1,255 research outputs found

    Verslag van de vierde Benelux-havenstudiedagen

    No full text
    Verslag met een welkomstwoord van D.J. Wansink en R. Burgert, een inleiding door prof. Kuiler, en presentaties over de samenwerking tussen havens en de scheepsbouw, de sleutels van het deltagebied, de problematiek van de mechanisatie van de overslag van goederen, de ontwikkelingen in de scheepsbouw en de economische consequenties van de ontwikkeling in de scheepsbouw voor de havens

    Vervoersprestatieverbetering van spoorwegen tijdens calamiteiten

    No full text
    Dit onderzoek richt zich op de afhandeling van het treinverkeer tijdens calamiteiten. Tijdens een calamiteit zal de vervoersprestatie dalen. Tijdens versperringen wordt momenteel gewerkt met versperringsmaatregelen. De versperringsmaatregelen worden momenteel op basis van ervaring gemaakt, in overleg met de betrokken vervoerders. In een versperringsmaatregel is een tijdelijke dienstregeling opgenomen. De planning van de tijdelijke dienstregeling bepaalt de vervoersprestatie tijdens de calamiteit. Dit onderzoek richt zich op het verbeteren van de planning en de uitvoering van de versperringsmaatregelen met als doel het minimaliseren van het verlies van vervoersprestatie. Om het verlies van vervoersprestatie te kunnen meten, moet worden bepaald hoe dit het beste is uit te drukken. De huidige criteria "punctualiteit" en "aantal opgeheven treinen" zijn geen goede indicatoren om de vervoersprestatie te kwantificeren. Een betere methode is om te kijken naar het effect voor de uiteindelijke gebruikers van het spoorsysteem. Het uiteindelijke effect voor de reizigers is vertraging. De totale vertraging van de reiziger is niet exact te berekenen, omdat de gegevens niet toereikend zijn op dit moment. Om de totale vertraging van de reizigers te bepalen moet er een benadering worden toegepast. De benadering van de totale reizigersvertraging gebeurt op basis van lijnmatrices en overstapmatrices uit het reizigerstoedelingsmodel TRANS. In een lijnmatrix is uitgewerkt hoeveel mensen reizen van alle stations naar alle stations langs de route van één treinserie. In de overstapmatrix is opgenomen hoeveel reizigers overstappen van de ene naar de andere trein op een overstapstation. Allereerst wordt in de benadering voor de vertraging het directe effect voor de mensen in de gehinderde treinseries berekend. Daarna wordt er een correctie toegepast voor de overstappen van gehinderde treinseries naar andere treinen. Deze benadering is voldoende nauwkeurig. De planning en uitvoering van een versperringsmaatregel hangen niet alleen af van het minimaliseren van het verlies aan vervoersprestatie. De planning moet uitvoerbaar zijn, te implementeren in de huidige of toekomstige treindienstleidingssystemen en de versperringsmaatregel moet duidelijk zijn voor het personeel en de reizigers. Om een uitvoerbare planning te ontwerpen, wordt er gebruik gemaakt van de bloktrapdiagram theorie van Pachl [2002]. Met een bloktrapdiagram kan worden bepaald wanneer een blok gereserveerd moet zijn voor één specifieke trein. Met de bloktrapdiagrammen van de verschillende treinen kan een realiseerbare planning opgebouwd worden. In deze planning worden de kritieke punten en de speling duidelijk zichtbaar. De planning van de versperring kan op een aantal manieren gestuurd worden. Grofweg zijn er twee strategieën. Enerzijds zoveel mogelijk in stand houden van de huidige dienstregeling, anderzijds de dienstregeling loslaten en zoveel mogelijk treinen door een bottleneck leiden. Naast de planning kunnen ook de infrastructuur en uitvoering van de versperringsmaatregel worden verbeterd. Om de ontwikkelde strategieën te toetsen en de effecten van een versperringsmaatregel te kwantificeren is er een case uitgewerkt. De case is een enkelsporige versperring op het baanvak Hoofddorp - Leiden. Bij de evaluatie van de huidige maatregel bleek dat er de versperringsmaatregel niet altijd precies uitgevoerd wordt. Afwijkingen van de versperringsmaatregel hebben als gevolg dat het plan minder goed uitvoerbaar wordt. In de case zijn de huidige versperringsmaatregel en 7 ontwikkelde alternatieven getoetst. De in dit onderzoek ontwikkelde alternatieven naast het nulalternatief waren: \u95 NulplUS De mogelijkheden van de huidige maatregel zijn in dit nulplusalternatief maximaal benut, door meer treinen te laten rijden. \u95 Breken Bij breiden worden zoveel mogelijk treinen door de bottleneck gereden. De treinen worden na de bottleneck opgehouden op een halte tot het volgende pad voor de betreffende treinserie. Het voordeel van dit plan is dat veel treinen de bottleneck kunnen passeren en de vertraging blijft beperkt binnen de bottleneck. \u95 Wissel Het wisselalternatief bestaat in deze case uit het toevoegen van een extra overloopwissel. Het enkelspoortraject wordt hierdoor korter en er kunnen dus per saldo meer treinen de bottleneck passeren. \u95 Pendel Een pendel is op een zo hoog mogelijk frequentie heen en weer rijden door de bottleneck. Voordeel is het gelijkmatig vervoeren van reizigers door de bottleneck. Van dit alternatief zijn drie verschillende varianten gemaakt, omdat er hier verschillende mogelijkheden waren. \u95 Colonne Bij het colonnealternatief worden zoveel mogelijk treinen in één richting door de bottleneck gestuurd waarna de rijrichting omgedraaid wordt en in de andere richting zoveel mogelijk treinen gaan rijden. Theoretisch kan zo het grootste aantal treinen door de bottleneck rijden. In de case moest wel rekening worden gehouden met het plaatsen van extra seinen om dit alternatief uitvoerbaar te maken. De pendelalternatieven bleken op dit baanvak geen verbetering op te leveren voor de totale reizigervertraging. De pendelalternatieven zijn daarom niet gekozen. De wissel- en colonne alternatieven hebben te veel kosten. De kosten wogen niet op tegen de baten, daarom moest er een keuze gemaakt worden tussen het nulplus- en brekenalternatief. Uiteindelijk is het nulplusalternatief gekozen omdat de implementeerbaarheid van het brekenalternatief erg nadelig is. De belangrijkste conclusies die uiteindelijk naar voren kwamen zijn: \u95 De versperringsmaatregelen zijn sterk afhankelijk van het "BasisUur Patroon" (BUP). Het BUP is altijd een randvoorwaarde. Hoe beter op deze randvoorwaarde aangesloten wordt, hoe beter de oplossing voor de reizigers is. \u95 Door analyse zijn versperringsmaatregelen significant te verbeteren. In de case was een vermindering van de reizigersvertraging met meer dan 7% mogelijk en zelfs 24% met aanpassingen aan de infrastructuur. Analyses zijn nodig omdat er geen algemene strategie op elk baanvak toegepast kan worden. \u95 De effecten van versperringsmaatregelen zijn uit te drukken in maatgevende getallen. De reizigersvertraging is hiervan de belangrijkste. De kwaliteit van deze getallen hangt echter sterk af van de kwaliteit van de invoergegevens. \u95 De eerste fase van een versperring is cruciaal, want als een versperringsmaatregel van kracht is, wordt de capaciteit maximaal benut en zal een verstoring uit de eerste fase lang doorwerken. De belangrijkste aanbevelingen uit dit onderzoek zijn: \u95 Analyseer de belangrijkste versperringsmaatregelen. Veelbelovend is het toepassen van het colonneprincipe op een baanvak met dubbel enkelspoor beveiliging. \u95 Communiceer kritieke punten met het treinpersoneel en treindienstleiding. Zo kunnen de mogelijkheden maximaal benut worden en neemt het aantal ongewenste afwijkingen af. \u95 Verbeter de nauwkeurigheid van de invoergegevens. Een belangrijke winst kan geboekt worden door het ontwikkelen van een dynamisch reizigerstoedelingsmodel. \u95 Onderzoek de automatisering van de processen voor een real-time methode. Alle gegevens moeten beschikbaar zijn en de berekening moet automatisch uit te voeren zijn, om in elke situatie een passende oplossing te kunnen berekenen en implementeren.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience

    The stabilization and destabilization of Brouwer's Rotating Vessel

    No full text
    We beschouwen Brouwers roterende lichaam, een voorbeeld van een mechanisch systeem met het volgende paradoxale gedrag; zonder demping is er stabiliteit, met demping is er sprake van instabiliteit. Met modulatie van de hoeksnelheid wordt er een model afgeleid waarbij we pogen de instabiele gevallen te stabiliseren, hierbij is het meenemen van de hoekversnelling cruciaal. De differentiaalvergelijkingen die gevonden worden bevatten niet constante termen die langzaam in de tijd variëren met parameter ?. We gebruiken de methode van middelen om een benadering te krijgen van de oplossing die op lange tijd geldig is. Met O(?) demping treedt er instabiliteit op ten gevolgen van demping voor alle resonanties. Met O(?²) demping kan er zowel stabiliteit en instabiliteit optreden afhankelijk van de amplitude van de modulatie voor één specifiek combinatie resonantie. Voor alle andere resonanties treedt er alleen instabiliteit ten gevolgen van O(?²) demping op. Brouwers roterende lichaam is dus zowel te stabiliseren als te destabiliseren.Bachelor Applied MathematicsMathematical PhysicsElectrical Engineering, Mathematics and Computer Scienc

    Het gebruik van een adaptief antenne array voor GPS-interferentie bestrijding

    No full text
    De satellieten van het Global Positioning System bevinden zich op 20.000 km boven het aardoppervlak. Het navigatie signaal van deze satellieten is heel zwak bij de ontvanger van de gebruikers. Daardoor is dit signaal makkelijk te verstoren door een interferentiebron. In mijn afstudeeropdracht wordt onderzoek gedaan om deze interferentie te onderdrukken met behulp van een adaptief antenne-array. Met behulp van dit adaptieve antenne array proberen wij om het radiatie patroon van het totale antenne array te optimaliseren. Hierbij wordt een minimale vermogensversterking in de richting van de binnenkomende interferentie nagestreefd. Het ’aangepaste' Least Mean Squares algorithme wordt hier gekozen om de optimale weights van de antenne elementen te berekenen. Het Power Inversion algoritme wordt gebruikt als referentie. Deze algoritma gebruiken geen informatie van het 'gewenste' signaal. Zij kunnen de Signaal to Interferentie plus Noise Ratio verhogen.Electrical Engineering, Mathematics and Computer ScienceTelecommunicatie- en Verkeersbegeleidingssysteme

    Veldproeven op steenzettingen in Zeeland: Eindrapport met resultaten en analyse van onderzoek naar de klemming van gezette stenen

    No full text
    Het onderzoek beschrijft de trekproeven en schuifproeven die in het veld zijn uitgevoerd ter verificatie van het liggermodel voor geklemde steenzettingen. De proeven worden in Zeeland uitgevoerd. Er is gemeten aan Hydroblocks en Basalton zettingen met resp. 35 en 25 cm zuilhoogte. In totaal zijn er 61 trekproeven en 11 schuifproeven uitgevoerd. De meetkar bestaat uit een rijdende staalconstructie, die afgestempeld kan worden op vijzels om tijdens de proeven de belasting af te dragen. Die staalconstructie is de basis van de kar, waaraan ook het aluminium meetframe kan worden gehangen met een overspanning van 4x4 meter, waarbinnen de zetting niet anders belast wordt van via de getrokken steen. Voor de metingen zijn 40 verplaatsingssensoren en 3 druksensoren (=krachtsensor) ingezet. Alle data wordt met computerapparatuur geregistreerd, waardoor het mogelijk is iedere seconde de 43 sensoren af te lezen. Bij de trekproeven is de sterkte van de stenen aan een flinke spreiding onderhevig. Er blijkt geen significant verschil aan te wijzen tussen de metingen hoog en laag op de zetting. De resultaten zijn ook met een plaatmodel geanalyseerd. Hiermee wordt de verplaatsing en de belastingen opgelegd aan de plaat, waarna er een stijfheid kan worden berekend. Uit de schuifproeven kan ook een elasticiteitsmodulus worden berekend. Deze blijkt ongeveer 2 á 4 keer groter dan uit de trekproeven werd berekend. Verder zijn de Basaltons ongeveer 2 keer stijver dan de Hydroblocks (600 vs 1300 MPa). Dat de uit de schuifproeven een hogere E-modulus wordt berekend dan uit de trekproeven kan door het wrijvingsaandeel worden verklaard. Met de proefnemingen aangetoond dat de stenen vaak ingeklemd liggen en er een normaalkracht en momentcapaciteit aanwezig is. Het is met de analyses uit deze rapportage mogelijk een waarde aan deze grootheden te geven. Er is geen relatie tussen de plaats op de zetting en de trekkracht aangetoond.Civil Engineering and Geoscience

    Managing Product Usability: How companies deal with usability in the development of electronic consumer products

    No full text
    Problem statement: Even though there is a large amount of methods for user-centred design, the usability of electronic consumer products (e.g., portable music players, washing machines and mobile phones) is under pressure. Usability is the extent to which a product can be used by specified users to achieve specified goals with effectiveness, efficiency and satisfaction in a specified context of use. That the usability of electronic consumer products is under pressure is attributed to an increase in the functionality they offer, a decrease in size, their usage in networks, and the large variety of contexts of use. Furthermore, the development of these products has become increasingly challenging due to their increasing complexity, pressure on time to market, globally distributed product development teams, and the commoditization of electronic consumer products. Research goal: It was suspected that the cause for the usability of electronic consumer products being under pressure may lie in practice. However, as current literature on usability in product development practice does not take an integrated approach, contains few case studies, and only a limited amount of studies investigate electronic consumer products specifically, the insight into how usability is dealt with in development of electronic consumer products is limited. Therefore the goal of this thesis was to obtain this insight as well as to identify variables in product development practice that contribute to or obstruct the usability of electronic consumer products, and to investigate how these variables are related. Conceptual framework: Before conducting empirical studies, the primary concepts for studying usability in product development practice were identified by reviewing existing research as well as through exploratory interviews with experts on usability from academia and industry. Based on this a conceptual framework was created that provides an overview of concepts that may influence user-centred product development and usability, as well as a description of the (expected) relations between them. This included an analysis of the dependent variables of this research: interaction, user experience and usability. Three case studies: In total three case studies were conducted. In each of the case studies an integrated approach was taken, focusing on the whole product development process (as opposed to just design) and including six roles that were considered to have the most influence on usability: the product manager, marketing specialist, industrial designer, interaction designer, usability specialist and development engineer. Case Study I: In this study the goal was to explore how usability is dealt with in four sectors adjacent to the electronic consumer products market: high-end automotive, professional printers and copiers, office coffee makers and fast moving consumer goods. This study had a pilot-like character and served as an opportunity to test and refine the research method. The study had a multiple case design with holistic cases. A maximum variation case sampling strategy was used, with product complexity and business versus consumer products as the dimensions along which the cases varied. Using a topics guide, interviews with 19 product development practitioners were conducted, focusing on three topics: 1) the product development process, 2) multidisciplinary teamwork, and 3) attitude towards usability. Based on the interviews, context descriptions of the companies were created and barriers and enablers for usability were identified. A barrier is a property, situation or condition in the product development process, team or context that negatively influences the usability of a product. An enabler is the positive equivalent of this. To verify the findings and to discuss remaining issues a workshop was held in which the primary contact from each company participated. The results of this case study indicated that different product characteristics lead to differences in the attitude towards usability in the companies making these products, as well as to different methods for user-centred design being possible and relevant. What methods for user-centred design were used was also influenced by the attitude towards usability, which in addition influenced team composition. Finally, a number of implications for the method to be used in the next case study were identified. Case Study II: In this study the goal was to learn how usability is dealt with in the development of electronic consumer products and to identify barriers and enablers for usability, and to study how these are related. The study had a multiple case design with holistic cases. The cases were selected based on a comparable case sampling strategy in which product type, efforts to improve usability, segmentation of roles, and whether product development was conducted in-house were the dimensions. The participating cases were five product development groups of major international companies, which created portable audio/video players, personal navigation devices, mobile phones, home controls and laundry care products. The primary data source was interviews with 31 product development practitioners fulfilling the roles that were identified earlier as relevant for usability. Based on the interviews, context descriptions of the cases were written and ‘jointly told tales’ were constructed, consisting of interview quotes, the researcher’s interpretations and the barriers/enablers. The 1700+ barriers and enablers thus identified were categorized using a categorization scheme that was based on the conceptual framework and that was developed further through open coding. The scheme formed the basis for the development of the Trace tool, which is an interactive software application that provides a categorized, interactive, browsable overview of the barriers and enablers. With the help of the Trace tool a cross-case analysis of mechanisms of barriers and enablers for usability was conducted. To verify the findings the primary contact of each company was asked to provide feedback on the context description and the description of mechanisms of barriers and enablers identified at his/her company. They were also given access to an online version of Trace so they could explore the barriers and enablers themselves. A final workshop was held in which the findings were presented, verified and in which emerging issues were discussed. The study provided insight into how usability is dealt with by product development groups in the electronic consumer products market. Secondly, mechanisms of barriers and enablers were identified, in the following categories: (1a) Process / creating usable products, (1b) Process / evaluating usability (2) Knowledge, (3) Team, (4) Project, (5) Company and (6) Market. Case Study III: In the aforementioned study barriers and enablers were identified based upon interviews and at times it was only said that they influenced usability and it remained unclear how. Therefore the goal of the third and final case study was to trace the origins in product development of usability issues. This was done by investigating the development history of three electronic consumer products developed by one product development group, which makes this a single embedded case with three embedded units of analysis. For each of the products usability issues were identified based on usability tests and after sales feedback. Through a combination of the focused and semi-structured interview approach it was discussed with the product development team members (19 in total) that were involved in creating the products, how 35 of these usability issues had come into being and had been solved. Based on the interviews a context description of the development group and the projects was created, as well as a description of how the product development group dealt with usability. Secondly, based on the interviews causal networks per usability issue were created that indicated origins of usability issues and what caused them to be solved (or not). Based on the 35 causal networks two causal models of usability in product development practice were induced. The first model - the usability issue lifecycle - aims to explain what variables in product development influence usability issues. The second model shows what variables play a role in the generation of shared knowledge about usability issues. To verify the findings they were presented and discussed during workshops at the product development group where the study was conducted as well as at other organizational units of the parent company of the product development group. Conclusions: The main conclusion of this thesis is that to be able to develop usable electronic consumer products, companies cannot suffice with adapting their process, but should make changes to their organization as well. Especially because the trends that cause the usability of electronic consumer products to be under pressure are expected to continue and even strengthen. Four primary drivers in product development for usability were identified: (1) User-centred design proficiency: the ability to execute a user-centred product development process; (2) Shared knowledge within the product development team (about users, design solutions and potential usability issues); (3) Design freedom: the extent to which a development team is able to make the most appropriate design, determined by design mutability and available resources; (4) Prioritization of usability: the extent to which usability is prioritized during product development and within the product development organization. For each of these drivers related mechanisms of barriers and enablers specific for the electronic consumer products sector are presented. Recommendations for industry: Based on the insights gained through the case studies as well as existing research, 25 recommendations for industry were developed that describe how the author would organize a product development group if the goal is to make usable products. The recommendations were ‘user tested’ and iterated by putting them on the weblog that the author kept while working on this research. The recommendations were published as a card set alongside this thesis.Industrial Design, Applied Ergonomics and DesignIndustrial Design Engineerin

    Betrouwbaarheid van trillingspredicties

    No full text
    In de eerste tranche van Delft Cluster (DC1) is een uitgebreid onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van trillingsvoorspellingen. Dit heeft inzicht opgeleverd over de betrouwbaarheid van modellen, de onzekerheid over invoerparameters, de rol van modelleerder en de stochastiek van de praktijk. In dit werkpakket is een poging gedaan deze kennis toe te passen op de huidige voorspellingsmethoden en de onzekerheden rond prognoses hanteerbaar te maken voor onderzoeker en opdrachtgever. Na bestudering van de resultaten van DC1 bleek dat de resultaten niet goed te vertalen zijn naar direct hanteerbare richtlijnen bij de huidige voorspellingsmethoden. In dit rapport staat een verslag van het onderzoek naar de toepasbaarheid van de kennis van DC1 en enkele alternatieve benaderingswijzen. In hoofdstuk 2 is een samenvatting gegeven van de resultaten van DC1. In hoofdstuk 3 wordt de hypothese beoordeeld of er een relatie bestaat tussen de betrouwbaarheid van een voorspelling en de ervaring van de modelleur. In hoofdstuk 4 staat de aanpak beschreven die bij het opstellen van het werkplan was voorzien en een voorstel voor een gewijzigde aanpak

    Morfodynamiek van de Nederlandse kust op verschillende tijd- en ruimteschalen; Een samenvatting in 3 rapporten van de kennis verkregen in het project Kustgenese

    No full text
    Deze bundel bevat 3 rapporten. 1. Holocene ontwikkeling van de Nederlandse kust Tengevolge van het afsmelten van de ijskappen gevormd gedurende de laatste ijstijd steeg de zeespiegel vanaf ongeveer 18000 jaar BP over een verticale afstand van circa 120 meter. Rond 9000 BP lag de kustlijn nog ten noorden van de Doggersbank, maar duizend jaar later was er al een verbinding naar Het Kanaal en was er sprake van iets als een Nederlandse kust, al lag die nog ver zeewaarts van de huidige. De zeespiegel steeg in die tijd met een snelheid van 1 tot 0,75 m per eeuw. De zee drong binnen via de depressies, riviervlakten en beekdalen van het in het Laat Glaciaal gevormde landschap, die door hun betrekkelijk geringe reliëf veranderden in uitgestrekte getijdebekkens. De waterscheidingen tussen de dalen vormden landhoofden met waarschijnlijk door kustdrift gevormde schoorwallen als eerste kustvormen. De riviervlakte van Rijn, Maas en Schelde, die ongeveer ter hoogte van de huidige Maasvlakte westwaarts liep, veranderde niet in een getijdebekken omdat de grote rivieren voldoende sediment aanvoerden om de zeespiegelrijzing te weerstaan. Aan de vorm en oriëntatie van de oudste strandwallen bij Rijswijk kunnen wij zien dat voor 3500 BP deze riviervlakte juist een landhoofd op de kust vormde. Op deze wijze ontwikkelde zich vanaf ruwweg 8000 BP een kustvlakte met drie getijdebekkens gescheiden door landhoofden. Dit zijn het getijdegebied van Zeeland tussen een landhoofd ter hoogte van Zeeuws Vlaanderen en de in zee uitstekende Rijn/Maasvlakte en het Hollandse getijdegebied ter plaatse van de samenvloeiing van de Overijsselse Vecht, Eem en andere rivieren. Het Hollandse getijdegebied wordt begrensd door de Rijn/Maasvlakte in het zuiden en een waterscheiding in het noorden, het landhoofd van het "Texel Hoog". Bij de lagere zeespiegel strekte dit laatste gebied zich uit van een punt zeewaarts van de Hondsbossche Zeewering tot bij Vlieland en omvatte het gehele westelijke Waddengebied. Het derde getijdegebied was dat van het oostelijke Waddengebied dat ontstond uit de dalvlakten van de Boorne en de Hunze. Voor 7000 BP steeg de zeespiegel met een snelheid van tenminste 0,80 m per eeuw; tussen 7000 en 6000 BP nam dit af tot een gemiddelde van 0,60 m per eeuwen tussen 6000 en 5000 BP tot een gemiddelde van ± 0,30 m per eeuw. De zeespiegelrijzing tussen 5000 en 3000 BP bedroeg nog slechts ± 0,15 m per eeuw. In een kustvlakte met uitgestrekte getijdebekkens schept een geringe zeespiegelrijzing al snel een grote bergingsruimte voor sediment. Voor 6000 BP was de snelheid waarop dat ging zodanig groot dat de sedimentaanvoer, ondanks het feit dat het in die tijd zijn maximale waarde bereikte, onvoldoende was om de zeespiegelrijzing te compenseren. Door de snelheid van zeespiegelrijzing schoven de getijdebekkens snel landwaarts en, mede tengevolge van de sedimentvraag van de getijdebekkens was de kust eveneens gedwongen mee te migreren. Vooral op het noord-zuid lopende deel van de kust schiep dit optimale condities voor sedimenttransport. Niet alleen bracht het getij vanaf de kust en uit de Noordzee zand en slib via de zeegaten de getijdebekkens binnen, maar tevens schiep het snelle terugschrijden van de kust sterke gradiênten in golfgedreven langstransport en werd het golfgedreven dwarstransport bevorderd. Het eerste omdat de kusten van de landhoofden achterbleven ten opzichte van de kust van de getijdebekkens, het tweede omdat de snel terugschrijdende kust een ondiepe Noordzee achterliet waarin nog een grote hoeveelheid zand van buitendelta's en oudere kustposities was achtergebleven. Ondanks de relatief grote toevoer van zand en slib in deze periode bleek dit onvoldoende om over het gehele getijdebekken intergetijde platen te handhaven. Landwaarts van de binnendelta's die zich achter de zeegaten ontwikkelden, werd te weinig sediment aangevoerd en overheerste lagunaire omstandigheden. Deze lagunes gingen in het achterste deel van de getijdebekkens geleidelijk over in een zoet getijdegebied met uitgestrekte rietvelden. Kwelders werden praktisch niet gevormd. Toen na 6000 BP de snelheid van zeespiegelrijzing drastisch afnam, zien wij dat geleidelijk de sedimentaanvoer de zeespiegelrijzing kon bijhouden met als gevolg dat tussen 5500 en 3500 BP de Hollandse en Zeeuwse getijdegebieden geheel opgevuld werden, waardoor de zeegaten dichtslibden en de kust zich stabiliseerde en, in het geval van de kust van het Hollandse getijdebekken, over een afstand van zo'n 10 km uitbouwde. Omdat de zeespiegel bleef stijgen, alhoewel nu veel langzamer dan voorheen, steeg ook de grondwaterspiegel in de voormalige getijdebekkens en veranderden deze in moerassen met veenaccumulatie. Mogelijk tengevolge van een andere oriëntatie ten opzichte van de overheersende windrichting bleven de zeegaten van het oostelijke waddengebied open en bleef dit kusttraject terugschrijden. Stabilisatie van de kust betekende dat de hierboven beschreven wijze waarmee de kust zich sedimentbronnen schiep tot een eind kwam. In feite kwam vanaf 5500 BP een inhaalactie op gang waarbij de dan nog duidelijk aanwezige landhoofden door langstransport rechtgetrokken werden en de ondiepe Noordzee door dwarstransport en doorgaande zeespiegelrijzing op zijn huidige diepte werd gebracht. Het eerste proces wordt duidelijk gedemonstreerd door de oriëntatie van de vroegere kustlijnen ten noorden van de vroeg-Holocene Rijn/Maasvlakte; het tweede proces door het geleidelijk versteilen van de onderwateroever van de kust tussen 5000 BP en heden. Rond 3000 BP was de mariene invloed in de kustvlakte op zijn kleinst. Met uitzondering van enkele zeegaten in het oostelijke Waddengebied en de mondingen van Rijn, Maas en Schelde was de kust gesloten en beschermde het een uitgestrekt veengebied. Echter, de extra zandbronnen die uitbouw van de Hollandse kust mogelijk hadden gemaakt, waren tegen deze tijd uitgeput. Omdat de zeespiegel bleef stijgen - na 3000 BP met een gemiddelde snelheid van 0,05 m per eeuw - kwam er opnieuw behoefte aan zand om dit te compenseren. Omdat de hoeveelheid zand dat van buiten het kustsysteem werd aangevoerd nu onvoldoende was geworden, vinden in de Middeleeuwen op grote schaal kustinbraken plaats. Zeeland en het westelijke Waddengebied veranderden in getijdegebieden, de oostelijke Waddenzee breidde zich uit en ook in Holland vonden overstromingen plaats vanuit doorbraken in de kop van Noord-Holland en vanuit de Zuiderzee. In dezelfde periode valt de vorming van de Jonge Duinen, die erosie van de onderwateroever van vooral de Hollandse kust betekende. Op dat ogenblik is echter ook de maatschappelijke organisatie van de Nederlandse gemeenschap zodanig dat er gezamenlijke en gerichte acties konden worden ondernomen om de kustlijn op zijn oude positie te handhaven. De Nederlandse kustvlakte is een sediment-importerend systeem. Gedurende het Holoceen werd 200 tot 250 miljard m3 sediment, bestaande uit zand (70%>, slib (25%> en veen (5%> op de ondergrond afgezet. Het overgrote deel van het zand werd geërodeerd uit de Pleistocene ondergrond van de huidige Noordzee; ongeveer 10% werd aangevoerd door de Holocene Rijn. De sedimentaanvoer gedurende het Holoceen nam geleidelijk af van gemiddeld ± 42 miljoen m3 per jaar tussen 8000 en 5000 BP, via ± 27 miljoen m3 per jaar tussen 5000 en 3000 BP naar gemiddeld ± 7 miljoen m3 per jaar na 3000 BP en lijkt daardoor, althans ten dele, gekoppeld aan de snelheid van zeespiegelrijzing. Zoals hierboven uiteengezet wordt verondersteld dat dit mechanisme werkt door het scheppen van grote zandbronnen tijdens snelle zeespiegelrijzing en daaraan gebonden kustterugschrijding. Bij kleinere snelheid van zeespiegelrijzing kan de kust zich dan min of meer stabiliseren en worden de restanten van de bronnen opgebruikt. Nieuw sediment kan daarna alleen verkregen worden door hernieuwde terugschrijding van de kust. Belangrijkste conclusie die uit deze geologische analyse getrokken kan worden ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van onze kust is, dat al enige millennia de aanvoer van zand van buiten het kustsysteem waarschijnlijk gering is en, dat nu besloten is om de kustlijn op haar huidige positie te handhaven, ook in de toekomst niet te verwachten is dat deze aanvoer zal toenemen. 2. Dynamics of the closed coastal system of Holland The process-related research of closed coastal systems has made considerable progress in the period 1990 to 1995, as appears from the publication of four theses (Roelvink, 1993; Al-Salem, 1993; Van de Meene, 1994 and Kroon, 1994) and many reviewed journal papers. High-frequency wave propagation in uniform coastal zones using parametrie and probabilistic wave-energy models was extensively studied resulting in a better understanding of the surf zone wave mechanics and of the limitations of the available formulations (wave breaking and wave asymmetry). Low-frequency wave propagation with emphasis on bound-long waves related to short wave groups has had considerable attention resulting in a leading role in international research. A mathematical model for long waves has been developed and calibrated using laboratory and field data. The hypothesis that bar formation is to an important extent related to bound long waves is not supported by the present results; the long waves generally have a destructive effect on bar formations. The mean current field and its vertical structure in cross-shore direction has been studied extensively by performing large-scale (LIP-experiments)and small-scale flume experiments and by mathematical modelling with 2DV-profile models. Streaming and undertow models have been developed and improved. Considerable progress has been made, but the models are not yet sufficiently accurate. Information of wave-induced currents is not sufficiently available, especially for barred profiles. Wave-current interaction is considerably better understood than before. A set of useful parameterized models is available to estimate the near-bed velocities and bed-shear stresses in wave-current systems. Sand transport research was aimed at deriving predictive and practical formulations for bedload and suspended load transport in breaking and non-breaking wave conditions with or without a current superimposed. A new model for total load transport has been developed and used to estimate the yearly-averaged transport rates in the nearshore zone. A leading international role was played, as appears from the published theses and reviewed journal papers. The effect of sediment size, irregular waves and breaking waves on the sand transport processes are still at an early stage of understanding, especially for barred cross-shore profiles. Field data of sand concentrations and transport rates are urgently needed. Integrated modelling shows that the 2DV profile models are robust and effective tools with respect to diagnostic modelling, but the models are not yet capable of describing the generation, migration and degeneration of breaker bars. Information of three- dimensional circulation patterns along uniform coasts is missing. The wave mechanics in the swash zone should be better understood and implemented in the models. Physical processes which still are at an early stage of understanding, are: Wave and currents \u95 wave velocity asymmetry, especially in breaking waves of barred profiles; \u95 wave breaking and energy dissipation, especially in breaking waves over barred profiles; \u95 break-point forced long waves in the surf zone; \u95 wave-induced cross-shore and longshore currents over barred profiles (lag effects); \u95 wave-inducing streaming in non-breaking waves; \u95 vertical structure of velocities and turbulence in nearshore zone; \u95 apparent roughness of rippled and plane beds in wave-current systems. Sediment transport \u95 bed-load and suspended load transport processes (magnitude and direction) in field conditions; \u95 effect of unsteady flow phenomena on bed-lead transport processes of fine sediments in irregular waves; \u95 effect of wave velocity asymmetry on suspended load transport processes; \u95 sediment concentrations and wave-related transport rates over plane sloping beds in non-breaking and breaking waves; \u95 effective roughness of rippled beds. Morphology \u95 generation, migration and degeneration of major breaker bars (including effect of underwater nourishment); \u95 behaviour of swash bars in relation to coastline changes; \u95 behaviour of offshore sand ridges (sediment source for nourishment?). Behaviour-related research has had only limited attention compared with process-related research. Statistical models have been used succesfully to study cross-shore profile characteristics and coastline changes. Bar behaviour has been studied by parameter analysis; predictive results have however not been obtained. Multi-line models have been used to hindcast observed data (JARKUS) of sand volume changes (sand budgets) for the coastline between Den Helder and Hoek van Holland and to forecast nourishment volumes required to ensure a stable coastline for the coming 50-years (including sea-level rise). The effects of structures and nourishment should be better represented by the models. 3. Morphodynamics of a meso-tidal barrier-island coast The morphodynamics of the Wadden barrier-islands (the Netherlands) and its mathematical modelling are described, focusing on three well-documented cases, viz. two tidal inlet systems and the Dutch Wadden coast as a whole. The main morphological characteristics of the Wadden system are described and the results of two modelling approaches are presented. One approach concerns process-based modelling of sediment transport and morphodynamics. For the analysis of the predominant processes and sediment circulation patterns (as induced by human interferences, for instance), 2DH and Q3D wave-, current and sediment transport models appear to be very useful. Morphodynamic models are still in an initial phase of development but they have the potential for morphological predictions at the time scale of years up to a decade. The other approach concerns behaviour-oriented modelling. The behaviour of morphological elements of the tidal inlet system (e.g. basin, channels, shoals, ebb-tidal deltas and islands coasts) is described on the basis of empirical relationships for the equilibrium state of the elements, conservation laws for sediment and water and information on the processes involved. Various empirical and semi-empirical model concepts are presented and validated for the three selected cases. Behaviour-oriented models appear to be useful for the description of the long-term evolution of tidal channel/shoal systems and for the analysis of the large-scale dynamic behaviour of the Wadden ebb-tidal deltas and island coasts (as induced by sea level rise or coastal sand nourishments, for instance).Kustgenes
    corecore