87,769 research outputs found

    Aspects of the social geography of the province of Sistan/Baluchestan, Iran

    No full text
    The Kordi (Kurd) tribe now living in Iranian Baluchestan would appear to be an offshoot of the far more numerous Kurdish peoples of the north-western Zagros Mountains of Iran-Iraq. The Kordi were settled in their present location possibly in the l6th Century AD, but much more likely in the l8th Century, originally to act as tax-gatherers on behalf of the Shah-in-Shah. For many years they lived as pastoralists (often nomadic), tax gatherers, guardians of the frontier, and by raiding and plunder. Their habitat, round the Kuh-e-Taftan massif (one of the more fertile areas in the extremely arid and topographically difficult region of Baluchestan) allows some agriculture; and since the 1940's especially, the Kordi people have turned increasingly to a settled way of life based on mixed farming - mostly cultivation, with some animal herding. The thesis examines the origins of the Kordi, their geographical environment, social organisation and demography; and considers present and future evolution of this people in a changed and changing Iranian State

    JASON MOODY Violin MASTER'S RECITAL Thursday, March 2, 2006 8:00 p.m. Lillian H. Duncan Recital Hall

    No full text
    Program: Sonata No. 2 in A Minor, B WV 1003 / Johann Sebastian Bach (1685-1750) -- Sarabande / Karim Al-Zand (b. 1970) -- Sonata No. I in F Minor, Op. 80 / Sergei Prokofiev (1891-1953) -- Zapateado, Op. 23 No. 2 / Pablo de Sarasate (1844-1908).This recital is given in partial fulfillment of the requirements for Master of Music degree

    Jan Bieleman, Boeren op het Drentse Zand 1600-1910, een nieuwe visie op de «oude» landbouw ; Afdeling Agrarische Geschiedenis n° 29, 1987

    No full text
    Lentacker F. Jan Bieleman, Boeren op het Drentse Zand 1600-1910, een nieuwe visie op de «oude» landbouw ; Afdeling Agrarische Geschiedenis n° 29, 1987. In: Revue du Nord, tome 70, n°278, Juillet-septembre 1988. pp. 645-646

    Jan Bieleman, Boeren op het Drentse Zand 1600-1910, een nieuwe visie op de «oude» landbouw ; Afdeling Agrarische Geschiedenis n° 29, 1987

    No full text
    Lentacker F. Jan Bieleman, Boeren op het Drentse Zand 1600-1910, een nieuwe visie op de «oude» landbouw ; Afdeling Agrarische Geschiedenis n° 29, 1987. In: Revue du Nord, tome 70, n°278, Juillet-septembre 1988. pp. 645-646

    t Zand / kruittorenstraat / vestingwal

    No full text
    In opdracht van de gemeente Aalten heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in september-oktober 2008 archeologisch, historisch-geografisch en geofysisch onderzoek op de onderzoeksgebieden ’t Zand en Vestingwal en een historisch-geografisch onderzoek naar de vestingwallen en de Kruittorenstraat verricht. Aanleiding voor het onderzoek was de voorgenomen herinrichting van 't Zand en de Kruittorenstraat en de reconstructie van de vestingwal aan de Kruittorenstraat op het bastion Treurniet. Het onderzoek diende inzicht te verschaffen in de ligging en aard van de restanten van de burcht van Bredevoort (onderzoeksgebied ’t Zand) en de oorspronkelijke opbouw van het bastion (onderzoeksgebied Vestingwal). Daarnaast diende het onderzoek in een breder kader tevens inzicht te verschaffen in de historische ontwikkeling van de Kruittorenstraat en de vesting Bredevoort (met name van het bastion Treurniet). Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold bij de aanvang van het veldonderzoek voor zowel Vestingwal als 't Zand een hoge verwachting voor het aantreffen van waardevolle archeologische overblijfselen van respectievelijk de vestingwerken op de gedempte laat-middeleeuwse stadsgracht en van het kasteel en zijn grachten. Bij het grondradaronderzoek op 't Zand werden geen duidelijke aanwijzingen voor muurwerk aangetroffen. Wel werden onder de parkeerplaats en het schoolplein structuren in de ondergrond gemeten die lijken te wijzen op de aanwezigheid van een dubbele gracht met een wal daartussen. Het booronderzoek dat aanvullend op het grondradaronderzoek werd verricht geeft aan dat er ter plaatse van de grachten en de tussenliggende wal een ondiepe (zeer compacte?) puinlaag in de bodem aanwezig moet zijn. Vanwege de ondoordringbaarheid van het pakket was het niet mogelijk de dikte ervan en de aard van onderliggende lagen vast te stellen. Ten noorden en oosten van de school, waar zich respectievelijk het binnenplein en de zuidoostelijke vleugel van het kasteel moeten bevinden, werd een natuurlijke helling in het terrein aangetroffen. Op het binnenplein lag de intacte top van het dekzand op ongeveer 1 m -Mv, terwijl oostwaarts het terrein afliep naar een natuurlijke beekbedding, die mogelijk tussen de 12e en 16e eeuw tot gracht vergraven is. Verder is met het booronderzoek duidelijk geworden dat het laagste deel van het terrein opgehoogd moet zijn met een zandpakket, waarin zich in meer of mindere mate puinconcentraties bevinden. Na deze fase van egalisatie/ophoging is het kasteelcomplex gebouwd zoals bekend op afbeeldingen uit de 16e eeuw. Vanwege de aard van het onderzoek werd geen muurwerk aangeboord, doch de aanwezigheid hiervan kan vooral ten oosten en noorden van het schoolgebouw en op het schoolplein niet uitgesloten worden. Tijdens het veldonderzoek zijn in het onderzoeksgebied Vestingwal door middel van booronderzoek geen aanwijzingen voor een intacte en gestructureerde (zoals zand, plaggen/zoden, rijshout, vlechtwerk e.d.) opbouw van het bastion Treurniet aangetroffen. Wel zijn de middeleeuwse stadsgracht en een rudiment van de onderwal van het bastion Treurniet aangetoond. Van de middeleeuwse stadsgracht is de grachtbodem vastgesteld, evenals een opvullingspakket ten behoeve van de aanleg van het bastion. Uit het archeologisch onderzoek zijn geen duidelijke gegevens gekomen over de omvang, aard en opbouw van het bastion (het bastion is grotendeels aangetast). Daarom wordt geadviseerd om bij de voorgenomen reconstructie gebruik te maken van historische gegevens. Indien gekozen wordt voor een volledige en ruimtelijk/ visueel ingrijpende reconstructie, wordt geadviseerd de vestingwal volgens de geconstateerde historische profilering en materialisering vorm te geven. Indien dat door ruimtelijke beperkingen niet mogelijk blijkt te zijn, kan tevens worden gedacht aan een beperkte reconstructie, bijvoorbeeld in de vorm van het herprofileren van de huidige wal tot de onderwal en/of het herprofileren van de oevers, of een alternatief ontwerp door een landschapsarchitect te laten maken dat recht doet aan zowel het historische als het huidige ruimtelijke beeld. Geadviseerd wordt te streven naar behoud in situ van de middeleeuwse stadsgracht in de ondergrond van het bastion Treurniet voor nu en in de toekomst. Gezien de voorgenomen ingrepen (ophoging, reconstructie en herprofilering van het huidige wallichaam) in het plangebied zal deze middeleeuwse stadsgracht echter nu niet verstoord worden. Daarom wordt er geen vervolgonderzoek geadviseerd. Bij eventuele toekomstige maatregelen dient echter wel rekening gehouden te worden met deze stadsgracht. Dan is wel vervolgonderzoek noodzakelijk. Indien bij de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 53 van de Monumentenwet 1988 aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht

    Variations on the Author

    No full text
    “Variations on the Author” discusses two of Eduardo Coutinho’s recent films (Um Dia na Vida, from 2010, and Últimas Conversas, posthumously released in 2015) and their contribution to the general question of documentary authorship. The director’s filmography is characterized by a consistent yet self-effacing form of authorial self-inscription: Coutinho often features as an interviewer that rather than express opinions propels discourses; an interviewer that is good at listening. This mode of self-inscription characterizes him as an author who is not expressive but who is nonetheless markedly present on the screen. In Um Dia na Vida, however, Coutinho is completely absent form the image, while Últimas Conversas, on the contrary, includes a confessional prologue that moves the director from the margins to the center of his films. This article examines the ways in which these works stand out in the filmography of a director who offers new insights into the notion of cinematic authorship

    Information Technology and Firm Performance: The Role of Innovation

    No full text
    There is an essential quest in the literature to open up the “black box” of Information Technology (IT) by identifying and explaining how and why IT creates value for the firm. The present dissertation is an attempt to clarify the role of innovation in the process of value creation from IT investments. It belongs to the mainstream of “IT business value” research. After an introduction of the topic in the first chapter, the second chapter identifies the six primary roles of IT as a general purpose technology. These roles, in the order of strategic value for the firm, are: (1) Transformation, (2) Integration, (3) Coordination, (4) Automation, (5) Communication, and (6) Information. The proposed descriptive IT typology in this chapter is evaluated through two rounds of in-depth problem-centered, qualitative interviews with a panel of 54 senior IT managers and consultants. The third chapter studies one of the many ways through which IT improves the performance of product innovating firms. IT is found to be a significant determinant of the diversity of a firm’s R&D alliances. In return, partner diversity significantly contributes to innovation performance, yet through a sigmoid pattern. The chapter relies on a representative sample of 12,811 innovating firms in the Netherlands over the period 1994-2006 and concludes that stakeholder diversity of R&D partners is more important to radical innovations of the firm while the geographic diversity is mainly important to incremental innovations. The fourth chapter focuses on the performance effects of a specific class of IT assets, i.e. enterprise systems. Four aspects of firm performance are analyzed: (1) productivity, (2) turnover, (3) market share, and (4) profitability. Using a sample of 33,442 enterprises in 29 European countries in the period 2003-2007, the analysis of this chapter sheds light on the significant mediating role of product and process innovation in creating value from enterprise systems. The results also imply that less complex and more domain-specific systems are easier to understand, learn, adjust and use by employees and hence more likely to result in successful implementations. Chapter five studies complementarity effects and clustering patterns between IT and three dimensions of organizational innovation: (1) process changes, (2) structure changes, and (3) boundary changes. The findings, on the basis of a panel of 32,619 firms in the Netherland during 1994-2006, imply significant complementarities such that organizational change initiatives of the firm do not lead to productivity improvement or even result in productivity decline if they are not combined with appropriate levels of IT capital stocks. These clustering patters are found to be stronger in services than in manufacturing firms. The proposed method in this chapter is an attempt to mitigate endogeneity concerns that are dominant in IT business value research and allows us to conclude that a significant part of the productivity enhancements normally attributed to IT are rather contributions from the firm’s change initiatives that are initiated or provoked by IT. The dissertation concludes with managerial implications of the research and recommends several areas with promising potential for future research.Technology, Strategy & Entrepreneurship (TSE)Technology, Policy and Managemen

    t Zand / kruittorenstraat / vestingwal

    No full text
    In opdracht van de gemeente Aalten heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in september-oktober 2008 archeologisch, historisch-geografisch en geofysisch onderzoek op de onderzoeksgebieden ’t Zand en Vestingwal en een historisch-geografisch onderzoek naar de vestingwallen en de Kruittorenstraat verricht. Aanleiding voor het onderzoek was de voorgenomen herinrichting van 't Zand en de Kruittorenstraat en de reconstructie van de vestingwal aan de Kruittorenstraat op het bastion Treurniet. Het onderzoek diende inzicht te verschaffen in de ligging en aard van de restanten van de burcht van Bredevoort (onderzoeksgebied ’t Zand) en de oorspronkelijke opbouw van het bastion (onderzoeksgebied Vestingwal). Daarnaast diende het onderzoek in een breder kader tevens inzicht te verschaffen in de historische ontwikkeling van de Kruittorenstraat en de vesting Bredevoort (met name van het bastion Treurniet). Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold bij de aanvang van het veldonderzoek voor zowel Vestingwal als 't Zand een hoge verwachting voor het aantreffen van waardevolle archeologische overblijfselen van respectievelijk de vestingwerken op de gedempte laat-middeleeuwse stadsgracht en van het kasteel en zijn grachten. Bij het grondradaronderzoek op 't Zand werden geen duidelijke aanwijzingen voor muurwerk aangetroffen. Wel werden onder de parkeerplaats en het schoolplein structuren in de ondergrond gemeten die lijken te wijzen op de aanwezigheid van een dubbele gracht met een wal daartussen. Het booronderzoek dat aanvullend op het grondradaronderzoek werd verricht geeft aan dat er ter plaatse van de grachten en de tussenliggende wal een ondiepe (zeer compacte?) puinlaag in de bodem aanwezig moet zijn. Vanwege de ondoordringbaarheid van het pakket was het niet mogelijk de dikte ervan en de aard van onderliggende lagen vast te stellen. Ten noorden en oosten van de school, waar zich respectievelijk het binnenplein en de zuidoostelijke vleugel van het kasteel moeten bevinden, werd een natuurlijke helling in het terrein aangetroffen. Op het binnenplein lag de intacte top van het dekzand op ongeveer 1 m -Mv, terwijl oostwaarts het terrein afliep naar een natuurlijke beekbedding, die mogelijk tussen de 12e en 16e eeuw tot gracht vergraven is. Verder is met het booronderzoek duidelijk geworden dat het laagste deel van het terrein opgehoogd moet zijn met een zandpakket, waarin zich in meer of mindere mate puinconcentraties bevinden. Na deze fase van egalisatie/ophoging is het kasteelcomplex gebouwd zoals bekend op afbeeldingen uit de 16e eeuw. Vanwege de aard van het onderzoek werd geen muurwerk aangeboord, doch de aanwezigheid hiervan kan vooral ten oosten en noorden van het schoolgebouw en op het schoolplein niet uitgesloten worden. Tijdens het veldonderzoek zijn in het onderzoeksgebied Vestingwal door middel van booronderzoek geen aanwijzingen voor een intacte en gestructureerde (zoals zand, plaggen/zoden, rijshout, vlechtwerk e.d.) opbouw van het bastion Treurniet aangetroffen. Wel zijn de middeleeuwse stadsgracht en een rudiment van de onderwal van het bastion Treurniet aangetoond. Van de middeleeuwse stadsgracht is de grachtbodem vastgesteld, evenals een opvullingspakket ten behoeve van de aanleg van het bastion. Uit het archeologisch onderzoek zijn geen duidelijke gegevens gekomen over de omvang, aard en opbouw van het bastion (het bastion is grotendeels aangetast). Daarom wordt geadviseerd om bij de voorgenomen reconstructie gebruik te maken van historische gegevens. Indien gekozen wordt voor een volledige en ruimtelijk/ visueel ingrijpende reconstructie, wordt geadviseerd de vestingwal volgens de geconstateerde historische profilering en materialisering vorm te geven. Indien dat door ruimtelijke beperkingen niet mogelijk blijkt te zijn, kan tevens worden gedacht aan een beperkte reconstructie, bijvoorbeeld in de vorm van het herprofileren van de huidige wal tot de onderwal en/of het herprofileren van de oevers, of een alternatief ontwerp door een landschapsarchitect te laten maken dat recht doet aan zowel het historische als het huidige ruimtelijke beeld. Geadviseerd wordt te streven naar behoud in situ van de middeleeuwse stadsgracht in de ondergrond van het bastion Treurniet voor nu en in de toekomst. Gezien de voorgenomen ingrepen (ophoging, reconstructie en herprofilering van het huidige wallichaam) in het plangebied zal deze middeleeuwse stadsgracht echter nu niet verstoord worden. Daarom wordt er geen vervolgonderzoek geadviseerd. Bij eventuele toekomstige maatregelen dient echter wel rekening gehouden te worden met deze stadsgracht. Dan is wel vervolgonderzoek noodzakelijk. Indien bij de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 53 van de Monumentenwet 1988 aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht

    Beoordeling vermeende onjuistheden bij de aanwijzing van uitspoelingsgevoelige zand- en lössgronden : eindrapportage en advies

    No full text
    Sinds 1 januari 2001 worden in het kader van het stelsel van regulerende mineralenheffing (MINAS) verschillende stikstofverliesnormen voor veen- en kleigronden enerzijds en zand- en lössgronden anderzijds onderscheiden. Per 1 januari 2002 gelden er voor zand- en lössgronden met een gemiddelde hoogste grondwaterstand van ten minste 40 centimeter onder het maaiveld en een gemiddeld laagste grondwaterstand van meer dan 120 centimeter onder het maaiveld scherpere verliesnormen dan voor de overige zand- en lössgronden. De aanwijzing van die uitspoelingsgevoelige gronden vindt vanaf 1 januari 2002 plaats in het Besluit zanden lössgronden (BZL). De publicatie van de kaarten behorende bij dit BZL besluit heeft veel reacties teweeggebracht van grondgebruikers

    [Newspaper Clipping: Author Claims Evidence of Second JFK Assassin #1]

    No full text
    Newspaper article titled "Author Claims Evidence of Second JFK Assassin." The article states that author Richard J. Whalen concluded "that there is circumstantial evidence to support the theory of a second assassin in the shooting of President John F. Kennedy.
    corecore