537 research outputs found

    High-NA aberration retrieval with the extended Nijboer-Zernike vector diffraction theory - Erratum

    Full text link
    In the paper â€High-NA aberration retrieval with the Extended Nijboer-Zernike vector diffraction theory†by S. van Haver, J.J.M. Braat, P. Dirksen and A.J.E.M. Janssen, published in J. Europ. Opt. Soc. Rap. Public. 1, 06004 (2006), some regrettable notation errors are present in Eq.(10), page 06004-3. In this Erratum, the correct expression is given

    The Extended Nijboer-Zernike Diffraction Theory and its Applications

    No full text
    In present-day society, we encounter optical systems on a daily basis. Most people have a DVD player capable of playing content stored on an optical disc, Big Brother is watching us nearly everywhere using surveillance cameras and we consider it to be normal to take photographs with our mobile phone. Also, in less visible areas, such as ultrafast fiber-based data transfer, we rely on optical technology. Although these applications might be considered advanced by the general public, they mostly do not reflect the state of perfection that is currently needed by the scientific and high-tech community. When we speak of advanced optical systems in this context we refer to highly corrected optical systems or optical systems having extreme optical properties. For example, in astronomy, huge optical telescopes are used to produce images of faint astronomical objects located deep in space and also in microscopy, high quality optics are applied to visualize the smallest possible details in a sample such as a living cell. However, by far the most cutting edge optical technology is applied in the semiconductor industry. A process called optical lithography is used to transfer geometrical patterns, that are part of a chip design, into a layer of photosensitive material. Using chemical technology these patterns are developed into metallic and insulating structures and, repeating lithographic pattern transfer and chemical development several times in succession, it is possible to produce a working electronic circuit or chip at the nanometer scale. The above mentioned applications of optical technology have in common that they require extremely accurate optical components. This is because the objects that they try to visualize or image are so small and faint that even the smallest aberration effects can completely conceal the features of interest. One might think that reducing the aberrations to a low level simplifies the task of simulating these systems. Unfortunately, this is not true. In fact, at this level of perfection, various optical phenomena, that would otherwise have negligible effect in comparison to the imperfections of the optical system, become significant. Therefore, existing optical methods should be extended to properly include these effects in order to allow a sensible analysis of the performance of optical systems in this regime. In addition, also the errors introduced by approximations used in image simulation models become significant and this makes it favorable to apply those methods with the smallest number of incorporated approximations. Although there has been, in recent years, a large research effort by the optical community to extend existing optical methods to correctly describe this class of systems, the results so far have not been totally satisfactory. As an alternative, we present in this thesis a novel optical model that we believe is superior in the accurate description and simulation of image formation. The formation of an image by an aberrated optical system is accurately described by the corresponding diffraction integral. However, until recently, this integral could only be evaluated numerically to obtain the three-dimensional image structure. This changed in 2002 with the introduction of the Extended Nijboer-Zernike (ENZ) theory. This theoretical framework, extensively described in this thesis, provides a generally valid analytic solution to the diffraction integral. Based on this result we have constructed a novel imaging model that includes all relevant physical effects and applies very few approximations. The resulting ENZ imaging method proposed in this thesis is, therefore, well suited to accurately describe image formation by advanced optical imaging systems. The second important contribution presented in this thesis pertains to the quality assessment of optical systems. It is shown that it is possible to determine the quality of an optical system by evaluating the image it produces from a point object. This is possible because the analytic results provided by the ENZ theory allow us to devise an expression for the intensity image of a point object. Matching the measurement data with this expression enables complete characterization of the optical system under study without the need of additional complicated optical set-ups. Altogether, we present in this thesis a comprehensive ENZ formalism that can be used to accurately simulate image formation by a large variety of imaging systems. The most important feature of ENZ imaging is its high accuracy that follows from the semi-analytic nature of the ENZ theory and the few approximations applied in the ENZ imaging model. Additionally it is shown that the aberrations of an optical system can be obtained from intensity measurements alone, introducing an appealing alternative to interferometric methods that are commonly applied for this purpose. Finally, both applications of the ENZ theory are illustrated by a number of practical examples, clearly showing the large potential of the ENZ formalism in the field of advanced optical imaging systems.Imaging Science & TechnologyApplied Science

    Onderzoek naar de invloed van ruwe aardolie uit Schoonebeek op de groei van gewassen en de kwaliteit van grondwater

    No full text
    Weergave van 3 proeven met haver, zomergerst afgewisseld met aardappelen in met olie verontreinigde grond, waarbij het drain- en percolatiewater werden geanalyseerd, en tenslotte werd de invloed op de kwaliteit van het grondwater onderzoch

    BAAC rapport A-08.0081

    No full text
    In de loop van 2008 heeft BAAC bv een definitieve opgraving uitgevoerd op twee verschillende vindplaatsen te Breda Digit Parc. De resultaten van dit onderzoek zijn voor beide vindplaatsen zeer uiteenlopend. Te vindplaats 1 is een midden ijzertijd erf aangetroffen bestaande uit een woonstalhuis van het type Oss Ussen 4A/B en verschillende spiekers. Ondanks het feit dat het erf deels verstoord is door de aanleg van de linie en schans van Spinola zijn de sporen zeer goed bewaard. In die mate zelfs dat er tijdens het vooronderzoek sprake was van een mogelijk middeleeuwse bewoning. Helaas geldt dit niet voor het organisch materiaal in de vulling van de sporen waardoor geen landschappelijk informatie kon gehaald worden uit botanisch onderzoek. Dwars over deze vindplaats, net naast de Teteringsedijk (nu Lage Weg), is een linie en bijhorende schans aangelegd. Deze schans hoort bij het beleg van Breda door Spinola in 1624 en staat afgebeeld op verschillende historische kaarten. De schans bewaakte waarschijnlijk de toegangsweg naar Breda om zo een vlucht uit Breda of een ontzetting van Breda van buitenaf onmogelijk te maken. Vondstmateriaal, verspreid over beide vindplaatsen, bevestigt in ieder geval de militaire voorgeschiedenis van het terrein. Te vindplaats 2 zijn tal van sporen aangetroffen die allen dateren vanaf de late middeleeuwen. De sporen, gaande van greppels, kuilen, waterputten, vollerskuilen, rootkuilen, rootgreppels tot potstallen en paalkuilen behoren grotendeels toe aan een meerfasige boerenerf. Dit boerenerf had akker- en grasland in de onmiddellijke omgeving van het erf en een moestuin en allerlei bomen en struiken met direct vruchtgebruik op het erf. De agrarische economie bestond uit het verbouwen van verschillende cultuurgewassen, zoals hop, gerst, broodtarwe, rogge, raapzaad, hennep, haver, vlas en boekweit. In de moestuin (tweede fase) werd koriander, biet, peen, selderij, citroenmelisse, tuinpeterselie, pastinaak, wijnruit, mosterd, maanzaad, kleine majer en komkommerkruid geteeld. Op het erf stonden braamstruiken, een hazelaar, een appelaar, een kersenboom, een pruimenboom, een zomerlinde (honing?), een notelaar, een vlierstruik, een zuurbessenstruik, rozenbottel, een frambozenstruik en een wilde lijsterbes. Voor hout stonden wilgen en elzen op het erf. Vermoedelijk werden van op de markten te Breda vruchten aangekocht als vijgen en druiven. Vanuit de heide werd gagel meegebracht. Over de inrichting van het erf kan weinig worden gesteld. Het erf had verschillende waterputten, mogelijk enkele gelijktijdig in gebruik. In een tweede fase was er de moestuin. Er zijn verschillende aanwijzingen voor rootactiviteiten en er was een vollerskuil. Er zijn enkele dierenbegravingen aangetroffen. Een erfbegrenzing is niet met zekerheid vastgesteld. Structuur 201 kan hiervoor hebben gediend, naast zijn functie als rootgreppel. Het woonstalhuis is eveneens niet volledig met zekerheid te reconstrueren. De locatie van twee potstallen wijzen op de aanwezigheid van een stalgedeelte. Ook de uitbraaksleuven van muurwerk en een restant van mogelijk een kelder wijst op het woongedeelte, maar door het ontbreken van sporen van andere diep gefundeerde delen kan het huis niet gereconstrueerd worden. De bewoningsporen op vindplaats 2 liggen vermoedelijk aan de oorsprong van het gehucht Moleneind. Dit gehucht heeft zich gevormd nadat verschillende verbindingswegen zich kruisten ter hoogte van de Oude Driesprong. Vermoedelijk is dan, nadat meerdere boerderijen zich er hadden gevestigd, de Kleine Kapel opgericht. Het boerenerf is door de belegering van Breda in 1625 opgeheven, maar of dit veralgemeend kan worden naar de volledige Oude Driesprong is onduidelijk. Vermoedelijk is een deel van de boerenerven toch actief gebleven gezien in de 17e eeuw de Vuilen Bras(z) werd gestart en later, in 1800, ook een molen werd opgericht

    Proefsleuvenonderzoek met doorstart naar een opgraving Wijkplan De Berg fase 2 te Neede in de gemeente Berkelland

    No full text
    Op de locatie aan het Schaepmanplein zijn de randen van minimaal twee boerenerven aangetroffen die omgeven zijn geweest met een brede greppel die watervoerend is geweest. Beide erven zijn mogelijk al in de 12e eeuw, maar zeker in de 13e en eerste helft van de 14e eeuw, in gebruik geweest. Het landschap rondom beide erven was begroeid met een open loofbos, voornamelijk berk, hazelaar en eik. Op de hogere zandgronden heeft ook heide gegroeid. De nattere beekdalen waren begroeid met els, wilg en graslanden, die waarschijnlijk begraasd werden door vee. Uit de analyse van de botanische resten wordt duidelijk dat de economie van de beide boerenhoeven in de 13e - 14e eeuw op de locatie Schaepmanplein onder meer bestond uit het verbouwen van rogge en vlas. Bij rogge lijkt sprake van een verbouw van winterrogge. De (relatief arme) zandgronden in de omgeving van Neede waren zeer geschikt voor de verbouw van rogge. Daarnaast speelden gerst en/of tarwe, en mogelijk ook haver een rol in de lokale voedseleconomie in de 14e eeuw. Verder zijn zaden van lijnzaad, hennep en raapzaad aangetroffen waaruit olie kon worden gehaald. Uit de stengels van de vlas en hennep konden bovendien vezels gewonnen worden, die verwerkt konden worden tot bijvoorbeeld touwen en textiel. Door de bewoners werd het dagelijks voedselpatroon aangevuld met fruit, als gewone braam, framboos, gewone vlier en pruim. Op het erf was waarschijnlijk ook een moestuin(tje) aanwezig waarop onder meer peulvruchten als duivenboon en mogelijk ook groenten als pastinaak en postelein werden verbouwd. Dille werd mogelijk gebruikt als keukenkruid. De materiële resten geven aan dat men deels zelf gebruiksvoorwerpen heeft vervaardigd en dit voor een deel heeft aangevuld met geïmporteerde goederen. Voor het lokaal gemaakte aardewerk waren de grondstoffen ruim voor handen. De klei kan gedolven zijn op de Needse Berg of in de Berkel. Het materiaal voor de magering bevindt zich in de natuurlijke ondergrond (stuwwalafzettingen). Het geïmporteerde aardewerk bestaat vooral uit steengoed uit het Rijnland. Ook zijn fragmenten gevonden van kogelpotvormen die deels handgevormd en deels gedraaid zijn. Naast het gebruik van aardewerk is ook serviesgoed als houten borden en kommen gebruikt. Het beeld dat ontstaat door de onderzoeken in de wijk de Berg is dat de diverse bewoningszones binnen de wijk (erven) in de loop van de tijd (9e tot 14e eeuw) zich min of meer in (zuid) westelijke richting verplaatsten. Het dal van de Berkel vormde hierbij een logische zuidgrens van de bewoningszone. Uit de oriëntatie van de aangetroffen huisplattegronden blijkt dat de bewoningszone parallel ligt aan de Bergweg, waarbinnen de diverse erven zich hebben verplaatst van noordoost naar zuidwest. De archeologische resten zijn aangetroffen binnen een afstand van circa 200 m ten zuiden van de Bergweg . Ten noorden van de Bergweg, heeft nog geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Het is mogelijk dat zich hier nog resten van bewoning bevinden. Dit hogere en drogere deel binnen het landschap kan gebruikt zijn als akkerland. ln het lagere (nattere) deel van het landschap, buiten een afstand van circa 200 meter vanaf de Bergweg, zijn tot nu toe bij archeologisch onderzoek nog geen resten van bewoning aangetroffen uit deze periode. De reden hiervoor is waarschijnlijk dat het landschap, net ten noorden van de Berkel, nat was en daardoor ongeschikt voor bewoning. Dit deel van het landschap kan zijn gebruikt als grasland voor het grazen van het vee

    Why are stock market returns correlated with future economic activities?

    Full text link
    Stock price, because it is a forward-looking variable, forecasts economic activities. An unexpected increase in stock price reflects that (i) future dividend growth is higher and/or (ii) future discount rates are lower than previously anticipated; therefore, the increase predicts higher output and investment. As well, other studies argue for an important relation between the expected stock market return and investment. In this paper, Hui Guo analyzes the relative importance of these mechanisms by using Campbell and Shiller’s (1988) method to decompose stock market return into three parts: expected return, a shock to the expected future return, and a shock to the expected future dividend growth. Contrary to the conventional wisdom, the author finds that dividend shocks are a rather weak predictor for future economic activities. Moreover, the expected return and shocks to the expected future return display different predictive patterns. The results shown here, collectively, explain why the forecasting power of stock market return is rather limited.Stock market
    corecore