1,957 research outputs found
Mag ik even een teiltje?
Tijdens het ochtendspreekuur vraagt de heer Beemsterboer een huisbezoek aan. ‘Dokter, ik ben zo duizelig dat ik mijn bed niet uit kan,’ zegt hij. Het gaat om een mij welbekende, 39-jarige patiënt. Het horen van die naam brengt veel somatisatie in herinnering. Ik ga daarom telefonisch niet in discussie over de noodzaak van dit huisbezoek. ‘De rest hoor ik straks wel aan zijn bed,’ denk ik
Reconstructie van de ontwikkeling van de Hollandse kust in de laatste 2500 jaar
Onderzoekskader In het kader van het KUST*2000 programma van Rijkswaterstaat wordt onder meer onderzoek gedaan naar de grootschalige en lange-termijn ontwikkeling van de Nederlandse kust. Een goed begrip van de lange-termijn ontwikkeling van onze huidige kust in het verleden is essentieel voor het inzicht in de gevolgen van grootschalige ingrepen in de kustzone. Het doel van het hier gerapporteerde onderzoek is het in detail vaststellen van de grootschalige en lange-termijn trend in de ontwikkeling van de Hollandse kust tussen Zandvoort en Den Haag gedurende de afgelopen 2500 jaar. De volgende vragen zijn hierbij van belang: 1. Wat is de natuurlijke lange-termijn ontwikkeling van de Hollandse kust gedurende de afgelopen 2500 jaar: netto aanzanding of netto erosie? Wat is de omvang in tijd van de fluctuaties rond deze grootschalige trend? 2. Wat zijn de sturende factoren en belangrijkste processen die hierin een rol spelen? 3. Kunnen we de conclusies met betrekking tot de lange-termijn ontwikkeling van de kust bij Haarlem extrapoleren naar de rest van de Hollandse kust? 4. Past de ontwikkelingstrend van de laatste 30 jaar in deze natuurlijke ontwikkeling of is het effect van menselijk ingrijpen hierin dominant? Activiteiten In het kader van dit project zijn de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Integratie van de kennis van de ontwikkeling van de strandwallenkust tussen Haarlem en Monster door middel van literatuurstudie; 2. Aanvulling en verfijning van het tijdsframe van de afzettingen van de uitbouwende Hollandse kust, met name voor de laatste 2500 jaar, door middel van nieuwe boringen en dateringen; 3. Aanvulling van deze gegevens met grondradaronderzoek waarmee de werkelijke opbouw van de ondergrond vast te stellen is. Resultaten -Lange termijn ontwikkeling Gedurende de laatse 2500 jaar komt er een einde aan de uitbouw (en dus netto aanzanding) van de kust van Holland. De kust moet in de Romeinse tijd of kort daarna zijn meest westelijke ligging bereikt hebben. Hierna begon de terugtrekking, waarbij zeewaarts uitstekende delen van de kust opgeruimd werden. Het begin van grootschalige duinvorming vanaf de 8e eeuw doet vermoeden dat de erosie van de Hollandse kust toen begonnen is of veel aanzienlijker geworden is dan daarvoor. De oorzaak voor deze erosie is niet duidelijk. Het Jonge Duinzand is rijk aan schelpgruis, hetgeen suggereert dat dit zand afkomstig moet zijn van de onderwateroever. Rond 1300 AD was de deha van de Oude Rijn bij Katwijk opgeruimd, hetgeen gepaard ging met een forse erosie. Ten zuiden van Katwijk was de terugtrekking minder, zij het niet verwaarloosbaar. Ten noorden van Katwijk was de afslag klein tot nihil. Het einde van de Jonge Duinvorming wordt rond 1600 AD geplaatst. Nadien zijn er slechts locale en kleinschalige veranderingen opgetreden. Registraties van de kustligging over ca. de afgelopen eeuw tonen een uitbouw van de gemiddeld laagwaterlijn tussen Egmond en Scheveningen. Gedurende deze periode trad er op de hele onderwateroever van de Hollandse kust beneden NAP- 8m zandverlies op, met uitzondering van de omgeving van IJmuiden en Scheveningen (effect havendammen). Het overgrote deel van dit verlies vindt plaats ten noorden van IJmuiden. Ten zuiden van IJmuiden zijn de zandverliezen gering en is de kust min of meer stabiel. Fluctuaties op de ontwikkelingstrend van de kust blijken onder meer uit afzettingen van zo'n 300 tot 400 jaar voor heden direct onder de huidige strandafzettingen. Rond die tijd heeft een aanzienlijk erosie van het strand plaatsgevonden (de hoogwaterlijn lag toen 100 tot 200 m verder zeewaarts), waarna er weer verticale opbouw plaatsvond. -Factoren en processen De erosie van de onderwateroever van de terugtrekkende kust was grotendeels voltooid vóór de uitbouw van de strandwallen. Dit houdt in dat de opbouw van de strandwallen gevoed moeten zijn met zand uit een andere bron. Waarschijnlijk speelt langstransport hierbij een belangrijke rol. In de afzettingen van de uitbouwende kust bij Haarlem neemt de omwerking van de afzettingen in met name de brandingszone toe in zeewaartse richting. Dit hangt waarschijnlijk samen met de afname in uitbouwsnelheid. De afwisseling van strandwallen en strandvlaktes tijdens de uitbouw van de kust kan wijzen op schommelingen in de aanvoer van sediment per tijdseenheid. Het voorkomen van transgressieve elementen in de uitbouwende serie, zoals bijv. washovers, duidt op schommelingen rond de trend van uitbouw. Het gaat hier waarschijnlijk echter om kleinschalige en kortdurende gebeurtenissen, veroorzaakt door bijvoorbeeld stormen. -Uniformiteit ontwikkeling Hollandse kust Uit vergelijking van de profielen bij Haarlem en Wassenaar blijkt dat de ontwikkeling van beide gebieden niet direct vergelijkbaar is. De ontwikkelingen bij Wassenaar staan onder invloed van de ontwikkeling van de monding van de Oude Rijn. De uitbouw ging hier aanzienlijk sneller. Nadien is hier een sterke erosie opgetreden, samenhangend met het opruimen van de Oude Rijn delta. De ontwikkeling van het gebied bij Haarlem verloopt langzamer. De uitbouw van de kust is hier aanzienlijk langer doorgegaan. Vervolgens is er veel minder erosie opgetreden dan bij Wassenaar. -Rol menselijke ingrijpen Gedurende de laatste 30 jaar is de kustnabije zone van het hier beschouwde deel van de Hollandse kust ten noorden van Katwijk min of meer stabiel of aanzandend, terwijl het deel ten zuiden van Katwijk eroderend is. Dit is in overeenstemming met het beeld dat naar voren komt uit de ontwikkeling over de laatste 2500 jaar. Lokaal verstoren de effecten van met name de aanleg van havendammen dit beeld. Daarnaast leidt het vasthouden van de waterlijn en de zeereep, door middel van respectievelijk strandsuppleties en beplanting, waarschijnlijk tot een verstoring van het natuurlijk kustprofïel.005.60044/01.03 Programma Kust 200
BAAC rapport A-09.0139
Tussen 26 mei en 23 juni 2009 is door BAAC bv in opdracht van de gemeente Son en Breugel een opgraving uitgevoerd in het plangebied Pastorie. De aanleiding voor dit onderzoek is de ontwikkeling van een multifunctioneel centrum in het plangebied, waardoor eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord zullen worden.Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door de Nieuwstraat en aan de noord-, oosten zuidzijde door de Kerkstraat. Aangezien het onderzoeksterrein na de sloop van de pastorie in gebruik was als parkeerterrein heeft de gemeente Son en Breugel voorafgaande aan het onderzoek de aanwezige puinverharding laten verwijderen.De gemeente had op het moment van de opgraving nog geen concrete bouwplannen, zodat het tijdens de opgraving vrijkomende zand niet mocht worden afgevoerd. Na de opgraving zou het terrein weer enige tijd dienst moeten doen als parkeerterrein.Vanwege het niet mogen afvoeren van zand is besloten het terrein in twee delen op te graven, werkput 1 (circa 375m2) en 2 (circa 525m2). De westzijde (Nieuwstraatzijde) is eerst opgegraven, daarna de oostzijde (kerkzijde).
Een deel van de bodemopbouw is verstoord door de bouw en sloop van de Pastorie. .Verspreid over het onderzoeksterrein zijn sporen en vondsten aangetroffen uit de prehistorie, Romeinse tijd, de middeleeuwen en de nieuwe tijd.Er zijn geen sporen aangetroffen die aan de prehistorie kunnen worden toegeschreven. Er is wel vondstmateriaal aanwezig uit de prehistorie. Van de 45 scherven handgevormd aardewerk stamt mogelijk een klein deel uit de ijzertijd.Het grootste deel stamt echter uit de (laat)Romeinse tijd of de vroege middeleeuwen. Wel duidelijk uit de prehistorie stammen tien fragmenten vuursteen en Wommersomkwartsiet. Behalve wat gebruikte en geretoucheerde klingen zit bij de vondsten ook een fragment van een geslepen bijl, gemaakt van Belgischgrijze vuursteen. Dit is tevens het enige te dateren fragment, stammende uit de periode midden-neolithicum B tot de vroege bronstijd.
Bij voorgaande proefsleufonderzoeken werd al duidelijk dat het terrein in de Romeinse tijd intensief bewoond is geweest, net al dat het geval is voor het grootste deel van de oude kern van het dorp Son. Ten gevolge hiervan is er vrij veel vondstmateriaal uit deze periode in de ondergrond terecht gekomen. Gezien het aantal sporen en vondsten is het duidelijk dat het onderzoeksgebied vanaf het begin van de Romeinse tijd bewoond moet zijn geweest. Latere bewoning en de aanwezigheid van (sub)recente verstoringen (kelder, olietank en waterputten) hebben er voor gezorgd dat de oudste sporen moeilijk tot een structuur te herleiden zijn. Het is dan ook niet gelukt om voor de Romeinse tijd een duidelijke huisplattegrond te isoleren. Er zijn geen kenmerkende sporen, zoals wandgreppeltjes en paalkuilen met een revolvertasvorm aangetroffen. Desondanks zijn er toch een aantal structuren aan deze periode toe te wijzen. In werkput 1 is een zogenaamde hutkom aangetroffen. Onder de 224 vondsten bevinden zich 23 scherven uit de volle middeleeuwen, voornamelijk Pingsdorf-aardewerk. Het overgrote deel van de vondsten stamt uit de Romeinse tijd. Daarnaast komen nog een fragment van een glazen ribkom, een slijpsteen en diverse brokken maalsteen voor. Aan de hand van het aardewerk kan worden geconcludeerd dat de hutkom in de 3de eeuw, ergens tussen 200 en 270 na Chr. in onbruik is geraakt. De hutkom oversnijdt nog net een oudere structuur, een greppelsysteem opgebouwd uit segmenten. De diverse greppeldelen bevatten zeer veel vondstmateriaal. Er zijn onder andere 250 stuks aardewerk en ruim 210 fragmenten dakpan aangetroffen, afgezien van de bijna 220 scherven en ruim 140 fragmenten dakpan die al tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geborgen. Daarnaast is er nog glas, natuursteen, verbrande leem en metaal gevonden. Vrijwel al het vondstmateriaal stamt uit de Romeinse tijd, slechts een tiental scherven stamt uit de middeleeuwen.
Direct met de greppels in verband te brengen is een vrij forse kuil, die veel vondstmateriaal bevatte..In het totaal zijn er ruim 330 aardewerkscherven, circa 90 dakpanfragmenten en 20 overige vondsten geborgen. De aardewerksamenstelling wijkt duidelijk af van die van de greppels. Bijna 70%van de determineerbare scherven bestaat uit bekerfragmenten. Het aardewerk duidt op een datering rond het einde van de 2de eeuw of het begin van de 3de eeuw. Tussen de overige vondsten bevinden zich twee opvallende voorwerpen. Het eerste is de witte terra-cotta voet van een venusbeeldje. Daarnaast is er ook een bronzen zegeldoosje aangetroffen. Er zijn vier waterputten gevonden die met enige zekerheid uit de volle middeleeuwen stammen. De drie waterputten uit de volle middeleeuwen (en deels nog in gebruik in de late middeleeuwen) hebben voldoende geschikt materiaal opgeleverd voor botanisch onderzoek.
Het is duidelijk dat in de hoge of volle middeleeuwen op het terrein minimaal twee erven hebben gelegen. Deze erven zijn van elkaar gescheiden geweest door een erfafscheiding in de vorm van een hekwerk. Tijdens de opgraving van het Pastorie-terrein is een groot aantal aardewerkscherven uit de middeleeuwen aangetroffen.Het gaat hierbij om 627 scherven determineerbaar aardewerk.Aan de hand van het middeleeuwse aardewerk kan worden geconcludeerd dat op het terrein bewoning heeft plaatsgevonden van de Karolingische tijd tot het eind van de 19de eeuw. Karolingische aardewerkfragmenten zijn sporadisch, mogelijk wijzen deze scherven, ook vanwege de aanwezigheid van vermoedelijk Duisburgs aardewerk, op een datering vanaf het eind van de 9de of begin van de 10de eeuw. Het merendeel van het aardewerk dateert in de volle middeleeuwen. Er zijn op basis van het aardewerk verder geen aanwijzingen voor een hiaat. Hiermee lijkt het terrein continu bewoond te zijn geweest tot het eind van de 19de eeuw.Uit de nieuwe tijd, en in mindere mate uit de late middeleeuwen, stammen een groot aantal sporen. In veel gevallen nemen deze de vorm aan van verstoringen.
Uit de nieuwe tijd, en in mindere mate uit de late middeleeuwen, stammen een groot aantal sporen. In veel gevallen nemen deze de vorm aan van verstoringen en voegen ze weinig toe aan het verhaal over de historie van Son. Hiertoe behoren onder andere de resten van de kelder en de olietank van de pastorie,evenals de verstoringen die het gevolg zijn van de sloop van het voorgenoemde gebouw. De laatste zijn op het leesbare archeologische vlak beperkt gebleven,enerzijds vanwege de relatief voorzichtige manier van slopen, anderzijds door de diepe ligging van het relevante archeologische niveau. De proefsleuven hadden al duidelijk gemaakt dat op de meeste plaatsen de fundering van de pastorie het archeologische niveau niet bereikte.Er zijn in de werkput op diverse plaatsen uitbraaksleuven, muurtjes en poeren aangetroffen. Het lijkt, gezien de ligging en de oriëntering van de sporen, om resten te gaan van het brouwershuis van de familie Van de Ven, later genaamd het huis van Van Amstel. In het zuidwesten van de opgravingsput zijn vier waterputten uit de nieuwe tijd aangetroffen. Drie putten waren al in eerste vlak zichtbaar, de vierde kwam aan het licht in het tweede vlak.Een ander opvallend fenomeen uit de nieuwe tijd zijn de vele grondverbeteringsbanen.De vondsten die aan de nieuwe tijd toe te schrijven zijn bestaan, buiten het bouwkeramiek, voornamelijk uit aardewerk.
Het archeologisch onderzoek aan de Nieuwstraat te Son heeft sporen en vondsten opgeleverd uit diverse perioden. Hierbij zijn de Romeinse tijd, de vroege en late middeleeuwen en de nieuwe tijd het best ertegenwoordigd. Op het opgravingsterrein zijn in het totaal negen verschillende waterputtenaangetroffen. Deze stammen uit de periodes vroege middeleeuwen (VMW1), de volle middeleeuwen (HMW1-4) en de nieuwe tijd NTW1-4).De onderzoeksresultaten laten zien dat het onderzoeksgebied (en mogelijk ook de rest van de kern van Son) pas in het begin van de Romeinse tijd intensief bewoond is geraakt.
De sporen uit de Romeinse tijd zijn te herleiden tot een (symbolisch) omgreppeld terrein en een hutkom.
Het in Son aangetroffen greppelsysteem omsluit mogelijk ook een of meerdere gebouwen, maar het beperkte opgravingsareaal laat niet toe deze gebouwen te herkennen. Wel is duidelijk dat ook de Sonse omgreppeling eveneens verschillende gebruiksfases kent. Er zijn duidelijk aanwijzingen voor het heruitgraven van de greppelsegmenten door de tijd heen
Community perspectives of individual plant-soil interactions
Het doel van dit onderzoek was 1. het begrijpen van het belang van plant-bodeminteracties voor de populatiedynamiek van een vroege successie-soort gedurende secundaire successie in oude landbouwgronden; 2. Daarnaast bestudering van samenstelling van de plantengemeenschap in relatie tot bodemsymbionten in de plantengemeenschap. Voor dit onderzoek is de plantensoort Jakobskruiskruid, Jacobaea vulgaris ssp. vulgaris gebruikt, omdat deze plant een groot effect kan hebben op vroege-successie plantengemeenschappen in Nederland
Changes in intervertebral disc morphology persist 5 mo after 21-day bed rest
As part of the nutrition-
countermeasures (NUC) study in Cologne, Germany in 2010,
seven healthy male subjects underwent 21 days of head-down tilt bed
rest and returned 153 days later to undergo a second bout of 21-day
bed rest. As part of this model, we aimed to examine the recovery of
the lumbar intervertebral discs and muscle cross-sectional area (CSA)
after bed rest using magnetic resonance imaging and conduct a pilot
study on the effects of bed rest in lumbar muscle activation, as
measured by signal intensity changes in T2-weighted images after a
standardized isometric spinal extension loading task. The changes in
intervertebral disc volume, anterior and posterior disc height, and
intervertebral length seen after bed rest did not return to prebed-rest
values 153 days later. While recovery of muscle CSA occurred after
bed rest, increases (P 0.016) in multifidus, psoas, and quadratus
lumborum muscle CSA were seen 153 days after bed rest. A trend was
seen for greater activation of the erector spinae and multifidus muscles
in the standardized loading task after bed rest. Greater reductions of
multifidus and psoas CSA muscle and greater increases in multifidus
signal intensity with loading were associated with incidence of low
back pain in the first 28 days after bed rest (P 0.044). The current
study contributes to our understanding of the recovery of the lumbar
spine after 21-day bed rest, and the main finding was that a decrease
in spinal extensor muscle CSA recovers within 5 mo after bed rest but
that changes in the intervertebral discs persist
Type XIV collagen is a multidomain protein with homologies to von Willebrand factor fibronectin and other matrix proteins and is encoded by alternative transcripts with distinct 5' regions
Integraal Plan voor de kust van Katwijk: Ontwikkeling van Veiligheid en Recreatie
In Katwijk zijn er verschillende partijen die plannen hebben met betrekking tot de kust. Veiligheidsverhoging van een deel van Katwijk dat nog niet op deltaniveau is, een vergrootte uitwateringsvoorziening, de geprojecteerde nieuwe zeejachthaven en ontsluiting van het scheepvaartverkeer vanaf zee zijn hierbij de kernwoorden. De projectgroep heeft zichzelf als doel gesteld een integraal plan te ontwikkelen voor het kustgebied van Katwijk met het oog op bovengenoemde aspecten. Daarnaast wordt aandacht besteed aan mogelijke natuurontwikkeling, duinontwikkeling, zoetwaterbeheer en de uitbreiding van de kuststrook in westelijke richting. Aspecten zoals invloed van de plannen op de kustmorfologie wordt erg belangrijk geacht. Er is voor gekozen een methode te kiezen waarbij de nadruk ligt op de inventiviteit van de groep, om tot een groot scala ideeën te komen. Er zijn onder andere brainstormsessies gehouden, waarbij zo min mogelijk oplossingen op voorhand zijn uitgesloten. Als kader is echter wel gelet op de wetgeving omtrent planontwikkeling en de functie van de kust als bescherming van Nederland. Er is naar een overzicht van de alternatieven toegewerkt, waarmee de politiek een onderbouwde keuze kan maken voor de inrichting van het gebied. Er is voor gekozen een lijst op te stellen van alle mogelijke functies van en criteria voor het kustgebied van Katwijk om een goede beoordelingsmethode te vormen. Nadat deze zijn gekoppeld aan de belangen van de betrokken partijen, is er aan de hand van een selecte lijst met functies en criteria een vragenlijst opgesteld, waarop de alternatieven uiteindelijk beoordeeld worden. Voor de twaalf alternatieven is eerst de score per criterium bepaald. Dit is gebeurd door middel van het geven van waarden van 1 tot en met 5, waarbij 1 het beste is en 5 het minst beste. Zo zijn de alternatieven ten opzichte van elkaar geschaald. De alternatieven zijn beoordeeld op criteria zoals morfologie, veiligheid en natuurwaarde. Het resultaat van de studie is een multicriteria scoretabel waarin elk alternatief beoordeeld is op 13 criteria. Op basis van deze tabel en de rest van het onderzoeksresultaat kan wel worden gebruikt om een keuze voor één of enkele alternatieven te maken, met de betrokken partijen, welke, na bereiken van consensus, verder kan worden onderzocht en uitgewerkt.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
World Formative Rest: Faithful Cultural Discipleship in a Secular Age
Kooi, C. van der [Promotor]Harinck, G. [Promotor]Mouw, R. [Copromotor
Tissue specific expression of Type XIV collagen- a member of the FACIT class of collagen
Opgraving Snipperlingsdijk 25
Binnen een ommuurde terrein werden direct tegen de dijk de uitbraaksporen van de kapel van het gasthuis gevonden. Hoewel alle bakstenen zijn uitgebroken was de vorm van de kapel, die aan de buitenzijde was voorzien van steunberen, duidelijk te herkennen. Het westelijke uiteinde van de kapel ligt onder het niet opgegraven hoger gelegen deel van het terrein waar ook de rest van het gasthuiscomplex wordt verwacht. Binnen de muur werd een enkel menselijk skelet gevonden. Dit was meteen het enige intacte graf binnen de opgraving, wel is er op verschillende plekken verstoord, los menselijk botmateriaal aangetroffen
- …
