3,095 research outputs found

    Opgravingen tussen de Castellumstraat, Het Omloopkanaal en de Oude Rijn

    No full text
    Naar aanleiding van de herstructurering van het centrum van Alphen aan den Rijn vond in de jaren 2001 en 2002 archeologisch onderzoek plaats op de plek waar tussen 40-275 na Chr het castellum Albaniana(e) heeft gelegen. Hierbij werd in 45 werkputten (21-65) ruim een halve hectare onderzocht, waarin sporen uit zeker drie bouwperiodes van het fort te voorschijn kwamen, alsmede kadewerken. Er is een groot deel van de verdedigingswerken aangesneden. Van de binnenbebouwing zijn resten van enkele soldatenbarakken, een fabrica (?), een horreum, de via principalis en enkele waterputten aangetroffen

    Extreme hoogwaters op de Rijn

    No full text
    Onderzoek naar de kans op extreme hoogwaters op de Rijn, herkomst van deze hoogwaters en de aan te houden maatgevende afoer. Een keuze ten aanzien van de mogelijke herverdeling van topafvoeren over de Nederlandse Rijtakken (Verdeling tussen Waal en Pannerdens Kanaal en tussen de Rijn en de IJssel). De morfologische gevolgen van deze extreem hoge afvoeren bij een gewijzigde afvoerverdeling bij het splitsingspunt bij de Pannerdense Kop.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    De strijd tegen de verzouting van ons polderland

    No full text
    Abstract Kort exposé over de effecten van de verzilting in ZW Nederland door zout water van zee en door de toenemende verzilting van de Rijn

    Comparison of the sediment transport formulae according to Bijker and Van Rijn

    No full text
    Over the years, several computational morphological models have been developed that intend to describe the morphological changes in large coastal zones. Two formulae often used to calculate the sediment transport within these models are those of Bijker (1968) and Van Rijn (1993). These formulae often predict different sediment transport rates for the same input parameters. Further, they react differently when input parameters are being changed. The objective of this thesis is to give insight in the behaviour of these two formulae due to variations of the input parameters. The differences in outcomes between both formulae and the reaction of the formulae to varying input parameters have been evaluated. A range of values for the input parameters, such as wave height, mean current velocity or grain size, was defined. With these input values, calculations were done to study the influence of a varying input parameter on the resulting total sediment transport according to both formulae. The sediment transport according to these computations is shown in charts. From these charts the influence of a certain input parameter on the outcomes for the total sediment transport can be evaluated. The change in sediment transport can have its origin in changes of either the bed load or suspended transport or both. For both Bijker's formula and Van Rijn's formula the change in total transport can be attributed mainly to changes in the suspended transport. The concentration distribution rather than the velocity distribution is, in general, responsible for the large variation in suspended transport. The velocity distribution does not affect the outcomes much. The changing shape of the concentration profile is of more impact on the outcomes for the suspended transport than the change in reference concentration. It is not remarkable that the outcomes according to both methods differ, after all both methods use different assumptions and calculation methods. It is therefore interesting to investigate for which input values large differences in results between both methods occur. For this purpose, two sets of input parameters were defined: a set for breaking waves and a set for non-breaking waves. The ratio in calculated total transport between the formula of Bijker and the formula of Van Rijn was calculated. This ratio has been analysed, showing for which input values large ratios can be found. Finally, it has been tried to quantify the influence of input variables on the outcomes for the total sediment transport. Two strongly simplified functions have been formulated approaching the sediment transport according to Bijker's formula and Van Rijn's formula. These functions give an indication of the significance of each of the individual input parameters used in the computation of the sediment transport. They confirm the conclusions drawn from the charts presented in Part B, where the results of the computations are shown in graphs. The functions can also be used to give an indication of the total sediment transport according to the formulae considered in this thesis.Civil Engineering and Geoscience

    De Rijn-Maasmond (Helinium) in de Romeinse tijd

    No full text
    Bepaling van de oude ligging van de mond van de Rijn aan de hand van boringen in dit gebied op basis van de aanwezigheid van veen in de boorkernen

    Dendrochronologische analyse van het hout van de limesweg te Leidsche Rijn

    No full text
    Onderzoek naar herkomst, gebruik en productie van hout dat gebruikt is voor de aanleg van de limes-weg van 124/125 AD te Leidsche Rijn

    Effecten van klimaatverandering op de Waterkwaliteit in de Rijn en Maas

    No full text
    De waterkwaliteit van rivieren is het meest kritisch tijdens hydrologische extremen en onder hoge watertemperaturen. Uit verkennende studies naar effecten van klimaatverandering op de waterkwaliteit in de Rijn (Zwolsman & Van Bokhoven, 2007) en Maas (Van Vliet & Zwolsman, 2007) is gebleken dat er in het algemeen een verslechtering van de chemische waterkwaliteit wordt waargenomen tijdens perioden van extreem lage en hoge rivierafvoeren en tijdens hittegolven (Zwolsman & Van Vliet, 2007). Met het oog op de toekomst kan uit de resultaten van bovengenoemde studies geconcludeerd worden dat een mogelijke toename in frequentie en intensiteit van droogten, hoogwaters en hittegolven ten gevolge van klimaatverandering kan leiden tot het frequenter optreden van een waterkwaliteitsverslechtering in de Rijn en de Maas. Hierdoor kunnen risico’s ontstaan voor de realisatie van de ecologische doelstellingen en gebruiksfuncties van het water (bijv. drinkwaterproductie en recreatie). Een samenvatting van de resultaten van voorgaande studies naar de effecten van hittegolven, droogten en hoogwaters op de waterkwaliteit in de Rijn en de Maas van Zwolsman, Van Vliet en Van Bokhoven is weergegeven in figuur 1. Het doel van deze studie is het vaststellen van grenswaarden in afvoer en watertemperatuur waarbij kritieke waterkwaliteitscondities (normoverschrijding) optreden. Hoewel tijdens hoogwatersituaties ook verslechtering in waterkwaliteit is waargenomen voor stoffen die zich sterk aan zwevend stof hechten (Van Bokhoven, 2007; Van Vliet & Zwolsman, 2007), ligt de nadruk in deze studie op het bepalen van grenswaarden voor waterkwaliteit van opgeloste stoffen tijdens droogtecondities (lage afvoeren)

    Polder Steekt en Binnenpolder, Bodegraven en Alphen aan den Rijn Gemeente Bodegraven en gemeente Alphen aan den Rijn, Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase

    No full text
    In opdracht van CSO Adviesbureau heeft archeologisch onderzoeksbureau Becker & Van de Graaf B.V. in oktober 2007 een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) verkennende fase uitgevoerd ten zuiden van Zwammerdam in de Polder Steekt en in de Binnenpolder, respectievelijk in de gemeente Bodegraven en Alphen aan den Rijn. Het plangebied wordt begrensd door de Toegangswetering en de wegen J.C. Hoogendoornlaan en Voshol. Hier wil de Dienst Landelijk Gebied (Regio West) enkele bestaande sloten verbreden voor natuurontwikkeling. Daarnaast zullen enkele nieuwe watergangen, twee poelen en een plas worden gegraven. De verstoringsdiepte zal maximaal 1,0 m onder het huidige maaiveld zijn. Het inventariserende veldonderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek. Bij het bureauonderzoek is de archeologische verwachting opgesteld, die door middel van het veldonderzoek is gecontroleerd. Het plangebied ligt voor het grootste deel op een crevasserug in het westelijk veengebied ten zuiden van de Oude Rijn. Voor een klein deel ligt het plangebied in het veengebied zelf. De crevasse is gevormd toen de waterstand in de Oude Rijn zo hoog was dat de natuurlijke oeverwallen bij het huidige Bodegraven, stroomopwaarts, ten oosten, van het plangebied en Zwammerdam, doorbraken en een geul het veengebied in werd gevormd, een zogenaamde crevassegeul. De crevasse heeft in het plangebied een zuid-noord-oriëntatie en vermoedelijk mondde de crevassegeul even ten westen van Zwammerdam weer in de Oude Rijn uit. Verder stroomopwaarts (ten zuiden) van het plangebied is de oriëntatie zuidoost-noordwest tot oost-west. Door differentiële klink van vooral na de aanvang van kunstmatige ontwatering vanaf de Late-Middeleeuwen ligt de oorspronkelijk lager gelegen crevasse nu als een rug in het landschap. De crevasse dateert in ieder geval vóór de bedijking van de Oude Rijn in 1122 en lijkt op grond van de beschikbare data, waaronder informatie van stroomruggen van Berendsen/Stouthamer (2001),te zijn ontstaan na 700 voor Chr., het moment waarna de Oude Rijn steeds vaker buiten zijn oevers trad door opstuwing als gevolg van een toegenomen mariene invloed richting de kust. Doordat de Oude Rijn vaker buiten zijn oevers trad na 700 na Chr. raakten het veen en de crevasseafzettingen bedekt met een zwaksiltig kleipakket. Op de kleilaag is door bemesting in de 18e en 19e eeuw een toemaakdek gevormd. In de 20e eeuw is in het westelijke deel van het plangebied klei gewonnen waardoor het maaiveld lager kwam te liggen. De top van de ondergrond bestaat in het verstoorde deel uit een gemengd pakket van teruggestorte toemaakdek en omgewerkte natuurlijke komkleien. Het grootste deel van het plangebied heeft een hoge archeologische verwachting door de ligging op een crevasserug. Bekende archeologische waarden van de crevasserug in de directe omgeving zijn er niet. Van de oever van de Oude Rijn bij Zwammerdam zijn daarentegen veel archeologische waarden bekend, waaronder vooral veel archeologische resten die verband houden met de Romeinse limes. Archeologische waarden zijn in het plangebied niet alleen niet aangetroffen, maar kunnen ook nauwelijks verwacht worden als bedacht wordt dat de crevassegeul tot de Late-Middeleeuwen een laagte moet hebben gevormd en pas later door klink van het kunstmatig ontwaterde veen een rug is geworden. Daarnaast maakte het plangebied in de prehistorie tot aan de laatmiddeleeuwse bedijking van de Oude Rijn deel uit van het komgebied van de Oude Rijn, een ontoegankelijk moerasgebied met bossen waarin bij overstromingen klei tot bezinking kwam. Tenslotte wordt van na de laatmiddeleeuwse ontginning geen bewoningssporen verwacht in het plangebied, omdat de historische bewoning bij Zwammerdam ligt. Daar ligt de bewoning op de ontginningsbasis van de opstrekkende percelen waar ook het plangebied deel van uitmaakt. Omdat alle aangetroffen archeologische resten in het toemaakdek zijn aangetroffen er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied en het zelfs onwaarschijnlijk lijkt dat er archeologische waarden in het plangebied aanwezig zijn, wordt er wordt geen vervolgonderzoek voorgesteld

    Langs de Kromme Rijn

    No full text
    Sporen van de oude loop van de Rijn in de omgeving van Utrech

    Morfodynamiek van de Nederlandse kust op verschillende tijd- en ruimteschalen; Een samenvatting in 3 rapporten van de kennis verkregen in het project Kustgenese

    No full text
    Deze bundel bevat 3 rapporten. 1. Holocene ontwikkeling van de Nederlandse kust Tengevolge van het afsmelten van de ijskappen gevormd gedurende de laatste ijstijd steeg de zeespiegel vanaf ongeveer 18000 jaar BP over een verticale afstand van circa 120 meter. Rond 9000 BP lag de kustlijn nog ten noorden van de Doggersbank, maar duizend jaar later was er al een verbinding naar Het Kanaal en was er sprake van iets als een Nederlandse kust, al lag die nog ver zeewaarts van de huidige. De zeespiegel steeg in die tijd met een snelheid van 1 tot 0,75 m per eeuw. De zee drong binnen via de depressies, riviervlakten en beekdalen van het in het Laat Glaciaal gevormde landschap, die door hun betrekkelijk geringe reliëf veranderden in uitgestrekte getijdebekkens. De waterscheidingen tussen de dalen vormden landhoofden met waarschijnlijk door kustdrift gevormde schoorwallen als eerste kustvormen. De riviervlakte van Rijn, Maas en Schelde, die ongeveer ter hoogte van de huidige Maasvlakte westwaarts liep, veranderde niet in een getijdebekken omdat de grote rivieren voldoende sediment aanvoerden om de zeespiegelrijzing te weerstaan. Aan de vorm en oriëntatie van de oudste strandwallen bij Rijswijk kunnen wij zien dat voor 3500 BP deze riviervlakte juist een landhoofd op de kust vormde. Op deze wijze ontwikkelde zich vanaf ruwweg 8000 BP een kustvlakte met drie getijdebekkens gescheiden door landhoofden. Dit zijn het getijdegebied van Zeeland tussen een landhoofd ter hoogte van Zeeuws Vlaanderen en de in zee uitstekende Rijn/Maasvlakte en het Hollandse getijdegebied ter plaatse van de samenvloeiing van de Overijsselse Vecht, Eem en andere rivieren. Het Hollandse getijdegebied wordt begrensd door de Rijn/Maasvlakte in het zuiden en een waterscheiding in het noorden, het landhoofd van het "Texel Hoog". Bij de lagere zeespiegel strekte dit laatste gebied zich uit van een punt zeewaarts van de Hondsbossche Zeewering tot bij Vlieland en omvatte het gehele westelijke Waddengebied. Het derde getijdegebied was dat van het oostelijke Waddengebied dat ontstond uit de dalvlakten van de Boorne en de Hunze. Voor 7000 BP steeg de zeespiegel met een snelheid van tenminste 0,80 m per eeuw; tussen 7000 en 6000 BP nam dit af tot een gemiddelde van 0,60 m per eeuwen tussen 6000 en 5000 BP tot een gemiddelde van ± 0,30 m per eeuw. De zeespiegelrijzing tussen 5000 en 3000 BP bedroeg nog slechts ± 0,15 m per eeuw. In een kustvlakte met uitgestrekte getijdebekkens schept een geringe zeespiegelrijzing al snel een grote bergingsruimte voor sediment. Voor 6000 BP was de snelheid waarop dat ging zodanig groot dat de sedimentaanvoer, ondanks het feit dat het in die tijd zijn maximale waarde bereikte, onvoldoende was om de zeespiegelrijzing te compenseren. Door de snelheid van zeespiegelrijzing schoven de getijdebekkens snel landwaarts en, mede tengevolge van de sedimentvraag van de getijdebekkens was de kust eveneens gedwongen mee te migreren. Vooral op het noord-zuid lopende deel van de kust schiep dit optimale condities voor sedimenttransport. Niet alleen bracht het getij vanaf de kust en uit de Noordzee zand en slib via de zeegaten de getijdebekkens binnen, maar tevens schiep het snelle terugschrijden van de kust sterke gradiênten in golfgedreven langstransport en werd het golfgedreven dwarstransport bevorderd. Het eerste omdat de kusten van de landhoofden achterbleven ten opzichte van de kust van de getijdebekkens, het tweede omdat de snel terugschrijdende kust een ondiepe Noordzee achterliet waarin nog een grote hoeveelheid zand van buitendelta's en oudere kustposities was achtergebleven. Ondanks de relatief grote toevoer van zand en slib in deze periode bleek dit onvoldoende om over het gehele getijdebekken intergetijde platen te handhaven. Landwaarts van de binnendelta's die zich achter de zeegaten ontwikkelden, werd te weinig sediment aangevoerd en overheerste lagunaire omstandigheden. Deze lagunes gingen in het achterste deel van de getijdebekkens geleidelijk over in een zoet getijdegebied met uitgestrekte rietvelden. Kwelders werden praktisch niet gevormd. Toen na 6000 BP de snelheid van zeespiegelrijzing drastisch afnam, zien wij dat geleidelijk de sedimentaanvoer de zeespiegelrijzing kon bijhouden met als gevolg dat tussen 5500 en 3500 BP de Hollandse en Zeeuwse getijdegebieden geheel opgevuld werden, waardoor de zeegaten dichtslibden en de kust zich stabiliseerde en, in het geval van de kust van het Hollandse getijdebekken, over een afstand van zo'n 10 km uitbouwde. Omdat de zeespiegel bleef stijgen, alhoewel nu veel langzamer dan voorheen, steeg ook de grondwaterspiegel in de voormalige getijdebekkens en veranderden deze in moerassen met veenaccumulatie. Mogelijk tengevolge van een andere oriëntatie ten opzichte van de overheersende windrichting bleven de zeegaten van het oostelijke waddengebied open en bleef dit kusttraject terugschrijden. Stabilisatie van de kust betekende dat de hierboven beschreven wijze waarmee de kust zich sedimentbronnen schiep tot een eind kwam. In feite kwam vanaf 5500 BP een inhaalactie op gang waarbij de dan nog duidelijk aanwezige landhoofden door langstransport rechtgetrokken werden en de ondiepe Noordzee door dwarstransport en doorgaande zeespiegelrijzing op zijn huidige diepte werd gebracht. Het eerste proces wordt duidelijk gedemonstreerd door de oriëntatie van de vroegere kustlijnen ten noorden van de vroeg-Holocene Rijn/Maasvlakte; het tweede proces door het geleidelijk versteilen van de onderwateroever van de kust tussen 5000 BP en heden. Rond 3000 BP was de mariene invloed in de kustvlakte op zijn kleinst. Met uitzondering van enkele zeegaten in het oostelijke Waddengebied en de mondingen van Rijn, Maas en Schelde was de kust gesloten en beschermde het een uitgestrekt veengebied. Echter, de extra zandbronnen die uitbouw van de Hollandse kust mogelijk hadden gemaakt, waren tegen deze tijd uitgeput. Omdat de zeespiegel bleef stijgen - na 3000 BP met een gemiddelde snelheid van 0,05 m per eeuw - kwam er opnieuw behoefte aan zand om dit te compenseren. Omdat de hoeveelheid zand dat van buiten het kustsysteem werd aangevoerd nu onvoldoende was geworden, vinden in de Middeleeuwen op grote schaal kustinbraken plaats. Zeeland en het westelijke Waddengebied veranderden in getijdegebieden, de oostelijke Waddenzee breidde zich uit en ook in Holland vonden overstromingen plaats vanuit doorbraken in de kop van Noord-Holland en vanuit de Zuiderzee. In dezelfde periode valt de vorming van de Jonge Duinen, die erosie van de onderwateroever van vooral de Hollandse kust betekende. Op dat ogenblik is echter ook de maatschappelijke organisatie van de Nederlandse gemeenschap zodanig dat er gezamenlijke en gerichte acties konden worden ondernomen om de kustlijn op zijn oude positie te handhaven. De Nederlandse kustvlakte is een sediment-importerend systeem. Gedurende het Holoceen werd 200 tot 250 miljard m3 sediment, bestaande uit zand (70%>, slib (25%> en veen (5%> op de ondergrond afgezet. Het overgrote deel van het zand werd geërodeerd uit de Pleistocene ondergrond van de huidige Noordzee; ongeveer 10% werd aangevoerd door de Holocene Rijn. De sedimentaanvoer gedurende het Holoceen nam geleidelijk af van gemiddeld ± 42 miljoen m3 per jaar tussen 8000 en 5000 BP, via ± 27 miljoen m3 per jaar tussen 5000 en 3000 BP naar gemiddeld ± 7 miljoen m3 per jaar na 3000 BP en lijkt daardoor, althans ten dele, gekoppeld aan de snelheid van zeespiegelrijzing. Zoals hierboven uiteengezet wordt verondersteld dat dit mechanisme werkt door het scheppen van grote zandbronnen tijdens snelle zeespiegelrijzing en daaraan gebonden kustterugschrijding. Bij kleinere snelheid van zeespiegelrijzing kan de kust zich dan min of meer stabiliseren en worden de restanten van de bronnen opgebruikt. Nieuw sediment kan daarna alleen verkregen worden door hernieuwde terugschrijding van de kust. Belangrijkste conclusie die uit deze geologische analyse getrokken kan worden ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van onze kust is, dat al enige millennia de aanvoer van zand van buiten het kustsysteem waarschijnlijk gering is en, dat nu besloten is om de kustlijn op haar huidige positie te handhaven, ook in de toekomst niet te verwachten is dat deze aanvoer zal toenemen. 2. Dynamics of the closed coastal system of Holland The process-related research of closed coastal systems has made considerable progress in the period 1990 to 1995, as appears from the publication of four theses (Roelvink, 1993; Al-Salem, 1993; Van de Meene, 1994 and Kroon, 1994) and many reviewed journal papers. High-frequency wave propagation in uniform coastal zones using parametrie and probabilistic wave-energy models was extensively studied resulting in a better understanding of the surf zone wave mechanics and of the limitations of the available formulations (wave breaking and wave asymmetry). Low-frequency wave propagation with emphasis on bound-long waves related to short wave groups has had considerable attention resulting in a leading role in international research. A mathematical model for long waves has been developed and calibrated using laboratory and field data. The hypothesis that bar formation is to an important extent related to bound long waves is not supported by the present results; the long waves generally have a destructive effect on bar formations. The mean current field and its vertical structure in cross-shore direction has been studied extensively by performing large-scale (LIP-experiments)and small-scale flume experiments and by mathematical modelling with 2DV-profile models. Streaming and undertow models have been developed and improved. Considerable progress has been made, but the models are not yet sufficiently accurate. Information of wave-induced currents is not sufficiently available, especially for barred profiles. Wave-current interaction is considerably better understood than before. A set of useful parameterized models is available to estimate the near-bed velocities and bed-shear stresses in wave-current systems. Sand transport research was aimed at deriving predictive and practical formulations for bedload and suspended load transport in breaking and non-breaking wave conditions with or without a current superimposed. A new model for total load transport has been developed and used to estimate the yearly-averaged transport rates in the nearshore zone. A leading international role was played, as appears from the published theses and reviewed journal papers. The effect of sediment size, irregular waves and breaking waves on the sand transport processes are still at an early stage of understanding, especially for barred cross-shore profiles. Field data of sand concentrations and transport rates are urgently needed. Integrated modelling shows that the 2DV profile models are robust and effective tools with respect to diagnostic modelling, but the models are not yet capable of describing the generation, migration and degeneration of breaker bars. Information of three- dimensional circulation patterns along uniform coasts is missing. The wave mechanics in the swash zone should be better understood and implemented in the models. Physical processes which still are at an early stage of understanding, are: Wave and currents \u95 wave velocity asymmetry, especially in breaking waves of barred profiles; \u95 wave breaking and energy dissipation, especially in breaking waves over barred profiles; \u95 break-point forced long waves in the surf zone; \u95 wave-induced cross-shore and longshore currents over barred profiles (lag effects); \u95 wave-inducing streaming in non-breaking waves; \u95 vertical structure of velocities and turbulence in nearshore zone; \u95 apparent roughness of rippled and plane beds in wave-current systems. Sediment transport \u95 bed-load and suspended load transport processes (magnitude and direction) in field conditions; \u95 effect of unsteady flow phenomena on bed-lead transport processes of fine sediments in irregular waves; \u95 effect of wave velocity asymmetry on suspended load transport processes; \u95 sediment concentrations and wave-related transport rates over plane sloping beds in non-breaking and breaking waves; \u95 effective roughness of rippled beds. Morphology \u95 generation, migration and degeneration of major breaker bars (including effect of underwater nourishment); \u95 behaviour of swash bars in relation to coastline changes; \u95 behaviour of offshore sand ridges (sediment source for nourishment?). Behaviour-related research has had only limited attention compared with process-related research. Statistical models have been used succesfully to study cross-shore profile characteristics and coastline changes. Bar behaviour has been studied by parameter analysis; predictive results have however not been obtained. Multi-line models have been used to hindcast observed data (JARKUS) of sand volume changes (sand budgets) for the coastline between Den Helder and Hoek van Holland and to forecast nourishment volumes required to ensure a stable coastline for the coming 50-years (including sea-level rise). The effects of structures and nourishment should be better represented by the models. 3. Morphodynamics of a meso-tidal barrier-island coast The morphodynamics of the Wadden barrier-islands (the Netherlands) and its mathematical modelling are described, focusing on three well-documented cases, viz. two tidal inlet systems and the Dutch Wadden coast as a whole. The main morphological characteristics of the Wadden system are described and the results of two modelling approaches are presented. One approach concerns process-based modelling of sediment transport and morphodynamics. For the analysis of the predominant processes and sediment circulation patterns (as induced by human interferences, for instance), 2DH and Q3D wave-, current and sediment transport models appear to be very useful. Morphodynamic models are still in an initial phase of development but they have the potential for morphological predictions at the time scale of years up to a decade. The other approach concerns behaviour-oriented modelling. The behaviour of morphological elements of the tidal inlet system (e.g. basin, channels, shoals, ebb-tidal deltas and islands coasts) is described on the basis of empirical relationships for the equilibrium state of the elements, conservation laws for sediment and water and information on the processes involved. Various empirical and semi-empirical model concepts are presented and validated for the three selected cases. Behaviour-oriented models appear to be useful for the description of the long-term evolution of tidal channel/shoal systems and for the analysis of the large-scale dynamic behaviour of the Wadden ebb-tidal deltas and island coasts (as induced by sea level rise or coastal sand nourishments, for instance).Kustgenes
    corecore