechnologie, kennis en subjectiviteit op de voorgrond plaatst.
Een vitale component van dat kader bestaat uit de esthetische traditie van het sublieme. Als hypothese namen we aan dat de verbeelding van het internet inherent aanleiding geeft tot sublieme beelden. In de culturele verbeelding worden de omvang, snelheid en oneindige mogelijkheden van de wereldwijde informatie- en communicatienetwerken vaak in beelden en registers uitgedrukt die aansluiten bij de esthetische traditie van het sublieme. Om de sublieme verbeelding van het internet genuanceerd in kaart te brengen, onderscheidt het proefschrift twee kennisdomeinen die de twee kanten van de sublieme medaille vormen, namelijk ‘wereld’ en ‘subject’.
De studie schetst een representatief beeld van de literaire verbeelding van het internet in de roman van de Lage Landen. Daarvoor is een gevarieerd en breed corpus afgebakend dat aanvangt met de maatschappelijke intrede van het internet in Nederland en Vlaanderen in de jaren 1990, en dat loopt tot het postdigitale heden. Aan de hand van het aan de media-archeologie ontleende concept ‘imaginaire media’ omschreef dit proefschrift drie dominante topoi in de verbeelding van het internet. Het gaat om drie topoi die een directe impact hebben op de status en circulatie van kennis. Het gaat dan om (1) het internet als virtuele wereld, (2) dataficering als algoritmische magie en (3) het virtuele lichaam. In drie hoofdstukken worden deze topoi met het corpus in dialoog gebracht, waarna in een gevalstudie een narratologisch vraagstuk wordt uitgewerkt.
Die narratologische kwesties worden samengebracht in een meerlagig analyseapparaat dat een beter inzicht in de sublieme verbeelding van het internet mogelijk maakt. De narratologische benadering situeert het sublieme op zowel het niveau van de representatie (d.w.z. de voorstellingen binnen de verhaalwereld en de plot) als de presentatie (d.w.z. de literaire organisatie van narratieve informatie, perspectief, stijl en compositie). In de close-reading van twee grote gevalstudies, Zwerm (2005) van Peter Verhelst en Op de rok van het universum (2015) van Tonnus Oosterhoff, komt het postdigitale sublieme naar voren als een geheel van verbeeldingsstrategieën die de immense verwevenheid van mens, kennis en internet aanschouwelijk maken. Die sublieme ontmoetingen doen zich voor in de wisselwerking tussen subject en wereld