57 research outputs found

    HR (zaaknr. 11/00860: internationaal privaatrecht, faillissementsrecht, Yukos, rechtsgevolgen buitenlands faillissement)

    Get PDF
    Internationaal privaatrecht. Faillissementsrecht. Yukos. Rechtsgevolgen buitenlands faillissement; vervolg van HR 29 juni 2012, NJ 2012/424; beheers- en beschikkingshandelingen door buitenlandse curator; werking territorialiteitsbeginsel. Proceskostenveroordeling; art. 237 lid 1 Rv. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 december 2008, NJ 2009/456, m.nt. Th.M. de Boer, geoordeeld dat, voor zover niet bij een Nederland bindende internationale regeling anders is bepaald, een in een ander land uitgesproken faillissement territoriale werking heeft, niet alleen in die zin (a) dat het daar op het vermogen van de gefailleerde rustende faillissementsbeslag niet mede omvat zijn in Nederland aanwezige baten, maar ook in dier voege (b) dat de rechtsgevolgen die door het faillissementsrecht van dat andere land aan een faillissement worden verbonden, in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op — tijdens of na afloop van het faillissement — in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde. De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld (c) dat dit territorialiteitsbeginsel niet in de weg staat aan de werking in Nederland van andere gevolgen van een in het buitenland uitgesproken faillissement. Deze regels brengen ten aanzien van een in het buitenland uitgesproken faillissement mee dat de curator in dat faillissement in beginsel ook met betrekking tot in Nederland aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort — maar waarop het faillissementsbeslag niet rust —, beheers- en beschikkingshandelingen kan verrichten, mits de curator daartoe naar het recht van dat andere land (de lex concursus) bevoegd is (regel (c)). De buitenlandse curator kan derhalve, indien hij de bevoegdheid daartoe aan de lex concursus ontleent, de zich in Nederland bevindende vermogensbestanddelen vervreemden en de opbrengst daarvan ten goede laten komen aan de faillissementsboedel, met dien verstande dat ingevolge regel (a) tot aan het moment van levering gelegde beslagen moeten worden gerespecteerd, aangezien die vermogensbestanddelen niet onder het faillissementsbeslag vallen. Regel (b) staat aan het vorenstaande niet in de weg. Om die regel tot zijn recht te laten komen is voldoende dat, zolang tijdens of na afloop van het faillissement vermogensbestanddelen toebehorend aan de (voormalige) gefailleerde in Nederland aanwezig zijn, onvoldane schuldeisers zich daarop kunnen verhalen. Regel (b) gaat niet zover dat die vermogensbestanddelen geheel buiten de normale afwikkeling van het buitenlandse faillissement zouden moeten blijven. Het territorialiteitsbeginsel verzet zich niet ertegen dat de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar overgaat op de buitenlandse curator, zodat deze ook de in Nederland gelegen boedelbestanddelen — met respectering van daarop inmiddels gelegde beslagen — ten bate van de gezamenlijke schuldeisers te gelde kan maken. Het oordeel van het hof dat de bevoegdheidsuitoefening door de buitenlandse curator niet zó ver kan gaan dat de curator de in Nederland gelegen vermogensbestanddelen mag liquideren teneinde de opbrengst daarvan uit te keren aan de in het Russische faillissement erkende crediteuren, is kennelijk gebaseerd op regel (b) en geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De gevorderde vertaalkosten die betrekking hebben op belastingdossiers die mogelijk betekenis kunnen hebben in het kader van de door het hof nog niet beoordeelde vraag of de erkenning van het Russische faillissementsvonnis in strijd komt met de (internationaal privaatrechtelijke) openbare orde, zijn niet te begrijpen onder de in art. 237 lid 1 Rv bedoelde kosten

    HR (zaaknr. 10/03865, LJN BV1522: Rafidain Bank/Solvochem)

    Get PDF
    Internationaal privaatrecht. EVO; toepasselijk recht op documentair krediet; kenmerkende prestatie art. 4 lid 2 EVO; nauwste band art. 4 lid 5 EVO. Uitleg Letters of credit. Toepassing buitenlands (Iraaks) recht; aanvulling rechtsgronden; toetsing in cassatie. Nu daartegen in cassatie niet is opgekomen, moet tot uitgangspunt dienen dat de vraag naar het toepasselijke recht op de verplichting van eiseres tot cassatie tot betaling uit hoofde van de letters of credit (L/C) moet worden beantwoord aan de hand van art. 4 EVO. Bij gebreke van rechtskeuze worden de verbintenissen uit een overeenkomst ingevolge art. 4 lid 1 beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is, terwijl ingevolge art. 4 lid 2 de overeenkomst wordt vermoed het nauwst verbonden te zijn met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar hoofdbestuur heeft. 's Hofs oordeel dat in de verhouding tussen partijen bij een L/C de openende bank de partij is die de in art. 4 lid 2 EVO bedoelde kenmerkende prestatie moet verrichten, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet nu die kenmerkende prestatie bestaat in het uitbetalen van een geldbedrag indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De omstandigheid dat het documentair krediet onderdeel is van een meerpartijenverhouding staat daaraan evenmin in de weg, nu in een dergelijk geschil uitsluitend de rechtsverhouding tussen de openende bank en de begunstigde aan de orde is. Het hof heeft niet miskend dat de omstandigheden van het geval ingevolge art. 4 lid 5 EVO kunnen meebrengen dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het vermoeden van art. 4 lid 2 EVO meebrengt. Daarvoor is nodig dat uit het geheel der omstandigheden duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met dat andere land (HvJEG 6 oktober 2009, C-133/08, NJ 2010/168, m.nt. Th.M. de Boer), doch het hof heeft kennelijk geoordeeld dat daarvan in casu geen sprake is. 's Hofs oordeel dat uit de acceptatie van de wissels door de bank volgt dat de bank de verschuldigdheid van de daarop gestelde bedragen onder de L/C’s heeft erkend en dat de onder die L/C’s voorgeschreven documenten tijdig en volledig zijn gepresenteerd, is niet onjuist of onbegrijpelijk. ‘s Hofs uitleg van de L/C’s inhoudende dat deze geen acceptatieaccreditieven behelzen, is niet onjuist of onbegrijpelijk. De vraag welke regels gelden onder een buitenlands rechtsstelsel is niet een feitelijke vraag die valt onder art. 149 Rv, maar een rechtsvraag waarbij de rechter ingevolge art. 25 Rv, dat ook van toepassing is op buitenlands recht, ambtshalve de rechtsgronden moet aanvullen. Over de juistheid van ’s hofs oordeel dat naar Iraaks recht de algemene verjaringstermijn van vijftien jaar van toepassing is en niet de door eiseres bepleite kortere verjaringstermijn, kan op grond van art. 79 lid 1 onder b RO in cassatie niet worden geklaagd

    HR (zaaknr. 10/03865, LJN BV1522: Rafidain Bank/Solvochem)

    No full text
    Internationaal privaatrecht. EVO; toepasselijk recht op documentair krediet; kenmerkende prestatie art. 4 lid 2 EVO; nauwste band art. 4 lid 5 EVO. Uitleg Letters of credit. Toepassing buitenlands (Iraaks) recht; aanvulling rechtsgronden; toetsing in cassatie.Nu daartegen in cassatie niet is opgekomen, moet tot uitgangspunt dienen dat de vraag naar het toepasselijke recht op de verplichting van eiseres tot cassatie tot betaling uit hoofde van de letters of credit (L/C) moet worden beantwoord aan de hand van art. 4 EVO. Bij gebreke van rechtskeuze worden de verbintenissen uit een overeenkomst ingevolge art. 4 lid 1 beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is, terwijl ingevolge art. 4 lid 2 de overeenkomst wordt vermoed het nauwst verbonden te zijn met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar hoofdbestuur heeft. 's Hofs oordeel dat in de verhouding tussen partijen bij een L/C de openende bank de partij is die de in art. 4 lid 2 EVO bedoelde kenmerkende prestatie moet verrichten, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet nu die kenmerkende prestatie bestaat in het uitbetalen van een geldbedrag indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De omstandigheid dat het documentair krediet onderdeel is van een meerpartijenverhouding staat daaraan evenmin in de weg, nu in een dergelijk geschil uitsluitend de rechtsverhouding tussen de openende bank en de begunstigde aan de orde is. Het hof heeft niet miskend dat de omstandigheden van het geval ingevolge art. 4 lid 5 EVO kunnen meebrengen dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het vermoeden van art. 4 lid 2 EVO meebrengt. Daarvoor is nodig dat uit het geheel der omstandigheden duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met dat andere land (HvJEG 6 oktober 2009, C-133/08, NJ 2010/168, m.nt. Th.M. de Boer), doch het hof heeft kennelijk geoordeeld dat daarvan in casu geen sprake is.'s Hofs oordeel dat uit de acceptatie van de wissels door de bank volgt dat de bank de verschuldigdheid van de daarop gestelde bedragen onder de L/C’s heeft erkend en dat de onder die L/C’s voorgeschreven documenten tijdig en volledig zijn gepresenteerd, is niet onjuist of onbegrijpelijk. ‘s Hofs uitleg van de L/C’s inhoudende dat deze geen acceptatieaccreditieven behelzen, is niet onjuist of onbegrijpelijk.De vraag welke regels gelden onder een buitenlands rechtsstelsel is niet een feitelijke vraag die valt onder art. 149 Rv, maar een rechtsvraag waarbij de rechter ingevolge art. 25 Rv, dat ook van toepassing is op buitenlands recht, ambtshalve de rechtsgronden moet aanvullen. Over de juistheid van ’s hofs oordeel dat naar Iraaks recht de algemene verjaringstermijn van vijftien jaar van toepassing is en niet de door eiseres bepleite kortere verjaringstermijn, kan op grond van art. 79 lid 1 onder b RO in cassatie niet worden geklaagd

    HR (zaaknr. 12/02548: staatsimmuniteit van executie; conservatoir beslag op leegstaand ambassadegebouw mogelijk?; Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (WVDV); onschendbaarheid gebouwen van de diplomatieke zending in zin art. 22 WVDV; uitleg)

    Get PDF
    Staatsimmuniteit van executie; conservatoir beslag op leegstaand ambassadegebouw mogelijk?; Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (WVDV); onschendbaarheid gebouwen van de diplomatieke zending in zin art. 22 WVDV; uitleg. Immuniteit van executie op basis van ongeschreven volkenrecht; UN Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property (2004); codificatie van internationaal gewoonterecht; staatseigendommen met een publieke bestemming. Krachtens art. 22 lid 1 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 (WVDV) zijn de gebouwen van de zending onschendbaar, terwijl krachtens art. 22 lid 3 WVDV deze gebouwen, het meubilair en andere daar aanwezige voorwerpen, alsmede vervoermiddelen van de zending, zijn gevrijwaard tegen onderzoek, vordering, beslaglegging of executoriale maatregelen. Art. 1 aanhef en onder (i) WVDV verstaat onder ‘gebouwen van de zending’, ‘de gebouwen of delen van gebouwen en de daarbij behorende terreinen, ongeacht wie daarvan de eigenaar is, die gebruikt worden voor de werkzaamheden van de zending, daarbij inbegrepen de ambtswoning van het hoofd van de zending’. In de in het WVDV voorziene gevallen moet worden verondersteld dat het doelmatig functioneren van de diplomatieke zendingen in het geding is en dat de voorrechten en immuniteiten dus gelden, onverschillig of in het concrete geval het doelmatig functioneren van de diplomatieke zending al dan niet wordt bedreigd. Art. 1 aanhef en onder (i) WVDV — uitgelegd volgens het bepaalde in art. 31 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht — moet aldus worden begrepen dat de in art. 22 lid 3 voorziene voorrechten en immuniteiten zijn beperkt tot gebouwen die daadwerkelijk worden gebruikt voor de werkzaamheden van de zending. Op zichzelf klaagt het cassatieonderdeel terecht dat het oordeel van het hof dat het pand zijn publieke en diplomatieke bestemming niet heeft verloren en dat het mitsdien niet vatbaar is voor beslag en uitwinning, geen steun vindt in het recht. Uit de preambule bij het WVDV blijkt evenwel dat dit verdrag niet beoogt afbreuk te doen aan de toepassing van de regels van het internationale gewoonterecht op aangelegenheden die door de bepalingen van het WVDV niet uitdrukkelijk worden geregeld, zodat onderzocht moet worden of ’s hofs oordeel strookt met de regels van ongeschreven volkenrecht. Naar de thans in Nederland als ongeschreven volkenrecht aanvaarde regels is de immuniteit van executie niet absoluut. Staatseigendommen met een publieke bestemming zijn echter in elk geval niet vatbaar voor gedwongen executie en in dit verband geldt niet de nadere eis dat de staatseigendommen daadwerkelijk worden gebruikt voor publieke doeleinden. Dit vindt steun in de op 2 december 2004 aangenomen maar nog niet in werking getreden Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property, welk verdrag een codificatie behelst van het internationale gewoonterecht met betrekking tot immuniteit van jurisdictie en van executie en de daaraan gestelde grenzen. Volgens art. 21 van dit verdrag bestrijkt de immuniteit van executie mede een goed dat is bestemd om (op enig moment) te worden gebruikt in de uitoefening van de werkzaamheden van de diplomatieke zending van de buitenlandse staat, maar ten tijde van het treffen van de executiemaatregelen niet daadwerkelijk als zodanig in gebruik is. Uit hetgeen het hof (in cassatie onbestreden) heeft vastgesteld, heeft het de gevolgtrekking verbonden dat het pand zijn publieke bestemming niet heeft verloren en het mitsdien niet vatbaar is voor beslag en uitwinning. Dit oordeel is juist

    HR (zaaknr. 13/04528: internationaal privaatrecht; internationale bevoegdheid ter zake verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing; art. 8 lid 1 Brussel II-bis; peildatum; nader onderzoek naar kinderontvoering in zin art. 10 Brussel II-bis; verwijzing door Nederlandse naar Duitse rechter in zin art. 15 Brussel II-bis?)

    Get PDF
    Ten aanzien van de minderjarige kinderen van thans verzoekers tot cassatie (de ouders) heeft de Nederlandse rechter kinderbeschermingsmaatregelen genomen (ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing). Deze maatregelen zijn verlengd. In de onderhavige zaak heeft Bureau Jeugdzorg bij op 7 januari 2013 ingediend verzoekschrift de verlenging van de termijn voor de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing verzocht voor de duur van een jaar. Op 28 september 2012 hebben de ouders de kinderen meegenomen naar Duitsland en daarmee aan het toezicht van hun gezinsvoogden onttrokken. In deze zaak gaat het om de vraag of de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in het kader van een verlenging van de eerder uitgesproken kinderbeschermingsmaatregelen zelfstandig moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van het inleiden van de verlengingsprocedure (op 7 januari 2013), of dat daarvoor aansluiting kan worden gezocht bij de feiten en omstandigheden ten tijde van het inleiden van de eerdere procedure die tot het instellen van deze kinderbeschermingsmaatregelen heeft geleid en het daarop gebaseerde bevoegdheidsoordeel in die procedure van het gerechtshof te Leeuwarden in zijn beschikking van 1 maart 2012. Het hof heeft voor de laatste opvatting gekozen. Tegen dat oordeel keert zich het cassatiemiddel. Hoewel de onderhavige procedure tot verlenging van de eerder uitgesproken kinderbeschermingsmaatregelen samenhangt met procedures waarin kinderbeschermingsmaatregelen zijn uitgesproken en de duur van deze maatregelen zijn verlengd, is sprake van een zelfstandig geding dat met een nieuw verzoekschrift is ingeleid. Derhalve dient de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de in dit geding verzochte verlenging van de eerder uitgesproken kinderbeschermingsmaatregelen zelfstandig te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis). Ingevolge art. 8 lid 1 Brussel II-bis komt ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegdheid toe aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Dit brengt mee dat het hof de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter had dienen te onderzoeken aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van het inleiden van het onderhavige geding, dat wil zeggen: 7 januari 2013. Door aansluiting te zoeken bij hetgeen het gerechtshof te Leeuwarden in zijn beschikking van 1 maart 2012 heeft overwogen met betrekking tot de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter, is het hof dan ook uitgegaan van een onjuiste peildatum. Na verwijzing dient tevens te worden onderzocht of sprake is van ongeoorloofde overbrenging van de kinderen naar Duitsland als bedoeld in art. 10 Brussel II-bis, en, zo ja, of de Nederlandse rechter ingevolge deze bepaling zijn internationale bevoegdheid heeft behouden. Indien zou komen vast te staan dat de Nederlandse rechter ingevolge art. 10 Brussel II-bis zijn internationale bevoegdheid heeft behouden, dient vervolgens te worden onderzocht of er grond is om op de voet van art. 15 Brussel II-bis het gerecht in Duitsland te verzoeken zijn bevoegdheid uit te oefenen teneinde de behandeling van de zaak van de Nederlandse rechter over te nemen

    HR (zaaknr. 13/04255: interregionaal recht; art. 38 lid 3 Statuut; interregionale bevoegdheid rechter i.g.v. verzoek tot nihilstelling alimentatie; overeenkomstige toepassing IPR-bevoegdheidsrecht; voorrang verdragen en EU-verordeningen in interregionale gevallen)

    Get PDF
    Interregionaal recht; art. 38 lid 3 Statuut; interregionale bevoegdheid rechter i.g.v. verzoek tot nihilstelling alimentatie; overeenkomstige toepassing IPR-bevoegdheidsrecht; voorrang verdragen en EU-verordeningen in interregionale gevallen. Overeenkomstige toepassing Verordening (EG) nr. 4/2009 (Alimentatieverordening); art. 8 lid 1 Alimentatieverordening inzake bevoegde rechter bij wijziging alimentatiebeslissing; belangen onderhoudsgerechtigde. Op grond van art. 38 lid 3 Statuut voor het Koninkrijk kunnen bij rijkswet regels worden gesteld omtrent privaatrechtelijke onderwerpen van interregionale aard, indien omtrent deze regels overeenstemming tussen de regeringen van de betrokken landen bestaat. Een regeling bij rijkswet van de rechterlijke bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard is tot op heden niet tot stand gebracht. Bij gebreke van een dergelijke regeling dient de rechter in het Nederlandse deel van het Koninkrijk (hierna: het Rijk in Europa) evenals de rechter in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, zijn bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard te bepalen door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de bevoegdheidsregels die voor hem gelden op het terrein van het internationaal privaatrecht. De rechter in het Rijk in Europa is, mede gelet op de voorrang van verdragen en EU-verordeningen ten opzichte van het nationale recht, gehouden om eerst te onderzoeken of in een geval van interregionale aard overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan de in verdragen en EU-verordeningen neergelegde bevoegdheidsbepalingen en indien blijkt dat dergelijke verdragsrechtelijke of Unierechtelijke bevoegdheidsbepalingen ontbreken of zich niet voor overeenkomstige toepassing lenen, dient de rechter in het Rijk in Europa zijn rechtsmacht in een geval van interregionale aard te bepalen met overeenkomstige toepassing van de art. 1-14 Rv. Onderzocht dient te worden of ten behoeve van de rechtsmacht van de rechter in het Rijk in Europa om van het verzoek tot nihilstelling van alimentatie kennis te nemen, overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan de bevoegdheidsbepalingen van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 (PbEU 2009, L 7/1)). Art. 8 lid 1 Alimentatieverordening bepaalt dat indien in een lidstaat (of in een derde staat als in die bepaling bedoeld) waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, een beslissing inzake een onderhoudsverplichting is gegeven, de onderhoudsplichtige niet in een andere lidstaat een procedure aanhangig kan maken om die beslissing te wijzigen of een nieuwe beslissing te verkrijgen zolang de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats behoudt in de staat waar de beslissing is gegeven. Art. 8 Alimentatieverordening leent zich voor overeenkomstige toepassing in een geval van interregionale aard als het onderhavige. Er is immers geen grond om in interregionale gevallen de belangen van de onderhoudsgerechtigde op het vlak van de rechterlijke bevoegdheid minder vergaand te beschermen dan in internationale gevallen waarop art. 8 Alimentatieverordening rechtstreeks van toepassing is. Overeenkomstige toepassing van art. 8 lid 1 Alimentatieverordening leidt tot het uitgangspunt dat de rechter in het Rijk in Europa niet bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek van de onderhoudsplichtige dat strekt tot wijziging van een beslissing inzake een onderhoudsverplichting, indien deze beslissing is gegeven door de rechter in het Caraïbische deel van het Koninkrijk waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats had toen die beslissing werd gegeven, zolang de onderhoudsgerechtigde aldaar zijn gewone verblijfplaats behoudt. Alsdan zal de onderhoudsplichtige zijn verzoek aanhangig moeten maken bij de rechter in het Caraïbische deel van het Koninkrijk die de oorspronkelijke beslissing heeft gegeven

    HR (zaaknr. 12/00989, LJN BY4107)

    Get PDF
    Internationaal privaatrecht. Ouderlijk gezag; Verordening Brussel II-bis; begrip ‘gewone verblijfplaats’; waarderingen van feitelijke aard. Benoeming bijzondere curator; doel van dergelijke benoeming; belang minderjarige; beoordelingsvrijheid rechter. Vrees voor verwaarlozing belangen van minderjarige als bedoeld in art. 1:253g lid 3 BW; passeren essentiële stellingen. De invulling van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ is nauw verweven met waarderingen van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden onderzocht. ’s Hofs oordeel dat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De rechter heeft bij de beantwoording van de vraag of de benoeming van een bijzondere curator nodig is, een grote mate van beoordelingsvrijheid, waarbij het belang van de minderjarige voor de rechter de eerste overweging zal moeten vormen. De benoeming van een bijzondere curator dient niet plaats te vinden met als doel in het algemeen de belangen van de minderjarige te beschermen. Verzoekers tot cassatie hebben zich in hoger beroep beroepen op stellingen ingenomen in procedures die tussen partijen in Suriname zijn gevoerd en op de onderbouwingen daarvan, alsmede op rapporten welke in opdracht van de Surinaamse rechters zijn tot stand gekomen. Uit de weergave van hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht, noch uit de weging daarvan, blijkt dat het hof deze (essentiële) stellingen van verzoekers in zijn beoordeling heeft betrokken bij zijn oordeel over de vraag of gegronde vrees bestaat dat de belangen van de minderjarige, bij inwilliging van het verzoek van de vader om met het gezag over de minderjarige te worden belast, zullen worden verwaarloosd als bedoeld in art. 1:253g lid 3 BW

    Hof Arnhem (zaaknr. 200.072.219, LJN BR3312: Ontslagrecht, internationaal privaatrecht)

    Get PDF
    Ontslagrecht. Internationaal privaatrecht. Geen toestemming als bedoeld in art. 6 BBA vereist voor opzegging arbeidsovereenkomst tussen Nederlandse werkgever en naar Roemenië uitgezonden werknemer, nu het belang van de Nederlandse arbeidsmarkt niet bij deze opzegging is betrokken (tussenarrest). Opzegging, die voortkomt uit feit dat uitgezonden werknemer niet wenste te voldoen aan verzoek werkgever om naar Nederland terug te keren, niet kennelijk onredelijk (eindarrest)
    corecore