726 research outputs found
Sort by
Union with God: An Assessment of Deification (Theosis) in the Theologies of Robert Jenson and John Calvin
Community as Mission : the Church Mission Society as Gift and Call in an Individualised and Globalised World
proefschrift Protestantse Theologische Universitei
Navolging als vormend principe in de pedagogiek van Bavinck
Master Identiteit, ethiek en samenlevin
Delimitation criticism as a guide to an Urdu translation of the Psalms: the example of Psalm 1
Doing Theology from the Body : A Contribution from the Experience of the Baptism in the Holy Spirit in Guatemalan Pentecostalism to Latin American Pentecostal Theology
Het laatste van Job : een evaluatief onderzoek naar de waardering van Jobs klacht bij Johannes Calvijn en Søren Kierkegaard, toegespitst op hun theologische interpretatie van Job 42
W. Aalders heeft gesteld dat bij Calvijn Job een gebonden boek blijft maar dat het boek Job bij Kierkegaard tot leven komt. Deze scriptie vindt in deze stelling haar aanleiding en beoogt het gesprek tussen systematische theologie en Bijbelse theologie verder brengen door Calvijns en Kierkegaards interpretatie van Job 42 te lezen met het oog op de klacht van Job. Het eerste deel van de scriptie gaat over Calvijns Preken over Job (1554–55). Deze preken worden zeer verschillend gewaardeerd. Calvijn zelf onderging het lijden in zijn leven gelovig en geduldig. Zijn Preken over Job zijn bijzonder omdat hij er geen prælectiones over hield en Calvijn ze ook niet verwerkte tot commentaar. De kern van het boek Job ziet Calvijn in de leer van de voorzienigheid. In zijn voorzienigheidsleer had Calvijn vóór hij de preken hield al gewezen op een dubbelheid in God en in de Preken over Job gebruikt hij hiervoor de term dubbele gerechtigheid (iustice double). Deze term komt in de Institutie (1559) niet meer terug. Dubbele gerechtigheid houdt in dat Gods gerechtigheid verborgen is en de gerechtigheid van de mens nietig. Calvijn staat met zijn nadruk op voorzienigheid in de Middeleeuwse uitlegtraditie van het boek Job. Vanuit deze achtergrond legt Calvijn Job 42 uit als voorbeeld van hoe de tijdelijkheid van het lijden waarin Gods gerechtigheid verborgen is, in de hemelse heerlijkheid overgaan zal in aanschouwen van God. Hij waardeert de klacht van Job negatief als blasfemie. Deze waardering moet tegen de achtergrond van de Stoa worden gelezen. Zijn waardering van de klacht had vanuit zijn eigen theologie positiever kunnen zijn. Uiteindelijk verwijst Job 42 bij Calvijn naar een natijdelijke eschatologie. Het tweede deel van de scriptie schetst Kierkegaards verstaan van Job tegen de achtergrond van Kierkegaards gebruik van de functionele paradox. Deze komt op alle niveau’s van zijn leven en werk terug en heeft het theologisch doel van het leiden tot de Waarheid. Deze structuur wordt ook zichtbaar in zijn verstaan van Job, omdat in De herhaling (1843) de klacht als omgang met het lijden wordt aangewezen maar in zijn Opbouwende toespraak (1843) over Job juist de lofprijzing. Deze tegenstelling weerspiegelt de tegenstelling die in de Schrift aanwezig is tussen epiloog en dialoog van Job en waardeert deze als functionele paradox. Vanuit deze achtergrond vindt in Job 42 volgens Kierkegaard een herhaling (Gjentagelse) plaats: Job krijgt allereerst God en zichzelf terug en daarnaast wordt hij materieel gezegend. Kierkegaards functionele paradox is op te vatten als een postkritische hermeneutiek die een biblicistische én historisch-kritische benadering overstijgt. Uiteindelijk verwijst Job 42 bij Kierkegaard naar een eschatologie die zich realiseert als God zich openbaart in het leven van de lijdende. Calvijn en Kierkegaard hebben in hun interpretatie van Job parallelle structuren maar verschillende invullingen daarvan. Beider eschatologische opvatting geeft de lijdende een andere blikrichting. Calvijn verwijst naar de hemelse heerlijkheid ná dit leven, Kierkegaard benadrukt dat bij God alle dingen mogelijk zijn, ook in dit leven. Beider visie op de klacht is tegengesteld maar Kierkegaards visie is te waarderen als correctie op die van Calvijn
Worship with children : agentive participation in Dutch Protestant contexts
proefschrift Protestantse Theologische Universitei
De betere mens: een medisch-ethisch kader voor mensverbetering vanuit christelijk perspectief
Dit proefschrift draagt als titel De betere mens en heeft als ondertitel ‘Een medisch-ethisch kader voor mensverbetering vanuit christelijk perspectief’. Het thema van deze studie is mensverbetering, met een focus op functionele lichaamsverbetering. Op zoek naar geluk en een beter leven lijken een sterker lichaam, een beter gedrag, het bij voorbaat genetisch aanpassen van embryo’s, een beter geheugen en een onlineverbinding tussen ons brein en de computer heel wenselijk. Met behulp van technologie kan de medische wereld ons helpen ons lichaam op te waarderen en te perfectioneren. Deze dissertatie laat zien dat ons mensbeeld en lichaamsideaal in de loop van de tijd telkens verandert. De auteur beschrijft vanuit christelijk perspectief een beeld van de mens en ontwikkelt een antropologisch concept met het oog op de vraag in hoeverre toepassingen van verbetertechnologieën een aanvaardbare inbreuk betekenen op onze lichamelijkheid als normatief gegeven én of ze positief bijdragen aan ons leven. Vervolgens wordt op basis van de verworven inzichten een medisch-ethisch kader geschetst voor functionele lichaamsverbetering.
Voor een goed zicht op het onderwerp en om verder te komen dan een procedurele ethiek zijn verschillende wetenschappelijke disciplines te hulp geroepen. Deze studie is geen cultuurhistorische vakstudie en ook geen zuiver theologische of filosofische vakstudie. De aard van dit onderzoek is interdisciplinair, gestuurd door de vraagstelling met inhoud vanuit diverse vakgebieden. De inbreng uit deze vakgebieden werd geïntegreerd om de onderzoeksvraag te beantwoorden.
This dissertation is entitled ‘The Better Human’, and has the subtitle ‘A medical-ethical framework for human enhancement from a Christian perspective’. Its theme is human enhancement, with a focus on functional enhancement.
In the search for happiness and a better life, a stronger body, better behavior, the genetic modification of embryos, a better memory and an interface between our brain and the computer seem highly desirable. With the help of technology, medical practice can upgrade and perfect our bodies.
This dissertation shows that our image of man and body changes over time. The author describes an image of the human being from a Christian perspective and develops an anthropological concept with a view to the question: To what extent do applications of enhancement technologies constitute an acceptable encroachment on human corporeality as a normative given and to what extent do they contribute positively to human life? He then sketches a medical-ethical framework for functional body enhancement.
To obtain a good view on the subject and to go beyond a mere procedural ethics, this study draws on several scientific disciplines. It is neither purely cultural-historical, nor purely theological or philosophical. The nature of the research is interdisciplinary, driven by the central research question and drawing on content from various disciplines. The insights from these fields have been integrated with a view to answering the research question