768 research outputs found

    Transect-rapport 1995: Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Mierlo, Oudvensestraat 16-18 Gemeente Geldrop-Mierlo (NB)

    No full text
    In november 2018 is een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd in een plangebied aan de Oudvensestraat 16-18 in Mierlo (gemeente Geldrop-Mierlo). De aanleiding van het onderzoek was een omgevingsprocedure voor de bouw van een bedrijfswoning in het plangebied. Uit het archeologisch vooronderzoek (Rap 2018), dat uit een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek bestond, is gebleken dat het plangebied een hoge verwachting heeft op het aantreffen van intacte archeologische waarden uit de periode Neolithicum – Nieuwe tijd, specifiek LateMiddeleeuwen – Vroege Nieuwe tijd. Op basis van de hoge archeologische verwachting is vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek-Proefsleuven (IVOP). De bodemopbouw was niet geheel intact te noemen. Duidelijke restanten van podzolering zijn afwezig. Er zijn archeologische resten aanwezig, in de vorm van een (oud) bouwlanddek, dat de indruk wekt in de recente periode geroerd te zijn. Een vermoedelijk middeleeuwse scherf uit deze laag is geïnterpreteerd als opspit. Ook zijn enkele sporen van landgebruik aangetroffen. De meeste van deze sporen dateren waarschijnlijk in de Nieuwe tijd, twee zijn met zekerheid recent. Er zijn tien fragmenten keramiek geborgen, waarvan het grootste deel roodbakkend geglazuurd. Omdat de bodemopbouw niet geheel intact is, het aantal en de afmetingen van de vondsten gering is en de archeologische resten weinig toevoegen aan de bestaande kennis, is de behoudenswaardigheid van deze vindplaats ons inziens laag. Wij adviseren het plangebied archeologisch vrij te geven op basis van de bevindingen van dit proefsleuvenonderzoek

    Grootens (P.) S. J. Onuitgegeven sermoenen van Jan Brugman. O. F. M. Tielt

    No full text
    Van Mierlo J. Grootens (P.) S. J. Onuitgegeven sermoenen van Jan Brugman. O. F. M. Tielt. In: Revue belge de philologie et d'histoire, tome 28, fasc. 3-4, 1950. pp. 1178-1180

    Grootens (P.) S. J. Onuitgegeven sermoenen van Jan Brugman. O. F. M. Tielt

    No full text
    Van Mierlo J. Grootens (P.) S. J. Onuitgegeven sermoenen van Jan Brugman. O. F. M. Tielt. In: Revue belge de philologie et d'histoire, tome 28, fasc. 3-4, 1950. pp. 1178-1180

    Transect-rapport 1995: Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Mierlo, Oudvensestraat 16-18 Gemeente Geldrop-Mierlo (NB)

    No full text
    In november 2018 is een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd in een plangebied aan de Oudvensestraat 16-18 in Mierlo (gemeente Geldrop-Mierlo). De aanleiding van het onderzoek was een omgevingsprocedure voor de bouw van een bedrijfswoning in het plangebied. Uit het archeologisch vooronderzoek (Rap 2018), dat uit een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek bestond, is gebleken dat het plangebied een hoge verwachting heeft op het aantreffen van intacte archeologische waarden uit de periode Neolithicum – Nieuwe tijd, specifiek LateMiddeleeuwen – Vroege Nieuwe tijd. Op basis van de hoge archeologische verwachting is vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek-Proefsleuven (IVOP). De bodemopbouw was niet geheel intact te noemen. Duidelijke restanten van podzolering zijn afwezig. Er zijn archeologische resten aanwezig, in de vorm van een (oud) bouwlanddek, dat de indruk wekt in de recente periode geroerd te zijn. Een vermoedelijk middeleeuwse scherf uit deze laag is geïnterpreteerd als opspit. Ook zijn enkele sporen van landgebruik aangetroffen. De meeste van deze sporen dateren waarschijnlijk in de Nieuwe tijd, twee zijn met zekerheid recent. Er zijn tien fragmenten keramiek geborgen, waarvan het grootste deel roodbakkend geglazuurd. Omdat de bodemopbouw niet geheel intact is, het aantal en de afmetingen van de vondsten gering is en de archeologische resten weinig toevoegen aan de bestaande kennis, is de behoudenswaardigheid van deze vindplaats ons inziens laag. Wij adviseren het plangebied archeologisch vrij te geven op basis van de bevindingen van dit proefsleuvenonderzoek

    Willem van St. Therry's Epistel totten Bruederen vanden Berghe Codes. Ingeleid en van een modern Nederlandse vertaling voorzien, door Dr J. M. Willeumier-Schalij

    No full text
    Van Mierlo J. Willem van St. Therry's Epistel totten Bruederen vanden Berghe Codes. Ingeleid en van een modern Nederlandse vertaling voorzien, door Dr J. M. Willeumier-Schalij. In: Revue belge de philologie et d'histoire, tome 30, fasc. 1-2, 1952. pp. 248-250

    Willem van St. Therry's Epistel totten Bruederen vanden Berghe Codes. Ingeleid en van een modern Nederlandse vertaling voorzien, door Dr J. M. Willeumier-Schalij

    No full text
    Van Mierlo J. Willem van St. Therry's Epistel totten Bruederen vanden Berghe Codes. Ingeleid en van een modern Nederlandse vertaling voorzien, door Dr J. M. Willeumier-Schalij. In: Revue belge de philologie et d'histoire, tome 30, fasc. 1-2, 1952. pp. 248-250

    Plangebied De Loo 118 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

    No full text
    Inleiding In opdracht van de familie van Vlerken heeft RAAP in de periode februari-maart 2020 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied De Loo 118 te Mierlo (gemeente Geldrop-Mierlo). In het plangebied is nieuwbouw (nieuwe woning) gepland. Resultaten Volgens het bureauonderzoek ligt het plangebied op de overgang van hogere naar lager gelegen zandgronden, en komt er een hoge zwarte enkeerdgrond voor, die gekenmerkt wordt door een zogenaamd esdek van minimaal 50 cm dik. Onder het esdek kan nog een podzolbodem aanwezig zijn. Het plangebied was tot circa 1900 in gebruik als bouwland en maakte daarna deel uit van een woonerf. In de tweede helft van de 20e eeuw was in het plangebied een varkensstal aanwezig. Op basis van het bureauonderzoek worden binnen het plangebied nederzettingsresten van jager -verzamelaars (middelhoge archeologische verwachting) en landbouwers (hoge archeologische verwachting) verwacht, dankzij de (relatief) hoge en droge ligging. Deze bevinden zich onder het esdek. Vanwege de aanwezigheid van historische bebouwing aan de weg de Loo (huidige Kasteelweg) kunnen ook offsite sporen uit de Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd in het plangebied voorkomen. Deze kunnen in het esdek aanwezig zijn. Tijdens het booronderzoek is in alle boringen een enkeerdgrond vastgesteld, die getypeerd wordt door een circa 1m dik humeus dek dat rechtstreeks op de roestige en natte C-horizont rust. Het humeuze dek, waarvan de top recent is opgebracht, is ook geroerd, waarschijnlijk als gevolg van spitwerk tot 80 à 100 cm diep. Dit betekent dat eventuele resten in het oorspronkelijke esdek (vanaf de Late Middeleeuwen) niet meer intact zijn. Plaatselijk kan het spitwerk de top van de C-horizont geraakt hebben. Ondiepe sporen (zoals vindplaatsen van jager -verzamelaars) zullen verstoord zijn, maar dieper ingegraven sporen (zoals paalkuilen, kuilen, waterputten) kunnen nog ten dele bewaard zijn. De middelhoge archeologische verwachting ten aanzien van jager -verzamelaars kan op basis van het verkennend booronderzoek bijgesteld worden naar laag. Rekening houdende met de relatieve vochtigheid van de bodem kan de hoge archeologische verwachting voor landbouwers worden bijgesteld naar middelhoog. Hierbij kan dan gedacht worden aan bewoningsresten uit de IJzertijd of Volle Middeleeuwen die ook worden aangetroffen op de overgangen van droge naar natte landschapsdelen. Offsite sporen uit de Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd (cf. historische bebouwing in de directe buurt van het plangebied) kunnen bovendien niet uitgesloten worden in het plangebied. Ter plaatse van boring 1, geplaatst op de vermoedelijke locatie van een voormalige mestkelder (varkensstal), is de bodem zodanig verstoord dat hier geen archeologische resten meer aanwezig zijn. Advies Vanwege de middelhoge verwachting, kan niet uitgesloten worden dat archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn. Deze worden verwacht vanaf 1 m –Mv (onder het humeuze dek). RAAP adviseert om de locatie van de nieuwbouw voor ontwikkeling vrij te geven. De rest van het perceel kan nog zijn dubbelbestemming behouden. Dit advies is gebaseerd op de volgende overwegingen: - de geplande werkzaamheden hebben een omvang van circa 135m². Deze omvang overschrijdt de ondergrens van 500 m² niet (wel dieper dan 50 cm). Mogelijk wordt zelfs minder geroerd ( in het geval dat er gefundeerd wordt op sleuven, dit is nog niet bekend); - Alleen dieper ingegraven sporen zullen bewaard zijn. Het archeologisch niveau is namelijk in het plangebied geraakt met diepspitten en plaatselijk diep verstoord (ter plaatse van de mestkelder, ter hoogte van boring 1); - In de aanwezige ontgraving (30 m²), centraal in het plangebied en op de locatie van de nieuwbouw, werden geen archeologische sporen opgemerkt

    Mierlo, Vesperstraat en Heer Dickbierweg Mierlo Vesperstraat en Heer Dickbierweg

    No full text
    In opdracht van de gemeente Geldrop-Mierlo heeft BAAC een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in plangebied Vesperstraat en Heer Dickbierweg te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo. De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de voorgenomen realisatie van wadi’s en een krattenveld voor de waterberging waarbij bodemverstoringen zullen plaatsvinden tot maximaal 1,25 m -mv. Het plangebied is onderverdeeld in twee deelgebieden, de Vesperstraat en de Heer Dickbierweg. De Vesperstraat maakt deel uit van een dalhoofd dat zich in de hoge dekzandruggen van Mierlo heeft ingesneden. De ondergrond bestaat uit oud dekzand, waarin, in het Holoceen, een veldpodzol is ontstaan. Alleen in het lagere deel van het dal zijn hiervan nog resten aanwezig. Op de hogere randen van het dal, aan de noordwest- en zuidoostzijde van het deelgebied, is de podzol door verploeging in het cultuurdek opgenomen. In de proefsleuven aan de Vesperstraat is geen archeologische vindplaats aangetroffen, enkel verstoringen die te herleiden zijn aan bebouwing die in het deelgebied aanwezig is geweest. Het centrale deel van het deelgebied is intact. Dit deel is echter lager gelegen dan de gebieden die verstoord zijn geraakt en de verwachting is dat hier geen archeologische resten aanwezig zijn geweest. De bewoning zal zich hoofdzakelijke geconcentreerd hebben op de hogere delen die door aftopping en bouw- en sloopwerkzaamheden verstoord zijn geraakt. Deelgebied Heer Dickbierweg maakt deel uit van een lager gelegen zone binnen de oude akkers van Mierlo. Op de overgang van het hoger gelegen naar het lager gelegen deel is een vindplaats uit vermoedelijk de late middeleeuwen - nieuwe tijd aangetroffen. De vindplaats bestaat uit een noordwest-zuidoost georiënteerde greppel met daarlangs een paalkuil. Dat de greppel is gelegen op een overgangsgebied blijkt uit de gedocumenteerde profielen. Ten noordwesten van de greppel zijn in het profiel spitsporen aangetoond en is de podzol grotendeels opgenomen in het plaggendek. Ten zuidoosten van de greppel ontbreken de spitsporen en is een intacte podzol aangetroffen waaruit blijkt dat de bodem niet verstoord is geraakt door enige grondbewerking. Dit gebied is hoogstwaarschijnlijk in gebruik geweest als wei- of hooiland terwijl het gebied ten noordwesten van de greppel in gebruik was als bouwland. Het deelgebied Heer Dickbierweg ligt voor een deel in AMK-terrein 15477. Bij archeologisch onderzoek, uitgevoerd door de heemkundekring Myerle, zijn bewoningssporen uit de vroege en volle middeleeuwen aangetroffen. Er zijn huisplattegronden, waterputten, karrensporen, greppels en aardewerk gevonden.1 In hoeverre de sporen aan de Heer Dickbierweg onderdeel zijn van 1. Berkvens 2021. dit AMK-terrein is niet bekend, maar is niet volledig uit te sluiten.Het advies van BAAC is om voor het deelgebied Heer Dickbierweg een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ op te nemen vanaf 2 m -mv (hierbij is rekening gehouden met een buffer van 20 cm) en bodemverstoringen dieper dan 2 m -mv te vermijden. Indien dit niet mogelijk is, dient de vindplaats ex situ behouden te blijven door middel van een opgraving. Ter hoogte van de Vesperstraat is tijdens het proefsleuvenonderzoek geen vindplaats aangetroffen. De verwachting is dat hier ook geen archeologische resten worden aangetroffen. De bewoning zal zich hoofdzakelijk op de hogere delen concentreren die zeer waarschijnlijk verstoord zijn door recentere ingrepen. Op basis daarvan is het advies van BAAC dan ook om het gebied ter hoogte van de Vesperstraat vrij te geven voor de voorgenomen werkzaamheden

    Mierlo, Vesperstraat en Heer Dickbierweg Mierlo Vesperstraat en Heer Dickbierweg

    No full text
    In opdracht van de gemeente Geldrop-Mierlo heeft BAAC een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in plangebied Vesperstraat en Heer Dickbierweg te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo. De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de voorgenomen realisatie van wadi’s en een krattenveld voor de waterberging waarbij bodemverstoringen zullen plaatsvinden tot maximaal 1,25 m -mv. Het plangebied is onderverdeeld in twee deelgebieden, de Vesperstraat en de Heer Dickbierweg. De Vesperstraat maakt deel uit van een dalhoofd dat zich in de hoge dekzandruggen van Mierlo heeft ingesneden. De ondergrond bestaat uit oud dekzand, waarin, in het Holoceen, een veldpodzol is ontstaan. Alleen in het lagere deel van het dal zijn hiervan nog resten aanwezig. Op de hogere randen van het dal, aan de noordwest- en zuidoostzijde van het deelgebied, is de podzol door verploeging in het cultuurdek opgenomen. In de proefsleuven aan de Vesperstraat is geen archeologische vindplaats aangetroffen, enkel verstoringen die te herleiden zijn aan bebouwing die in het deelgebied aanwezig is geweest. Het centrale deel van het deelgebied is intact. Dit deel is echter lager gelegen dan de gebieden die verstoord zijn geraakt en de verwachting is dat hier geen archeologische resten aanwezig zijn geweest. De bewoning zal zich hoofdzakelijke geconcentreerd hebben op de hogere delen die door aftopping en bouw- en sloopwerkzaamheden verstoord zijn geraakt. Deelgebied Heer Dickbierweg maakt deel uit van een lager gelegen zone binnen de oude akkers van Mierlo. Op de overgang van het hoger gelegen naar het lager gelegen deel is een vindplaats uit vermoedelijk de late middeleeuwen - nieuwe tijd aangetroffen. De vindplaats bestaat uit een noordwest-zuidoost georiënteerde greppel met daarlangs een paalkuil. Dat de greppel is gelegen op een overgangsgebied blijkt uit de gedocumenteerde profielen. Ten noordwesten van de greppel zijn in het profiel spitsporen aangetoond en is de podzol grotendeels opgenomen in het plaggendek. Ten zuidoosten van de greppel ontbreken de spitsporen en is een intacte podzol aangetroffen waaruit blijkt dat de bodem niet verstoord is geraakt door enige grondbewerking. Dit gebied is hoogstwaarschijnlijk in gebruik geweest als wei- of hooiland terwijl het gebied ten noordwesten van de greppel in gebruik was als bouwland. Het deelgebied Heer Dickbierweg ligt voor een deel in AMK-terrein 15477. Bij archeologisch onderzoek, uitgevoerd door de heemkundekring Myerle, zijn bewoningssporen uit de vroege en volle middeleeuwen aangetroffen. Er zijn huisplattegronden, waterputten, karrensporen, greppels en aardewerk gevonden.1 In hoeverre de sporen aan de Heer Dickbierweg onderdeel zijn van 1. Berkvens 2021. dit AMK-terrein is niet bekend, maar is niet volledig uit te sluiten.Het advies van BAAC is om voor het deelgebied Heer Dickbierweg een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ op te nemen vanaf 2 m -mv (hierbij is rekening gehouden met een buffer van 20 cm) en bodemverstoringen dieper dan 2 m -mv te vermijden. Indien dit niet mogelijk is, dient de vindplaats ex situ behouden te blijven door middel van een opgraving. Ter hoogte van de Vesperstraat is tijdens het proefsleuvenonderzoek geen vindplaats aangetroffen. De verwachting is dat hier ook geen archeologische resten worden aangetroffen. De bewoning zal zich hoofdzakelijk op de hogere delen concentreren die zeer waarschijnlijk verstoord zijn door recentere ingrepen. Op basis daarvan is het advies van BAAC dan ook om het gebied ter hoogte van de Vesperstraat vrij te geven voor de voorgenomen werkzaamheden

    Proton NMR studies on Megaphaera elsdenii flavodoxin : structure elucidation by 2D-NMR and implications

    No full text
    1H NMR techniques have been applied for a thorough study of the uncrystallizable Megasphaera elsdenii flavodoxin in its three redox states. The aim of the research project described in this thesis was to obtain answers regarding questions concerning the redox potential regulation of FMN by the protein and the observed activation barrier occurring between the oxidized and one-electron reduced redox states of the protein. Detailed information about the structure of the, from a NMR point of view, challenging large protein in solution was gathered.Applying the sequential resonance assignment procedure using phase-sensitive 2D- correlated spectroscopy (DQF-Cosy, HoHaHa, DQ experiments) and phasesensitive nuclear Overhauser enhancement spectroscopy (NOESY) to two-electron reduced M.elsdenii flavodoxin, essentially complete proton assignments for its 137 amino acid residues have been made. In addition all proton resonances of the two-electron reduced flavin were assigned, using 13C-enriched FMN molecules. An exception has to be made for C 3 'OH which exchanges too fast with solvent molecules to be detected. The presence of a fast electron shuttle between the paramagnetic semiquinone and the diamagnetic hydroquinone state of the protein was extensively exploited during the assignment procedure to create a varying proton sphere around the flavin which depended on the semiquinone percentage in the samples. Protons in this sphere are characterized in the 2D-NMR spectra by either complete disappearance or broadening of the corresponding cross peaks thereby simplifying the complex 2D-NMR spectra of the protein and labelling these protons with regard to their distance to the flavin.The assignments of the two-electron reduced state of M.elsdenii flavodoxin provided the starting point of further studies on the protein as described in this thesis. The secondary structure of the protein has been determined by visual, qualitative inspection of sequential connectivities involving CαH, CβH and NH protons observed in NOESY spectra. The global fold of the protein was then established by using nonsequential interresidual NOE connectivities as primary source of information. M.elsdenii flavodoxin consists of a central parallel β-sheet including five strands surrounded on both sides by a pair of α-helices. The flavin is non-covalently bound at the periphery of the molecule. The protein is very stable and compact as reflected by the unexpected observation of several hydroxyl and sulfhydryl groups at 41 °C and pH 8.3 with water as solvent, and the extremely slow exchange of 32 amide protons against deuterium oxide under the same experimental conditions.Comparing the secondary structure elements and the global fold of two-electron reduced M.elsdenii flavodoxin with the crystal structures of oxidized as well as one-electron reduced ClostridiumMP flavodoxin it became clear that there is a high structural similarity between both flavodoxins. Therefore the crystal structure of the semiquinone state of ClostridiumMP flavodoxin was used to build by amino acid residue replacement a plausible starting structure for the restrained molecular dynamics calculations on two-electron reduced M.elsdenii flavodoxin. These calculations, using 509 experimental interresidual NOE distance restraints (including one non- NOE in the flavin binding region) which are all very well spread over the molecule, resulted in a tertiary structure of two-electron reduced M. elsdenii flavodoxin which satisfies the experimental restraints very well (maximum NOE violation 0.66 Å, the potential energy of the structure is -2278 ± 122 kJ mol -1). For the first time the three-dimensional structure of a flavoprotein has been elucidated by NMR.The tertiary structure of M. elsdenii flavodoxin is highly defined with the exception of the flavin. The latter is expected to result from performing the RMD simulation without water molecules and without proper charges on the flavin (phosphate dianionic and N 1 negatively charged). Water plays an important role in regions of the molecule accessible to solvent molecules. The negatively charged phosphate is strongly hydrogen bonded by peptide dipoles in the region Trp7-Thr13 of the protein. Amide protons involved in phosphate binding are characterized by their very lowfield resonance positions. This study shows that these amides are solvent accessible as they exhibit fast exchange with deuterated solvent on the timescale of a NOESY exchange experiment (at pH 8.3, 41 °C). Under the same experimental conditions also part of the isoalloxazine binding region is accessible to solvent molecules. The possibility of measuring exchange characteristics of individual protons by NMR signifies important additional information on protein tertiary structure.Taking into account this solvent accessibility of both the phosphate and part of the isoalloxazine binding region and the stabilizing effects of it on charges, it is proposed that the role of electrostatic interactions between the negatively charged phosphate and N 1 on the redox potential of flavodoxin will be less dominant than proposed. The destabilization of the negatively charged N 1 in two-electron reduced flavodoxin by its local microenvironment as compared to the uncharged N 1 in the semiquinone state (both relative to their energies in water) is expected to be an important contribution to the redox potential. The amide exchange against deuterons and several typical line shapes in the 2D-NMR spectra are consistent with the structure generated.Greatly benefiting from the assignments made of the two-electron reduced state, essentially complete sequential assignments have been made of oxidized M.elsdenii flavodoxin, including flavin assignments. Based on identity in NOEcontacts and in chemical shift positions of the protons, it is concluded that the tertiary structure outside the immediate flavin binding region remains identical on going from the oxidized to the reduced state of the protein. However, functionally important conformation changes in the flavin binding region do occur on reduction as observed by NMR. The orientation of the peptide link between Gly58 and Ser59 is altered (bringing the carbonyl group in close contact to N 5 H) as well as the position of the amide of Glu61. The semiquinone state is stabilized as compared to the oxidized state. These subtle conformation changes account for the activation barrier occurring in the transition from the oxidized to the one-electron reduced state of the protein. On additional reduction of the protein to the two-electron reduced state no further conformation changes are expected as a fast electron exchange between the semiquinone and the hydroquinone state prevents structural rearrangements. M.elsdenii flavodoxin is thereby predestined for oneelectron transfer reactions by shuttling between the semiquinone and hydroquinone states, as has already been shown by previous studies. No difference in water accessibility and flexibility in the flavin binding region are observed on reduction. On two-electron reduction the flavin becomes anti-aromatic as evidenced by a decrease in ring current effect of the pyrazine part of the isoalloxazine moiety on the apo region of the protein.A three-dimensional non-selective Clean TOCSY-NOESY 1H NMR study of M.elsdenii flavodoxin in the oxidized state has been performed to demonstrate the value of the experiment for making sequential resonance assignments in relatively large proteins. An easy and concise way for the analysis of cross peaks has been given and sequential assignments in various secondary structure elements of flavodoxin are made confirming the assignments made by 2D-NMR results. Additional information has also been obtained. Non-selective TOCSY-NOESY has been compared with selective TOCSY-NOESY and non-selective TOCSY-NOESY.Finally, apoflavodoxin of M.elsdenii has been studied using 2D-NMR techniques. The large majority of proton resonances outside the flavin binding region has been assigned. By analyzing sequential and long-range NOE connectivities, which are virtually identical to the connectivities observed for the holoprotein, and based on identity in chemical shifts, it is concluded that the structure of the protein outside the flavin binding region is nearly identical to that of the holoprotein in its three redox states. This is in contrast to results reported from far-uv-circular dichroism studies. Many proton resonances in the isoalloxazine binding region have not (yet) been assigned, possibly resulting from multiple conformations in this region of the protein, preventing structural analysis
    corecore