131 research outputs found

    Restauratie en revalorisatie van de ’s Hertogenmolens te Aarschot, 2006-2010

    No full text
    De watermolen werd gebouwd in 1505-1507 door Guillaume de Croy, heer van Aarschot. Naast molen, was het gebouw ook één van de belangrijkste versterkte punten van de verdediging van de stad: met de sluizen kon het Kempens deel (noordelijk deel) van het (niet omwalde) stadsdeel onder water worden gezet. Deze banmolens (molens waar de naburige boeren hun graan verplicht moesten laten malen), eigendom van de hertog van Aarschot, werden in1795 onteigend en tot nationaal eigendom van de Franse staat gemaakt. In 1795 werden de Oostenrijkse Nederlanden immers officieel ingelijfd bij Frankrijk. In 1812 verkoopt de overheid de molens aan de familie Ectors. In 1910 werd de molen in openbare verkoop aangekocht door de Belgische Staat. Nog in de jaren 1960 werd de molen gebruikt als pletmolen voor glas. Het poeder werd o.a. gebruikt bij de fabricage van schuurpapier. Eenmaal verlaten, trad het verval vlug in. Na een brand in 1970, werd een zijvleugel gesloopt. In 1986 volgde de bescherming als monument. In het kader van een Belgische staatshervorming werd de molen overgedragen aan het Vlaams Gewest. In 2004 ging nogmaals een eigendomsoverdracht door naar de stad Aarschot. Al sinds de jaren 1980 werden restauratieplannen opgemaakt. De uitvoering ervan werd dringend, aangezien één van de westgevels instortte in 1986. Pas na de overdracht aan het Vlaams Gewest en na de opname van de 's Hertogenmolens in een stadsvernieuwingsproject kwam het dossier in een stroomversnelling. De onderbouw, waar het water van de Demer doorstroomt, werd gerestaureerd door de dienst Waterwegen en Zeekanaal nv. De bovenbouw werd via een privaat-publieke samenwerking (pps) gerevaloriseerd als hotel. In het weekend van 12 en 13 juni 2010 werden de gerenoveerde 's Hertogenmolens officieel geopend. In 2011 werden de 's Hertogenmolens bekroond met de Provinciale Architectuurprijs Vlaams-Brabant en met de Europa Nostra Award.status: Publishe

    Overzicht en revalorisatie van holle vloersystemen uit het Interbellum

    No full text
    Door de nieuwe technische mogelijkheden en materiaalontwikkelingen kwamen er eind 19e en begin 20e eeuw verschillende modulaire vloersystemen op de markt waardoor op eenvoudige wijze lichte, maar toch draagkrachtige vloeroverspanningen konden gerealiseerd worden. De paper geeft een overzicht van de evolutie in vloersystemen en geeft een uniek toepassingsvoorbeeld met specifieke problematiek en revalorisatieaanpak.status: Publishe

    De fysische principes achter en de effectiviteit van ontzoutingsmethoden

    No full text
    Zoutkristallisatie is een van de belangrijkste redenen voor het verval van poreuze bouwmaterialen. De vermindering van het zoutgehalte is daarom belangrijk voor de instandhouding van historische gebouwen. Het ontzouten van objecten gebeurd meestal met behulp van een poultice (kompres). De verwijdering op deze manier klinkt eenvoudig, maar kan in de praktijk lastig zijn. Om een effectieve poultice te ontwerpen is kennis van zout- en vochttransport nodig. Dit artikel richt zich op de fysica van zout- en vochttransport in een poultice / substraat systeem. Ons doel is het categoriseren van poultices op basis van het fysische mechanisme van het transport van zouten

    De fysische principes achter en de effectiviteit van ontzoutingsmethoden

    No full text
    Zoutkristallisatie is een van de belangrijkste redenen voor het verval van poreuze bouwmaterialen. De vermindering van het zoutgehalte is daarom belangrijk voor de instandhouding van historische gebouwen. Het ontzouten van objecten gebeurd meestal met behulp van een poultice (kompres). De verwijdering op deze manier klinkt eenvoudig, maar kan in de praktijk lastig zijn. Om een effectieve poultice te ontwerpen is kennis van zout- en vochttransport nodig. Dit artikel richt zich op de fysica van zout- en vochttransport in een poultice / substraat systeem. Ons doel is het categoriseren van poultices op basis van het fysische mechanisme van het transport van zouten

    Plangebied Kruiseind, gemeente Gemert-Bakel; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en visuele inspectie

    No full text
    In opdracht van de gemeente Gemert-Bakel heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in april 2007 een bureauonderzoek en visuele inspectie uitgevoerd in verband met bouwwerkzaamheden in de gemeente Gemert-Bakel. Het bureauonderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Het doel van het bureauonderzoek en visuele inspectie is om te bepalen of archeologische resten in het plangebied verwacht kunnen worden en om te bepalen wat de bodemopbouw in het plangebied is. 1.2 Plangebied 2 Het plangebied (ca. 5800 m ) ligt binnen de bebouwde kom van Gemert op de hoek van de Vondellaan en de Kruiseind (figuur 1). Het gebied staat afgebeeld op kaartblad 51F van de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000); de centrumcoördinaat is 175.421/396.820. Ten tijde van het onderzoek was het plangebied bebouwd en verhard. 1.3 Onderzoeksopzet en richtlijnen Het onderzoek bestond uit een bureauonderzoek en visuele inspectie. Het veldonderzoek is beperkt gebleven tot een visuele inspectie omdat het plangebied grotendeels bebouwd en verhard is, waardoor geen karterend booronderzoek kan plaatsvinden. Het bureauonderzoek met visuele inspectie is uitgevoerd volgens de hiervoor geldende normen en richtlijnen die zijn vastgelegd in het Handboek ROB- specificaties (Brinkkemper e.a., 1998). RAAP Archeologisch Adviesbureau en de door RAAP toegepaste procedures zijn goedgekeurd door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK), de instelling die het beheer heeft over de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en die valt onder de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; http://www.sikb.nl)

    Wat komt u hier doen? Terug in Obunga

    No full text
    In 2050 zullen er in de Afrikaanse steden naar schatting 1,3 miljard mensen wonen, tweemaal zoveel als in heel Europa. Deze steden ontwikkelen zich vanuit een geheel eigen dynamiek. De stad Kisumu in Kenia telt in 2018 700.000 inwoners, waarvan er 550.000 in krottenwijken wonen. De informele straateconomie beheerst de openbare ruimte en levert de meeste werkgelegenheid. Bijna de helft van de mensen leeft onder de absolute armoedegrens. In zijn onderzoek richt Rob van Gemert zich op Obunga, een wijk van Kisumu. Hij schetst een beeld van het wonen en werken in deze krottenwijk. Samen met de bewoners zoekt hij naar mogelijkheden om de wijk te verbeteren. Terwijl hij door de wijk loopt, rondkijkt, luistert en vergadert, vormt zich een integraal plan. De eigenheid van de wijk vormt hierbij het uitgangspunt; niet als probleem, maar juist als oplossing. Dan presenteert het stadsbestuur een stedenbouwkundig plan, ontworpen door Franse adviseurs. Ze hebben een nieuw imago voor het centrum bedacht, negeren de straateconomie volledig en willen alle krottenwijken ombouwen tot woongebieden voor de middenklasse. “Niemand luistert naar ons”, zeggen de mensen in Obunga.Wetensch. publicati

    Plangebied Grootmeesterstraat, gemeente Gemert-Bakel; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en visuele inspectie

    No full text
    In opdracht van de gemeente Gemert-Bakel heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in april 2007 een bureauonderzoek en visuele inspectie uitgevoerd in verband met bouwwerkzaamheden in de gemeente Gemert-Bakel. Het bureauonderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Het doel van het bureauonderzoek en visuele inspectie is om te bepalen of archeologische resten in het plangebied verwacht kunnen worden en om te bepalen wat de bodemopbouw in het plangebied is. 1.2 Plangebied 2 Het plangebied (ca. 12.500 m ) ligt binnen de bebouwde kom van Gemert tussen de Grootmeestersstraat, de Weversstraat, de Molenstraat en de Cortenbachstraat (figuur 1). Het gebied staat afgebeeld op kaartblad 51F van de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000); de centrumcoördinaat is 175.660/396.593. Ten tijde van het onderzoek was het plangebied bebouwd, braakliggend en verhard. 1.3 Onderzoeksopzet en richtlijnen Het onderzoek bestond uit een bureauonderzoek en visuele inspectie. Het veldonderzoek is beperkt gebleven tot een visuele inspectie omdat het plangebied grotendeels bebouwd en verhard is, waardoor geen karterend booronderzoek kan plaatsvinden. Het bureauonderzoek met visuele inspectie is uitgevoerd volgens de hiervoor geldende normen en richtlijnen die zijn vastgelegd in het Handboek ROB- specificaties (Brinkkemper e.a., 1998). RAAP Archeologisch Adviesbureau en de door RAAP toegepaste procedures zijn goedgekeurd door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK), de instelling die valt onder de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; http://www.sikb.nl). Zie tabel 1 voor de dateringen van de in deze notitie genoemde archeologische perioden. Enkele vaktermen worden achter in deze notitie beschreven (zie verklarende woordenlijst)

    Zorgverlening aan mensen met een ernstige verstandelijke handicap en (zeer) ernstig probleemgedrag: het ontwikkelen van een zorgprogramma

    No full text
    In 1988 kwam de zorgverlening in Nederland voor mensen met een ernstige verstandelijke handicap en (zeer) ernstig probleemgedrag in opspraak. De aanleiding hiervoor was een foto van Jolanda Venema in de landelijke media. Naar aanleiding van de opspraak werd voor haar en nog drie medebewoners met een ernstige verstandelijke handicap en ernstig probleemgedrag, met succes een Very Intensive Care project opgezet en uitgevoerd.Vervolgens stelde de Geneeskundige Hoofdinspectie voor de Geestelijke Volksgezondheid voor de ontwikkeling en uitvoering van deze werkwijze te onderzoeken in een wetenschappelijk kader. In dit proefschrift wordt dit onderzoek beschreven. Het onderzoek is uitgevoerd in het Hendrik van Boeijen-Oord, een intramurale instelling voor mensen met een verstandelijke handicap. Het doel van het onderzoek is: het ontwikkelen van een effectief zorgprogramma voor intensieve zorgverlening aan mensen met een ernstige verstandelijke handicap en (zeer) ernstig probleemgedrag. Het onderzoek kent de volgende vragen: ‘waaruit bestaat het ontwikkelde zorgprogramma?’ (onderzoeksvraag 1) en ‘heeft het ontwikkelde zorgprogramma het bedoelde effect?’ (onderzoeksvraag 2). Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen wordt een onderscheid gemaakt in een voorgenomen, een uitgevoerd en een gewenst zorgprogramma. In het voorgenomen zorgprogramma staat hoe de zorgorganisatie zich de uitvoering van het zorgprogramma voorstelt. Het uitgevoerde zorgprogramma is de wijze waarop daadwerkelijk gestalte wordt gegeven aan de voornemens. Het gewenste zorgprogramma is een van de theorie en praktijkervaring afgeleide externe norm aan de hand waarvan de wenselijkheid en de effectiviteit van het zorgprogramma op de onderzoekslocatie kunnen worden bepaald

    RAM 59

    No full text
    De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek heeft van 2 tot 20 december 1997 (met onderbreking) een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) uitgevoerd te Gemert. Op het terrein van de voormalige Komschool, gelegen direct naast het perceel waarop in 1996 de overblijfselen van het Hooghuis van de Heren van Gemert werden gevonden, is door middel van het aanleggen van enkele proefsleuven inzicht verkregen in de aldaar in de bodem aanwezige archeologische resten. Het doel van het onderzoek was het vinden van een antwoord op de vraag of er op dit terrein overblijfselen van een voorhof van dit laat-middeleeuwse Hooghuis aanwezig waren. De reden om dit voorhof hier te verwachten was tweeledig: Enerzijds kende de gracht rond het Hooghuis aan de noordzijde een aftakking, die waarschijnlijk het voorhof heeft omgeven (zie afb. 2). Het is mogelijk dat deze aftakking onder het pand van het garagebedrijf en de Komweg doorloopt, om via het terrein van de Komschool weer aan te sluiten op het oostelijke deel van de gracht van het Hooghuis. Dit oostelijke deel van deze gracht is niet opgegraven en ligt nog verborgen onder de Komweg. Anderzijds werd in 1980 op het kleine parkeerterrein van de Latijnse school (en direct ten zuiden van het huidige opgravingsterrein) de oostzijde van een gracht aangetroffen, waarvan de exacte functie en datering onduidelijk is (en die mogelijk iets met het Hooghuis van doen heeft). Kortom, er diende rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van resten van een gracht rond het voorhof en/of bewoningssporen van het voorhof op het terrein van de Komschool. Er werd een kleine opgravingsput aangelegd direct ten westen van de Latijnse school. Hierin werd duidelijk de gracht aangetroffen, die in 1980 op het parkeerterrein van de Latijnse school was vastgesteld. De gracht stond niet in verbinding met de gracht rond het Hooghuis. De aanwezigheid van sub-recent materiaal in de grachtvulling betekende dat de gracht niet uit de tijd van het Hooghuis stamde. Een tweede opgravingsput werd aangelegd, dwars over het opgravingsterrein. In deze put kwamen slechts (sub)recente sporen aan het licht. Van de gracht werd in deze put geen spoor teruggevonden. Dit betekent dat nergens op het terrein van de Komschool sporen uit de tijd van het Hooghuis te verwachten zijn. Het voorhof en de bijbehorende gracht kunnen verwacht worden onder de huidige Komweg en het pand van het garagebedrijf Vogels. Vervolgens diende er te worden vastgesteld wat het karakter was van de gracht die, in 1980 op het parkeerterrein van de Latijnse school en tijdens dit AAO, in put 1 werd aangetroffen. Door het aanleggen van put 3 en 4 kon worden vastgesteld, dat de gracht in een min of meer rechte hoek afbuigt naar het oosten en achter de Latijnse school langs loopt. Dit bevestigde het vermoeden dat de loop van de gracht exact overeenkomt met die van de gracht van de Latijnse school, zoals die is weergegeven op een kadasterkaart uit 1832 (zie afb. 4). De gevonden gracht behoorde dus bij de Latijnse school. De vraag blijft dan nog uit welke periode de gracht rond de Latijnse school dateert. De gracht wordt al genoemd in de koopakte van dit perceel uit 1587. De gracht die tijdens dit AAO werd aangetroffen, bevat echter slechts jongere scherven, mogelijk uit de zeventiende eeuw en later. Dit werd ook vastgesteld tijdens de opgraving van 1980. Tijdens deze opgraving werd toen achter de beschoeiing van de oostzijde van de gracht (dus aan de kant van de Latijnse school) een enkele meters breed ophogingspakket met onder andere 14e- of 15e-eeuws materiaal aangetroffen. Ook wij zijn hierop gestuit. Het lijkt er echter op, dat dit geen ophogingspakket is, maar de vulling van een eerdere fase van de gracht, die een iets kleinere omvang had dan de gracht die we nu hebben aangetroffen. Mogelijk werd deze eerste fase van de gracht aangelegd na het jaar 1484, het jaar waarin het perceel van het Hooghuis definitief uiteen valt in losse onderdelen, en werd de tweede fase aangelegd bij de bouw van het eerste pand van de Latijnse school in 1587 met als doel het perceel binnen de omgrachting enigszins te vergroten

    Wegman, Rob C(ornelis)

    No full text
    corecore