1,454 research outputs found

    BAAC 05.364

    No full text
    De voorgenomen ontwikkeling van het 'Beyerd Breda, Graphic Design Museum' op de locatie De Beyerd-Vlaszak in de gemeente Breda vormde de aanleiding voor een defi nitief archeologisch onderzoek. De opgraving is een vervolg op het inventariserend archeologisch onderzoek in maart 2003. Het doel was het in kaart brengen van de aanwezige archeologische resten alsmede de aard, omvang, en datering hiervan. Omdat de achterbouw van Beyerd Breda voor het nieuwe Grafi sche Museum gesloopt werd en voor het Museum een groot ondergronds auditorium op de plaats van het binnenterrein is gepland, was archeologisch onderzoek van deze historische plek noodzakelijk. Het archeologisch onderzoek vond plaats in de periode 5 januari t/m 24 februari 2006 en werd uitgevoerd vanuit het Bureau Cultureel Erfgoed van de gemeente Breda door het bureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie (BAAC bv). Het onderzoek is verricht op iniatief en in opdracht van de gemeente Breda. Contactpersoon bij de gemeente was mw. drs. R. Berkvens

    S. J. Esser, De Uma Taal (West-Midden Celebes) : Spraakkunstige Schets en Teksten, uitgegeven en van een Woordenlijst door Dr. J. Noorduyn

    No full text
    Berthe Louis. S. J. Esser, De Uma Taal (West-Midden Celebes) : Spraakkunstige Schets en Teksten, uitgegeven en van een Woordenlijst door Dr. J. Noorduyn. In: L'Homme, 1966, tome 6 n°2. pp. 134-135

    Archeologisch onderzoek naar drie vondstlocaties in het oostelijk stadsdeel

    No full text
    In 1989 werd door leden van de voormalige Stichting Behoud Alkmaarse Bodemvondsten (SBAB) een opgraving verricht op het perceel van Luttik Oudorp 56. Bij de herinrichting van de achter het pand gelegen tuin werd een grote concentratie scherven aangetroffen. Nader onderzoek maakte duidelijk dat deze scherven afkomstig waren uit een afvalkuil. Omdat de afvalkuil reeds verstoord was, en een deel van de vondsten ondertussen geborgen, werd besloten om de kuil voor zover mogelijk op te graven. De inhoud van de kuil werd uitgetroffeld en is niet gezeefd. Dit is mogelijk een van de verklaringen voor het ontbreken van glasvondsten en bijvoorbeeld botmateriaal. Ook kan het een oorzaak zijn voor de fragmentarische staat waarin veel voorwerpen geborgen zijn. Een andere (belangrijke) factor hierbij is dat de inhoud van de kuil, door de aanwezige bebouwing, niet in zijn geheel geborgen kon worden. Overigens bleef waarschijnlijk slechts zeer een beperkt deel achter. NB In de geuploade publicatie zijn een aantal afbeeldingen slecht van kwaliteit. Deze zijn los te vinden bij de digitale files als afbeelding met beschrijving

    Sporen van Susteren - archeologische vondsten uit een Karolingische abdij en een adellijk vrouwenstift - de basispublicatie

    No full text
    De opgraving van het klooster van Susteren is uitgevoerd in 1991-1993 door de toenmalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Het klooster is in 714 door de Austrasische hofmeier Pepijn II en zijn vrouw Plectrudis gesticht en is door hen geschonken aan Willibrord (missionaris en abt van Echternach). Aanvankelijk bedoeld voor de huisvesting van ‘broeders’, blijkt het klooster in de late 9e eeuw door nonnen bewoond te zijn. Op een onbekend moment tussen de 11e en 14e eeuw werd het klooster omgezet in een wereldlijk damesstift dat in 1802 is opgeheven en kort daarna is gesloopt. Alleen de 11e-eeuwse abdijkerk is bewaard gebleven. Deze lag aan de noordzijde van het klooster. Susteren is een van de weinige vroegmiddeleeuwse kloosters in Europa, die geheel of voor een groot deel archeologisch onderzocht zijn. De opgraving is in opdracht van het Limburgs Museum te Venlo uitgewerkt van 2012 tot en met 2023. Een samenvatting van de opgravingsresultaten is in 2021 verschenen in de reeks Nederlandse Archeologische Rapporten (Stoepker, H., 2021: Het Klooster van Susteren (714 – 1802). Het volledige rapport (de ‘basispublicatie’) is – met uitzondering van de bijlage ‘catalogus van de structuren’ – verschenen in 2023 (Stoepker, H. (red.), 2023: Sporen van Susteren). Dit rapport is zowel in zijn geheel als in hoofdstukken te downloaden. Het vroegmiddeleeuwse klooster was klein en zal niet meer dan twintig tot dertig mensen gehuisvest hebben. Bij de opgraving werden de sporen gevonden van de woongebouwen van het klooster, van een grafveld en van de waterlopen waaraan het klooster gelegen was. Bij de woongebouwen hoorden waterputten, beerputten en ambachtelijke structuren, waaronder een klokkengieterij. In de 8e en 9e eeuw waren er twee woongebouwen, een van hout en een van steen. Ze lagen op een rij op de oever van een waterloop, gescheiden van de kerk door een grafveld met daarop een oratorium met een ronde plattegrond. Er zijn meer houten gebouwen geweest, maar deze zijn niet volledig teruggevonden en lagen deels buiten de opgraving. Na een verwoesting in het einde van de 9e eeuw, waarschijnlijk door een Vikingaanval, is het klooster beperkt herbouwd. Vanaf het midden van de 11e eeuw echter is er een geheel nieuwe structuur ontstaan, bestaande uit stenen gebouwen met een kloostergang rond een hof. Het grafveld was in gebruik van de 8e tot en met de late 11e eeuw. Skeletten zijn gevonden van mannen, vrouwen en kinderen. De meeste vondsten zijn in de waterlopen aangetroffen. De ontwikkeling van de kloosterplattegrond is geschetst in de publicatie uit 2021. De vondsten zijn uitvoerig beschreven in ‘Sporen van Susteren’ (2023) met in het bijzonder aandacht voor het aardewerk, het glas (vensterglas, drinkglas, kralen), het metaal en het dierlijk bot. Ook de analyse van het menselijk skeletmateriaal is hierin opgenomen, evenals een overzicht van de historische gegevens en het kerkgebouw. -------------------------- From 1991 to 1993, the former State Service for Archaeological Investigations of the Netherlands (ROB) carried out an excavation in the town of Susteren in the Dutch province of Limburg. The purpose of the excavation was to investigate the remains of a monastery founded in 714 by the Austrasian maior domus Pepin II and his wife Plectrude. It was donated by them to the Northumbrian missionary Willibrord to accommodate pilgrim brothers (fratres peregrini). Later the monastery would be populated by nuns and later still it would be converted into a convent of secular canonesses. The Susteren excavation is one of the very few in Europe where a significant part of an early medieval monastic area has been excavated. It was concluded that there is no evidence for the presence of a church and a monastery in Susteren before 714. The oldest abbey church is believed to have been built on the site of the present-day church which was constructed in the second half of the 11th century. In the 8th and 9th century, the site comprised from south to north four parallel zones, consisting of a (1) church, (2) a burial ground with a circular oratory, (3) a habitation area with many pits and at least two residential buildings (one in stone and one in wood), and (4) an artificial watercourse derived from a natural watercourse. At the east was a craft zone with kilns (probably for lime burning) and two bell casting pits. It is known from historical sources that Vikings plundered the Meuse valley in 881-882. It is highly plausible that the Carolingian monastery was also hit by an attack by Norsemen, because the site was redeveloped in the early 10th century and a large amount of settlement waste was dumped in the watercourse. Many finds derived from the fills of the watercourses: pottery shards, glass beads, vessel and window glass, bones of slaughtered animals, objects made of metal, animal bone and wood and metal slag. In the 11th century we see a new, artificial, watercourse and the emergence of a stone-built monastic complex around a courtyard which replaced the graveyard. In the following centuries, the complex was enlarged and the moat was twice replaced. The convent of secular canonesses has been dissolved in 1802 and shortly afterwards the buildings were demolished. Only the church remained. Opportunities for publication did not arise until 2012. In this year, due to a grant from the province of Limburg, thirty specialists were commissioned by the Limburgs Museum (Venlo) to write reports mostly dedicated to the small finds. Due to the large number of finds, not all could be studied, and priority was given to finds from the Early and High Middle Ages. Thanks to the support of the Dutch Cultural Heritage Agency (RCE) a summarising publication (in Dutch with an English summary) could appear in 2021 under the aegis of this agency: Stoepker, H., 2021: Het Klooster van Susteren (714 – 1802). Archeologisch onderzoek van een Karolingische abdij en een adellijk vrouwenstift, Amersfoort, (Nederlandse Archeologische Rapporten – NAR- 73). This ‘NAR’-report contains a description of the buildings and other structures, of the watercourses and the cemetery as well as a synthesis of all the discoveries. In the 2021 ‘NAR’-report, the specialist reports had to be summarised. The 2023 publication (‘Sporen van Susteren’, 2023) however contains the unabridged specialist reports on the various material groups. All texts are in Dutch with an English summary. The text can be downloaded as a whole or in separate chapters. The introductory chapters 1 to 9 describe, among others, the church building and the archaeological and historical context. Chapters 10, 11 and 12 in Sporen van Susteren are devoted to the finds from the Iron Age and the Roman period. Chapters 13, 14, 15 and 16 describe the plant and fish remains and animal bones in the context of food supply. The pottery from the period before 1000 is discussed in chapter 17. Of the pottery finds dating after 1000 a selection was studied (chapter 18). A range of small finds are described in chapter 19 (ceramic objects), chapter 20 (clay pipes), chapter 21 (objects made animal bone, antler, etc.) and chapter 22 (wooden objects). They give a varied picture of the material culture of the monastery. Objects made of metal are discussed in chapter 24. The fibulae worn by women form a special category amongst the metal finds. Metal slag (chapter 25) indicates that iron processing and bell casting occurred. Chapters 26 to 32 are devoted to glass finds. The most notable glass finds are without doubt the large 9th century beads (chapter 30), which indicate that in the 9th century there were women in the monastery who could afford to wear such jewellery. A small number of finds indicate that glass working occurred in the monastery (chapter 29). The origin of the raw materials has been studied by means of chemical analyses (chapter 31). Locally worked glass may include the window glass found in some Carolingian contexts, which may have once graced the windows of the abbey church and possibly also of the monastic buildings (chapter 27). Other glass mainly consists of small fragments of drinking glasses, particularly Carolingian funnel beakers (chapter 26). Glass from contexts dating to after 1000 has not been studied, except for the remains of 17th century luxury drinking glasses from a cesspit (chapter 32). These testify to the prosperity of the inhabitants of the chapter at the time. The last chapter dedicated to finds (chapter 34) contains an analysis of a small selection of the building material. Finally, chapter 37 recalls the main conclusions of the previous chapters and provides a general conclusion about the material culture

    LR31 Zandweg. Archeologisch onderzoek van twee eerste-eeuwse houten wachttorens in Leidsche Rijn

    No full text
    In 2002 heeft Team Erfgoed gemeente Utrecht aan de westzijde van Leidsche Rijn een opgraving uitgevoerd langs de Zandweg (projectcode LR31). Het te onderzoeken terrein met een lengte van ca. 220 m lag grotendeels direct ten zuiden zone die is ingesteld ter bescherming van de in 1997 ontdekte Romeinse weg. In de oostelijke helft van het onderzoeksterrein werden twee houten wachttorens gevonden, waarvan de oudste dateerde van rond het midden van de eerste eeuw na Chr. en de tweede uit omstreeks 61/62 na Chr. In de westelijke helft van het onderzoeksterrein werden ten zuiden van de beschermingszone twee rivierbochten en een limeswegomlegging aangetroffen. De publicatie van de opgravingsresultaten is in tweeën verdeeld. In 'J.S. van der Kamp, Werk aan de weg, LR31 Zandweg: Archeologisch onderzoek aan een verspoelde sectie van de limesweg, Basisrapportage archeologie 21, Utrecht 2009' zijn de resultaten van het onderzoek naar de limesweg gepresenteerd, terwijl in dit rapport de beide wachttorens aan bod zullen komen. Er werden twee opeenvolgende wachttorens gevonden, gelegen op een strategische positie aan een rivierbocht. De jongste toren kon door middel van jaarringonderzoek gedateerd worden in 62 na Chr. Zijn voorganger is al in de jaren 40 van de eerste eeuw gebouwd, dus in de allereerste jaren van de Romeinse aanwezigheid in West-Nederland. Het is vooral deze oudste toren die aan de hand van de gevonden resten tot in detail kon worden gereconstrueerd. De toren had een oppervlakte van ongeveer 3 bij 3 meter en telde vermoedelijk één verdieping met een balkon van waaruit de wacht werd gehouden. Het benedenvertrek sprong iets naar buiten uit en had een afmeting van 4,5 bij 4,5 meter. Dat was de leefruimte van de torenwachters met stapelbedden langs de wanden en een stookplaats in de noordoostelijke hoek. Vooral rond deze haardplaats is veel 'keukenafval' - granen, botjes, viswervels, etc. - en gebroken huisraad gevonden, waardoor de onderzoekers veel te weten zijn gekomen over de keukeninventaris en het menu van de torenwachters. Op de wachttoren zijn resten gevonden van rund en in minder mate van schaap, geit en varken. Er zijn aanwijzingen dat het vlees in grote karkasdelen, en dan voornamelijk als complete achterpoten, werd aangevoerd. Maar het rantsoen was blijkbaar niet voldoende want de torenwachters zorgden voor een belangrijke aanvulling door te vissen op brasem, voorn, baars en bovenal op snoek. Ook werd er gejaagd op waterwild: in ieder geval hebben de soldaten eend, smient en taling gegeten. Op de een of andere manier wisten zij zelfs aan porties zoutwater mosselen en alikruiken te komen die uit het Nederlandse kustgebied moeten zijn aangevoerd. Maar het was niet altijd vetpot want er zijn ook resten van zoetwater mosselen gevonden, met name de Bataafse stroommossel, die minder smakelijk waren en in het verleden, voor zover bekend, alleen in tijden van grote voedselschaarste werden gegeten

    Ossicle 68

    No full text
    Op het Statenplein te Dordrecht is in 1997 een archeologisch onderzoek gestart door het Dordts Archeologisch Centrum (DAC). Gedurende dit onderzoek zijn vele grondmonsters genomen en liters grond uit sporen, lagen en pakketten gezeefd. Onderzoek aan grote hoeveelheden monsters en zeefresiduen is tijdrovend. Een selectie is daardoor noodzakelijk. Om de selectie gefundeerd te kunnen uitvoeren is in 1998 een waardering gestart van het dierlijke en plantaardige materiaal in de monsters en zeefresiduen. In dat jaar is een deel van het materiaal geïnventariseerd en integraal gewaardeerd (Esser 1998). ‘s Jaars daarop is het botanisch materiaal in de overige monsters geïnventariseerd (Hänninen, Vermeeren en Luijten 1999). Nu, vijf jaar na de opgraving, is ook de inventarisatie van de dierlijke resten uit de zeefresiduen afgerond. Paalman heeft in de tussentijd het met de hand verzamelde dierlijke materiaal geanalyseerd. Voorts heeft zij het vondstmateriaal aan de hand van archeologische gegevens ingedeeld in vondstcomplexen

    BEWONINGSSPOREN VAN DE MIDDEN-IJZERTIJD TOT EN DE MET VOLLE MIDDELEEUWEN IN DE STELT-NOORD TE LENT, NIJMEGEN-NOORD. deel 1, Landschap en bewoningsgeschiedenis

    No full text
    Bewoningssporen uit de ijzertijd Tot voor kort werd aangenomen dat de opslibbing tot aan de bodemvorming zal hebben aangehouden tot ver in de 8e eeuw voor Chr., maar op basis van het pollendiagram uit de restgeul van vindplaats 35 en enkele 14C-ouderdomsbepalingen lijkt het erop dat al vlas werd verbouwd in deze omgeving in de late bronstijd. Dat impliceert dat de bodemvorming waarschijnlijk al aanving in de late bronstijd in plaats van de vroege ijzertijd. Hoe dan ook, tussen de Steltsestraat en de Waaldijk zijn geen vondsten bekend van late-bronstijdaardewerk of sporen van de die ouderdom. Uit een pollendiagram uit de restgeul ten zuiden van de Steltsestraat komen ook aanwijzingen voor akkerbouw, veeteelt en bewoning in de vroege ijzertijd en later. Sporen ontbreken echter. De op vindplaats 35 aangetroffen sporen en vondsten dateren ruwweg tussen 400 en 200 voor Chr., oftewel vanaf de tweede fase van de midden-ijzertijd tot in de eerste fase van de late ijzertijd. Dit komt naar voren uit zowel het onderzoek naar het handgevormd aardewerk als ook uit enkele 14C-dateringen. Aan de hand van voornoemde 14C-dateringen, het vondstmateriaal en huistypologieën is getracht in kaart te brengen welke sporen mogelijk tot de midden- en/of late ijzertijd behoord hebben. Het eerste probleem dat zich daarbij voordoet is dat huisplattegronden uit de midden-ijzertijd en de late ijzertijd in het Midden-Nederlandse Rivierengebied slecht gekend en slecht herkenbaar zijn. Waarbij het één onlosmakelijk met het ander verbonden is. Er is sprake van een aanzienlijke pluriformiteit aan vrij onregelmatige plattegronden. Daarbij is vaak sprake van nederzettingsterreinen met grote 'palenzwermen' waarin de weinig regelmatige plattegronden niet of nauwelijks te herkennen zijn. Voor het onderzoek op De stelt is dit ook het geval gebleken. Duidelijke huisplattegronden bleken niet herkenbaar te zijn. Daarom heeft het vondstmateriaal een belangrijke rol gehad in de zoektocht naar de sporen uit de ijzertijd. Op basis hiervan konden op vindplaats 35 vijf clusters met sporen worden onderscheiden die (hoogstwaarschijnlijk) tot de bewoningsfase in de ijzertijd behoren. Het eerst is een centraal op de vindplaats gelegen cluster met kuilen, palenrijen en vermoedelijke huisplattegronden. De plattegronden bestaan uit een rij middenstaanders, zodat het tweebeukige plattegronden zijn. Sporen van wandstaken, overige binnen- en buitenstaanders zijn niet bewaard of waren niet zichtbaar. In het zuidwesten van de vindplaats bevinden zich een aantal kuilen waarvan het merendeel in de midden- of late ijzertijd gedateerd mag worden. Bijzonder hierin is een kuil met 543 fragmenten van kust- of briquetage-aardwerk. Dit is organisch verschraald, zachtgebakken aardewerk dat is gebruikt voor het zieden en opslaan van zout en is vervaardigd in de kuststreken. In dit geval betreft het allemaal potscherven van zoutcontainers waarin het zout is verhandeld naar het achterland. In de noordelijke zone van vindplaats 35 ligt een viertal grote kuilen die aan de hand van het daarin aangetroffen aardewerk in de midden-/late ijzertijd gedateerd kunnen worden. De bevindt zich in de zuidelijke helft van Sl1-werkput 6 een grote palenzwerm. Deze paalsporen hebben weinig scherven aardewerk prijsgegeven en die zijn vrijwel allemaal van handgevormd aardewerk. Een cluster paalsporen met maar weinig vondstmateriaal zou kunnen worden verklaard als het gevolg van het oprichten van één of meer bouwsels op een locatie die niet in gebruik was en vervuild met (zwerf) afval van nabij gelegen bewoning. Dit cluster van paalsporen behoort mogelijk toe aan een van de vroegere bouwfases in vindplaats 35. Een palenzwerm als deze past goed in het beeld van midden- en late-ijzertijdsites in het rivierengebied die overwegend bestaan uit paalsporen waarin geen woonstalhuizen herkenbaar zijn en alleen kleine bouwsels vergelijkbaar met spiekers. Ook binnen deze palenzwerm zijn twee vierpalige spiekers herkend. Tussen en rond de sporen van de Romeins gedateerde huizen 1 t/m 3 bevinden zich tientallen veel kleinere paalkuilen die niet direct met de huisplattegronden te associëren zijn. Het merendeel van de sporen bevat geen potscherven van gedraaid aardewerk uit de Romeinse tijd, maar wel van handgevormd aardewerk. Deze sporen lijken dan ook tot een midden- tot late-ijzertijdpalenzwerm te behoren, waarin mogelijk één of meer (bij-)gebouwen verborgen liggen. De reeds herkende bijgebouwen 1 en 3 zijn gezien de aanwezigheid van louter handgevormd aardewerk in de daartoe behorende sporen daarom waarschijnlijk in de ijzertijd te dateren. De materiële cultuur van de ijzertijd bestaat uit potscherven van handgevormd aardewerk, (fragmenten van) keramische objecten zoals weefgewichten, spinklosjes en slingerkogels, fragmenten van glazen La Tène armbanden, een groot aantal fibulae en een paar fragmenten van metalen armbanden en fragmenten van maalstenen van vesiculaire lava. Opmerkelijk is dat de verspreiding van de glazen armbanden en de fibulae zich concentreert in vindplaats 35, alhoewel in vindplaats 122 ook enkele fragmenten van glazen armbanden zijn gevonden. Vindplaats 122 omvat sporen uit de Romeinse tijd die allemaal lijken te dateren uit de midden-Romeinse tijd en vooral in de tweede helft van de 2e eeuw na Chr. Niettemin stammen van deze vindplaats vele tientallen scherven van handgevormd aardewerk en dit lijkt overwegend te zijn gemaakt in de midden- tot late ijzertijd en niet in de Romeinse tijd aangezien scherven van organisch verschraald aardewerk zo goed als niet aanwezig zijn en evenmin voorbeelden van (meervoudig) gefacetteerde randen of vormen met korte verticale bandoren. Dit ijzertijdaardewerk in vindplaats 122 stamt uit lagen of als opspit in de jongere sporen uit de Romeinse tijd, zodat het zou kunnen worden geïnterpreteerd als weggegooid nederzettingsafval. De opgravingen langs de Steltsestraat in Lent tonen aan dat de ijzertijdbewoning met vele vraagtekens is omgeven. In vindplaats 35 is een concentratie van sporen en vooral vondsten die dateren in de tweede helft van de midden-ijzertijd tot in de late ijzertijd. We kunnen concluderen dat deze ijzertijdlieden een agrarisch bestaan erop nahielden gebaseerd op gemengde landbouw, waarin runderen en graanverbouw de voornaamste componenten zijn geweest. Niettemin blijft het lastig om aan te geven hoe deze lieden waren behuisd, want eenduidige huisplattegronden met een ijzertijddatering zijn niet aanwijsbaar. Een opmerkelijk verschijnsel in het ijzertijdonderzoek van met name vindplaats 35 is de weinig overtuigende synchroniteit tussen het aardewerk enerzijds en anderzijds de fibulae en de glazenarmbanden. Een nederzetting uit de Romeinse tijd Zowel op vindplaats 35 als op vindplaats 122 is sprake van een vindplaats daterend uit de Romeinse tijd. Beide vindplaatsen bevinden zich op de noordelijke oever van een aanzienlijke restgeul die destijds periodiek watervoerend moet zijn geweest. De aangetroffen sporen zijn een grote hoeveelheid paalsporen, kuilen, waterputten en greppels van een nederzettingsterrein, waarin een aanzienlijke hoeveelheid structuren is herkend. Het betreft ten minste zeven huisplattegronden, alsmede een aantal palenrijen die mogelijk als huisplattegrond kunnen worden aangeduid. Eén van de huisplattegronden is van een bijzonder type en hebben we aangeduid als porticushuis. Daarnaast zijn tien bijgebouwen, voornamelijk spiekers, en tien waterputten of -kuilen herkend en tevens een groot aantal greppels. Hoewel sprake is van twee vindplaatsen mag, met inachtneming van de (deels) overeenkomende datering en de onderlinge afstand van ca. 40 m, ruimtelijk gezien, gesproken worden van één en hetzelfde nederzettingsterrein. Dit terrein wordt in het zuiden begrensd door de laagte van de restgeul vindplaats 35C), waarlangs verschillende malen greppels zijn uitgegraven die waarschijnlijk de nederzetting hebben begrensd en/of onderverdeeld. Op basis van het onderzoek naar het vondstmateriaal en de resultaten van de 14C-analyses vangt de bewoning al voor of in de late ijzertijd aan en beslaat vervolgens vrijwel de gehele Romeinse tijd, tot en met de 5e eeuw. Hoewel de het vondstmateriaal in zijn algemeen en dateringen van de huisplattegronden, bijgebouwen en waterputten in het bijzonder in vindplaats 35 de gehele vroeg- en midden-Romeinse tijd beslaan (jonger vondstmateriaal is zeldzamer), is dat voor vindplaats 122 niet het geval. Zowel de porticuswoning als het hier aangetroffen bijgebouw daten in de midden-Romeinse tijd B (150-200 resp. 150-230). De metaalvondsten beperken zich tot de late 2e en vroege 3e eeuw. Binnen het onderzoeksgebied van vindplaats 122 kon slechts één huisplattegrond (Ste2 huis 1; ) worden gereconstrueerd. In tegenstelling tot de overige op vindplaats 35 aangetroffen woonstalboerderijen met een wandgreppel, lijken we hier te maken te hebben met een zogenaamd porticushuis of porticusboerderij. De grote hoeveelheden militaria die elders wel vaak gevonden worden rond porticushuizen zijn hier spaarzaam aanwezig en dan met name in de vorm van paardentuig. Fibulae die met het leger worden geassocieerd, zoals die uit de Aucissa-familie, ontbreken in vindplaats 122 maar zijn in vindplaats 35, ongetwijfeld onderdeel van dezelfde nederzetting, wel aanwezig. Wel komen sleutels voor en andere delen van sloten zoals slotplaten. Deze objecten kunnen samen met de eveneens aangetroffen delen van spiegels en een scheermes worden geassocieerd met een hogere status of rijkdom van de bewoners, die ook aan de porticuswoningen zelf wordt toegedicht. De paar scherven vensterglas mogen wat dat betreft ook niet ongenoemd blijven. In vindplaats 35 zijn zes huisplattegronden aangetroffen met een wandgreppel. Op de overige drie vindplaatsen in de Stelt Noord komt dit type plattegrond niet voor. Omdat drie van deze plattegronden deels buiten de contouren van de opgravingen vallen, konden alleen de overige drie (huis 1 t/m 3) in hun geheel worden onderzocht. Ondanks de matige conservering van de plattegronden en het feit dat een deel van de plattegronden niet volledig is onderzocht, zijn toch enkele algemene kenmerken van de plattegronden te benoemen. Zo betreft het in hoofdzaak huisplattegronden met een tweebeukige indeling van het type Alphen-Ekeren, zoals dat in het rivierengebied gangbaar is in de vroeg- en midden-Romeinse tijd. Het tweede meest gangbare type in deze periode, dat zich ontwikkelde gedurende de vroeg-Romeinse periode, is het deels twee-, deels driebeukige huis dat is vertegenwoordigd door huis 3 dat met minimaal 28,5 m in lengte vermoedelijk alleen wordt overtroffen door het porticushuis in vindplaats 122. Met een datering in de eerste helft van de 3e eeuw wordt hier nogmaals bevestigd dat dit type tot ver in de midden-Romeinse tijd is gebouwd en bewoond. In totaal zijn tien waterputten en één waterkuil aangetroffen. Alle waterputten lijken zeker beschoeid te zijn geweest. Het gaat dan op één geval na steeds om een beschoeiing van vlechtwerk van wilgentenen. De dateringen van de waterputten beslaan een groot deel van de Romeinse tijd. Opvallend is de aanwezigheid van twee waterputten uit de 5e eeuw, maar de afwezigheid van putten uit de 4e eeuw. Verder zijn ook de waterputten uit de vroeg-Romeinse tijd nagenoeg afwezig aangezien de vroegste waterputten lijken te dateren vanaf ca. 50/70 na Chr. Voor wat betreft het aardewerk kan vindplaats 122 kan worden beschouwd als een voor de Betuwe tamelijk doorsnee inheems-Romeinse nederzettingscontext, waarin handgevormd aardewerk nauwelijks meer circuleerde. De tafelwaar is mondjesmaat aanwezig en de kruiken zijn wat betreft vormen slecht vertegenwoordigd. Het aandeel dolia en wrijfschalen is als gebruikelijk. Er zijn echter diverse verschillen tussen vindplaatsen 35 en 122 aan te wijzen. Dit verschil wordt veroorzaakt door een dateringsverschil tussen vindplaats 35 en 122 en komt tot uiting in het aangetroffen aardewerkspectrum. Het metaal uit de vroeg- en midden-Romeinse tijd blijft grotendeels beperkt blijft tot vindplaatsen 35 en 122. Ten opzichte van vindplaats 35 is de hoeveelheid Romeins materiaal uit vindplaats 122 gering. Onder het metaal uit vindplaats 122 is geen vroeg-Romeins materiaal. Het gros van het metaal dateert uit de 2e en eerste helft van de 3e eeuw. Romeinse metaalvondsten uit vindplaats 35 maken duidelijk dat er sprake is van continue activiteit vanaf de late ijzertijd tot in de 3e eeuw na Chr. Een verschil ten opzichte van de late ijzertijd is echter dat de vondsten niet enkel in en langs de geul verspreid zijn maar ook meer bij de sporenconcentraties binnen het nederzettingsterrein gevonden zijn. De natuurstenen gebruiksvoorwerpen zijn onder te verdelen in (roterende) maalstenen en gereedschappen (slijpgereedschap, polijststenen, wrijfstenen etc.). Gedurende de ijzertijd en de Romeinse tijd is de dierlijke component binnen de bestaansbasis gebaseerd op veeteelt. Runderen, schapen/geiten en varkens vormen de veestapel. Daarnaast zijn ook paarden en honden aanwezig. In de ijzertijd vormen schapen/geiten een aanzienlijk deel van de veestapel hoewel rundvlees in alle fasen het meest gegeten vlees is. In de loop van de Romeinse tijd neemt het aandeel rund toe. Deze ontwikkeling wordt niet terug gevonden in andere nabijgelegen inheemse nederzettingen. Daar is het aandeel schaap/geit groter omdat de runderen worden verhandeld met de Romeinen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een aanvulling op het dieet in de vorm van vogel- of visvangst. Aanwijzingen voor de jacht zijn beperkt tot edelhert. Enkele bewerkte geweifragmenten en voorwerpen van been duiden op he gebruik van dierlijke grondstoffen om adhoc voorwerpen van te maken. De middeleeuwse nederzettingen De bewoningssporen van vindplaats 103 maken deel uit van een bewoningskern die geconcentreerd was rondom het kruispunt tussen de Lentse Tuinstraat en de Steltsestraat. De sporen van vindplaats 129 lijken deel uit te maken van een andere, iets latere bewoningskern. Hoewel deze bewoningskernen soms worden omschreven als dorpskern, zijn het in het aanvankelijk niet veel meer dan enkele erven langs een weg of rondom een kruispunt. De vele waterputten en paalsporen erop dat we ons ter hoogte van zowel vindplaats 103 als vindplaats 129 op middeleeuwse woonerven bevinden, waarop de woonstalhuizen niet ver van de weg af waren gebouwd, zoals gangbaar is tijdens de 10e een 11e eeuw. De huizen zelf waren overwegend haaks georiënteerd op de richting van de weg, maar de verdere erfindeling lijkt overwegend onafhankelijk van de weg te zijn ontstaan: de oriëntatie van bijgebouwen is de ene keer parallel, de andere keer weer haaks op de richting van de wegen. Dat zou betekenen dat eventuele structuren binnen de sporenclusters die zijn aangewezen in hoofdstuk 11 en 12 dan ook niet noodzakelijkerwijs boerderijen zijn geweest, maar andere gebouwen als schuren, spiekers, hooimijten en dergelijke. De opgegraven sporen in vindplaats 129 behoren waarschijnlijk tot een eenfasige huisplaats, gezien het gebrek aan oversnijdingen van sporen. Vindplaats 103 daarentegen is een nederzettingsterrein dat gedurende enkele eeuwen bewoond is. Doordat in geen van de twee vindplaatsen huisplattegronden herkend zijn, kunnen geen uitspraken gedaan worden over hoeveel faseringen zich in deze periode van bewoning bevinden. Hiervoor zouden grotere aangrenzende oppervlakten moeten worden onderzocht. Als de dateringen van de middeleeuwse waterputten in het plangebied van de Stelt in een diagram onder elkaar worden gezet, valt op dat de waterputten die binnen vindplaats 103 zijn gevonden elkaar grotendeels opvolgen. Dit betekent dus dat hier niet zozeer meerdere gelijktijdig bewoonde erven hebben gelegen, maar hooguit twee, waarbinnen verscheidende malen een nieuwe waterput is aangelegd. In de 12e-13e eeuw eindigde het gebruik van bijna alle waterputten ten zuiden van de Steltsestraat, wat ook past binnen het beeld dat rond die tijd de bewoning zich meer samentrekt rondom de historische dorpskern van Lent. Het gedraaide aardewerk uit de Karolingische periode bestaat voor het merendeel uit Mayen-aardewerk en Badorf-aardewerk. Walberberg-aardewerk is wat minder goed vertegenwoordigd. Daarnaast neemt Karolingisch grijs aardewerk (gedeeltelijk afkomstig uit Mayen) een klein aandeel in. Wanneer wordt gekeken naar de samenstelling van het aardewerk uit de volle middeleeuwen van vindplaats 103 en vindplaats 129, dan is dit erg vergelijkbaar. Meer dan de helft (54-60%) bestaat uit lokaal kogelpotaardewerk. Het overige aardewerk is geïmporteerd. Een kwart tot een derde van het aardewerk betreft Pingsdorf-aardewerk uit het Duitse Rijnland. Het kogelpotaardewerk en blauwgrijs Paffrath-type aardewerk betreft vooral kookgerei. Onder het Pingsdorf-aardewerk bevinden zich vooral schenk-/drinkgerei en slechts enkele exemplaren kookgerei. De metaalaanvoer lijkt vanaf het derde kwart van de 5e eeuw ten einde te komen. De hoeveelheid aan Merovingische metaalvondsten is gering. Binnen vindplaats 103 is echter nog wel sprake van een kleine concentratie aan Merovingisch materiaal waarbij het zwaartepunt vooral in de 7e eeuw ligt. Er zijn opvallend weinig Karolingische metaalvondsten. Hier is sprake van een opvallend contrast ten opzichte van het opgegraven middeleeuws nederzettingsterrein uit de periode 875-1375, ongeveer 500 m ten zuiden van vindplaats 103. Voor de metalen voorwerpen uit de late middeleeuwen geldt in feite hetzelfde als bij de hierboven genoemde Karolingische vondsten, het aantal vondsten is zeer gering. Bij de opgravingen langs de Steltsestraat zijn 147 fragmenten van maalstenen van vesiculaire lava geanalyseerd in middeleeuwse sporen. De 147 fragmenten representeren enkele tientallen maalstenen en dat illustreert hoe veelvuldig ze werden gebruikt. Die intensiteit van gebruik blijkt ook uit de slijtage, de maalstenen lijken dus echt te zijn 'opgebruikt'. Hetgeen impliceert dat de aanvoer van deze maalstenen uit de Duitse Eifel continue en grootschalig is geweest. Op zowel vindplaats 103 als 129 zijn vooral zoogdierresten gevonden, afkomstig van landbouw(huis)dieren. Dit betekent dat op de vindplaatsen geen wild is aangetroffen en, met resten van (voornamelijk) rund, varken en een enkele schaap/geit (waaronder schaap zeker aanwezig is), een samenstelling vertoont met een normaal karakter voor een (agrarische) nederzetting. Ook het aangetroffen gevogelte (kip en gans) sluit daar bij aan. De aanwezigheid van skeletelementen uit allerlei lichaamsdelen, inclusief de vleesloze, wijst op een slacht en verwerking van het vlees binnen de nederzetting. Buiten de consumptie van vlees en gevogelte heeft mogelijk consumptie van vis plaatsgevonden

    BEWONINGSSPOREN VAN DE MIDDEN-IJZERTIJD TOT EN DE MET VOLLE MIDDELEEUWEN IN DE STELT-NOORD TE LENT, NIJMEGEN-NOORD. deel 1, Landschap en bewoningsgeschiedenis

    No full text
    Bewoningssporen uit de ijzertijd Tot voor kort werd aangenomen dat de opslibbing tot aan de bodemvorming zal hebben aangehouden tot ver in de 8e eeuw voor Chr., maar op basis van het pollendiagram uit de restgeul van vindplaats 35 en enkele 14C-ouderdomsbepalingen lijkt het erop dat al vlas werd verbouwd in deze omgeving in de late bronstijd. Dat impliceert dat de bodemvorming waarschijnlijk al aanving in de late bronstijd in plaats van de vroege ijzertijd. Hoe dan ook, tussen de Steltsestraat en de Waaldijk zijn geen vondsten bekend van late-bronstijdaardewerk of sporen van de die ouderdom. Uit een pollendiagram uit de restgeul ten zuiden van de Steltsestraat komen ook aanwijzingen voor akkerbouw, veeteelt en bewoning in de vroege ijzertijd en later. Sporen ontbreken echter. De op vindplaats 35 aangetroffen sporen en vondsten dateren ruwweg tussen 400 en 200 voor Chr., oftewel vanaf de tweede fase van de midden-ijzertijd tot in de eerste fase van de late ijzertijd. Dit komt naar voren uit zowel het onderzoek naar het handgevormd aardewerk als ook uit enkele 14C-dateringen. Aan de hand van voornoemde 14C-dateringen, het vondstmateriaal en huistypologieën is getracht in kaart te brengen welke sporen mogelijk tot de midden- en/of late ijzertijd behoord hebben. Het eerste probleem dat zich daarbij voordoet is dat huisplattegronden uit de midden-ijzertijd en de late ijzertijd in het Midden-Nederlandse Rivierengebied slecht gekend en slecht herkenbaar zijn. Waarbij het één onlosmakelijk met het ander verbonden is. Er is sprake van een aanzienlijke pluriformiteit aan vrij onregelmatige plattegronden. Daarbij is vaak sprake van nederzettingsterreinen met grote 'palenzwermen' waarin de weinig regelmatige plattegronden niet of nauwelijks te herkennen zijn. Voor het onderzoek op De stelt is dit ook het geval gebleken. Duidelijke huisplattegronden bleken niet herkenbaar te zijn. Daarom heeft het vondstmateriaal een belangrijke rol gehad in de zoektocht naar de sporen uit de ijzertijd. Op basis hiervan konden op vindplaats 35 vijf clusters met sporen worden onderscheiden die (hoogstwaarschijnlijk) tot de bewoningsfase in de ijzertijd behoren. Het eerst is een centraal op de vindplaats gelegen cluster met kuilen, palenrijen en vermoedelijke huisplattegronden. De plattegronden bestaan uit een rij middenstaanders, zodat het tweebeukige plattegronden zijn. Sporen van wandstaken, overige binnen- en buitenstaanders zijn niet bewaard of waren niet zichtbaar. In het zuidwesten van de vindplaats bevinden zich een aantal kuilen waarvan het merendeel in de midden- of late ijzertijd gedateerd mag worden. Bijzonder hierin is een kuil met 543 fragmenten van kust- of briquetage-aardwerk. Dit is organisch verschraald, zachtgebakken aardewerk dat is gebruikt voor het zieden en opslaan van zout en is vervaardigd in de kuststreken. In dit geval betreft het allemaal potscherven van zoutcontainers waarin het zout is verhandeld naar het achterland. In de noordelijke zone van vindplaats 35 ligt een viertal grote kuilen die aan de hand van het daarin aangetroffen aardewerk in de midden-/late ijzertijd gedateerd kunnen worden. De bevindt zich in de zuidelijke helft van Sl1-werkput 6 een grote palenzwerm. Deze paalsporen hebben weinig scherven aardewerk prijsgegeven en die zijn vrijwel allemaal van handgevormd aardewerk. Een cluster paalsporen met maar weinig vondstmateriaal zou kunnen worden verklaard als het gevolg van het oprichten van één of meer bouwsels op een locatie die niet in gebruik was en vervuild met (zwerf) afval van nabij gelegen bewoning. Dit cluster van paalsporen behoort mogelijk toe aan een van de vroegere bouwfases in vindplaats 35. Een palenzwerm als deze past goed in het beeld van midden- en late-ijzertijdsites in het rivierengebied die overwegend bestaan uit paalsporen waarin geen woonstalhuizen herkenbaar zijn en alleen kleine bouwsels vergelijkbaar met spiekers. Ook binnen deze palenzwerm zijn twee vierpalige spiekers herkend. Tussen en rond de sporen van de Romeins gedateerde huizen 1 t/m 3 bevinden zich tientallen veel kleinere paalkuilen die niet direct met de huisplattegronden te associëren zijn. Het merendeel van de sporen bevat geen potscherven van gedraaid aardewerk uit de Romeinse tijd, maar wel van handgevormd aardewerk. Deze sporen lijken dan ook tot een midden- tot late-ijzertijdpalenzwerm te behoren, waarin mogelijk één of meer (bij-)gebouwen verborgen liggen. De reeds herkende bijgebouwen 1 en 3 zijn gezien de aanwezigheid van louter handgevormd aardewerk in de daartoe behorende sporen daarom waarschijnlijk in de ijzertijd te dateren. De materiële cultuur van de ijzertijd bestaat uit potscherven van handgevormd aardewerk, (fragmenten van) keramische objecten zoals weefgewichten, spinklosjes en slingerkogels, fragmenten van glazen La Tène armbanden, een groot aantal fibulae en een paar fragmenten van metalen armbanden en fragmenten van maalstenen van vesiculaire lava. Opmerkelijk is dat de verspreiding van de glazen armbanden en de fibulae zich concentreert in vindplaats 35, alhoewel in vindplaats 122 ook enkele fragmenten van glazen armbanden zijn gevonden. Vindplaats 122 omvat sporen uit de Romeinse tijd die allemaal lijken te dateren uit de midden-Romeinse tijd en vooral in de tweede helft van de 2e eeuw na Chr. Niettemin stammen van deze vindplaats vele tientallen scherven van handgevormd aardewerk en dit lijkt overwegend te zijn gemaakt in de midden- tot late ijzertijd en niet in de Romeinse tijd aangezien scherven van organisch verschraald aardewerk zo goed als niet aanwezig zijn en evenmin voorbeelden van (meervoudig) gefacetteerde randen of vormen met korte verticale bandoren. Dit ijzertijdaardewerk in vindplaats 122 stamt uit lagen of als opspit in de jongere sporen uit de Romeinse tijd, zodat het zou kunnen worden geïnterpreteerd als weggegooid nederzettingsafval. De opgravingen langs de Steltsestraat in Lent tonen aan dat de ijzertijdbewoning met vele vraagtekens is omgeven. In vindplaats 35 is een concentratie van sporen en vooral vondsten die dateren in de tweede helft van de midden-ijzertijd tot in de late ijzertijd. We kunnen concluderen dat deze ijzertijdlieden een agrarisch bestaan erop nahielden gebaseerd op gemengde landbouw, waarin runderen en graanverbouw de voornaamste componenten zijn geweest. Niettemin blijft het lastig om aan te geven hoe deze lieden waren behuisd, want eenduidige huisplattegronden met een ijzertijddatering zijn niet aanwijsbaar. Een opmerkelijk verschijnsel in het ijzertijdonderzoek van met name vindplaats 35 is de weinig overtuigende synchroniteit tussen het aardewerk enerzijds en anderzijds de fibulae en de glazenarmbanden. Een nederzetting uit de Romeinse tijd Zowel op vindplaats 35 als op vindplaats 122 is sprake van een vindplaats daterend uit de Romeinse tijd. Beide vindplaatsen bevinden zich op de noordelijke oever van een aanzienlijke restgeul die destijds periodiek watervoerend moet zijn geweest. De aangetroffen sporen zijn een grote hoeveelheid paalsporen, kuilen, waterputten en greppels van een nederzettingsterrein, waarin een aanzienlijke hoeveelheid structuren is herkend. Het betreft ten minste zeven huisplattegronden, alsmede een aantal palenrijen die mogelijk als huisplattegrond kunnen worden aangeduid. Eén van de huisplattegronden is van een bijzonder type en hebben we aangeduid als porticushuis. Daarnaast zijn tien bijgebouwen, voornamelijk spiekers, en tien waterputten of -kuilen herkend en tevens een groot aantal greppels. Hoewel sprake is van twee vindplaatsen mag, met inachtneming van de (deels) overeenkomende datering en de onderlinge afstand van ca. 40 m, ruimtelijk gezien, gesproken worden van één en hetzelfde nederzettingsterrein. Dit terrein wordt in het zuiden begrensd door de laagte van de restgeul vindplaats 35C), waarlangs verschillende malen greppels zijn uitgegraven die waarschijnlijk de nederzetting hebben begrensd en/of onderverdeeld. Op basis van het onderzoek naar het vondstmateriaal en de resultaten van de 14C-analyses vangt de bewoning al voor of in de late ijzertijd aan en beslaat vervolgens vrijwel de gehele Romeinse tijd, tot en met de 5e eeuw. Hoewel de het vondstmateriaal in zijn algemeen en dateringen van de huisplattegronden, bijgebouwen en waterputten in het bijzonder in vindplaats 35 de gehele vroeg- en midden-Romeinse tijd beslaan (jonger vondstmateriaal is zeldzamer), is dat voor vindplaats 122 niet het geval. Zowel de porticuswoning als het hier aangetroffen bijgebouw daten in de midden-Romeinse tijd B (150-200 resp. 150-230). De metaalvondsten beperken zich tot de late 2e en vroege 3e eeuw. Binnen het onderzoeksgebied van vindplaats 122 kon slechts één huisplattegrond (Ste2 huis 1; ) worden gereconstrueerd. In tegenstelling tot de overige op vindplaats 35 aangetroffen woonstalboerderijen met een wandgreppel, lijken we hier te maken te hebben met een zogenaamd porticushuis of porticusboerderij. De grote hoeveelheden militaria die elders wel vaak gevonden worden rond porticushuizen zijn hier spaarzaam aanwezig en dan met name in de vorm van paardentuig. Fibulae die met het leger worden geassocieerd, zoals die uit de Aucissa-familie, ontbreken in vindplaats 122 maar zijn in vindplaats 35, ongetwijfeld onderdeel van dezelfde nederzetting, wel aanwezig. Wel komen sleutels voor en andere delen van sloten zoals slotplaten. Deze objecten kunnen samen met de eveneens aangetroffen delen van spiegels en een scheermes worden geassocieerd met een hogere status of rijkdom van de bewoners, die ook aan de porticuswoningen zelf wordt toegedicht. De paar scherven vensterglas mogen wat dat betreft ook niet ongenoemd blijven. In vindplaats 35 zijn zes huisplattegronden aangetroffen met een wandgreppel. Op de overige drie vindplaatsen in de Stelt Noord komt dit type plattegrond niet voor. Omdat drie van deze plattegronden deels buiten de contouren van de opgravingen vallen, konden alleen de overige drie (huis 1 t/m 3) in hun geheel worden onderzocht. Ondanks de matige conservering van de plattegronden en het feit dat een deel van de plattegronden niet volledig is onderzocht, zijn toch enkele algemene kenmerken van de plattegronden te benoemen. Zo betreft het in hoofdzaak huisplattegronden met een tweebeukige indeling van het type Alphen-Ekeren, zoals dat in het rivierengebied gangbaar is in de vroeg- en midden-Romeinse tijd. Het tweede meest gangbare type in deze periode, dat zich ontwikkelde gedurende de vroeg-Romeinse periode, is het deels twee-, deels driebeukige huis dat is vertegenwoordigd door huis 3 dat met minimaal 28,5 m in lengte vermoedelijk alleen wordt overtroffen door het porticushuis in vindplaats 122. Met een datering in de eerste helft van de 3e eeuw wordt hier nogmaals bevestigd dat dit type tot ver in de midden-Romeinse tijd is gebouwd en bewoond. In totaal zijn tien waterputten en één waterkuil aangetroffen. Alle waterputten lijken zeker beschoeid te zijn geweest. Het gaat dan op één geval na steeds om een beschoeiing van vlechtwerk van wilgentenen. De dateringen van de waterputten beslaan een groot deel van de Romeinse tijd. Opvallend is de aanwezigheid van twee waterputten uit de 5e eeuw, maar de afwezigheid van putten uit de 4e eeuw. Verder zijn ook de waterputten uit de vroeg-Romeinse tijd nagenoeg afwezig aangezien de vroegste waterputten lijken te dateren vanaf ca. 50/70 na Chr. Voor wat betreft het aardewerk kan vindplaats 122 kan worden beschouwd als een voor de Betuwe tamelijk doorsnee inheems-Romeinse nederzettingscontext, waarin handgevormd aardewerk nauwelijks meer circuleerde. De tafelwaar is mondjesmaat aanwezig en de kruiken zijn wat betreft vormen slecht vertegenwoordigd. Het aandeel dolia en wrijfschalen is als gebruikelijk. Er zijn echter diverse verschillen tussen vindplaatsen 35 en 122 aan te wijzen. Dit verschil wordt veroorzaakt door een dateringsverschil tussen vindplaats 35 en 122 en komt tot uiting in het aangetroffen aardewerkspectrum. Het metaal uit de vroeg- en midden-Romeinse tijd blijft grotendeels beperkt blijft tot vindplaatsen 35 en 122. Ten opzichte van vindplaats 35 is de hoeveelheid Romeins materiaal uit vindplaats 122 gering. Onder het metaal uit vindplaats 122 is geen vroeg-Romeins materiaal. Het gros van het metaal dateert uit de 2e en eerste helft van de 3e eeuw. Romeinse metaalvondsten uit vindplaats 35 maken duidelijk dat er sprake is van continue activiteit vanaf de late ijzertijd tot in de 3e eeuw na Chr. Een verschil ten opzichte van de late ijzertijd is echter dat de vondsten niet enkel in en langs de geul verspreid zijn maar ook meer bij de sporenconcentraties binnen het nederzettingsterrein gevonden zijn. De natuurstenen gebruiksvoorwerpen zijn onder te verdelen in (roterende) maalstenen en gereedschappen (slijpgereedschap, polijststenen, wrijfstenen etc.). Gedurende de ijzertijd en de Romeinse tijd is de dierlijke component binnen de bestaansbasis gebaseerd op veeteelt. Runderen, schapen/geiten en varkens vormen de veestapel. Daarnaast zijn ook paarden en honden aanwezig. In de ijzertijd vormen schapen/geiten een aanzienlijk deel van de veestapel hoewel rundvlees in alle fasen het meest gegeten vlees is. In de loop van de Romeinse tijd neemt het aandeel rund toe. Deze ontwikkeling wordt niet terug gevonden in andere nabijgelegen inheemse nederzettingen. Daar is het aandeel schaap/geit groter omdat de runderen worden verhandeld met de Romeinen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een aanvulling op het dieet in de vorm van vogel- of visvangst. Aanwijzingen voor de jacht zijn beperkt tot edelhert. Enkele bewerkte geweifragmenten en voorwerpen van been duiden op he gebruik van dierlijke grondstoffen om adhoc voorwerpen van te maken. De middeleeuwse nederzettingen De bewoningssporen van vindplaats 103 maken deel uit van een bewoningskern die geconcentreerd was rondom het kruispunt tussen de Lentse Tuinstraat en de Steltsestraat. De sporen van vindplaats 129 lijken deel uit te maken van een andere, iets latere bewoningskern. Hoewel deze bewoningskernen soms worden omschreven als dorpskern, zijn het in het aanvankelijk niet veel meer dan enkele erven langs een weg of rondom een kruispunt. De vele waterputten en paalsporen erop dat we ons ter hoogte van zowel vindplaats 103 als vindplaats 129 op middeleeuwse woonerven bevinden, waarop de woonstalhuizen niet ver van de weg af waren gebouwd, zoals gangbaar is tijdens de 10e een 11e eeuw. De huizen zelf waren overwegend haaks georiënteerd op de richting van de weg, maar de verdere erfindeling lijkt overwegend onafhankelijk van de weg te zijn ontstaan: de oriëntatie van bijgebouwen is de ene keer parallel, de andere keer weer haaks op de richting van de wegen. Dat zou betekenen dat eventuele structuren binnen de sporenclusters die zijn aangewezen in hoofdstuk 11 en 12 dan ook niet noodzakelijkerwijs boerderijen zijn geweest, maar andere gebouwen als schuren, spiekers, hooimijten en dergelijke. De opgegraven sporen in vindplaats 129 behoren waarschijnlijk tot een eenfasige huisplaats, gezien het gebrek aan oversnijdingen van sporen. Vindplaats 103 daarentegen is een nederzettingsterrein dat gedurende enkele eeuwen bewoond is. Doordat in geen van de twee vindplaatsen huisplattegronden herkend zijn, kunnen geen uitspraken gedaan worden over hoeveel faseringen zich in deze periode van bewoning bevinden. Hiervoor zouden grotere aangrenzende oppervlakten moeten worden onderzocht. Als de dateringen van de middeleeuwse waterputten in het plangebied van de Stelt in een diagram onder elkaar worden gezet, valt op dat de waterputten die binnen vindplaats 103 zijn gevonden elkaar grotendeels opvolgen. Dit betekent dus dat hier niet zozeer meerdere gelijktijdig bewoonde erven hebben gelegen, maar hooguit twee, waarbinnen verscheidende malen een nieuwe waterput is aangelegd. In de 12e-13e eeuw eindigde het gebruik van bijna alle waterputten ten zuiden van de Steltsestraat, wat ook past binnen het beeld dat rond die tijd de bewoning zich meer samentrekt rondom de historische dorpskern van Lent. Het gedraaide aardewerk uit de Karolingische periode bestaat voor het merendeel uit Mayen-aardewerk en Badorf-aardewerk. Walberberg-aardewerk is wat minder goed vertegenwoordigd. Daarnaast neemt Karolingisch grijs aardewerk (gedeeltelijk afkomstig uit Mayen) een klein aandeel in. Wanneer wordt gekeken naar de samenstelling van het aardewerk uit de volle middeleeuwen van vindplaats 103 en vindplaats 129, dan is dit erg vergelijkbaar. Meer dan de helft (54-60%) bestaat uit lokaal kogelpotaardewerk. Het overige aardewerk is geïmporteerd. Een kwart tot een derde van het aardewerk betreft Pingsdorf-aardewerk uit het Duitse Rijnland. Het kogelpotaardewerk en blauwgrijs Paffrath-type aardewerk betreft vooral kookgerei. Onder het Pingsdorf-aardewerk bevinden zich vooral schenk-/drinkgerei en slechts enkele exemplaren kookgerei. De metaalaanvoer lijkt vanaf het derde kwart van de 5e eeuw ten einde te komen. De hoeveelheid aan Merovingische metaalvondsten is gering. Binnen vindplaats 103 is echter nog wel sprake van een kleine concentratie aan Merovingisch materiaal waarbij het zwaartepunt vooral in de 7e eeuw ligt. Er zijn opvallend weinig Karolingische metaalvondsten. Hier is sprake van een opvallend contrast ten opzichte van het opgegraven middeleeuws nederzettingsterrein uit de periode 875-1375, ongeveer 500 m ten zuiden van vindplaats 103. Voor de metalen voorwerpen uit de late middeleeuwen geldt in feite hetzelfde als bij de hierboven genoemde Karolingische vondsten, het aantal vondsten is zeer gering. Bij de opgravingen langs de Steltsestraat zijn 147 fragmenten van maalstenen van vesiculaire lava geanalyseerd in middeleeuwse sporen. De 147 fragmenten representeren enkele tientallen maalstenen en dat illustreert hoe veelvuldig ze werden gebruikt. Die intensiteit van gebruik blijkt ook uit de slijtage, de maalstenen lijken dus echt te zijn 'opgebruikt'. Hetgeen impliceert dat de aanvoer van deze maalstenen uit de Duitse Eifel continue en grootschalig is geweest. Op zowel vindplaats 103 als 129 zijn vooral zoogdierresten gevonden, afkomstig van landbouw(huis)dieren. Dit betekent dat op de vindplaatsen geen wild is aangetroffen en, met resten van (voornamelijk) rund, varken en een enkele schaap/geit (waaronder schaap zeker aanwezig is), een samenstelling vertoont met een normaal karakter voor een (agrarische) nederzetting. Ook het aangetroffen gevogelte (kip en gans) sluit daar bij aan. De aanwezigheid van skeletelementen uit allerlei lichaamsdelen, inclusief de vleesloze, wijst op een slacht en verwerking van het vlees binnen de nederzetting. Buiten de consumptie van vlees en gevogelte heeft mogelijk consumptie van vis plaatsgevonden

    Haagse Oudheidkundige Publicaties 16

    No full text
    Tussen 1985 en 1991 hebben verschillende archeologisch onderzoeken plaatsgevonden bij het Bronovoziekenhuis aan de Van Hoogenhoucklaan. Hoewel de eerste waarnemingen geen archeologische resten opleverden bleek tijdens de aanleg van de eerste bouwput dat er wel degelijk sporen aanwezig waren van een prehistorische vindplaats. Dit leidde ertoe dat tussen april 1990 en april 1991 een opgraving is uitgevoerd waarbij resten uit de midden bronstijd A en de late ijzertijd zijn onderzocht. Hoewel het belang van de locatie door de toenmalige onderzoekers is onderkend, heeft het tot 2006 geduurd voordat de uitwerking begon. Daarna duurde het nog eens zes jaar voordat de uiteindelijke rapportage tot stand kwam. De vindplaats ligt op de flank van een strandwal in de top van het oude duin (Laag van Voorburg). Het oudste niveau bevatte grote hoeveelheden scherven die voor zover typologisch te duiden allemaal als Hilversumaardewerk zijn geïnterpreteerd. Dat is een aanwijzing dat gedurende een korte tijdspanne in de midden bronstijd A op het duin is gewoond. De grondsporen bestaan uit eergetouwkrassen die globaal gegroepeerd zijn rondom een zone met paalsporen. In deze zone is een structuur herkend van een drieschepig huis dat helaas niet geheel bewaard is gebleven. Binnen het huis zijn aanwijzingen voor een haard gevonden. In de directe omgeving van de haard zijn twee kuilen gevonden met vele tientallen kookstenen. Op de locatie van het huis en in een zone daaromheen zijn relatief weinig vondsten gedaan. Dat is een aanwijzing dat men huis en erf goed schoon hield. Behalve aardewerk heeft Bronovo vele andere vondsten opgeleverd. Zo zijn er verschillende vuurstenen schrabbers gevonden die wijzen op de bewerking van huiden. Diverse pijlspitsen wijzen op jacht, hoewel het zoölogisch materiaal daar weinig aanwijzingen voor geeft. Er zijn twee geweibijlen gevonden en een los stuk gewei, maar twee van deze voorwerpen zijn van afgeworpen geweien afkomstig en betekenen niet dat men op edelherten joeg. Eén ellepijpfragment zou van een wild zwijn kunnen zijn. Het groepsgraf in het Weteringpark in Wassenaar maakt echter duidelijk dat de pijlspitsen ook gebruikt kunnen zijn bij gewapende conflicten. Botanische resten zijn helaas niet gevonden, maar de grote hoeveelheid eergetouwkrassen en de vondst van vele maalsteenfragmenten maken aannemelijk dat men op de akkers graan heeft verbouwd. Daarnaast hield men runderen, schapen/geiten en varkens. Enkele wervels van kabeljauw maken duidelijk dat vis ook op het menu stond. Het onderzoek heeft ook enkele bronzen voorwerpen opgeleverd. Zo is er een fragment van een naald gevonden, maar ook enkele 'druppels'. In combinatie met een fragment gebakken klei waarop bronsresten zijn aangetroffen lijkt het waarschijnlijk dat op de nederzetting brons is verwerkt. Opmerkelijk is het grote gehalte aan tin in de objecten. Op het kleifragment is een OSL-datering uitgevoerd, maar die leverde een datering op in de late bronstijd en dat is enkele honderden jaren later dan op basis van het aardewerk was gedacht. Een bevredigende verklaring voor deze afwijkende datering is niet te geven. De metaalvondsten en de faiencekraal en de ligging aan de kust vormen aanwijzingen dat Bronovo deel uitmaakte van een uitgebreid uitwisselingsnetwerk dat zich mogelijk uitstrekte tot Frankrijk, Engeland en zelfs Schotland. Het is aannemelijk de nederzetting slechts korte tijd heeft bestaan. Mogelijk raakte de akker zo snel uitgeput dat het na enkele (tientallen) jaren niet langer mogelijk was om deze te exploiteren. Hoe ver de bewoners verder trokken voordat zij een nieuwe nederzetting stichtten is niet aan te geven. Het recente onderzoek op de Vergulde Hand West in Vlaardingen laat zien dat families zich in de ijzertijd gebonden voelden aan een vrij klein gebied en dat men op korte afstand van de oude boerderij een nieuwe bouwde. Het is waarschijnlijk dat in de bronstijd dezelfde tradities speelden. De ijzertijdresten op Bronovo bestaan alleen uit akkersporen. De eergetouwkrassen in combinatie met een groot aantal greppels geven het beeld van een akker die zeer intensief is gebruikt. Blijkbaar had men inmiddels de technologie ontwikkeld waardoor de akker minder snel uitgeput raakte zodat men deze langer kon gebruiken. Van de bijbehorende nederzetting zijn geen resten gevonden

    Basisrapportage Archeologie 20

    No full text
    Ten westen van Utrecht wordt sinds midden jaren '90 gewerkt aan de realisatie van de VINEX-locatie Leidsche Rijn, grotendeels gelegen op de stroomrug van de Oude Rijn. In 2004 en 2006 heeft Team Erfgoed gemeente Utrecht vier opgravingen uitgevoerd langs de weg Hogeweide (opgravingscode LR48-I t/m LR48-IV, resultaten in één rapport gepubliceerd). Langs deze weg bevond zich vanaf de 11e of 12e eeuw een ca. 1,5 km lang boerderijlint, waarvan delen tot in de 20e eeuw in gebruik bleven. Uit historische bronnen blijkt dat het boerderijlint was gelegen op grond in bezit van drie Utrechtse kapittels. Dit waren rijke kloosterordes, die van de Utrechtse bisschop grote hoeveelheden land in bezit hadden gekregen. De kapittelgeestelijken (kanunniken geheten) beheerden hun landerijen vanuit een zogenaamde kapitteluithof. Op drie percelen bleken sporen van een vroeg veertiende-eeuwse boerderij aanwezig te zijn, in steen uitgevoerd en bovendien van luxe bouwmaterialen opgetrokken. Op één van deze drie erven stond vanaf de vroege zestiende eeuw een grote en monumentale boerderij, die lijkt te duiden op bewoners met een meer dan gemiddelde rijkdom en sociale status. Vandaar dat het vermoeden bestaat dat de drie boerderijen langs de Hogeweide kapitteluithoven waren. De vier opgegraven erven laten door de tijd heen een verspringende bewoning zien van de periode rond 1100 tot aan 1959. Er werden onder meer plattegronden van boerderijen en bijgebouwen, kuilen, greppels en muizenpotten aangetroffen. Om antwoord te kunnen geven op de vraag of er inderdaad kapitteluithoven en pachtersboerderijen langs de Hogeweide hebben gestaan, is er tijdens de uitwerking grote aandacht geweest voor de materiële cultuur van de bewoners. Over het algemeen echter spreekt uit geen enkele vondstcategorie een rijkdom of luxe die uitstijgt boven die van een gemiddelde boeren nederzetting op het middeleeuwse platteland. Het aardewerk is gedurende het gehele bestaan van het boerderijlint grotendeels lokaal vervaardigd of is afkomstig uit het Duitse Rijnland. Enkele metalen objecten lijken daarentegen wel te duiden op een meer dan gemiddelde rijkdom of sociale status, waaronder een elfde-eeuwse zwaardpommel, een fragment van een dertiende-eeuwse vouwbalans en het huis van een veertiende-eeuws sluitgewicht. Het menu van de boeren daarentegen getuigt nauwelijks van een meer dan gemiddelde luxe, zoals blijkt uit de onderzochte pollen en plantaardige macroresten. Zoals te verwachten zijn er op de vier boerderijplaatsen van LR48 voornamelijk resten van landbouwdieren gevonden: voornamelijk runderen en in mindere mate varkens, terwijl schapen- en/of geitenvlees nauwelijks lijkt te zijn gegeten. Vooral de grote hoeveelheid paardenbotten valt echter op. Op de erven van LR48 liepen twee tot drie keer meer paarden rond dan op vergelijkbare boerderijen en bovendien waren de paarden van LR48 aanzienlijk groter dan die van andere vindplaatsen. Op basis hiervan kon worden gesteld dat paarden wel eens de belangrijkste dieren op de boerderijen langs de Hogeweide kunnen zijn geweest
    corecore