45 research outputs found

    Het onderwateroppervlak van pleziervaartuigen

    No full text
    The wetted surface area of recreational craft is often treated with special paint that prevents growth of algae and other organisms. The active substances in this paint (antifouling) are also emitted into the water. The extent of this emission is among others determined by the treated surface area. The RIVM has developed a method to calculate the wetted surface area of recreational craft based on boat length. This is essential to assess the environmental effects associated with these emissions. The final result of this study is a weighted average value for the wetted surface area of recreational craft in Dutch marinas, including separate values for salt water, transitional waters, and fresh surface water. Paints sold with this purpose are known as biocides. The safety of biocides for both humans and the environment is assessed during the authorisation phase of biocidal products. The active substance in antifouling paint may also be toxic to organisms other than those on the ship's hull.Het onderwateroppervlak van pleziervaartuigen wordt vaak met speciale verf behandeld die voorkomt dat er algen en andere organismen op gaan groeien. De werkzame stoffen in deze verf (antifouling) komen in het water terecht. Hoeveel dat is wordt mede bepaald door de grootte van het behandelde oppervlak. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om het onderwateroppervlak van recreatievaartuigen te berekenen op basis van de bootlengte. Een goede schatting van de grootte van dit oppervlak is essentieel voor de milieubeoordeling. Het eindresultaat is een gewogen gemiddelde voor het onderwateroppervlak van recreatievaartuigen in Nederlandse jachthavens en een uitsplitsing daarvan naar zeewater, binnenwateren en overgangswateren. Verven die verkocht worden met dit doel zijn biociden. Bij de toelating van biociden wordt de veiligheid van het product voor mens en milieu beoordeeld. De werkzame stof in de aangroeiwerende verf is mogelijk niet alleen giftig voor organismen die onder water aangroeien op de boot, maar ook voor de overige organismen in het water.Ministerie van Infrastructuur en Waterstaa

    Handleiding voor de afleiding van milieurisicogrenzen binnen het raamwerk '(Inter)nationale Normen Stoffen' (INS) - Revisie 2007

    No full text
    Dit rapport is de handleiding voor het afleiden van milieurisicogrenzen die worden gebruikt in het Nederlandse milieubeleid. Het rapport is een herziening van de INS-handleiding uit 2001. Nederland onderscheidt vier milieurisicogrenzen: het verwaarloosbaar risiconiveau (VR), het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR), het ernstig risiconiveau (ER) en de maximaal toelaatbare concentratie voor ecosystemen (MACeco). Welke basisgegevens zijn nodig voor het afleiden van een milieurisicogrens? De handleiding geeft dit overzicht en beschrijft hoe deze literatuurgegevens moeten worden geevalueerd op juistheid en bruikbaarheid. Vervolgens wordt de methodiek voor het afleiden van milieurisicogrenzen beschreven, inclusief de benodigde berekeningen. Voor water en sediment is deze gelijk aan de methodiek zoals voorgeschreven voor de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor bodem is direct aangesloten op de technical guidance documenten (TGD) voor EU risicobeoordelingen van nieuwe en bestaande stoffen en biociden. De overige milieurisicogrenzen, bijvoorbeeld het VR en het ER, zijn onderdeel van het Nederlandse milieubeleid en voor de afleiding van deze risicogrenzen worden aparte procedures beschreven.This report forms the guidance document for the derivation of environmental risk limits used in environmental policy in the Netherlands. The report is a revision of the INS-guidance from 2001. The following four environmental risk limits are distinguished in the Netherlands: negligible concentration (NC), maximum permissible concentration (MPC), serious risk concentration (SRC) and the maximum acceptable concentration for ecosystems (MACeco). The guidance document answers the question on what data are needed for the derivation of an environmental risk limit by overviewing and describing how data from the literature should be evaluated for reliability and usefulness. The method of derivation, including the necessary calculations, is described. For water and sediment, the methodology is the same as that prescribed to meet requirements in the European Water Framework Directive. For soil, the methodology for the European risk assessment for new and existing substances and biocides is followed. The remaining risk limits (e.g. NC and SRC) which are required to comply with Dutch environmental policy, are subject to separate derivation procedures. These too are presented here.Directorate-General for Environmental ProtectionDirectorate for ChemicalsWaste and Radiatio

    Emissieschatting van biociden voor koelwater. Aanpassing van het emissiescenario-document voor open recirculerende koelwatersystemen

    No full text
    Certain types of industry and power plants use cooling water. The heated cooling water is cooled down in cooling towers and then reused. Organisms such as bacteria and algae may grow in the cooling tower and heat exchangers and hamper the functioning of the installations. To prevent this, the cooling water is treated with biocides. A biocidal product contains one or more active ingredients that are intended to destroy undesired organisms. Within the EU, biocidal products can be used or traded only if they have been evaluated with regard to their effects on and risks for humans, animals, and the environment. In the Netherlands, the Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides (Ctgb) evaluates biocidal products. As part of the evaluation, the Ctgb calculates the amount of active ingredient that ends up in the environment following a certain use. This is carried out by means of emission scenario documents. RIVM proposes some changes to the emission scenario for the use of biocides in cooling towers. The proposed changes facilitate a more precise calculation of the amount of biocide that will volatilise from the cooling tower to the atmosphere. The changes will improve the estimation of how much active ingredient ends up in the environment and whether this can be harmful. The active ingredient can end up in the environment via discharged cooling water, but it can also be emitted to air. Emission to air occurs via two routes: via droplets of cooling water that are dragged along by the air flow in the cooling tower, and via volatilisation from the cooling water into the air. Up to now, the volatilisation was calculated based on a single value. With the proposed changes, the volatilisation can be calculated for each substance separately. The degree of volatilisation depends on certain substance properties. The proposed changes were prompted by questions raised by the Ctgb and by biocides experts from EU Member States. The proposals have been presented to these experts. The European Chemicals Agency (ECHA) still needs to include them in the calculation method to make them available to all EU Member States.Onder andere de industrie en elektriciteitscentrales hebben koelwater nodig. In koeltorens wordt opgewarmd koelwater weer afgekoeld om het opnieuw te kunnen gebruiken. In koeltorens en warmtewisselaars kunnen organismen zoals bacteriën gaan groeien, waardoor de installaties slechter gaan werken. Om dat zo veel mogelijk te voorkomen, wordt het koelwater behandeld met biociden. Een biocide is een middel met een werkzame stof die ongewenste organismen doodt. Voordat biociden in Europa op de markt mogen komen, wordt beoordeeld of ze schadelijke effecten kunnen hebben. In Nederland doet het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) dat. Hiervoor berekent het Ctgb hoeveel er van een werkzame stof bij een bepaald gebruik in het milieu terechtkomt. Dit gebeurt met zogeheten emissiescenario’s. Voor het emissiescenario voor gebruik van biociden in koeltorens stelt het RIVM nu enkele aanpassingen voor. Hierdoor kan preciezer worden berekend hoeveel werkzame stof uit de koeltorens naar de lucht vervluchtigt. Met de aanpassingen kan beter worden ingeschat hoeveel werkzame stof er in het milieu terechtkomt en of dat schadelijk kan zijn. De werkzame stoffen komen in het milieu terecht via het geloosde koelwater. Ook kunnen ze naar de lucht worden uitgestoten. De uitstoot naar lucht gaat via twee routes: via druppeltjes koelwater die door de luchtstroom in de koeltoren worden meegenomen, en doordat de stoffen vanuit het koelwater naar de lucht vrijkomen (vervluchtiging). Tot nu toe werd de vervluchtiging voor alle chemische stoffen met één waarde berekend. Door de voorgestelde aanpassingen kan dit nu per stof worden berekend. Hoeveel er van een stof vervluchtigt, is afhankelijk van bepaalde eigenschappen van die stof. Aanleiding voor de voorstellen zijn vragen over de rekenmethode van het Ctgb en biocidenexperts van Europese lidstaten. De aanpassingen zijn met deze experts afgestemd. Het European Chemicals Agency (ECHA) moet ze nog wel in de rekenmethode verwerken, zodat alle lidstaten van de Europese Unie ermee kunnen gaan werken

    Milieukwaliteitsnormen voor barium in oppervlaktewater : Voorstel voor een herziening volgens de methodiek van de Kaderrichtlijn Water

    No full text
    Dit rapport bevat een erratum d.d. 29-01-2021 op pagina 111 Het RIVM stelt nieuwe waterkwaliteitsnormen voor de stof barium voor. Deze normen geven aan welke concentratie in het water veilig is voor planten en dieren die in het water leven, en voor mensen en dieren die vis uit dat water eten. De aanpassing is nodig omdat er nieuwe informatie is over de effecten van barium op mensen, dieren en planten. Zo is de gezondheidskundige risicogrens soepeler geworden. Deze risicogrens geeft aan hoeveel van een stof mensen mogen binnenkrijgen zonder schadelijke effecten voor hun gezondheid. Barium komt van nature voor in het milieu. Mensen kunnen daarom barium binnenkrijgen via hun voedsel en drinkwater. Het is bekend hoeveel barium mensen dagelijks mogen binnenkrijgen zonder schadelijke gevolgen voor hun gezondheid. Met die waarde is berekend wat er maximaal in vis mag zitten als mensen tijdens hun hele leven elke dag vis zouden eten. Gegevens uit de wetenschappelijke literatuur laten zien dat de concentraties van barium in vis en schaaldieren niet over die veilige waarde voor mensen heen gaan. Vogels en zoogdieren kunnen barium binnenkrijgen door waterplanten te eten, maar tot een concentratie van 93 microgram per liter water zijn er geen negatieve effecten te verwachten. Dit geldt ook voor vissen, watervlooien en andere dieren die in het water leven. De concentraties in het Nederlandse water zijn over het algemeen lager dan deze waarde. Om de nieuwe norm te bepalen heeft het RIVM recente literatuur gebruikt over het gedrag en de effecten van barium in het milieu en over de hoeveelheid barium die planten en dieren opnemen. Bij de normafleiding is er rekening mee gehouden dat barium van nature in het milieu zit.This report contains an erratum d.d. 29-01-2021 on page 111 RIVM is proposing new water quality standards for barium in surface water. These standards represent a safe concentration in water for aquatic organisms, for fish consumption by humans and for animals feeding on fish. The update is necessary because new information has become available on the effects of barium on humans, animals and plants. The health based risk limit has become less stringent. This risk limit indicates the intake level without harmful effects on human health. Barium is a natural compound and humans may be exposed to it via food and drinking water. The amount of barium that humans can ingest daily without health risk is a known factor. This value was used to calculate the maximum allowable concentration in fish for daily lifetime consumption by humans. Data from the scientific literature show that barium concentrations in fish and shellfish do not exceed this safe concentration for humans. Birds and mammals can be exposed to barium via consumption of aquatic vegetation, but negative effects are not expected for concentrations up to 93 microgram per litre water. This also applies to fish, water fleas and other aquatic organisms. Concentrations in Dutch surface water are generally below this value. To determine the new standard, RIVM used recent literature on the environmental behaviour and effects of barium and the uptake of barium by plants and animals. The natural presence of barium in the environment was taken into account in calculating the new standard.Ministerie van Infrastructuur en Waterstaa

    Implications of proposed soil values from 'Achtergrondwaarden 2000' in relation with risks

    No full text
    Soil quality standards for clean soil are predominantly determined by background concentrations. To establish the extent of these background concentrations several approaches can be followed. The project team 'Achtergrondwaarden 2000' ('backgroundvalues 2000'), in order of the Ministry of VROM, has proposed new background values for clean soil. These values will finally lead to new soil quality standards. The proposed values differ considerably from the current Target Values and in this report the differences will be elucidated. A major difference with the current values is that new values are based on soil management and not on soil protection, such as the Dutch Target Values. From the viewpoint of soil management, the human influence on the soil is surmounted in the new legal value. Risks related to this human influence, and related to the proposed values in general, were not yet studied. This report considers different interpretations of the concept of 'Background values' and the role of the natural background value in the Dutch Threshold Value. The differences and complications of the management approach with the current approach are illustrated and insight is provided in the related risk. To integrate both approaches, a solution is proposed based on relations with geochemical soil properties.Bodemnormen voor schone bodems worden voornamelijk bepaald door de hoogte van de achtergrondconcentratie. Om deze achtergrondconcentraties te bepalen kan men uitgaan van een aantal verschillende benaderingen. Via een nieuwe benadering heeft de projectgroep 'Achtergrondwaarden 2000' in opdracht van VROM voorstellen gedaan voor achtergrondwaarden voor schone bodems. Deze zullen uiteindelijk leiden tot nieuwe bodemnormen. De voorgestelde normwaarden wijken soms sterk af van de huidige bodemnormen en in dit rapport worden de oorzaken van die verschillen toegelicht. Een belangrijk verschil met de bestaande bodemnormen is dat de nieuw voorgestelde normwaarden worden benaderd vanuit bodembeheer en niet vanuit bodembescherming, zoals bij de Streefwaarde. Vanuit bodembeheer wordt de invloed van de mens op de bodem verdisconteerd in de nieuwe norm. Risico's gerelateerd aan deze invloed, en die van de nieuwe normwaarden in het algemeen, waren nog niet onderzocht. Dit rapport gaat in op de verschillende interpretaties van het begrip 'achtergrondwaarden' en de rol van de 'natuurlijke achtergrondwaarde' in de huidige Streefwaarde voor de bodem. De verschillen en knelpunten van de benadering vanuit bodembeheer met de huidige benadering worden toegelicht en er wordt inzicht gegeven in de risico's. Om beide benaderingen van beschermen en beheersen tot elkaar te brengen wordt voorgesteld om achtergrondwaarden te relateren aan geochemische kenmerken van de bodem

    Milieukwaliteitsnormen voor vrij cyanide in zoet en zout oppervlaktewater. Voorstel voor milieukwaliteitsnormen volgens de beoordelingsmethodiek van de Kaderrichtlijn Water

    No full text
    Cyanide exists as both a naturally-occurring substance and a man-made version. It sees frequent use in the processing of iron, steel and oil. Cyanide is also commonly used in the mining and energy industries. As a result, it sometimes ends up in the environment. Different forms of cyanide exist. The most toxic form is ‘free cyanide’. A high concentration of free cyanide in water can be toxic for the reproduction of aquatic plants and animals. Although standards for free cyanide in surface water already exist in the Netherlands, they are outdated. This is because the method used to determine the standards has improved in recent years. In addition, a great deal of new knowledge about the toxicity of cyanide has been published in scientific literature. Using these insights, RIVM has derived new standards for free cyanide in fresh and marine water. While the results are similar to the 2001 standards, they are now better supported. Water managers measure the concentrations of cyanide in surface water. This new standard will make it easier for them to judge whether the concentrations they find are harmful to aquatic life. For freshwater, RIVM has determined that a concentration of 0.22 micrograms of free cyanide per litre of water is safe for aquatic plants and animals. For marine water, a slightly lower concentration of 0.044 micrograms per litre has been determined as safe. The concentration of free cyanide can fluctuate. The exposure to free cyanide for short amounts of time at a level of up to 1.7 micrograms per litre are not expected to affect aquatic life in either fresh or marine water. Other countries and researchers have determined their own standards for free cyanide, using a variety of different methods. RIVM has examined these methodological differences and the ensuing results. The other parties’ results are very similar to those reached in the Netherlands. Free cyanide is difficult to measure. For this reason, water managers in the Netherlands measure the total concentration of cyanide. Free cyanide accounts for part of this total. RIVM recommends exploring the possibilities for measuring free cyanide on its own.Cyanide is een natuurlijke stof die ook door de mens veel wordt gemaakt en gebruikt. Zo wordt de stof gebruikt bij de verwerking van ijzer, staal en olie. Ook wordt de stof veel in de mijnbouw en de energiesector gebruikt. De stof kan daarbij in het milieu terechtkomen. Cyanide komt in verschillende vormen voor. De giftigste vorm is ‘vrij cyanide’. Een hoge concentratie vrij cyanide in water kan bijvoorbeeld schadelijk zijn voor de voortplanting van planten en dieren die daarin leven. In Nederland bestaat er al een norm voor vrij cyanide in oppervlaktewater, maar deze is verouderd. In de afgelopen jaren is de methode om de norm te bepalen verbeterd. Ook is er veel nieuwe kennis over de giftigheid van cyanide in de wetenschappelijke literatuur gepubliceerd. Met deze inzichten heeft het RIVM opnieuw de normen voor vrij cyanide in zoet en zout oppervlaktewater bepaald. De resultaten zijn vergelijkbaar met de normen uit 2001 maar zijn nu beter onderbouwd. Zo kunnen waterbeheerders beter inschatten of de concentraties cyanide die ze meten in het oppervlaktewater schadelijk zijn voor het waterleven. Voor planten en dieren die in zoet water leven, heeft het RIVM een veilige concentratie van vrij cyanide berekend van 0,22 microgram per liter water. Voor zeewater is er een iets lagere concentratie van 0,044 microgram per liter berekend. Kortdurend mag de concentratie vrij cyanide op lopen tot 1,7 microgram per liter voor zoet en zout water. Ook dan worden er geen effecten op het waterleven verwacht. Meer landen en onderzoekers hebben een norm voor vrij cyanide berekend. Ze hebben dat niet overal op precies dezelfde manier gedaan. Het RIVM heeft naar deze verschillen en de uitkomsten van hun berekeningen gekeken. Hun resultaten blijken sterk overeen te komen met die van Nederland. Vrij cyanide is moeilijk te meten. In Nederland wordt daarom ‘totaal’ cyanide gemeten, waar vrij cyanide een onderdeel van is. Het RIVM adviseert te kijken naar de mogelijkheden om wel vrij cyanide te meten

    Pharmaceuticals in the environment. A summary of two exploratory studies

    No full text
    De vraag in deze studie was of (afbraakproducten van) geneesmiddelen in Nederlands drinkwater kunnen voorkomen. Verdere vragen waren in welke mate ze zouden kunnen voorkomen en welke milieueffecten te verwachten zijn. De gepresenteerde informatie is gebaseerd op twee recent verschenen literatuurstudies. Er zijn indicentele metingen waarin farmaca worden aangetoond in oppervlaktewater (in West-Europese landen), waaronder enkele metingen in drinkwater. Tot op heden wordt in Nederland geen routinematige analyse naar deze verbindingen uitgevoerd. Op basis van een beperkte hoeveelheid ecotoxociteitsdata voor geneesmiddelen wordt geconcludeerd dat milieueffecten niet uitgesloten kunnen worden. Gezien het diffuse verspreidingspatroon en de verwachte lage milieuconcentraties worden eerder chronische effecten verwacht. Potentikle humane risico's zijn: ontwikkeling van allergikn, genotoxiciteit en de overdracht van resistentiegenen. Het compartiment grondwater lijkt genegeerd te zijn in voorgaand onderzoek en verdient meer aandacht. Teneinde de ernst van het probleem te verhelderen, zouden gerichte concentratiemetingen in water en grondwater moeten worden uitgevoerd. Het uitvoeren van milieurisicobeoordelingen bij registratie wordt zinvol geacht en ontwikkeling en validatie van blootstellingsmodellen voor veterinaire en humane geneesmiddelen is wenselijk.The central question in this study was if (degradation products of) pharmaceuticals might occur in Dutch drinking water. If so, subsequent questions would be to what extent they would appear and what environmental effects were to be expected. The information presented is based on two recent literature studies. Single results demonstrating pharmaceutical occurrence in surface water (in Western European countries) were presented, including some measurements in drinking water. To date, routine analysis programmes to detect these compounds are not carried out in the Netherlands. On the basis of limited ecotoxicity data on pharmaceuticals found, it was concluded that environmental effects could not be ruled out. The diffuse pattern of distribution and the low environmental concentrations expected drew attention to chronic effects. Potential human risks identified were development of allergies, genotoxicity and the transfer of resistance genes. The groundwater compartment seems to have been ignored in previous research and should receive more attention. To make the seriousness of the problem more transparent, targeted concentration analyses in water and groundwater should be performed. Performance of environmental risk assessment at registration is considered useful, and development and validation of exposure models for veterinary and human pharmaceuticals are desirable.HIM

    Toxische effecten van verontreinigingen op de methaanproduktie van riviersediment

    No full text
    The effects of five compounds on the endogenous methane production of sediment samples of the river Rhine were examined. The concentrations of a toxicant that inhibited the methane production for 10% and 50% are called EC10 and EC50. Benzene, 1,2- dichloroethane, pentachlorophenol and chloroform had EC10 values of >10000, 860, 140 and 5.5 mg/kg dry sediment, respectively. These values are well above the actual field concentrations, so the methane production is not inhibited. In one experiment, added zinc was toxic at concentrations far below the present background concentration in the sediment (800 mg Zn/kg) with an EC10 of 48 mg Zn.kg. In a second experiment with another sediment, however, the EC10 value was 1780 mg/kg. The difference in sensitivity is probably due to a different availability of zinc in the two experiments. Factors that govern the speciation of zinc in the sediment (e.g. the concentration of sulfide) are thus important when considering possible effects of zinc on microbial activity. Insight in these mechanisms, which also apply for other heavy metals, is needed as it was shown that zinc can be toxic at very low concentrations.DGM/DWL /Kroes H

    Schatting van potentiële risico's voor het watermilieu van 11 geneesmiddelen : Gebruikmakend van openbaar beschikbare milieu-informatie

    No full text
    Restanten van geneesmiddelen in het watermilieu kunnen schadelijk zijn voor het ecosysteem. Het RIVM heeft voor 22 geneesmiddelen onderzocht of enkele openbare databases van overheden informatie bevatten over het optreden van schadelijke effecten (milieu-eindpunten). Deze geneesmiddelen zijn geselecteerd omdat ze veel worden gebruikt in Nederland of zijn aangemerkt als een probleemstof voor de drinkwaterbereiding. Restanten kunnen via urine in het water terechtkomen. Met informatie over milieu-eindpunten kunnen zogeheten Predicted No Effect Concentrations (PNEC' s) worden afgeleid: beneden deze concentraties worden geen negatieve effecten verwacht. In combinatie met een te verwachten concentratie (Predicted Environmental Concentrations, PECs) kunnen PEC/PNEC-ratio's helpen om mogelijke risico's voor het watermilieu vroegtijdig te signaleren. Een van de drie databases levert informatie op: De gezochte informatie blijkt niet beschikbaar te zijn via de Nederlandse Geneesmiddeleninformatiebank, noch de Europese Public Assessment Reports (EPARs) die worden gepubliceerd op de website van het European Medicines Agency (EMA). Van 15 geneesmiddelen is wel informatie over milieu-eindpunten beschikbaar via het Zweedse Environmental Classification and Information System (SECIS). Van 13 van deze geneesmiddelen was voldoende informatie beschikbaar om voorlopige PNEC' s af te leiden. Mogelijk risico bij twee van de dertien onderzochte geneesmiddelen: In combinatie met de berekende PECs op basis van de jaarlijkse consumptie van het geneesmiddel in Nederland, resulteerde dit in voorlopige PEC/PNEC-ratio's. Voor 2 van de 13 geëvalueerde geneesmiddelen (het antibioticum amoxicilline en ethinylestradiol, de werkzame stof in de anticonceptiepil) waren deze ratio's hoger dan 1. Dit betekent dat risico's voor het zoetwaterecosysteem verwacht kunnen worden als gevolg van de consumptie van deze geneesmiddelen. Om te beoordelen of dergelijke effecten daadwerkelijk optreden is een uitgebreidere analyse nodig van de mate waarin de stoffen zich in het milieu verspreiden, alsmede van de effecten.The presence of pharmaceuticals and their degradation products in the water environment can be harmful for the ecosystem. For 22 pharmaceuticals some public government databases were searched for information on these harmful effects (environmental endpoint data) for 22 selected pharmaceuticals. These pharmaceuticals were selected because they are frequently consumed in the Netherlands or identified as a problem for the production of drinking water. Their degradation products are excreted in urine and subsequently can reach the water system. Based on environmental endpoint data Predicted No Effect Concentrations (PNECs) can be derived: below this concentration harmful effects are not expected. Combined with Predicted Environmental Concentrations (PECs) can PEC/PNEC ratio's help identify possible risks for the water ecosystem at an early stage. One out of three databases contains information on environmental endpoint data: Neither the Dutch "Geneesmiddeleninformatiebank" nor the European Public Assessment Reports (EPARs) publised on the European Medicines Agency (EMA) website currently contain the requested information. The Swedish Environmental Classification and Information System (SECIS) for pharmaceuticals does contain this information for 15 pharmaceuticals. For 13 pharmaceuticals this information was sufficient to derive preliminary PNECs (Predicted No Effect Concentrations). Possible risks for two out of thirteen evaluated pharmaceuticals: Together with Predicted Environmental Concentrations (PECs) based on yearly consumption of the pharmaceutical in the Netherlands, preliminary PEC/PNEC ratios could be calculated. For two out of the 13 evaluated pharmaceuticals (the antibiotic amoxicillin and the hormone ethinylestradiol) these ratios were above 1. This means that risks for the freshwater ecosystem might be expected from the use of these individual substances as human medicines. To evaluate if these risks actually occur, an extended environmental fate and effect analysis is required.Ministerie van Infrastructuur en Milie

    Backgroundvalues and the relation with soiltype in Dutch soils

    No full text
    Door recente data is de kennis over de chemie van de Nederlandse bodem flink toegenomen. Deze kennis is van belang bij het beoordelen van risico's van onder andere aanwezige zware metalen. Deze zware metalen komen deels van nature voor in de bodem maar zij zijn ook het gevolg van menselijk handelen. Door het afleiden van rekenkundige relaties is het mogelijk om het natuurlijke aandeel van de metalen te schatten. Daarnaast kan ingeschat worden welke invloed de mens heeft gehad op de toename van de concentraties. Deze relaties kunnen ook gebruikt worden als basis voor een zogenaamde 'bodemtypecorrectie', een methode uit de Nederlandse bodempraktijk om bodemconcentraties en bodemnormen te standaardiseren op basis van het gehalte aan klei en organische stof in een bodemmonster. De afgeleide relaties beperken zich tot de zware metalen, arseen en antimoon. Zij zijn gebaseerd op de relatie met de kleimineralogie. Ondanks wat tot nu toe werd aangenomen, heeft het gehalte aan organische stof geen invloed op de variatie van de natuurlijke concentraties van metalen. Voor organische stoffen zoals polycyclische aromaten kunnen ook relaties afgeleid worden maar dit is niet uitgevoerd wegens het ontbreken van data. In deze studie worden het principe en de methodiek achter de rekenkundige relaties uitgelegd. Daarnaast wordt uitgelegd welke rol deze relaties kunnen spelen voor het berekenen van de risico's van stoffen in de bodem en hoe deze kunnen worden toegepast als bodemtypecorrectie.Knowledge about the geochemistry of Dutch soils has increased by the release of recent data. This knowledge is of importance for the risk assessment of so called heavy metals. These metals have partly a natural origin but are often increased by human activity. Using empirical relations it is possible to estimate the natural background of these metals. Subsequently, the anthropogenic enrichment can be estimated as well. The relations can be used as premise for the so called 'soil type standardisation' (in Dutch: bodemtypecorrectie), a Dutch method to standardise environmental soil quality criteria between different soil types based on the clay and organic matter fraction of a soil sample. The empirical relations are limited to the heavy metals, arsenic and antimony. They are based on the clay mineralogy. Despite common believe, it is shown that the organic matter content is not directly related to the variability of natural metal concentrations. In theory it is possible to obtain empirical relationships for natural occuring organic contaminants like polycyclic hydrocarbons, but due to lack of data these relations could not be achieved within this study. In this report the principles and methods of the empirical relations are explained. It is also demonstrated how the empirical relations can be used for risk assessment of metals and metaloids in soils and how they can be applied as soil type standardisation.VROM-DGM-BW
    corecore