726 research outputs found
Sort by
Bij het begin beginnen : het Bijbels-theologische project van Frans Breukelman
Proefschrift Protestantse Theologische Universiteit Amsterdam 2019
De vorming van verlangen : het zingen van Psalmen als vormende liturgische praktijk
Masterthesis Ethie
Zie, de mens! : een onderzoek naar de betekenisgeving van vrijwilligers in hun ontmoeting met daders van misbruik van minderjarigen
Masterthesis Practices ; Gemeentepredikan
Tussen wet en geweten : analyse van de verschillende visie op de wet begrensd tot de schriftelijke polemiek tussen Castellio en Beza over Romeinen 7:5-6
Masterthesis Gemeentepredikan
'Persoon, kracht, extensie' : een evaluatief onderzoek naar het spreken over de Heilige Geest als kracht en als persoon bij John Owen en Jan Veenhof aan de hand van de ruach JWHW in het Oude Testament
Samenvatting
De kerk belijdt dat de Heilige Geest een van de drie goddelijke personen is. Een terugkerende vraag is of er niet beter over de Heilige Geest als kracht gesproken kan worden. De vraag die eigenlijk gesteld wordt, is of de Heilige Geest een goddelijk Iemand of een goddelijk Iets is. Bij de Vader en de Zoon ligt het spreken over personen meer voor de hand dan bij de Heilige Geest. Wanneer het gaat over de Heilige Geest, dan gaat het vooral over wat Hij doet.
In dit onderzoek wordt geanalyseerd welk antwoord John Owen en Jan Veenhof geven op deze vraag. Vanwege de strijd met de socinianen, die het persoon-zijn van de Heilige Geest ontkenden, legt Owen alle nadruk op het persoon-zijn van de Heilige Geest. Dit persoon-zijn van de Heilige Geest verdedigt Owen in zijn bekende werk Pneumatologia aan de hand van persoonseigenschappen en daden. Persoon-zijn betekent voor Owen dat een entiteit verstand, een wil en kracht heeft. Het antwoord van Jan Veenhof is dat de Heilige Geest een kracht én een persoon is. Daarbij legt Veenhof alle nadruk op kracht en relationaliteit. De meest kenmerkende typering voor de Heilige Geest is voor Veenhof de Geest als pontifex maximus.
De posities van Owen en Veenhof worden ook geëvalueerd aan de hand van de oudtestamentische teksten die spreken over de ruach JHWH. Recent exegetisch onderzoek naar de ruach-teksten laat zien dat het begrip extensio het meest passend is om de ruach JHWH te identificeren. De ruach is relatief zelfstandig van JHWH. Relatief omdat de ruach altijd verbonden blijft met JHWH zelf en tegelijk toch ook zelfstandig omdat de ruach van JHWH uitgaat net zoals de adem van iemand uitgaat. Het is voor de systematische doordenking van het persoon-zijn geen bezwaar dat verschillende oudtestamentische exegeten spreken over relatieve zelfstandigheid. Dit sluit goed aan op het trinitarische persoonsbegrip waarbij het niet gaat om een zelfstandig individu, maar om personen die hun identiteit aan elkaar ontlenen en daarom ook niet zonder elkaar kunnen
De onrechtvaardige rentmeester in perspectief : een exegetisch onderzoek naar de sociaaleconomische context van Lukas 16:1-8 en een hermeneutische verkenning op basis van de daaruit voortvloeiende theologisch ethische implicaties
Masterthesis Sources
"Als kort goed is, is lang verkeerd!"
In deze masterscriptie is gezocht naar mogelijkheden om de kerkelijke appelprocedure binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland (CGK) sneller en effectiever in te richten. Het kerkrecht van de CGK kan getypeerd worden als gereformeerd kerkrecht. Wijzigingen in de appelprocedure kunnen daarom alleen slagen als ze niet strijdig zijn met de grondbeginselen van het gereformeerde kerkrecht. Dit onderzoek valt daarom in twee delen uiteen.
In het eerste hoofddeel van dit onderzoek zijn de grondbeginselen van het gereformeerde kerkrecht onder elkaar gezet. Deze grondbeginselen wortelen in de gereformeerde confessie. In de NGB worden de gedachten van Calvijn over de kerk verwoord. Calvijns commentaar op 1 Korinthe 14: 33 en 40 (en de woordstudies op die verzen) reiken het eerste grondbeginsel aan. Omdat de ecclesiologie in het gereformeerd kerkrecht concreet wordt gemaakt via het presbyteriale-synodale stelsel van kerkregering, zijn de grondbeginselen van dit stelsel daarmee ook grondbeginselen van het gereformeerd kerkrecht. Daarnaast werden grondbeginselen gevonden in de aanloop naar, de voorgangers van en de inhoud van de Dordtse Kerkorde 1619.
In het tweede hoofddeel van dit onderzoek is het appelrecht besproken. Mogelijke wijzigingen van de appelprocedure zijn getoetst aan de bovengenoemde grondbeginselen. Die toetsing leidt tot de conclusie dat de appelprocedure inderdaad sneller en effectiever ingericht kan worden door de particuliere synode op te heffen in combinatie met de invoering van marginale toetsing door de generale synode. De toetsing aan de grondbeginselen van het gereformeerde kerkrecht leidt tevens tot de conclusie dat de invoering van een kerkelijk kort geding niet mogelijk is. Wel kan een spoedprocedure worden ingevoerd binnen de grenzen van de genoemde grondbeginselen. In een kort afsluitend deel is onderzocht welke elementen uit de appelprocedures van de PKN, de HHK, de GKV en de voormalige GKN dienstbaar kunnen zijn voor een snellere en effectievere appelprocedure binnen de CGK. De instelling van kerkelijke rechtbanken die onafhankelijk van kerkelijke vergaderingen kunnen opereren zoals binnen de PKN en de HHK, is strijdig met enkele grondbeginselen van het gereformeerde kerkrecht. Van de GKV en de voormalige GKN is de instelling voor een deputaatschap voor Appelzaken over te nemen, die een classis kan adviseren bij appelzaken, en daarin ook voorbereidend werk kan doen. Verder was in de voormalige GKN de gebruikelijke route om eerst revisie aan te vragen bij de kerkelijke vergadering die het primaire besluit had genomen; daarna stond de weg van appel open. Bij het verdwijnen van de PS is dat binnen de CGK een manier om het zorgvuldigheidstekort dat anders ontstaat, op te lossen
Jean Calvin als liturgist : beeldvorming en feiten
Geschiedschrijving is een samengaan van feiten en interpretatie van de feiten. De historiografie bedoelt dit ingewikkelde proces te beschrijven. Deze studie is een historiografisch onderzoek naar feiten en beeldvorming betreffende Jean Calvin als liturgist. De drie onderzoeksvragen zijn :
a.Wat zijn de historische feiten over de jonge Calvijn in Genève-Straatsburg-Genève als liturgist, zijn liturgisch-theologische uitgangspunten en zijn Dienstboek?
b. Wat is de beeldvorming van Calvijn als liturgist bij een aantal kerkhistorische Calvijn-specialisten?
c. Wat is de beeldvorming van Calvijn als liturgist bij een aantal auteurs van diverse liturgieken, geselecteerd naar kerkelijke denominatie en nationaliteit: Frans, Duits, Engels en Amerikaans.
Beeldvorming is onder historici een algemeen aanvaard begrip, zozeer dat er in de moderne geschiedeniswetenschap sinds 1980-1990 twee factoren deel uitmaken van het onderzoek naar ‘de’ feiten. Dat zijn ‘invention of tradition’, de geschiedenis inkleuren naar de eigen beeldvorming van de auteur, en ‘de context’ van de auteur: zijn nationaliteit, zijn eigen tijd, zijn denominatie en zijn gender. Voorzien van deze gereedschappen is dit een onderzoek geworden van liturgische archeologie:
Stukje bij beetje moesten uit vele duizenden pagina’s opmerkingen en feiten, eigen ideeën van de auteurs en omissies in hun werk worden ontdekt. Met als resultaat: er is geen systematiek noch overeenstemming te ontdekken onder de 25 auteurs, noch bij de Calvijndeskundigen, noch bij de Liturgiedeskundigen. Zelden blijken de gegevens over de liturgist Calvijn volledig te zijn, als deze kant van Calvijn al genoemd wordt. In het merendeel van de onderzochte boeken is Calvijn als liturgist marginaal, behalve in de speciaal aan dit aspect gewijde monografieën. Het feit dat het Franstalige Dienstboek La Manière-La Forme van Calvijn nooit in het Nederlands is vertaald, kan een niet te onderschatten verklaring hiervoor zijn. Onbekend maakt onbemind. Een vertaling van mijn hand is mede daarom in ‘Calvijn verzameld’ opgenomen
Quirinus en de andere Van Blankenburgs: drie generaties musici in de zeventiende en eerste helft van de achttiende eeuw.
Deze dissertatie heeft tot doel het Noord-Nederlandse muziekleven in kaart te brengen vanaf het laatste kwart van de zestiende tot en met de eerste helft van de achttiende eeuw vanuit het perspectief van opeenvolgende generaties musici met de naam Van Blankenburg.
In de voorfase van het onderzoek werd, grotendeels op grond van bestaande literatuur, de potentie getoetst van de Van Blankenburgs als representanten van het te onderzoeken tijdperk aan de hand van drie criteria:
a) de breedte van hun beroepsmatige uitgangspositie;
b) de reikwijdte van hun leef- en werkgebied in geografisch opzicht;
c) hun positie en rol ten aanzien van stromingen en vernieuwingen binnen en buiten het eigen werkgebied.
De uitkomsten boden de nodige grond om het onderzoek ter hand te nemen, met als centrale vraagstelling:
Zijn leven en werken van de Van Blankenburgs representatief voor het Noord-Nederlandse muziekleven in de onderzochte periode?
Het onderzoek naar de levens en muzikale werkzaamheden van de Van Blankenburg heeft een ruim aantal niet eerder bekende gegevens opgeleverd. Als zodanig kan deze studie fungeren als belangrijke aanvulling op de stand van kennis van het kerkelijk muziekleven – met name de gereformeerde traditie – in de Noordelijke Nederlanden tijdens de onderzochte periode.
Het bestuderen van een grote hoeveelheid niet eerder onderzocht archiefmateriaal bracht tevens een aantal nog onbekende muzikale bronnen aan het licht. Deze bronnen variëren van traktaten tot koraalboeken en van basso continuo-zettingen tot zelfstandige composities
Jesus’ embodiment of Israel as reflected in his use of Deut 6-8 in Matt 4:1-11 to fight the devil
Masterthesis Nieuwe Testamen