726 research outputs found
Sort by
Learning obedience through suffering: an exegetical lens on christological suffering in Hebrews 5:1-10 and Yoruba Christians perspectives in Nigeria
Masterthesis Intercultural Reformed Theolog
Benefits of salvation and eschatological tension: Nigerian Baptists in conversation with Pentecostal theologians (Wolfgang Vondey & Ogbu Kalu) and Reformed theologian (Herman Bavinck)
Masterthesis Intercultural Reformed Theolog
Uitgeblust of opgestookt. De herontdekking van de hel.
Rede uitgesproken bij aanvaarding van de leerstoel Dogmatiek aan de PThU. Prof. Dr. Arnold Huijgen, 1 september 2023
Gedetermineerd tot afhankelijke vrijheid
De voorzienigheidsleer van de HC blijkt volgens diverse bronnen, alsook in overeenstemming met mijn ervaring in de praktijk van het leven, tot deterministische en fatalistisch interpretaties te leiden binnen de gereformeerde gezindte. Dit is dan ook de aanleiding geworden tot dit onderzoek.
Ursinus, de opsteller van de HC, heeft via zijn studenten ons een verklaring van zijn voorzienigheids-leer nagelaten. Deze leer is niet alleen naar middeleeuwse methode verbonden met de Schrift, maar ook doorspekt van klassiek filosofisch denken. Behalve dat de voorzienigheid voorkomt uit Gods raad en wil, zijn de andere hoekstenen van Ursinus’ voorzienigheidsleer Gods almacht en alwetendheid als voorkennis. Hij heeft helder doordacht dat Gods voorzienigheid betrekking heeft op de gehele schepping en daarom scherp uiteengezet dat God ook het kwaad regeert zonder daar debet aan te zijn. Helaas ontkomt zijn verklaring niet aan een sterk causaliteitsdenken, waarin Gods besluit van eeuwigheid zich als een gemaakt bestek ontvouwt in de tijd. Dit gaat bij hem ten koste van het contingente karakter van de geschapen wereldorde. Contingentie is er volgens Ursinus niet bij God, maar alleen aan menselijke kant. Dit heeft ook te maken met het samenvallen van Gods voorkennis met Zijn wil, ten koste van de vrijheid van de mens. De controverse ontstond omdat de menselijke vrijheid altijd lijkt te moeten concurreren met Gods almacht en visa versa. Juist dit dilemma moet doorbroken worden met de synchrone contingentie theorie, door die in overeenkomt met de Schrift te verbinden Gods onbepaalde voorkennis. Het contingente van de wereldorde dient dan niet opnieuw te functioneren als filosofische voorschrift, maar behoeft een Schriftuurlijke inkleuring van een niet-noodzakelijke en conditionele toekomst.
Om Goddelijke soevereiniteit en menselijke vrijheid naast elkaar te doen bestaan, is ook nodig om de voorzienigheidsleer een meer narratief en veelstemmig karakter te geven, zoals de Schrift dit vertoont. Het aan elkaar rijgen van teksten zonder deze te exegetiseren en het verlenen van een univoke betekenis aan begrippen door heel de Schrift heen, maakt dat de onderbouwing van Ursinus niet de kracht heeft, die wel uit de Schrift te putten is. Er is consensus dat God soeverein en almachtig is, maar God moet dan niet filosofisch gedefinieerd worden als een wezen die al het mogelijk denkbare ‘kan’, maar Gods almacht moet gevuld worden met macht die bepaald is door Gods Zijn.
Wat onderbelicht is in de voorzienigheidsleer van de HC, is dat de mens niet alleen als een vrij schepsel geschapen is, maar dat ook nog steeds is. Deze vrijheid is en staat (deterministisch) vast, omdat dit zo door de soevereine God gewild is. In heel de controverse over de vermogens van menselijk wil, zijn zelfs degenen die het pelagianisme in welke latere vorm dan ook bestreden het eens, dat de mens ondanks zijn diepe val en verdorvenheid nog steeds in staat is tot vrije keuzes en dus burgerlijke gerechtigheid. Ook de hardste bestrijders van vrije wil uit de reformatietijd en daarna hebben dit erkend, daar de menselijk wil niet is vernietigd in de zondeval. Andersom hebbend de ruimste verdedigers van vrije wil niet ontkend, dat mens op enigerlei wijze verdorven is en verlossing van elders nodig heeft. Het gaat dan in dit onderzoek niet om de kwaliteit van de menselijk werken als een gerechtigheid die voor God kan bestaan, maar of die mens zelf keuzes maakt en zijn daden bepaalt. Bij de handhaving van deze vrijheid is God - als gever van alle kracht - gevrijwaard van enige blaam, daar de mens verantwoordelijk is voor het gebruik van Gods geschonken kracht en vrijheid.
Binnen de verklaring van de voorzienigheid in de HC door Ursinus gaan Gods soevereiniteit en de menselijk vrijheid niet harmonieus en zuiver samen. Onder andere door het gebruik van de klassieke filosofie, de visie op Gods voorkennis en wil en het onvoldoende uitwerken van een contingente wereldorde, geeft de verklaring van HC Zondag 10 aanleiding tot helaas deterministische en fatalistische interpretaties. Wanneer de voorgenoemde discrepanties achterwege blijven en de voorzienigheid doordacht wordt naar de veerstemmigheid van de Schrift, gaan Gods soevereiniteit en menselijke vrijheid harmonieus samen. De hoogste vrijheid is en blijft het wandelen door de vrijheid in Christus aan Vaderlijke handen. Tot die vrijheid heeft de mens bevrijding nodig
Op weg naar een theorie van vergeving. Een nieuw perspectief op Luther.
Rede, in verkorte vorm uitgesproken, door dr. Markus Matthias bij zijn afscheid als hoogleraar Lutherana
Eén kudde, één Herder : een onderzoek naar de uitleg van Johannes 10:16 in de eerste vijf eeuwen na Christus
Dit proefschrift onderzoekt welke betekenis de Vroege Kerk aan Joh. 10:16 heeft gegeven. In het
eerste gedeelte wordt aangegeven waarom deze Bijbeltekst als uitgangspunt voor dit onderzoek
functioneert: Joh. 10:16 vormt een belangrijk onderdeel van de bekende herdermetafoor, die zich
van Genesis tot Openbaring ontwikkelt en een hoogtepunt vindt in Christus’ woorden: “Ik heb nog
andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem
horen; en het zal worden een kudde, en een Herder.”
Omdat het metafoor van de herder en zijn kudde binnen de Vroege Kerk geldt als één van de meest
gebruikte beelden, richt de spits van dit onderzoek zich op de vraag welke betekenis de Vroege Kerk
aan deze Bijbeltekst geeft. In dit proefschrift zijn 68 fragmenten onderzocht, van 14 verschillende
auteurs, in een afgebakende periode van Clemens van Alexandrië tot en met Augustinus. De
fragmenten - die afkomstig zijn uit exegese, prediking en pastoraat - maken zichtbaar op welke
manier de Vroege Kerk Joh. 10:16 heeft ingezet en worden in dit proefschrift in zowel de brontaal als
in de Nederlandse taal gepresenteerd.
Na zorgvuldige analyse kan worden geconcludeerd dat de Vroege Kerk de woorden van Joh. 10:16
hoofzakelijk verbindt aan zes theologische perspectieven, die allemaal verbonden aan het
hoofdthema ‘eenheid’. Het betreft hier de verhouding tussen Joden en heidenen in Christus, de
uitbreiding van het heil onder de heidenvolken, de eenheid binnen de christelijke kerk, Christus als
Eigenaar van de kudde, de eschatologische verwachting en de eenheid tussen Christus’ dienaren.
De actualiteit en de relevantie van deze thema’s in de Vroege Kerk, die helder is aangetoond door
eerder patristisch onderzoek, onderstreept de bijzondere positie die Joh. 10:16 in de
vroegchristelijke kerk inneemt.
De originaliteit en het innovatieve karakter van dit proefschrift komt naar voren in het feit dat, in
tegenstelling tot veel ander patristisch onderzoek, in dit geval de exegese van een Schriftwoord de
lens vormt waardoor de Vroege Kerk wordt bestudeerd. Deze werkwijze levert interessante
perspectieven op. Allereerst biedt deze methode een helder beeld van de manier waarop de Vroege
Kerk omgaat met de Heilige Schrift in zowel exegese, prediking als pastoraat. In de tweede plaats
kijkt de lezer als het ware over de schouder van de vroegchristelijke auteurs mee en ziet hoe de
Vroege Kerk zelf schrijft over haar identiteit, ontwikkeling en toekomst aan de hand van Joh. 10:16.
In de derde plaats bevestigt dit onderzoek niet alleen de actualiteit en relevantie van bepaalde
theologische thema’s, maar laat het ook zien welke functie Joh. 10:16 vervult in de duiding van deze
thema’s en waarom deze woorden van Christus dus ook in de eerste vijf eeuwen van bijzondere
betekenis zijn.
De opzet, inhoud en conclusie van dit proefschrift levert een bijdrage aan de verdere herontdekking
van de erfenis van de Vroege Kerk. Tegelijkertijd functioneert zij als spiegel voor de kerk van
vandaag: wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen de belangrijkste thema’s van de kerk van
toen, vergeleken met nu? Op welke manier speelt de Schrift daarbij een rol? En welke betekenis
heeft de herdermetafoor in het algemeen en hebben de woorden van Joh. 10:16 in het bijzonder
voor ons vandaag? De Vroege Kerk laat ons zien hoe waardevol de bezinning op de identiteit,
vorming en toekomst van de kerk is en welke rol Joh. 10:16 hierbij kan spelen. Ze daagt ons uit om
haar na te volgen, de waarde van Joh. 10:16 voor de kerk van de 21ste eeuw verder te ontdekken en
onze winst te doen met de handreikingen die vanuit de Vroege Kerk middels dit proefschrift tot ons komen