320 research outputs found

    De Sint Servaasabdij.Archeologische begeleiding van de aanleg van de stadsverwarming op het Servaasbolwerk in Utrecht.

    No full text
    Van 13 mei t/m 16 juni 2003 heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden aan het Servaasbolwerk in Utrecht. Het onderzoek, in de vorm van een Archeologische Begeleiding, is uitgevoerd door archeologen van de Afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht in opdracht van de Regionale Energie Maatschappij Utrecht (REMU). De aanleiding voor het onderzoek betrof de aanleg van een sleuf voor een leiding van de stadsverwarming waarvan het tracé dwars door het terrein was geprojecteerd waar ooit de Sint Servaasabdij heeft gestaan. Dit klooster voor adellijke vrouwen werd gesticht vóór 1225 en behoorde oorspronkelijk tot de orde der benedictijnen en was eerst waarschijnlijk buiten de middeleeuwse stad, in Abstede gevestigd. Vermoedelijk enkele jaren na de stichting ging het convent over naar de orde van de cisterciënzers en verhuisde naar Oudelle. Als één van de weinige kloosters werd het na de Reformatie niet gesloten, noch gesloopt, maar kwam in handen van de Utrechtse Ridderschap. Uiteindelijk werd het complex aan het eind van de zeventiende eeuw verkocht. Pas in de negentiende eeuw zijn de laatste gebouwen gesloopt. Van de abdij zijn diverse afbeeldingen bewaard gebleven en hij wordt op diverse historische kaarten weergegeven. Al in 1952 zijn er resten van het klooster ontdekt bij de aanleg van kabelsleuven en dat was ook het geval bij het voorafgaand klein proefsleuvenonderzoek in april 2003. De geplande bodemingrepen zouden een bedreiging vormen voor het archeologische bodemarchief, daarom is in mei 2003 de leidingsleuf tot op de diepte van de verstoring archeologisch onderzocht. Over een lengte van bijna 180 m kwamen sporen te voorschijn die dateren vanaf de dertiende tot en met de zeventiende eeuw. Het gaat om restanten van bouwwerken in de vorm van muren, waterputten, een beerput en waterkanalen en/of riolen. Verder zijn delen van de stadsmuur uit de dertiende tot en met de zestiende eeuw en restanten van twee torens die onderdeel uitmaakten van de middeleeuwse stadsverdediging aangetroffen. Voor de interpretatie van de bij de verschillende archeologische waarnemingen en onderzoeken ontdekte sporen is onder meer gebruik gemaakt van de grondtekening van de abdij van Sint Servaas uit 1676, vastgelegd door Melchior van den Bosch. Op deze tekening staat ook het gebruik en bestemming van de dan bestaande gebouwen. Verder zijn de weinige historische bronnen bestudeerd, die overigens meer informatie bevatten dan tot nu toe werd aangenomen. Zo blijken er minstens twee kerken te zijn geweest, en de kerk die op de plattegrond van Van den Bosch staat aangeven kan nu meer nauwkeurig worden gedateerd. De combinatie met historische gegevens maakte het tevens mogelijk de plattegrond beter te duiden, zodoende kunnen de archeologisch gegevens beter worden geïnterpreteerd en blijkt het mogelijk diverse bouwfasen te onderscheiden. Naar aanleiding van de resultaten van het archeologisch onderzoek in combinatie met de historische bronnen en het kaartmateriaal is in 2014 bovendien een grondradaronderzoek uitgevoerd met als doel de ligging van mogelijk nog aanwezige archeologische structuren te bepalen. Het uiterste bereik van de grondradar viel echter samen met de hoogte waarop muurresten voor het eerst verwacht mogen worden. Verder viel het grootste deel van het onderzoeksgrid binnen de pandhof, juist daar waar niet zoveel sporen te verwachten waren. Toch lijkt het onderzoek aanwijzingen op te leveren voor de aanwezigheid van ondergrondse archeologische sporen ter hoogte van de westelijke pandhofgang. Hoewel de radardata dus wel veel informatie bevatten, is meer (non-destructief) archeologisch onderzoek nodig

    Een archeologische kartering en waardering van de vindplaatsen drs. M. van Dinter Archeologisch Diensten

    No full text
    Het terrein bevindt zich op de stroomrug van de Waal. Op het onderzochte terrein zijn geen indicatoren aangetroffen die duiden op de aanwezigheili van een nederzettingsterrein. Het is daarom niet waarschijnlijk dat archeologische resten door geplande bodemingrepen worden bedreigd. Een AAI kan echter nooit antwoord geven op de vraag of bijvoorbeeld grafmonumenten op het terrein aanwezig zijn. Op basis van dit onderzoek kan niet worden uitgesloten dat de vondsten die in het verleden op het aangrenzende perceel, nr. F 2363, zijn aangetroffen, behoren tot een nederzettingsterrein. Dit terrein strekte zich in elk geval niet uit tot het onderzochte perceel

    Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven

    No full text
    In opdracht van Olco Advies en Management BV heeft ADC ArcheoProjecten een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied Het Rond - Vierde Kwadrant te Zeist. Dit archeologisch onderzoek vond plaats in het kader van de uitbreiding van het gemeentehuis, de aanleg van een parkeergarage, en de bouw van enkele woonblokken. Op basis van het vooronderzoek (bureauonderzoek) werden op deze locatie archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht, aangezien het plangebied deel uitmaakt van de oude dorpskern van Zeist. Tevens bestond de mogelijkheid dat zich hier resten uit oudere perioden zouden bevinden. De verwachtingen die op grond van het vooronderzoek zijn gesteld, kunnen op basis van het huidige onderzoek worden bevestigd. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn inderdaad archeologische resten uit zowel de Middeleeuwen als de Nieuwe tijd aangetroffen. Het aardewerk dateert grotendeels uit de 17e t/m 18e eeuw, maar ook zijn scherven uit de Late Middeleeuwen en de 16e eeuw gevonden. In het noorden van het plangebied is een spoor aangetroffen dat op menselijke activiteit in de prehistorie lijkt te duiden. Het spoor doet sterk denken aan een haardkuil en bevindt zich op de dekzandrug die in dit deel van het plangebied is waargenomen. De bodemopbouw in het plangebied is zeer complex. Alleen in het noordelijke deel van het terrein is het bodemprofiel in de top van het dekzand intact. Ter plaatse van de dekzandrug is een podzol gevormd, terwijl in het lagere deel een veenpakket is gevormd. Daarnaast is in het zuidelijk deel van het plangebied een esdek aangetroffen. Een fasering is niet zichtbaar binnen het esdek. In het noordelijke deel van het plangebied is een pakket grijs zand aangetroffen dat eveneens een esdek zou kunnen zijn. Het zou echter ook om een stuifzandpakket kunnen gaan. Dit pakket grijs zand is afgedekt door een wit overstuivingspakket met daarin dunne humeuze laagjes. ADC ArcheoProjecten heeft op basis van het proefsleuvenonderzoek twee vindplaatsen met behoudenswaardige archeologische resten onderscheiden, één in het zuidelijk deel van het plangebied (vindplaats 1) en één in het noordelijk deel (vindplaats 2). Daarnaast wordt op grond van landschappelijk onderzoek geadviseerd om de zones in het noordelijk deel van het plangebied die op de bovengenoemde dekzandrug zijn gelegen, eveneens als behoudenswaardig te kenmerken. Dit betekent dat hier moet worden uitgegaan van behoud in situ, of indien dit niet mogelijk is, van behoud ex situ in de vorm van een opgraving

    Geological-geomorphological study Dom square 2011 and 2013

    No full text
    Aanleiding: Tussen 1 juli en 14 september 2011 is in opdracht van Initiatief Domplein een proefonderzoek uitgevoerd op het Domplein te Utrecht. Het onderzoek vond plaats in het noordelijke deel van de voormalige werkput XIX die in 1949 aangelegd was onder leiding van prof. A.E. van Giffen van het Biologisch en Archeologisch Instituut (BAI) te Groningen. De put lag ter plaatse van het in 1674ingestorte schip van de Dom.De hoofddoelstelling van het onderzoek was informatie verkrijgen over de mogelijkheden tot het duurzaam behoud van de archeologische waarden van het rijksmonument Domplein bij de realisatie van het bezoekerscentrum Schatkamer II (het huidige DOMunder). Om daarnaast ook informatie te verkrijgen die nodig was voor de mogelijke inrichting van de ondergrondse ruimte en het beleefbaar maken van de archeologische resten en bodemprofielen, is er ook inhoudelijk naar de profielen gekeken. Bijdrage M van Dinter & K.M. Cohen: In 2011 en in 2013 is bij gelegenheid op de bodem van de archeologische opgraving een vanderStaay-boring gezet, tot een diepte van c. 8 meter onder onderzijde diepste werkvlak (is c. 13 meter onder maaiveld). Tevens zijn de in wanden ontsloten rivierafzettingen beschreven. Uit het onderzoek is gebleken dat de top van de oever waar het eerste castellum op werd gebouwd slechts gedeeltelijk ontkalkt is en dat een duidelijke vegetatiehorizont ontbreekt. In de top heeft een zeer beperkte mate van bodemvorming plaatsgevonden. De rivier is ter plaatse van het Domplein ca. 5 m diep geweest

    Van Oude Rijn naar Hollandsche IJssel. MD003: Archeologische begeleiding Meerndijk, De Meern (Utrecht). Archeologische Basisrapportage 148: Basisrapportage Archeologie 148

    No full text
    In oktober en november 2017 zijn in De Meern (gemeente Utrecht) twee delen van de Oudenrijnsche Wetering met elkaar verbonden met behulp van een duiker. Daarvoor werd een 68 meter lange en 3 tot 4 meter diepe sleuf gegraven. Deze sneed haaks door de van oorsprong middeleeuwse Meerndijk en door afzettingen van de Mare. Met dit laatmiddeleeuwse toponiem wordt aangeduid het restant van een noord-zuid georiënteerde watergang uit de Romeinse tijd die gedeeltelijk onder het asfalt van de Meerndijk schuilgaat. De ca. 4 kilometer lange Mare verbond een zijrivier van de Rijn, die in de Romeinse tijd tussen De Meern en de Harmelerwaard stroomde en daar de Heldam stroomgordel heeft opgebouwd, met de zuidelijker gelegen Hollandsche IJssel. Gezien het feit dat de Mare de verbinding tussen twee belangrijke rivieren vormde, mag worden verondersteld dat deze een belangrijke rol heeft gespeeld in de waterhuishouding en het scheepvaartverkeer in de Romeinse tijd. Reeds tientallen jaren woedt er onder archeologen, historici en fysisch geografen discussie over de ontstaanswijze van de Mare. Kende deze een natuurlijke oorsprong, was het een gegraven kanaal of was er sprake van een combinatie hiervan? Over het algemeen wordt er thans van uitgegaan dat de Mare in de Romeinse periode is ontstaan door het verbinden van twee crevassegeulen. Eén hiervan kwam vanuit de Hollandsche IJssel en stroomde in noordelijke richting, een tweede was ontstaan vanuit de Heldam rivier en stroomde naar het zuiden. De twee crevassegeulen lijken met elkaar te zijn verbonden door middel van een vermoedelijk 900 tot 1100 meter lang gegraven kanaal. Daarmee zou deze watergang grote overeenkomsten vertonen met het Kanaal van Corbulo in Zuid-Holland, dat de mondingen van de Maas en de Rijn in de Hollandse delta met elkaar verbond. Niet alleen de ontstaansgeschiedenis van de Mare roept vragen op, ook de relatie van deze watergang met de van oorsprong middeleeuwse Meerndijk vraagt om opheldering. Het vermoeden bestond dat de Mare reeds in de Romeinse tijd was dichtgeslibd en in de late middeleeuwen niet meer zichtbaar was. De vreemde oriëntatie van de dijk schuin door de laatmiddeleeuwse verkaveling lijkt hiervoor een aanwijzing. Toch moeten de afzettingen van de Mare nog (of weer?) zichtbaar zijn geweest toen de laatmiddeleeuwse Meerndijk ontstond, net zoals het Kanaal van Corbulo ook eeuwen later nog zichtbaar was. Mogelijk kon tijdens de aanleg van de duiker in het najaar van 2017 een antwoord worden gevonden op de vele vragen waarover inmiddels decennia wordt gediscussieerd. Tijdens de archeologische begeleiding (projectcode MD003), uitgevoerd door medewerkers van afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht, werd van de 68 meter lange sleuf het noordprofiel gedocumenteerd door middel van elf profielsecties. In dit profiel waren diverse vullingslagen van de Mare te zien, evenals de bodemopbouw (crevasse- en komafzettingen) aan weerszijden daarvan. De watergang was op dit punt minstens 26 meter breed en meer dan 3 meter diep. Uit enkele vullingslagen van de Mare zijn in totaal vier grondmonsters genomen ten behoeve van een 14C-datering, waarvan er uiteindelijk twee zijn gedateerd. Verder leverde de vulling van de Mare slechts twee fragmenten dierlijk bot op, waarvan er één is gedateerd. Er zijn geen aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat de Mare ter hoogte van het plangebied is gegraven. Het lijkt dan ook te gaan om de vulling van een crevasse, die rond het begin van de jaartelling moet zijn ontstaan vanuit de Heldam rivier. Bovenin de crevasse-afzettingen bevindt zich een pakket kleiig veen, dat gezien de 14C-dateringen is ontstaan in de dertiende eeuw. De bedding was op dat moment nog maximaal 1,5 meter diep en zo’n 25 meter breed. Kortom, het noordelijke deel van de Mare moet, althans op deze plek, een belangrijk landschappelijk element hebben gevormd in de periode van de laatmiddeleeuwse ontginningen. Dit doet vermoeden dat de Meerndijk op z’n vroegst uit de veertiende eeuw dateert. Toch is het niet erg waarschijnlijk dat de Mare over zijn gehele lengte van zo’n 4 kilometer nog watervoerend was in de dertiende eeuw. Het is aannemelijk dat het middelste en zuidelijke deel ervan niet meer te zien waren in de tijd waarin de polders ten zuiden van de Oude Rijn werden ontgonnen, omdat de verkaveling er geen rekening mee houdt. Grote delen van de bedding zijn mogelijk in de vroege middeleeuwen vanuit de Hollandsche IJssel langzaamaan opgevuld vanuit het zuiden. Het noordelijke uiteinde van de Mare daarentegen bleef tot in de dertiende eeuw kennelijk watervoerend. Aan het einde van deze eeuw was ook dit deel dichtgeslibd. Tegelijkertijd was ter hoogte van het middelste en zuidelijke segment van de Mare reliëfinversie opgetreden als gevolg van het inklinken van het omringende veen, waardoor de zandige en kleiige afzettingen van de Mare door differentiële klink als een rug in het landschap zichtbaar waren geworden. Bij de aanleg van de Meerndijk (mogelijk in de veertiende eeuw) diende deze rug als ondergrond. Het tracé van de dijk werd in noordelijke richting doorgetrokken, exact over de watergang die op dit punt kort daarvoor geheel was dichtgeslibd. Er werden echter geen resten van een middeleeuws dijklichaam aangetroffen

    Aanvullend Archeologisch Onderzoek in het trace van de Hogesnelheidslijn, vindplaats 38, Heerjansdam-Develweg

    No full text
    In het kader van de aanleg van de Hogesnelheidslijn heeft een Aanvullend Archeologisch Onderzoek op deze locatie plaatsgevonden. Naast dit gravend onderzoek, waarbij ook een aantal boringen zijn gezet, is er ook een AAO-Booronderzoek verricht door RAAP. Het AAO heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor het voorkomen van een vindplaats binnen de grenzen van het trace. Wel werden 107 fragmenten aardewerk gevonden. Het merendeel van de fragmenten is afkomstig uit een kleipakket en betreft waarschijnlijk verspoeld materiaal. In de nabijheid van het onderzochte terrein kan een vindplaats liggen; vermoedelijk een nederzettingsterrein of boerderij uit de Volle en Late Middeleeuwen (11e tot 14e eeuw). Ook moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van een Romeinse vindplaats buiten het trace. Op grond van het fysisch-geografisch onderzoek mogen we verwachten dat een deel van de buiten het trace gelegen vindplaatsen is geerodeerd of afgetopt. Het is goed mogelijk dat daardoor een eventueel aanwezige vondstlaag ontbreekt

    Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven

    No full text
    ADC ArcheoProjecten heeft een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in verband met de voorgenomen herinrichting van de Garenmarkt in Leiden. De nieuwbouw van een ondergrondse parkeergarage zal alle archeologische waarden in de bodem vernietigen. Momenteel is het plangebied in gebruik als parkeerterrein. Tijdens vooronderzoek is gebleken dat er archeologische resten aanwezig kunnen zijn uit de Romeinse tijd, de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het proefsleuven onderzoek was erop gericht de aard, omvang, kwaliteit (gaafheid en conservering) en complexiteit vast te stellen van de vindplaats(en) in het gebied om te komen tot een definitief oordeel over de behoudenswaardigheid ervan. Daaruit kan een inschatting gemaakt worden van de eventuele kosten en tijd die nodig zijn voor het behoud ex situ van de archeologische resten (opgraving). De ondergrond op de locatie bestaat uit afzettingen behorend tot het Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk, afgedekt door oeverafzettingen, Formatie van Echteld. Hier bovenop bevinden zich laat- en postmiddeleeuwse ophogingspakketten In de Middeleeuwen behoorde het gebied tot de Pietershoeve. De ontginning daarvan dateert van voor de stadsuitleg van 1386. Na 1475 werd het deel ten noorden van de Raamsteeg, langs het hier besproken onderzoeksgebied, gedempt en de aangrenzende grond als bouwland uitgegeven. De bebouwing die hier verrees bestond uit woonhuizen en kleine bedrijfjes. Bij de ontploffing van het kruitschip aan de Steenschuur in 1807 werden de huizen aan de Garenmarkt waarschijnlijk wel beschadigd, maar bleven niettemin overeind. Omstreeks 1840 vestigde er zich een fabriek voor wolbewerking en wolspinnerij, die enkele van de huizen in gebruik nam als bedrijfsruimte. In 1969 werden de huizen op het huidige plein dat is aangeduid als „Garenmarkt‟ gesloopt. Kort daarvoor, in 1965 was ook al de aan de noordzijde van het plangebied gelegen „Levendaalsgracht‟ gedempt. Op de Indicatieve kaart van Archeologische Waarden (IKAW) maakt het plangebied dan ook deel uit van een zone waar een hoge verwachting aan is toegekend. Tijdens het onderzoek zijn er in werkput 1 bebouwingsresten aangetroffen in de vorm van funderingen, muren, vloeren en beerputten, die kunnen worden toegeschreven aan bewoning vanaf mogelijk de late Middeleeuwen maar in ieder geval de Nieuwe tijd. Tevens werden er muurwerken aangetroffen die de ingebruikname van het terrein voor industriële doeleinden ondersteunen. Ook werden op een dieper niveau (afval-) kuilen aangetroffen die te dateren zijn in de 14e eeuw. In werkput 2 zijn vergelijkbare sporen en structuren aangetroffen. Het vondstmateriaal in de vorm van aardewerk en bakstenen is goed geconserveerd. De bodemopbouw bestaat uit een oeverafzetting van de Oude Rijn (0,4m – 0,6m – NAP), met daarop een vegetatief pakket van 20 tot 30cm dik, dat mogelijk het loopniveau in de Romeinse tijden Vroege Middeleeuwen representeert. Deze is afgedekt met een ophogingslaag uit de late Middeleeuwen, Nieuwe tijd en een bouwvoor van recent zand. Het vondstmateriaal uit de (ophogings-) lagen geeft aan dat er vanaf de Romeinse tijd bewoning geweest is op de vegetatieve pakketten. Op basis van zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische vindplaats is er sprake van een behoudenswaardige vindplaats. De archeologische waarden die in de werkputten zijn aangetroffen, worden bedreigd door de geplande nieuwbouw en kunnen daardoor niet in situ (in de bodem) bewaard blijven. ADC ArcheoProjecten adviseert de gemeente Leiden om de door nieuwbouw bedreigde delen van de behoudenswaardige archeologische vindplaats ex situ te behouden door middel van een vlakdekkende opgraving. Dit om informatie te behouden die van belang is voor onze kennisvorming van het verleden

    Aanvullend Archeologisch Onderzoek in het trace van de Hogesnelheidslijn, vindplaats 38, Heerjansdam-Develweg

    No full text
    Aanvullend archeologisch onderzoek dat heeft plaatsgevonden op een terrein in Heerjansdam, toponiem Develweg, waarbij Middeleeuws en Romeins aardewerk is aangetroffen

    Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven gevolgd door een archeologische opgraving

    No full text
    Onder directievoering van The Missing Link heeft ADC ArcheoProjecten in 2011 een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied Weverskade 60 te Maassluis. Aansluitend hierop is op een aantal locaties binnen het plangebied een archeologische opgraving uitgevoerd. Aanleiding voor het onderzoek vormde de voorgenomen ontwikkeling waarbij de oorspronkelijke agrarische bestemming vervangen zou worden door nieuwbouw in de vorm van o.a. een 2 ha grote bedrijfshal met bijbehorende infrastructuur en kabels & leidingen. Vooronderzoek had evenwel aangetoond dat zich binnen het plangebied plaatselijk fosfaatconcentraties bevonden. Deze zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bewoningssporen uit de periode vanaf de IJzertijd. De voorgenomen bouwplannen zullen deze eventueel aanwezige resten vernietigen of ernstig beschadigen. Tijdens het onderzoek is specifiek aandacht besteed aan het verzamelen van gegevens die licht zouden kunnen werpen op de vorming en het gebruik van het landschap door de tijd heen. Op basis van de tijdens het onderzoek verkregen resultaten kan gesteld worden dat in de Vroege Bronstijd direct ten zuidoosten van het plangebied sprake was van de aanwezigheid van een actieve kreek vanuit het estuarium van de Maas. Na verlanding, in de Vroege tot Midden-Bronstijd, vormde de oeverafzettingen van deze kreek een hoge kreekrug in het zuidoostelijke deel van het plangebied. Het overige deel van het plangebied was laaggelegen. Hier vormde zich een rietveenmoeras waarin rustige, vrij voedselrijke, zoetwater condities heersten. Door uitbreiding van het krekenstelsel vanuit de Maasmond nam de invloed van de zee in het plangebied in de Midden- tot Late Bronstijd weer toe. Het laaggelegen veengebied werd steeds vaker overstroomd met zout tot brak water. Hierdoor werd een humeuze kleilaag gevormd. Door een verder toenemende invloed van de zee werd de toevoer van sediment uiteindelijk te groot en ontwikkelde zich in de IJzertijd een kwelderlandschap in het hele plangebied. De vorming van deze kwelderafzettingen duurde tot in de Middeleeuwen. In de loop van de tijd werd het kweldergebied doorsneden door diverse kleine zijtakken van kreken. Zo zijn in het zuidwestelijke deel van het plangebied in de Vroege IJzertijd twee kleine kreekjes aanwezig. Verder zijn in de Vroege Middeleeuwen in drie opeenvolgende fase kreken actief geweest in het zuidoostelijk deel. Tijdens de vorming van laatstgenoemde kreken is een Late IJzertijd nederzetting, die waarschijnlijk direct ten zuidoosten van het plangebied lag, (gedeeltelijk) geërodeerd. Waarschijnlijkheid betreft het kreken die zijn gevormd in periodes van extreem hoog water en slechts zeer kortstondig actief waren. Na de verlanding vormden deze kreken nog enige tijd een laagte in het landschap. De oudste sporen aangetroffen sporen die wijzen op een gebruik van het landschap door de mens dateren uit de Bronstijd. Het gaat daarbij om in het veen ingeschakelde laagjes met verkoolde plantenresten. Deze wijzen er vermoedelijk op dat de vegetatie in het rietveenmoeras jaarlijks werd afgebrand. Dit om daarmee de beweidingsmogelijkheden voor het vee te verbeteren. De hierbij behorende bewoning moet waarschijnlijk gezocht worden op hoogveenkussens of op oeverwallen van de kreken in de omgeving van het plangebied. Andere sporen of vondsten die in de Bronstijd gedateerd kunnen worden, zijn niet aangetroffen. Ook in de IJzertijd vond een soortgelijk gebruik van het landschap plaats. Vondsten van aardewerk en minuscule resten van verkoolde botresten en visschubben geven echter aan dat nu ook sprake moet zijn geweest van kortstondige menselijke activiteit ter plekke. Verder is het, zoals al eerder vermeld, aannemelijk dat in de Late IJzertijd in de nabijheid van het plangebied sprake was van een nederzetting (of zelfs nederzettingen). In het zuidwestelijk deel van het plangebied zijn sporen uit de Romeinse tijd aangetroffen. Deze concentreren zich op het hoogste gedeelte van het gebied. Het gaat daarbij om een door greppels omsloten gebied van ca. 25 x 35 meter, waarbinnen zich in de Romeinse tijd activiteiten hebben afgespeeld. Het exacte gebruik en de fasering daarvan kan evenwel vanwege de beperkte hoeveelheid sporen niet met zekerheid vastgesteld worden. Verder zijn binnen het plangebied op verschillende locaties greppels aangetroffen, die op basis van het erin aangetroffen aardewerk in de Middeleeuwen gedateerd kunnen worden. De greppels hebben een noordwest – zuidoost en noordoost – zuidwest oriëntatie en zijn net onder de (oude) bouwvoor aangetroffen. De oriëntatie van de greppels komt overeen met de oriëntatie van de huidige sloten en drainagebuizen. Dit kan opgevat worden als een bewijs dat de huidige perceelsoriëntatie een middeleeuwse oorsprong kent. Op basis van de datering van het aardewerk kunnen de greppels in drie verschillende periodes van gebruik onderverdeeld worden : ca. 800 – 900, 900 – 1100 en 1050 -1200 . Afgezien van twee mogelijk middeleeuwse kuilen zijn binnen het plangebied geen andere sporen aangetroffen die zouden kunnen wijzen op de aanwezigheid van bewoning ter plaatse in de Middeleeuwen. Uit de Nieuwe tijd dateren alleen enkele ontginningsgreppels en twee kuilen

    RAM 21

    No full text
    In opdracht van de Nederlandse Spoorwegen Railinfrabeheer Managementgroep Betuweroute (NS-RIB MGBR) heeft de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in de gemeente Dodewaard een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) uitgevoerd in het tracé van een weg die zal worden aangelegd in het kader van de Betuweroute. Het object van onderzoek was een terrein direct ten zuiden van het station Opheusden, gelegen aan de spoorlijn Tiel-Arnhem (toponiem: Dalwagen-Noord). Voorafgaand aan het AAO is op het terrein, eveneens in opdracht van de NS-RIB MGBR, een archeologisch booronderzoek verricht door de Stichting Regionaal Archeologisch Archiverings Project (RAAP). De vondsten uit dit vooronderzoek wezen op activiteiten in het Bronstijd en/of de IJzertijd, die vermoedelijk een nederzetting representeren. Mogelijkerwijs zou zich aan de noordzijde van het terrein een tweede nederzetting bevinden. Het doel van het AAO was het verkrijgen van informatie voor een definitieve waardering van deze vindplaats. Op grond daarvan kan beslist worden of het terrein in aanmerking komt voor opgraving, fysieke bescherming of andere maatregelen. Tijdens het AAO werden met een graafmachine drie zoeksleuven van 4 x 20 m aangelegd. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een grotere omvang van de zuidwestelijke nederzetting op vindplaats 35 dan in het RAAP-rapport is vermoed. Dit betekent dat zij zich buiten het tracé bevindt. Als gevolg hiervan zijn uitspraken over de conservering en gaafheid van deze nederzetting niet mogelijk. Het is aannemelijk dat zich een tweede nederzetting ten noordoosten van het terrein heeft bevonden. Deze is hoogstwaarschijnlijk zwaar verstoord. Tussen de nederzettingen bevindt zich in het tracé een zogenaamd archeo-logisch landschap. Hierin zijn geen sporen van agrarisch gebruik aangetroffen. Een relatie met de vindplaatsen 17, 36 37 en 38 kon niet worden vastgesteld of worden uitgesloten. Door een gebrek aan informatie over de zuidwestelijke nederzetting is het niet mogelijk uitspraken te doen over behoudenswaardigheid en waardering van vindplaats 35 in zijn geheel. Het deel van de noordoostelijke nederzetting dat zich in het tracé bevindt, is niet behoudenswaardig
    corecore