674 research outputs found
Invloed van verwijdering van organische stof op ozonisatie
Gemeente Amsterdam Waterleidingbedrijf (WLB) heeft twee productielocaties, Leiduin en Weesperkarspel. In Weesperkarspel is één van de zuiveringsstappen desinfectie door middel van ozondosering. Het water dat in Weesperkarspel gezuiverd wordt, wordt gewonnen in de Bethunepolder en voorgezuiverd in Loenderveen. Hierbij wordt ozon geproduceerd uit droge lucht en wordt dan gedoseerd in een bellenkolom. Echter, door de hoge concentratie aan organisch materiaal (DOC) in het water, wordt een groot deel van de gedoseerde ozon niet gebruikt voor het beoogde doel, desinfectie, maar reageert met dit organisch materiaal. Hierbij ontstaat makkelijk afbreekbaar materiaal (AOC), dat geconsumeerd wordt door de bacteriën op de actieve koolfilters. Als dit AOC niet verwijderd wordt is het een belangrijke voedingsbron voor bacteriën in het distributienetwerk. In de zomermaanden wordt er zoveel AOC gevormd dat de actieve koolfilters te vaak verstopt raken door de biomassa en dat er dus te vaak teruggespoeld moet worden. Daarom is besloten om de ozondosering in de zomerperiode te verminderen. Echter, door deze verlaging van de ozondosis is het niet aantoonbaar dat de desinfectie op Weersperkarspel goed werkt en zal waarschijnlijk de Ct-waarde verhoogd moeten worden. In dit onderzoek is de invloed van DOC-verwijdering op de ozonisatie onderzocht. Ook is onderzocht of er een invloed is van de soort DOC die verwijderd wordt op de ozonisatie en of het mogelijk is om met een lagere ozondosering te werken wanneer de DOC-concentratie verlaagd is. Hiertoe zijn er experimenten gedaan in de proefinstallatie zonder DOC-verwijdering en met DOCverwijdering door actieve koolfiltratie en ionenwisseling. Uit het onderzoek is gebleken dat actieve koolfiltratie alle fracties van het DOC in dezelfde mate afvangt, terwijl de gebruikte ionenwisselaar vooral de humuszuren verwijderde. Dit was terug te zien in de lagere SUVA-waarden, maar ook in de DOC-karakteriseringen was dit heel duidelijk waarneembaar. In Ct, AOC- en bromaatvorming was er echter vrijwel geen verschil te zien tussen water dat was voorbehandeld met ionenwisseling of met actieve koolfiltratie. Wel was de invloed van DOC-concentratie zichtbaar op de Ct, bromaat- en AOC-vorming. Over het algemeen kon gezegd worden dat zowel Ct als bromaatvorming stijgt, naarmate er minder DOC in het water aanwezig is bij eenzelfde ozondosering. Er wordt meer AOC gevormd bij hogere ozondoseringen. Het verschil is groter bij hoge DOC-concentraties. Verder heeft een DOC-concentratie een grote invloed op de standtijd van actieve koolfilters. Bij een verlaging van de DOC-concentratie van 6 naar 4 mg/l, de wordt de standtijd van de actief koolfilters ruim 4 maal zo lang kan zijn. Dit zal nog wel met behulp van experimenten onderzocht moeten worden.Civil Engineering and Geoscience
Mathematical modelling of NF and RO membrane filtration plants and modules
Civil Engineering and Geoscience
Kloppen de bewijzen?
Het boek Algebra en Analyse van Ackermans en van Lint en het boek Analyse van AImering e.a. zijn jarenlang bij het wiskundeonderwijs gebruikt. In beide boeken staat een
stelling over het gelijk zijn van gemengde afgeleiden
Scheepssnelheiden op beperkt water met gegeven motorvermogen
Voor het berekenen van de hydraulische aspecten als gevolg van de scheepsgeïnduceerde waterbeweging op beperkt water is een betere kennis gewenst van de vaarsnelheid van het schip. Dit vanwege het feit dat de vaarsnelheid en de scheepsgeïnduceerde waterbeweging in sterke mate onderling gerelateerd zijn. Voor bestaande vaarwegen die door bekende scheepstypen worden bevaren is de vaarsnelheid veelal bekend uit metingen in prototype. Voor nieuwe aan te leggen vaarwegen en verruiming van bestaande vaarwegen is de vaarsnelheid moeilijker te voorspellen; dit geldt met name indien hierbij tevens de schaalvergroting ten aanzien van het geïnstalleerde motorvermogen wordt betrokken.Vaarsnelheidsbepaling vindt plaats op basis van een relatie met het voortstuwingsvermogen. Dit verband is qua waterbeweging vastgelegd volgens de door Bouwmeester in 1977 ontwikkelde berekening uitgaande van de impulsmethode , welke in 1984 verder uitgebreid is met de invloed van het geïnstalleerd vermogen op de vaarsnelheid. De enige onbekende hierin vormde echter nog de rendementscoëfficient. Voor duweenheden is deze nog wel te bepalen, maar voor de konventionele binnenschepen bleek dit niet zonder meer mogelijk.In dit onderzoek is gebruik gemaakt van praktijkmetingen naar vaarsnelheden van konventionele binnenschepen op Nederlandse en op Duitse vaarwegen. Bij de bepaling van de rendementscoëfficient is uitgegaan van de gemeten vaarsnelheden met het daarbij ingestelde motorvermogen voor een bekend schip op een vaarweg met gegeven afmetingen. Hierbij is een enigszins van de situatie bij duweenheden [3] afwijkend waterspiegeldalingspatroon aangenomen.De rendementscoëfficient bleek niet zoals bij duweenheden vrijwel een konstante waarde te hebben, maar afhankelijk te zijn van de diepgang en van het ingestelde motorvermogen
Anaerobe membraan filtratie
Pluimveeslachterij Frisia heeft Waterleiding Friesland benaderd met de vraag naar de mogelijkheid tot het leveren van industriewater.Sanitary EngineeringWatermanagementCivil Engineering and Geoscience
Reële eigenwaarden van een reële symmetrische matrix; zonder complexe getallen
No abstract
Water voor het Westland: Een haalbaarheidstudie naar de toepassing van capillaire nanofiltratie voor de behandeling van oppervlaktewater voor de glastuinbouw
De glastuinbouw in Nederland maakt voor de watervoorziening voor de gewassen ondermeer gebruik van regenwater dat wordt opgevangen en tot gietwater behandeld. Wanneer er een tekort is aan regenwater wordt er grondwater opgepompt dat met behulp van membraanfiltratie wordt gezuiverd tot gietwater. Er zijn plannen om het gebruik van grondwater aan banden te leggen. Dit betekent dat de tuinders naar andere bronnen uitkijken. Een van de mogelijkheden is om gebruik te maken van oppervlaktewater. Oppervlaktewater kan niet direct gezuiverd worden met behulp van de bestaande reverse osmosis (RO) membranen. Het is noodzakelijk een voorzuivering voor de RO te plaatsen om verstopping van de membranen te voorkomen. Bij kleinschalige waterbehandeling is deze voorzuivering vaak een ultrafiltratiestap (UF). Een alternatief voor de behandeling van oppervlaktewater met UF+RO is een eenstaps-behandeling door capillaire nanofiltratie (cNF). Bij cNF wordt het vuile water (concentraat) gerecirculeerd. Dit resulteert in een stroming langs het membraan die zorgt dat er zo min mogelijk vuil op het membraan accumuleert. Hierdoor dikken de vervuiling en zouten in het concentraat steeds meer in, waardoor de weerstand tegen het filtreren zal toenemen. Dit resulteert in een fluxdaling. Wanneer deze daling te groot wordt, wordt het membraan hydraulisch gereinigd. In dit onderzoek is onderzocht of cNF inzetbaar is bij een kleinschalige waterbehandeling van oppervlaktewater tot gietwater voor de glastuinbouw. Hiertoe is de technische en economische haalbaarheid onderzocht. Daarnaast is er in dit onderzoek getracht met behulp van een modellering inzicht te krijgen in de optredende processen die resulteren in een fluxdalingCivil Engineering and Geoscience
Some environmental aspects of grassland cultivation; the effects of ploughing depth, grassland age, and nitrogen demand of subsequent crops
The Netherlands has submitted a derogation under the Nitrate Directives to the European Union (EU) in 2000. In the final opinion by a group of experts about the Dutch derogation, recommendations on ploughing of grasslands were included dealing with i) the depth of ploughing of permanent grassland, ii) the age of temporary grassland and iii) the nitrogen demand of the subsequent crop of temporary grassland. A literature study was carried out in order to provide scientific information on these three issues. No studies were found in literature in which the effects of cultivation depth on nitrogen mineralisation and losses in reseeded grassland were assessed. The results of transformation of grassland into arable land show no clear effects of ploughing depth on N mineralisation. Differences in nitrogen mineralisation after 5 and 3 years temporary grassland are small. Italian and perennial ryegrass, potato, silage maize, winter wheat, and several vegetables have a high nitrogen demand (i.e. >250 kg N ha-1)
Voedselveiligheid
ARTIKELEN: J.G.A.J. Hautvast en J.A.G van de Wiel - Definities en aspecten van voedselveiligheid W.J van der weiden en K.J. Hin - Dierziekten, voedselveiligheid en volksgezondheid J.C. Dagevos - Consumentenkijk op voedselveiligheid in Nederland S. Vreeburg - Voedselveiligheid en criminaliteit; de rol van het Functioneel Parket H. van Buuren, W. de Wit en B. ter Kuile - Voedselkeuring door de eeuwen heen B. van der Meulen en M. Lugt - Modern Europees voedselveiligheidsrecht REPLIEK: Chr. van der Meer en V. Hendriks - Wordt resocialisatie met het badwater weggegooid? B. Langezaal - Aannames badkuipcurve komen uit de lucht vallen B.S.J. Wartna en N. Tollenaar - Resocialisatie of detentie? Over uitvalkansen en kosten-batenanalyses SAMENVATTING: In dit themanummer wordt een beeld gegeven van de verschillende partijen en belangen in het voedselveiligheidsvraagstuk. Aan de orde komen onder meer definities en aspecten van voedselveiligheid, Europese en nationale wet- en regelgeving, de verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en private sector, vraagstukken van toezicht en handhaving, vormen van criminaliteit in de voedselsector en consumentenpercepties van veiligheid
- …
