889 research outputs found

    Bleaching resistance and the role of algal endosymbionts

    No full text
    Corals form an obligate symbiosis with a wide range of genetic types within the genus Symbiodinium, a genetically extremely diverse group of single-celled algae. In this chapter we review global patterns in the distribution of Symbiodinium diversity, variability in the levels of specificity of the coral--algal symbiosis among corals with differing life histories, temporal change versus stability in the Symbiodinium community harboured by corals, particularly following bleaching events, and the extent to which Symbiodinium type defines physiological attributes of the coral holobiont. We further discuss evidence for shuffling versus switching under thermal stress and how coral--algal symbioses are likely to respond to ocean warming associated with climate change

    Bleaching resistance and the role of algal endosymbionts

    No full text
    Corals form an obligate symbiosis with a wide range of genetic types within the genus Symbiodinium, a genetically extremely diverse group of single-celled algae. In this chapter we review global patterns in the distribution of Symbiodinium diversity, variability in the levels of specificity of the coral--algal symbiosis among corals with differing life histories, temporal change versus stability in the Symbiodinium community harboured by corals, particularly following bleaching events, and the extent to which Symbiodinium type defines physiological attributes of the coral holobiont. We further discuss evidence for shuffling versus switching under thermal stress and how coral--algal symbioses are likely to respond to ocean warming associated with climate change

    Cognitieve therapie bij posttraumatische stressstoornis

    No full text
    Intens emotionerende negatieve gebeurtenissen leiden bij sommige mensen tot de posttraumatische stressstoornis (PTSS). De patiënt met PTSS verkeert in een langdurige toestand van prikkelbaarheid en wordt geplaagd door herbelevingen, negatieve stemming, angst en vermijding. Patiënten met PTSS lijden ook vaak aan gevoelens van schuld en schaamte, agressie, en verlies van eigenwaarde en vertrouwen in de wereld. Cognitieve therapie is een effectieve behandeling voor PTSS. Samengevat zijn er drie cognitieve factoren die de verwerking van een trauma belemmeren: (a) negatieve opvattingen over PTSS-symptomen, die leiden tot angst en vermijding, waardoor de verwerking stagneert; (b) vervorming van de traumatische gebeurtenis (assimilatie); (c) disfunctionele vervorming van de bestaande opvattingen (overaccommodatie) over zichzelf, andere mensen en de wereld. Het doel van cognitieve therapie bij PTSS is om deze factoren, indien aanwezig, op te heffen en de patiënt te helpen het trauma alsnog te verwerken

    Van Zero tot Hero door Business Model Innovatie

    No full text
    Multinationals in traditionele bedrijfstakken zoals levensmiddelen, banken of de auto-industrie, worden in toenemende mate bedreigd door nieuwe grote spelers van buiten de bedrijfstak die door middel van productinnovaties en nieuwe business modellen de macht van bestaande spelers aantasten. Hieraan lijkt geen enkele traditionele bedrijfstak te kunnen ontkomen. Dit dwingt multinationals om anders te kijken naar hun innovatieprocessen en waardeketen. Een recente studie toont aan dat op dit moment 90% van het innovatiebudget binnen grote bedrijven besteed wordt aan productinnovatie. Maar ondanks al deze inspanningen faalt 50% van alle innovaties (Chiesa en Frattini, 2011) en deze trend is constant over de laatste 20 jaar (Cierpicki et al., 2000). Uit de literatuur blijkt dat commercialisatie, als laatste stap in het innovatieproces, onderbelicht is (Cordero, 1990; Adams et al.,2006; Crossan en Apaydin 2010; Hultink et al., 2000). Dit terwijl het commercieel succes van een productinnovatie vooral wordt beïnvloed door de wijze waarop de productinnovatie wordt geïntroduceerd in de markt (Schilling, 2005). Vaak is voor de commercialisatie van radicale productinnovaties business model innovatie (BMI) nodig (Teece, 2010). De belangrijkste barrière voor BMI wordt veroorzaakt door de spanning tussen het bestaande business model en het nieuwe business model, nodig voor de commercialisatie van de radicale productinnovatie (Chesbrough en Rosenbloom, 2002; Amit en Zott, 2012; Chesbrough, 2010). Deze spanning is het gevolg van het feit dat bij verandering van het business model vaak ook de kernwaarden van de organisatie ter discussie worden gesteld. Dit maakt de commercialisering van radicale productinnovaties, voor bestaande multinationals, wellicht zo weerbarstig. In navolging van Teece (2010) en Foss en Saebi (2017: 214) wordt business model innovatie (BMI) binnen deze thesis gedefinieerd als: bewust ontworpen, nieuwe, significante wijzigingen in de belangrijkste onderdelen in het business model van de onderneming bestaande uit de waarde propositie, klantbenadering, middelen, kernprocessen en winstmechanisme, resulterend in een business model nieuw voor de bedrijfstak. Daarmee gaat BMI over het veranderen van één onderdeel (modulaire verandering) dan wel het veranderen van de onderlinge samenhang van nieuwe en bestaande onderdelen (architecturale verandering) binnen het bestaande business model (BM). Binnen de wetenschappelijk literatuur is er tot op heden weinig aandacht voor BMI binnen multinationals maar richt onderzoek zich vooral op startups (Foss en Caebi, 2017). Tevens is er meer aandacht voor de beschrijving van de verschillende vormen van BMI als uitkomst dan dat er aandacht is voor het proces van organisatorische aanpassing, verandering en herontwerp, nodig voor de ontwikkeling van een nieuw BM binnen een bestaande onderneming (Foss en Caebi, 2017; Van de Ven, 2017: 42) Centrale vraag is deze masterscriptie is derhalve: Hoe kan een multinational haar business model innoveren voor de commercialisatie van een radicale productinnovatie? Middels een longitudinale case studie is onderzocht hoe het commercialisatieproces van een, voor de bedrijfstak, radicale productinnovatie (The SUB) binnen een multinational (Heineken N.V.) verloopt. Op basis hiervan is nieuw inzicht verkregen in het BMI-proces binnen multinationals. De case studie van de SUB gaat over de commercialisatie van een radicale productinnovatie. Voor een succesvolle herintroductie in de markt bleek het nodig om, middels het opzetten van een interne corporate venture, te werken aan de ontwikkeling van een geheel nieuw business model gebaseerd op eCommerce. Het SUB-project kan worden gezien als katalysator voor het ontwikkelen van een nieuw business model gebaseerd op eCommerce, met als doel bij te dragen aan de ontwikkeling van nieuwe kerncapaciteiten zodat Heineken N.V. haar concurrentievoordeel in de toekomst kan behouden en/of verder uitbreiden, ook als spelers van buiten de bedrijfstak de food en beverage markt binnendringen. 9 Uit de case studie blijkt dat de keuze voor een modulaire of architectonische aanpassing van het bestaande BM afhankelijk is van de aard van de productinnovatie in relatie tot de kerncapaciteiten die de multinational reeds bezit en die tot doel hebben de waarde proposities van de onderneming succesvol te maken. Voor de commercialisatie van een radicale productinnovatie, volstaat een modulaire aanpassing van het bestaande business model (Focust BMI) indien de waarde propositie van de radicale productinnovatie aansluit bij de bestaande waarde propositie van de onderneming. BMI ontstaat dan door een proces van integratie van nieuwe elementen binnen het bestaande BM. Focust BMI kan het beste plaatsvinden binnen innovatie-initiatieven vanuit dochterondernemingen daar zij vaak een hoge mate van marktgericht ondernemerschap vereisen (klant- en marktinzicht onontbeerlijk) om de radicale productinnovatie succesvol te introduceren in de markt. Tevens kan worden geconcludeerd dat Complex BMI noodzakelijk is indien de radicale productinnovatie niet aansluit bij de bestaande waarde propositie van de multinational. Het innovatieproces bestaat dan uit een BMI-proces waarbij er zowel wijziging optreden in de klantpropositie als in de wijze waarop deze klanten benaderd worden en door wie (marktgerichte wijziging) als wel welke resources daarvoor nodig zijn (organisatorische wijziging) en hoe hiermee waarde wordt gecreëerd. Dit kan leiden tot weerstand binnen de bestaande organisatie. Op basis van de case studie wordt gesteld dat het centrale hoofdkantoor (CHQ), als speciale hub binnen netwerk van de multinational, de interne weerstand kan mitigeren door het nemen van de regisseursrol in BMI. CHQ kan de ontwikkeling van Complex BMI middels een vijf stappenplan vormgeven: think big, start small, try and learn, kill or scale fast en re-apply. Teneinde dit stappenplan mogelijk te maken is intern corporate ondernemerschap een randvoorwaarde. Het onderbrengen van het BMI-initiatief binnen een corporate venture, onder regie van CHQ, zorgt ervoor dat het benodigde interne corporatie ondernemerschap voldoende ruimte krijgt. Binnen de wetenschappelijk literatuur is geen voorbeeld van een innovatie-initiatief, door dochter-ondernemingen, dat op de beide dimensies tot verstoring leidt. Complex BMI kan worden gezien als een Global-for-Local Hybrid innovatie-initiatief. Global-for-Local Hybrid innovatie-initiatieven kunnen, in aanvulling op de typologie door Birkenshaw (1997), worden gedefinieerd als: een proactieve en opzettelijk streven naar een nieuwe zakelijke kans, door een hub binnen het netwerk van de multinational, ondernomen om bij te dragen aan de toekomstige strategische ontwikkeling van de organisatie en haar dochterondernemingen. Hiermee wordt, op basis van dit onderzoek, tevens een aanvulling gedaan op het model van Schmid et al. (2014). Binnen decentrale multinationals, die georganiseerd zijn op basis van het netwerkperspectief, moet de rol van het CHQ derhalve weer meer leidend in plaats van ondersteunend zijn: alleen CHQ kan innovatie-initiatieven uitvoeren die zowel destructief zijn voor de structuur van de organisatie als voor de marktverhoudingen binnen de bedrijfstak. Deze gewijzigde rol van CHQ sluit aan bij de trend zoals gesignaleerd door (Ambos en Mueller-Stewens, 2017: 13): “we are also seeing another trend towards increased centralisation and, as a result, a more powerful central HQ“. Tevens kan CHQ ervoor zorgen dat hierbij opgebouwde capaciteiten in de toekomst bijdragen aan versterking concurrentiekracht van de gehele organisatie. Dit sluit aan bij de bevindingen van Ciabuschi et al. (2011b) met betrekking tot de toegevoegde waarde van CHQ op de innovatiekracht van dochterondernemingen, waarmee het netwerkperspectief eerder al werd uitgedaagd. Hiermee lijkt het antwoord op de onderzoeksvraag tweeledig en afhankelijk van in hoeverre de radicale productinnovatie nog aansluit bij de bestaande waarde propositie van de multinational. Dit geeft direct aan waarom BMI binnen multinationals zo weerbarstig is: BMI is een iteratief en evolutionair transformatieproces op twee niveaus: er is verandering nodig op het niveau van de onderneming en er is verandering nodig op het niveau van het business model. BMI raakt daarmee de kernwaarden én het organisatorisch ontwerp van de organisatie, en daagt deze uit

    van Oppen et al. 2011 Acropora millepora microsatellite data

    No full text
    Acropora millepora microsatllite data, 11 loci, 20 populations, repeated Multi Locus Genotypes have been removed. Column A: sample ID. Column B: collection locations. Colums C-X: The two alleles for each locus are given in two consecutive columns (i.e., columns C and D show the alleles for locus Am2_002). The locus names are given at the top of each column. All data for an individual are given in a single row following the sample ID and collection location name. Alleles are given as their size in base pairs. Coordinates of sampling locations, sampling depth and collection date are given in Supplementary Table 1

    Tax Shift for Circularity: a policy-oriented life cycle costing analysis of two construction case studies at the Floriade

    No full text
    The Circular Economy (CE) has emerged as an economic paradigm that could provide a pathway to sustainable development. The transition to a CE is a complex process requiring wide multi-level and multi-stakeholder engagement, which can be facilitated by appropriate policy interventions. As value retention processes in the CE require additional labour, the transition from a linear to a circular economy can be viewed as a transition from a capital-based economy to a labour economy. Consequently, a ‘circular tax shift’, based on an introduction of environmental taxation paired with a reduction of labour taxation, could be a powerful lever for public policy.The aim of this research was to assess the effect of this tax shift on the financial feasibility of circularity in the construction sector. The main research question is: ‘What is the effect of a circular tax shift on the financial feasibility of circular construction, in relation to linear construction?’To answer this question, a micro-economic analysis has been applied on two circular construction case studies: the ‘The Voice of Urban Nature’ and ‘Circuloco’ pavilions that were built at the Floriade World Expo 2022. A linear and circular variant have been developed for both case studies, for which a life cycle costing analysis has been conducted. A life cycle assessment has been applied to determine the environmental impacts, on the basis of which environmental taxation was applied under the taxation scenarios, which reflected varying levels of the circular tax shift. The results show that under the current taxation system, the total life cycle costs for the circular variants are 2,0 - 2,7% higher than for the linear variants, though environmental impacts are lower by 38,7 - 52,7%. The effect of the tax shift is that the cost differences between the linear and circular variants decrease, and in two of the high level tax shift scenarios, the circular variant of the Circuloco pavilion becomes more financially feasible than the linear variant. Although the external validity is low, the results of the research imply that the suggested circular tax shift could create incentives to use secondary and biobased materials in construction. The tax circular shift also implies many other effects, which are outside the scope of this research, but have been suggested as subjects for follow-up research.Industrial Ecolog
    corecore