1,205 research outputs found
Existence of minimizers and lowersemicontinuity of integral functionals in the vectorial case
Gli autori provano la semicontinuità inferiore e l'esistenza del minimo di alcuni funzionali integrali dell'energia relativi a fenomeni di elasticità non lineare. Tali funzionali non sono coercivi e pertanto sono inapplicabili i metodi diretti del Calcolo delle Variazioni
Onderzoek naar de invloed van gender op het gebruik van kwalificeerders tijdens het beschrijven van pijn.
Communicatie speelt een belangrijke rol in het optimaliseren van de zorgverlening. Goede communicatie tussen artsen en patiënten draagt bij aan een beter begrip bij artsen, maar ook aan de tevredenheid, therapietrouw en gezondheid bij patiënten. Factoren die een rol spelen bij deze goede communicatie zijn taalgebruik en gender. Eerder onderzoek heeft al veel bewijs gevonden voor verschillen tussen mannen en vrouwen op het gebied van taalgebruik. Onderdelen van dit taalgebruik zijn intensiveerders en extensiveerders. Bestaand onderzoek heeft ook aangetoond dat er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen in het gebruik van intensiveerders en extensiveerders, maar nog weinig of gender invloed heeft op het gebruik van intensiveerders en extensiveerders bij het beschrijven van pijn. De onderzoeksvraag die centraal staat in dit onderzoek is: “In hoeverre heeft gender invloed op het gebruik van intensiveerders en extensiveerders en op het gebruik van de verschillende categorieën intensiveerders en extensiveerders tijdens het beschrijven van pijn?”
Community perspectives of individual plant-soil interactions
Het doel van dit onderzoek was 1. het begrijpen van het belang van plant-bodeminteracties voor de populatiedynamiek van een vroege successie-soort gedurende secundaire successie in oude landbouwgronden; 2. Daarnaast bestudering van samenstelling van de plantengemeenschap in relatie tot bodemsymbionten in de plantengemeenschap. Voor dit onderzoek is de plantensoort Jakobskruiskruid, Jacobaea vulgaris ssp. vulgaris gebruikt, omdat deze plant een groot effect kan hebben op vroege-successie plantengemeenschappen in Nederland
Hoe middeleeuwse teksten middelbare scholieren beïnvloeden: Het effect van taal en verwerkingsopdrachten op narratieve betrokkenheid bij het lezen van middeleeuwse literatuur.
In dit onderzoek is het effect van type taal (Middelnederlands met Nieuwnederlandse vertaling of Middelnederlands met aantekeningen) en type verwerkingsopdracht (geen, analytisch of creatief) op de narratieve betrokkenheid van middelbare scholieren bij het lezen van een middeleeuwse tekst onderzocht. De leerlingen uit 5 en 6 vwo kregen één van de zes versies te lezen en mochten hierna een vragenlijst invullen die onder andere naar hun narratieve betrokkenheid, leesplezier, kennis en doorleesintentie vroeg. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat narratief begrip hoger is bij Middelnederlands met een Nieuwnederlandse vertaling dan bij Middelnederlands met aantekeningen. Ook is naar voren gekomen dat de doorleesintentie hoger was bij een creatieve opdracht dan bij geen opdracht
Ready, set, go(al): de voorkeuren van mannen en vrouwen voor het stellen van doelen in physical activity apps
Door nieuwe ontwikkelingen op het gebied van mHealth en gezondheidsapps ontstaan steeds meer mogelijkheden om physical activity (PA) bij jongvolwassenen te stimuleren. Onderzoek naar gedragsveranderingstechnieken in PA-apps is voornamelijk gericht op ontwerpprincipes die mogelijk bijdragen aan het verhogen van physical activity. De personalisatie van deze gedragsveranderingstechnieken is een van de belangrijkste elementen die bijdragen aan gedragsverandering via PA-apps. Tot nu toe is er weinig onderzoek gedaan naar personalisatie op basis van geslacht en worden meerdere gedragsveranderingstechnieken vaak samengepakt. In deze studie staat het verschil in behoefte en voorkeuren van jongvolwassen mannen en vrouwen op het gebied van goal setting binnen PA-apps centraal
BAAC rapport A-09.0139
Tussen 26 mei en 23 juni 2009 is door BAAC bv in opdracht van de gemeente Son en Breugel een opgraving uitgevoerd in het plangebied Pastorie. De aanleiding voor dit onderzoek is de ontwikkeling van een multifunctioneel centrum in het plangebied, waardoor eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord zullen worden.Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door de Nieuwstraat en aan de noord-, oosten zuidzijde door de Kerkstraat. Aangezien het onderzoeksterrein na de sloop van de pastorie in gebruik was als parkeerterrein heeft de gemeente Son en Breugel voorafgaande aan het onderzoek de aanwezige puinverharding laten verwijderen.De gemeente had op het moment van de opgraving nog geen concrete bouwplannen, zodat het tijdens de opgraving vrijkomende zand niet mocht worden afgevoerd. Na de opgraving zou het terrein weer enige tijd dienst moeten doen als parkeerterrein.Vanwege het niet mogen afvoeren van zand is besloten het terrein in twee delen op te graven, werkput 1 (circa 375m2) en 2 (circa 525m2). De westzijde (Nieuwstraatzijde) is eerst opgegraven, daarna de oostzijde (kerkzijde).
Een deel van de bodemopbouw is verstoord door de bouw en sloop van de Pastorie. .Verspreid over het onderzoeksterrein zijn sporen en vondsten aangetroffen uit de prehistorie, Romeinse tijd, de middeleeuwen en de nieuwe tijd.Er zijn geen sporen aangetroffen die aan de prehistorie kunnen worden toegeschreven. Er is wel vondstmateriaal aanwezig uit de prehistorie. Van de 45 scherven handgevormd aardewerk stamt mogelijk een klein deel uit de ijzertijd.Het grootste deel stamt echter uit de (laat)Romeinse tijd of de vroege middeleeuwen. Wel duidelijk uit de prehistorie stammen tien fragmenten vuursteen en Wommersomkwartsiet. Behalve wat gebruikte en geretoucheerde klingen zit bij de vondsten ook een fragment van een geslepen bijl, gemaakt van Belgischgrijze vuursteen. Dit is tevens het enige te dateren fragment, stammende uit de periode midden-neolithicum B tot de vroege bronstijd.
Bij voorgaande proefsleufonderzoeken werd al duidelijk dat het terrein in de Romeinse tijd intensief bewoond is geweest, net al dat het geval is voor het grootste deel van de oude kern van het dorp Son. Ten gevolge hiervan is er vrij veel vondstmateriaal uit deze periode in de ondergrond terecht gekomen. Gezien het aantal sporen en vondsten is het duidelijk dat het onderzoeksgebied vanaf het begin van de Romeinse tijd bewoond moet zijn geweest. Latere bewoning en de aanwezigheid van (sub)recente verstoringen (kelder, olietank en waterputten) hebben er voor gezorgd dat de oudste sporen moeilijk tot een structuur te herleiden zijn. Het is dan ook niet gelukt om voor de Romeinse tijd een duidelijke huisplattegrond te isoleren. Er zijn geen kenmerkende sporen, zoals wandgreppeltjes en paalkuilen met een revolvertasvorm aangetroffen. Desondanks zijn er toch een aantal structuren aan deze periode toe te wijzen. In werkput 1 is een zogenaamde hutkom aangetroffen. Onder de 224 vondsten bevinden zich 23 scherven uit de volle middeleeuwen, voornamelijk Pingsdorf-aardewerk. Het overgrote deel van de vondsten stamt uit de Romeinse tijd. Daarnaast komen nog een fragment van een glazen ribkom, een slijpsteen en diverse brokken maalsteen voor. Aan de hand van het aardewerk kan worden geconcludeerd dat de hutkom in de 3de eeuw, ergens tussen 200 en 270 na Chr. in onbruik is geraakt. De hutkom oversnijdt nog net een oudere structuur, een greppelsysteem opgebouwd uit segmenten. De diverse greppeldelen bevatten zeer veel vondstmateriaal. Er zijn onder andere 250 stuks aardewerk en ruim 210 fragmenten dakpan aangetroffen, afgezien van de bijna 220 scherven en ruim 140 fragmenten dakpan die al tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geborgen. Daarnaast is er nog glas, natuursteen, verbrande leem en metaal gevonden. Vrijwel al het vondstmateriaal stamt uit de Romeinse tijd, slechts een tiental scherven stamt uit de middeleeuwen.
Direct met de greppels in verband te brengen is een vrij forse kuil, die veel vondstmateriaal bevatte..In het totaal zijn er ruim 330 aardewerkscherven, circa 90 dakpanfragmenten en 20 overige vondsten geborgen. De aardewerksamenstelling wijkt duidelijk af van die van de greppels. Bijna 70%van de determineerbare scherven bestaat uit bekerfragmenten. Het aardewerk duidt op een datering rond het einde van de 2de eeuw of het begin van de 3de eeuw. Tussen de overige vondsten bevinden zich twee opvallende voorwerpen. Het eerste is de witte terra-cotta voet van een venusbeeldje. Daarnaast is er ook een bronzen zegeldoosje aangetroffen. Er zijn vier waterputten gevonden die met enige zekerheid uit de volle middeleeuwen stammen. De drie waterputten uit de volle middeleeuwen (en deels nog in gebruik in de late middeleeuwen) hebben voldoende geschikt materiaal opgeleverd voor botanisch onderzoek.
Het is duidelijk dat in de hoge of volle middeleeuwen op het terrein minimaal twee erven hebben gelegen. Deze erven zijn van elkaar gescheiden geweest door een erfafscheiding in de vorm van een hekwerk. Tijdens de opgraving van het Pastorie-terrein is een groot aantal aardewerkscherven uit de middeleeuwen aangetroffen.Het gaat hierbij om 627 scherven determineerbaar aardewerk.Aan de hand van het middeleeuwse aardewerk kan worden geconcludeerd dat op het terrein bewoning heeft plaatsgevonden van de Karolingische tijd tot het eind van de 19de eeuw. Karolingische aardewerkfragmenten zijn sporadisch, mogelijk wijzen deze scherven, ook vanwege de aanwezigheid van vermoedelijk Duisburgs aardewerk, op een datering vanaf het eind van de 9de of begin van de 10de eeuw. Het merendeel van het aardewerk dateert in de volle middeleeuwen. Er zijn op basis van het aardewerk verder geen aanwijzingen voor een hiaat. Hiermee lijkt het terrein continu bewoond te zijn geweest tot het eind van de 19de eeuw.Uit de nieuwe tijd, en in mindere mate uit de late middeleeuwen, stammen een groot aantal sporen. In veel gevallen nemen deze de vorm aan van verstoringen.
Uit de nieuwe tijd, en in mindere mate uit de late middeleeuwen, stammen een groot aantal sporen. In veel gevallen nemen deze de vorm aan van verstoringen en voegen ze weinig toe aan het verhaal over de historie van Son. Hiertoe behoren onder andere de resten van de kelder en de olietank van de pastorie,evenals de verstoringen die het gevolg zijn van de sloop van het voorgenoemde gebouw. De laatste zijn op het leesbare archeologische vlak beperkt gebleven,enerzijds vanwege de relatief voorzichtige manier van slopen, anderzijds door de diepe ligging van het relevante archeologische niveau. De proefsleuven hadden al duidelijk gemaakt dat op de meeste plaatsen de fundering van de pastorie het archeologische niveau niet bereikte.Er zijn in de werkput op diverse plaatsen uitbraaksleuven, muurtjes en poeren aangetroffen. Het lijkt, gezien de ligging en de oriëntering van de sporen, om resten te gaan van het brouwershuis van de familie Van de Ven, later genaamd het huis van Van Amstel. In het zuidwesten van de opgravingsput zijn vier waterputten uit de nieuwe tijd aangetroffen. Drie putten waren al in eerste vlak zichtbaar, de vierde kwam aan het licht in het tweede vlak.Een ander opvallend fenomeen uit de nieuwe tijd zijn de vele grondverbeteringsbanen.De vondsten die aan de nieuwe tijd toe te schrijven zijn bestaan, buiten het bouwkeramiek, voornamelijk uit aardewerk.
Het archeologisch onderzoek aan de Nieuwstraat te Son heeft sporen en vondsten opgeleverd uit diverse perioden. Hierbij zijn de Romeinse tijd, de vroege en late middeleeuwen en de nieuwe tijd het best ertegenwoordigd. Op het opgravingsterrein zijn in het totaal negen verschillende waterputtenaangetroffen. Deze stammen uit de periodes vroege middeleeuwen (VMW1), de volle middeleeuwen (HMW1-4) en de nieuwe tijd NTW1-4).De onderzoeksresultaten laten zien dat het onderzoeksgebied (en mogelijk ook de rest van de kern van Son) pas in het begin van de Romeinse tijd intensief bewoond is geraakt.
De sporen uit de Romeinse tijd zijn te herleiden tot een (symbolisch) omgreppeld terrein en een hutkom.
Het in Son aangetroffen greppelsysteem omsluit mogelijk ook een of meerdere gebouwen, maar het beperkte opgravingsareaal laat niet toe deze gebouwen te herkennen. Wel is duidelijk dat ook de Sonse omgreppeling eveneens verschillende gebruiksfases kent. Er zijn duidelijk aanwijzingen voor het heruitgraven van de greppelsegmenten door de tijd heen
Drought and soil fertility modify fertilization effects on aphid performance in wheat
Agricultural intensification and climate change are expected to affect pest performance through excessive inputs of chemical fertilizers and increased probability of extreme drought events. Potential interactive effects of fertilization and water availability on aboveground pest performance may depend on soil fertility because of its effect on nutrient availability. In a greenhouse experiment, we examined the effects of inorganic fertilization on the performance of the grain aphid (Sitobion avenae, F.), an important pest of wheat, under different conditions of soil fertility and water availability. We found soil fertility and water availability to influence the positive effects of inorganic fertilizers on aphid growth, i.e. fertilization promoted faster aphid development time and higher fecundity and biomass under low fertility and under well-watered conditions. Moreover, although increased soil fertility favored aphid growth under well-watered conditions, it simultaneously sustained plant development. The current practices promoting soil fertility do not have direct negative consequence on crop protection under conventional cropping systems.</p
Plant ectoparasitic nematodes prefer roots without their microbial enemies
Root-feeding nematodes are major soil-borne pests in agriculture. In natural ecosystems, their abundance can be strongly controlled by natural enemies. In coastal foredune soil, the abundance of the ectoparasitic nematode Tylenchorhynchus ventralis is controlled by local interactions with soil microorganisms. If not controlled, T. ventralis reduces growth and performance of the host plant Ammophila arenaria. In the present study, we examine if the nematodes may sense the presence of soil microorganisms and, if so, they are able to actively avoid their enemies. First, using Petri dishes with agar medium we examined if T. ventralis can choose between A. arenaria seedlings inoculated with or without soil microorganisms. We observed that there was a trend (although non-significant) in nematode migration towards the non-inoculated plants. If the seedlings were not present, the nematodes did not make any choice and stayed in the centre of the Petri dish. Then, using Y-tubes filled with sterilized dune soil, we examined if T. ventralis could choose between A. arenaria roots with or without microorganisms. We also included treatments of microbial suspensions without plants and a microbe-free filtrate. We observed that the nematodes preferred roots without microorganisms. Microorganisms alone or roots with microbial filtrate did not influence nematode choice significantly. We conclude that the nematode T. ventralis is able to choose roots without soil microorganisms when having roots with them as alternative. Such avoidance could explain why biological control of nematodes in field is not always effective, especially when microbial antagonists accumulate in specific parts of the rhizosphere.
- …
