1,721,117 research outputs found
Een booronderzoek bij zestien scheepswrakken in de IJsselmeerpolders ten behoeve van het bepalen van het bodemmilieu.
ADC ArcheoProjecten heeft een onderzoek gedaan naar het bodemmilieu bij zestien scheepswrakken. Van de in totaal 430 aangetroffen scheepswrakken en scheepsfragmenten in de provincie Flevoland waren bij de start van het project (Fase 1, peildatum 2013) 71 wrakken gewaardeerd als archeologisch waardevol. Een aantal van de wrakken op land is ingekuild, andere zijn afgedekt met een extra laag grond en bij een aantal is geen enkele maatregel genomen. Aangetoond is dat bij de ingekuilde scheepswrakken de degradatie aanzienlijk trager verloopt dan bij de niet ingekuilde wrakken.
Het onderzoek maakt deel uit van het project ‘Degradatieonderzoek scheepswrakken Flevoland’, dat in het kader van het cultuurconvenant 2005-2008 Landsdeel Midden in opdracht van de provincie Flevoland wordt uitgevoerd. Het wordt gefinancierd door het ministerie van OC&W. De RCE heeft om die reden een begeleidende rol en het Steunpunt Archeologie en Monumenten Flevoland (SAMF) is gevraagd te adviseren.
Dit rapport behandelt de resultaten van een derde serie booronderzoeken op scheepswrakken. In de drie series is telkens op dezelfde wijze het bodemmilieu in kaart gebracht en conclusies verbonden aan de lokale conserverende omstandigheden. In verband met ontoegankelijkheid van terreinen en het niet verkrijgen van betredingstoestemming zijn in deze derde serie uiteindelijk zestien aanvullende wrakken onderzocht. Met deze ronde zijn alle nog niet onderzochte en niet ingekuilde wrakken van de selectielijst onderzocht, voor zover hiervoor toestemming is verkregen en het terrein toegankelijk was. Hiermee zijn van de 66 in een eerdere fase geselecteerde scheepswrakken (op land) in totaal 40 scheepswrakken in deze fase onderzocht.
De resultaten van deze fase van het onderzoek versterkt de al eerder getrokken conclusie dat lokale condities zeer bepalend zijn voor het bodemmilieu waarin de archeologische resten zich bevinden. Een eerder gemaakte classificatie op basis van de grondwatertrappen is grof. Dit betekent dat de classificatie op basis van grondwatertrappen niet bruikbaar is voor het voorspellen van de conserveringscondities van scheepswrakken in Flevoland en dat er altijd een veldcontrole nodig is. Tevens wordt de eerder getrokken conclusie bevestigd, dat het afdekken van een scheepswrak met een heuvel geen garantie is voor een bodemmilieu dat duurzaam behoud in situ garandeert
Archeologisch onderzoek op negen vindplaatsen in het nieuwe tracé van de Rijksweg N57 en de nieuwe rondweg ter hoogte van Serooskerke (Walcheren)
ADC ArcheoProjecten heeft in opdracht van het Directoraat Generaal Rijkswaterstaat, Dienst Zeeland (RWS) een Archeologische Opgraving en Begeleiding uitgevoerd in het kader van de verlegging van de Rijksweg 57 tussen Vrouwenpolder en Middelburg en de aanleg van een nieuwe rondweg ter hoogte van Serooskerke. De opgravingen hebben plaatsgevonden op negen vindplaatsen, waarvan de vindplaatsen 6, 7, 8, 9, 10, 12-noord, 12-zuid en 13 ten noorden en vindplaats 4 ten zuidoosten van Serooskerke liggen. Archeologische Begeleiding vond plaats ter hoogte van de te verleggen rioolpersleiding en de Gapingse Watergang. Het veldwerk vond plaats op diverse momenten in de periode juni 2007 tot en met oktober 2009. Het onderzoek heeft niet alleen voor Walcheren, maar voor heel Zeeland vele nieuwe gegevens opgeleverd ten aanzien van de ontwikkeling van het landschap en de bewoning.
In de Bronstijd en de IJzertijd bestond het landschap in het onderzoeksgebied uit een uitgestrekt veenmoeras achter een met strandwallen en Oude Duinen gesloten kustlijn. In de Late Bronstijd ontstond ten noorden van Serooskerke een opening in de kust waardoor het veen via veenontwateringsgeulen werd gedraineerd. In de Midden-IJzertijd was het veenoppervlak hierdoor verdroogd en was het vanaf dat moment bewoonbaar. Door de opening in de kust ontstond er tegelijkertijd een slufterlandschap, een landschap dat vergelijkbaar is met de Slufter op Texel. Delen van het land raakten alleen bij extreem hoogwater bedekt met een dun laagje klei. Het sluftermilieu heeft bestaan uit een mozaïek van verschillende milieus, zout, brak en zoet, die naast elkaar voorkwamen. De bewoners van het gebied konden daardoor profiteren van de verschillende mogelijkheden die het landschap bood. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er in deze milieus grote verschuivingen optraden en in tegenstelling tot wat er eerder werd gedacht, zal het sluftermilieu vrij stabiel en voornamelijk brak zijn geweest. Tevens strekte het sluftergebied zich verder naar het zuiden uit dan op basis van eerder onderzoek werd verondersteld.
De boerderijen en de akkers uit de IJzertijd en Vroeg-Romeinse tijd lagen verspreid in het landschap op de hogere delen van de kwelder. Voor het eerst zijn in Zeeland boerderijplattegronden uit de IJzertijd opgegraven. Uit de late Midden-IJzertijd dateert een drieschepige boerderij en vermoedelijk ook de akker die ten westen van deze boerderij tevoorschijn is gekomen (vindplaats 12-zuid). Zowel de bouwwijze als het aardewerk vertoont overeenkomsten met boerderijplattegronden en aardewerk uit de meer naar het noorden gelegen delen van het kustgebied van Noord- en Zuid-Holland. In het kustgebied kan daarom sprake zijn van groepen bewoners met dezelfde culturele identiteit. In de Late IJzertijd (in dit geval in de 1e eeuw v. Chr.) zijn meer invloeden vanuit het oosten zichtbaar in de huizenbouwtraditie. De nog steeds drieschepige boerderijconstructie die rond 50 v. Chr. ter hoogte van vindplaats 10 verschijnt, heeft een wandconstructie die overeenkomt met de constructie die rond die tijd veelal werd toegepast op de Brabantse zandgronden.
Met de verovering van het latere Zeeuwse gebied door de Romeinen en de incorporatie van het gebied in de civitas Menapiorum enkele decennia voor het begin van de jaartelling, vond geleidelijk aan romanisatie van het gebied plaats. Dit is te zien in het aardewerkspectrum, waarbinnen zich nu ook gedraaid aardewerk bevindt dat is geïmporteerd naar deze streken. Tevens zien we imitaties van Romeinse vormen terug in het handgevormde aardewerk. De tweeschepige boerderij van het type Oss-Ussen 5A met dubbele wandpalen ter hoogte van vindplaats 9 sluit qua bouwtraditie aan op die van de Brabantse zandgronden. Het is voor het eerst dat een dergelijke plattegrond in Zeeland is opgegraven. Zeer onverwacht kwamen op vindplaats 4 een dijkje en een terpje uit de Midden-Romeinse tijd tevoorschijn, daar waar alleen middeleeuwse sporen werden verwacht. Deze sporen worden gerelateerd aan seizoensgebonden activiteiten die plaatsvinden in een gebied dat tegen het water wordt beschermd door een dijkje die wordt gezien als een zomerkade. De aanwezigheid van een dijkje en een terpje zijn de eerste tekenen dat veranderingen in het landschap plaatsvinden en de invloed van de zee toeneemt. Bewoners die mogelijk in het duingebied bij Domburg hun permanente nederzetting hadden, vertoefden in de eerste helft van de 3e eeuw in de zomer en vroege herfst op en in de nabijheid van het terpje. De belangrijkste bezigheid lijkt het verwerken van mosselen voor consumptie elders te zijn geweest. Daarnaast werd vee geweid achter de dijk.
Na het midden van de 3e eeuw n. Chr. wordt niet alleen het onderzoeksgebied verlaten, maar tevens grote delen van het kustgebied. Grote overstromingen teisteren het gebied en het kwelder/veengebied wordt doorsneden door grote kreken. Van oudsher werden voor het vertrek van de bewoners deze verslechterde natuurlijke omstandigheden genoemd. Tegenwoordig neemt men aan dat het wegtrekken van de bevolking eerder samenhangt met het afnemen van de stabiliteit binnen het Romeinse Rijk door economische neergang en problemen rondom de keizerstroon waardoor het Romeinse staatsgezag wegviel. Tegelijkertijd worden problemen ondervonden aan de rijksgrenzen door binnenvallende Germaanse groepen. Het kust- en kweldergebied van Walcheren lijkt na de overstromingen lange tijd onbewoond. De vroegste middeleeuwse vondsten dateren uit de vroege 6e eeuw en zijn afkomstig van het strand bij Domburg. Lange tijd werd gedacht dat de bewoning zich in de Vroege Middeleeuwen concentreerde in het duingebied en dat de kreekruggen pas vanaf de late 9e eeuw opnieuw werden gekoloniseerd. Na het huidige onderzoek dient dit beeld echter te worden aangepast. De herkolonisatie van het kweldergebied vindt op z’n laatst plaats aan het eind van de 7e of het begin van de 8e eeuw. Dit wordt bewezen door de aanwezigheid van een gebouwplattegrond op het hoogste deel van een smalle kreekrug op vindplaats 7. Het is een eenschepige boerderij die past in de bouwtraditie van het Vlaamse en het Nederlandse kustgebied en het Midden-Nederlandse rivierengebied.
Vanaf de laat-Merovingische tijd vindt continu bewoning plaats op de kreekruggen. Niet uit alle perioden zijn boerderijplattegronden echter bewaard gebleven. Dit heeft waarschijnlijk te maken met egalisatie van de kreekruggen. Uit de 10e/11e eeuw dateert een drieschepige boerderij met rechte wanden (vindplaats 7), die niet alleen met plattegronden uit Oost-Souburg is te vergelijken, maar uit grote delen van Zuid-Nederland. In de latere 11e of 12e eeuw bevindt zich op vindplaats 13 een bootvormige boerderijplattegrond, de eerste die op Zeeuws grondgebied is opgegraven. Tot slot is op vindplaats 4 een omgreppelde huisplaats uit de tweede helft van de 12e eeuw onderzocht. Het is niet uitgesloten dat deze toebehoorde aan lokale (lagere) adel.
Rond 1200 zien we op alle vindplaatsen de feitelijke bewoning verdwijnen en wordt het land opnieuw ingedeeld waarbij systematisch sloten worden gegraven. De nieuwe landindeling die gepaard gaat met schaalvergroting in de landbouw, hangt samen met de bevolkingstoename in die tijd. Tegelijkertijd vindt vorming van nieuwe parochies en ambachten plaats. De bewoners en gebruikers van de gebieden ter hoogte van de vindplaatsen 4, 7, 12-noord en 4 vallen alle onder de parochie Serooskerke
rapport 2709
ADC ArcheoProjecten heeft een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor de A2-traverse in Maastricht. In het plangebied zal een verkeerstunnel worden aangelegd. Door middel van het inventariserend veldonderzoek is de landschapsopbouw van het plangebied verkend.
Het traject van de geplande A2-traverse loopt grotendeels op en langs de oevers en de geul van een oude maasloop, de Heugemse Maas. Aan de hand van reeds voorhanden boorgegevens en oude kaarten is in het aanvullende bureauonderzoek in 2010 de (rest)geul in kaart gebracht, alsmede de oevers en de Pleistocene terrasrand. Hierbij bleek dat op de oostelijke oever van de Heugemse Maas nog archeologische vindplaatsen uit het Neolithicum of jonger aanwezig kunnen zijn.
Teneinde de precieze ligging van de riviergeul en de oostelijke oeverzone te bepalen is in het plangebied een geoarcheologisch booronderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn 69 boringen tot gemiddeld 5 m –mv gezet. Bij het geoarcheologisch booronderzoek is een grote restgeul aangetroffen uit het Vroeg-Holoceen. De restgeul is deel opgevuld met enige restgeulafzettingen. In een latere fase van het Holoceen heeft deze restgeul gefungeerd als komgebied van de Maas en is het hele plangebied afgedekt met komafzettingen. Tijdens een proefsleuvenonderzoek ten noorden van het plangebied zijn in de top van dit pakket archeologische resten uit het Mesolithicum gevonden en het pakket van komafzettingen dateert daarom waarschijnlijk uit het Mesolithicum en daarvoor. Dit pakket heeft de oppervlakte van het plangebied gevormd, waarschijnlijk tot in de 19e eeuw. In de top van het pakket van de komafzettingen zijn namelijk tijdens het booronderzoek fragmenten steenkool, sintels, en fragmenten recent baksteen gevonden. In de 19e of 20e eeuw is tijdens meerdere grootschalige overstromingen (wellicht in 1880 of 1926), via de Heugemse Overlaat, een ca 2 m. dik kalkrijk leempakket afgezet. Door de erosieve werking van deze overstoming(en) is in een deel van het plangebied het originele oppervlak (de uiterst siltige klei) verstoord geraakt. Dit is het geval met 34 boringen. In 15 boringen is wel nog (een deel van) het originele oppervlak aangetroffen. In het zuiden van het plangebied, ten zuiden van boorraai H, is het overstromingspakket niet aangetroffen.
Er zijn twee zones onderscheiden waar archeologische resten worden verwacht: In de blauwe gestippelde zone kunnen nog archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum aanwezig zijn in de top van het grindpakket. Dit niveau bevindt zich op ca. 44-45 m +NAP. In de rode zone is naar verwachting de top van de komafzettingen intact gebleven. Hier worden archeologische resten uit het Mesolithicum tot en met de Nieuwe tijd verwacht. In het zuiden van boorraai I en het oosten van boorraai H bevindt dit potentiële archeologische niveau zich direct onder de bouwvoor en in de overige boorraaien op ca. 46,3 m +NAP
- …
