382 research outputs found
Handgebaren in onlinegezondheidscommunicatie.
Non-verbaal gedrag, waaronder handgebaren, kunnen een positieve invloed hebben op de
evaluatie van een boodschap en de overtuigingskracht (Maricchiolo et al., 2009). Het huidige
onderzoek heeft als doel om het effect van handgebaren en verwerkingsroutes in een
maatschappelijk relevante context verder te onderzoeken. Het experiment heeft een 2 x 2
tussenproefpersoondesign en is uitgevoerd in een massacommunicatieve gezondheidscontext
De eerste onafhankelijk variabele was handgebaren en had twee niveaus: geen handgebaren en
wel handgebaren. De tweede onafhankelijke variabele was verwerkingsroute en had twee
niveaus: perifeer en centraal. De 196 proefpersonen kregen een gesproken video met of zonder
handgebaren te zien. De twee afhankelijke variabelen waren evaluatie van de boodschap en
overtuigingskracht. Deze zijn uitgevraagd in een vragenlijst. Handgebaren leidden niet tot een
hogere overtuigingskracht, maar wel tot een positievere evaluatie van de boodschap. De
centrale route leidden ongeacht handgebaren, tot een positieve evaluatie van de boodschap en
een hogere overtuigingskracht. Er is ook een interactie-effect gevonden tussen handgebaren en
verwerkingsroute op overtuigingskracht. Proefpersonen die de centrale route volgden, raakten
meer overtuigd van de boodschap en evalueerden de boodschap positiever dan de proefpersonen
die de perifere route volgden. Het bijzondere is, dat proefpersonen die de centrale route volgden
ook meer overtuigd raakten van de boodschap als de boodschap gepaard ging met handgebaren
dan als dat niet het geval was. Dit interactie-effect spreekt voorgaande theorie tegen. In het
onderzoek van Peters en Hoetjes (2017) leidden handgebaren tot een positievere evaluatie bij
perifere verwerking. Het huidige onderzoek geeft aanleiding om nader te onderzoeken wat nu
precies de rol is van handgebaren bij centrale of perifere verwerking
Numeriek model voor de berekening van kustlijnveranderinen t.g.v. golven en getij
In samenwerking tussen Rijkswaterstaat afdeling Kustonderzoek van de Directie Waterhuishouding en Waterbeweging en de vakgroep Kustvlaterbouwkunde van de Technische Hogeschool in Delft is een serie rekenprogrammma's tot stand gekomen met het doel de veranderingen van kustvormen onder invloed van golfaanval te voorspellen. In 1975 heeft Casteleyn [8J deze programma's gebundeld in een tweetal standaard programma's. Het eerste deel (KC) berekent de zandtransporten in het geschematiseerde kustvak met de zandtransportformule van het CERC. Het tweede deel (KL) berekent de kustlijn veranderingen volgens de eenlijn theorie van Bakker [lJ . In deze aanpak is het echter niet mogelijk de invloed van het getij in rekening te brengen, aangezien bij de formule van het CERC wordt aangenomen dat het zandtransport evenwijdig aan de kust recht evenredig is met een component van de golfenergieflux. De door golven opgewekte langsstroom wordt dan oak niet in de berekening opgenomen. Er is daarom behoefte aan een soortgel ijk rekenprogramma dat de morfologische veranderingen in een kustgebied berekent t.g.v. door golven en getij opgewekte langsstromen. Hierbij wordt dan tevens rekening gehouden met de continuiteitsvergelijking voor water, zodat er een dwarstransport ontstaat t.g.v. een debiet loodrecht op de kust. Dit dwarstransport komt uiteraard niet tot uiting in de aanpak van het KC en KL programma. Momenteel kan op aannemelijke wijze de door onregelmatige golven opgewekte langstroomsnelheidsverdeling binnen en juist buiten de brandingszone worden berekend. Hierin is de invloed van het getij op eenvoudige wijze te verwerken. In 1977 is door Van de Graaff en de schrijver [9J een vergelijking gemaakt tussen enkele moderne zandtransportformules en de CERC-formule. Uit deze vergelijking blijkt dat de zandtransportformule van Bijker [7] , die gebaseerd is op de formules van Kalinske-Frijlink en Einstein-Rouse, verrev/eg de voorkeur verdient boven de voor golven en stt'oom aangepaste formules van White-Ackers en Engelund-Hansen. In dit rapport zal een beschrijving worden gegeven van de eerste aanzet van het computerprogramma NL (n-lijn). Dit programma dient uiteindelijk de veranderingen te berekenen in een kustgebi ed, da t geschematiseerd is . door n-dieptelijnen. In deze eerste aanzet wordt het effect van het getij nog niet in rekening gebracht. De snelheidsverdeling wordt berekend uit de formule voor de aandrijvende kracht van onregelmatige golven volgens Battjes [SJ en de formule voor de bodemschuifspanning volgens Bijker [7J . Uit deze snelheidsverdeling wordt een twee-dimensionaal snelheidsbeeld afgeleid, waarbij de zandtransporten worden berekend met de formule van Bijker. Het dwarstransport t.g.v. afwijkingen van het profiel t.o.v. het evenwichtsprofiel worden berekend met de dwarstransportformule van SVlart [17J . In hoofdstuk 2 wordt een overzicht gegeven van enkele bestaande rekenprogramma's voor de berekening van kustlijn veranderingen, waarna in hoofdstuk 3 een beschrijving wordt gegeven van de in het NL-programma toegepaste schematisaties en formules. In hoofdstuk 4 wordt een eenvoudig voorbeeld uitgewerkt met zowel het NL-programma als het KC en KL (eenlijn) programma. In hoofdstuk 5 wordt een overzicht gegeven van de beperk-ingen van het huidige programma en warden aanbevelingen gegeven voor verdere uitbreiding, waarna het rapport wordt afgesloten met een samenvatting en conclusies.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Inkoop van zakelijke dienstverlening
Dienstver!ening vertegenwoordigt een groeiend aandeel in de economie van de meeste Europese landen en dus in de inkoopuitgaven van vee! ondernemingen. Betrof de inkoop van diensten eerder met name indirecte inkoop, in toenemende mate kopen ondernemingen ook diensten in die deel gaan uitmaken van het aanbod aan hun k!anten. Dit maakt dat er steeds meer aandacht komt voor het professiona!iseren van de inkoop van dienstverlening. Het professiona!iseren van de inkoop van diensten is niet eenvoudig. In de eerste p!aats is het voor sommige organisaties erg lastig om grip te krijgen op de uitgaven aan diensten. Dit heeft te maken met het feit dat de dienstgere!ateerde inkoopuitgaven betrekking hebben op een breed scala van activiteiten, die gewoonlijk over de hele organisatie verspreid zijn. Het is hierdoor moeilijk te overzien wie allemaal gebruikers zijn van de dienst. In de tweede p!aats vereist de inkoop van diensten
aanzienlijke specialistische kennis en daarmee nauwe samenwerking met de specialisten binnen het bedrijf. Vaak weet de interne klant vee! meer over de te verwerven dienst dan de inkoper. De interne k!ant is ook degene die een nauwe relatie heeft met de leverancier. In die gevallen heeft de inkoopafde!ing inhoudelijk weinig toegevoegde waarde voor haar interne klanten. De inkoper daarentegen behartigt juist de commerciële belangen van de onderneming. Hierdoor ontstaan er vaak sterke tegenstel!ingen tussen de interne k!ant en
inkoop, en de leverancier kan hiervan de dupe zijn als beide partijen tegenstrijdige signalen uitzenden.
Wij conc!udeerden daarom dat als inkopers effectief willen zijn in de inkoop van diensten, zij primair ‘service driven’ in plaats van cost driven’ moeten opereren. In die gevallen moet de inkoper vee!eer een faciliterende/ondersteunende ro! dan een Ieidersrol spelen in het inkoopproces.
Het inkopen van diensten ste!t de daarvoor verantwoordelijke inkoper voor belangrijke uitdagingen. In de eerste p!aats neemt het specificeren van diensten meer tijd in beslag dan het specifIceren van producten. Wat dit betreft kunnen bedrijven verschilIende benaderingen hanteren. Diensten kunnen worden gespecificeerd op basis van de inputs
die zij nodig hebben, op basis van het proces via hetwelk zij gerea!iseerd worden en/of op basis van de resultaten of winst die zij geacht worden te genereren. Ten tweede is het lastig om !everanciersselectiecriteria op te ste!Ien die relevant en voorafgoed meetbaar zijn. Dit bemoeilijkt ook het onderling vergelijken van verschilIende leveranciers. Wat betreft het contract moeten specifieke afspraken worden gemaakt over de gewenste prestatie, prijs, wat te doen in geval van falende dienstverlening, enzovoort. Het gebruik van service level agreements dwingt interne kianten om de verwachtingen en het
resultaat dat zal voortkomen uit de relatie met de dienstverlener, specifiek te definiëren. Kritische prestatie-indicatoren, die de mate weergeven waar in de leverancier van de dienst in staat is te voldoen aan specifieke nagestreefde serviceniveaus, kunnen
inkopers helpen om een objectiefbeeld te genereren van de prestatie van dienstverleners. Dit zal de communicatie met andere leden van het cross-functionele inkoopteam en met de leverancier over verbeteringsmaatregelen vergemakkelijken
Effect van procesparameters op de fysico-chemische en functionele eigenschappen van eiwitoplossingen
Wit van ei is een veelgebruikt ingrediënt in de voedingsindustrie, dankzij de unieke veelzijdigheid. Ei proteïnen zijn al eeuwenlang gekend omwille van hun gelerende, schuimvormende en emulgerende eigenschappen, naast hun hoge voedingswaarde. Dit werk conce ntreert zich op de schuimeigenschappen van eiwit. Verhitting van albumen is vaak noodzakelijk om microbiële veiligheid of de gewenste organoleptische producteigenschappen te verkrijgen. Deze hittebehandeling zal echter een invloed hebben op de fysico-chemische eigenschappen van de eiwitproteïne n, omwille van proteïne-denaturatie, en bijgevolg ook op hun functionalitei t. Hogedrukbehandeling wordt meer en meer gesuggereerd als een interessant alternatief voor thermische behandeling, aangezien deze niet-thermische procestechniek aanleiding geeft tot een betere balans tussen voedselveil igheid enerzijds en kwaliteit anderzijds. Hoge hydrostatische druk kan echter ook proteïne-denaturatie veroorzaken, en zal dus, net als thermische behande ling, een invloed hebben op de functionele eigenschappen van het eiwit. Het doel van dit doctoraatsonderzoek was tweeledig. In de eerste p laats werd de kinetica van het effect van thermische en hogedrukbehandeling op een aantal fysico-chemische eigenschappen (oppervlaktehydrofobiciteit, sulfhydrylgehalte, residuele denaturatie-enthalpie, gevoeligheid voor enzymatische hydrolyse, oplosbaarheid en turbiditeit) van eiwitoplossing en bestudeerd voor twee pH-waarden (pH 7.6, de pH van vers eiwit en pH 8.8, deze van verouderd eiwit). Kinetische modellen werden geselecteerd en geëvalu eerd om de tijdsafhankelijke veranderingen in deze eigenschappen te karakteriser en, waarna de temperatuur- en drukafhankelijkheid van de modelparameters bes chreven werd met behulp van secundaire modellen, zoals de Arrhenius en de Eyring vergelijkingen. In een tweede luik werd voor geselecteerde thermische en hogedrukbehandelingen de resulterende schuimeigenschappen (schuimcapacit eit, -densiteit, -stabiliteit en voorkomen) van de behandelde eiwitoplossinge n bepaald, om vervolgens de relatie met de geobserveerde veranderingen in de fysico-chemische eigenschappen te onderzoeken. Verhitting van eiwitoplossingen bij temperaturen van 50-85°C resul teerde in een belangrijke ontvouwing van de aanwezige proteïnen, zoals aangetoo nd door de blootstelling van hydrofobe en sulfhydrylgroepen (SH) die oorspronkel ijk in de proteïnekern verborgen waren en een verhoogde gevoeligheid ten opzich te van proteasen. De afname in denaturatie-enthalpie duidde op een verlies aan secundaire proteïnestructuur. Afhankelijk van de pH tijdens de hittebehandeling, resulteerden deze veranderingen in een belangrijk verl ies aan oplosbaarheid en de vorming van troebele suspensies na langdurig behande len bij hoge temperatuur, omwille van hydrofobe interacties en de vorming van di sulfide bindingen via sulfhydryl-disulfide uitwisselings-reacties en sulfhydryloxidatie. Zoals verhitting, leidde drukbehandeling boven 450 MPa tot een ver lies aan secundaire structuur. Deze drukgeïnduceerde structurele veranderinge n konden aangetoond worden door de blootstelling van tevoren verborgen hyd rofobe en sulfhydrylgroepen en door verhoogde flexibiliteit (gemeten als de gevoeligheid voor enzymatische hydrolyse). De maximale toename in oppervlaktehydrofobiciteit door hogedruk-denaturatie (onder de druk- en temperatuurscondities van deze studie) was echter minder uitgesproken da n door verhoogde temperatuur bij atmosferische druk. Anderzijds werd de afname van blootgestelde SH groepen door sulfhydryloxidatie meer versterkt door hog e druk. Beide vaststellingen kunnen verklaren waarom hoge druk minder aanleiding gaf tot verlies aan oplosbaarheid in vergelijking met hittebehandeling. Ten gevolge van hogedrukdenaturatie werden kleinere aggregaten gevormd, terwijl hittebehandeling de vorming van grote, onoplosbare aggregaten bevorderde , die deels gestabiliseerd werden door disulfidebindingen, maar voornamelijk d oor hydrofobe interacties. De grotere omvang van de aggregaten gevormd bij verhoogde temperatuur en atmosferische druk verklaart waarom de resulterende suspe nsies meer troebel waren. Drukbehandelde eiwitproteïnen waren meer flexibel, z oals aangetoond kon worden door de hogere gevoeligheid voor enzymatische hydr olyse. Een eerste orde fractioneel conversiemodel liet toe om de tijdsafhankelijke veranderingen in de oppervlaktehydrofobiciteit, denaturatie-enthalpie, proteïne-oplosbaarheid, verborgen sulfhydrylgehal te, turbiditeit en de gevoeligheid voor enzymatische hydrolyse te beschrijve n, terwijl een tweede orde model (al dan niet fractioneel) en een combinati e van het tweede orde model en het eerste orde fractioneel conversiemodel van toepassing was voor de karakterisering van deze in, respectievelijk, tot aal en blootgesteld sulfhydrylgehalte, zowel na thermische als hogedrukbehandel ing. De temperatuurafhankelijkheid van de snelheidsconstanten kon beschreven wor den met de Arrheniusvergelijking, terwijl hun drukafhankelijkheid kon gekarakter iseerd worden met behulp van de Eyringvergelijking. Er werd een antagonistisch effect vastgesteld tussen druk en temperatuur, aangezien bij verhoogde druk de veranderingen in de fysico-chemische eigenschappen sneller optraden bij lagere temperatuur, terwijl deze bij atmosferische druk sneller verliepen bij verhoogde temperatuur. Zowel thermische als hogedrukbehandeling beïnvloedden de schuimeigenschappen van eiwitoplossingen. Terwijl schuimen van onbehande lde oplossingen knisperig waren en onderhevig aan in elkaar zakken na een la nge tijd, waren schuimen van thermische of hogedrukbehandelde oplossingen sm euïg en romig, met een kleinere bubbelgrootte en verminderde gevoeligheid voor ineenzakken. Het effect van de fysische behandelingen was sterk afhankel ijk van de pH tijdens de behandeling. De meest volumineuze schuimen werden verkr egen na behandeling bij pH 8.8, terwijl bij pH 7.6 stabielere schuimen van hoger e densiteit gevormd werden. Behandelingen die leidden tot een hoge graad v an proteïneontvouwing met echter een beperkt verlies aan proteïneoplosbaarh eid (zoals gebeurt bij pH 8.8) resulteerden in verbeterd schuimvermogen. In combinatie met extensief verlies aan proteïneoplosbaarheid (vooral bij p H 7.6), werd een verhoogde schuimstabiliteit en densiteit vastgesteld. De beste schuimen (hoog schuimvolume en behoorlijke stabiliteit en densiteit) we rden bereid uit eiwitoplossingen drukbehandeld bij pH 8.8. De procesgeïnduceerde veranderingen in de schuimeigenschappen konden niet t oegeschreven worden aan één enkele fysico-chemische eigenschap. Het schuimvermog en werd deels bepaald door sulfhydrylgehalte en proteïneflexibiliteit. Verbeterd e proteïne-proteïne interacties (oplosbaarheid en blootgestelde SH groepen ) droegen bij tot verbeterde schuimstabiliteit van behandelde eiwit-oploss ingen. Andere fysico-chemische eigenschappen, die niet gemeten werden in deze s tudie, dragen waarschijnlijk ook bij tot de schuimeigenschappen van behandelde eiwitoplossingen, vooral na drukbehandeling.status: Publishe
Regionale accenten in landelijke marketing.
Adverteerders zetten accenten in om associaties met de regio van het accent op te roepen. De
congruentie tussen product en regio van het accent kunnen positieve effecten veroorzaken. Dit
onderzoek heeft als onderzoekvraag:
‘Leidt een Gronings accent in combinatie met een congruent boers product tot een significant
positievere Attitude t.o.v. de Advertentie en Product, Aankoopintentie en een significant
hogere Merknaamherinnering dan een Limburgs accent met een niet-congruent boers product
en leidt een Limburgs accent in combinatie met een congruent feestelijk product tot een
significant positievere Attitude t.o.v. de Advertentie en Product, Aankoopintentie en een
significant hogere Merknaamherinnering dan een Gronings accent met een niet-congruent
feestelijk product?’
In het huidige onderzoek worden het Gronings en Limburgs nader bestudeerd. Het Gronings
is congruent met yoghurtproduct Krachtvoer en het Limburgs met yoghurtproduct Fruitfeest.
Het onderzoek had een 2x2 tussenproefpersoondesign. De 564 respondenten waren
moedertaalsprekers van het Nederlands en afkomstig uit heel Nederland. Respondenten
kregen een advertentie te zien en een slogan te horen. Vervolgens moesten ze een vragenlijst
invullen die betrekking had op de afhankelijke variabelen in de onderzoeksvraag. De
congruentie tussen Gronings en Krachtvoer zorgde voor een hogere attitude t.o.v. de
advertentie, idem voor Limburgs en Fruitfeest. De congruentie tussen accent en regio bleek
geen invloed te hebben op de aankoopintentie. Het Limburgs creëerde daarentegen een hogere
aankoopintentie en hogere merknaamherinnering dan het Gronings voor beide producten. Het
Limburgs wordt in voorgaande onderzoeken aan positievere associaties gekoppeld dan het
Gronings. Deze resultaten in combinatie met het huidige onderzoek kunnen verklaren waarom
Limburgs frequenter te horen is in advertenties dan het Gronings. Als adverteerders het
Gronings willen inzetten, is het verstandig om het accent congruent te maken met het product
waarvoor geadverteerd wordt om positievere reacties op te wekken
- …
