1,721,084 research outputs found

    RAAP-rapport 2179

    No full text
    RAAP Archeologisch Adviesbureau heeft op 2 juni 2010 een archeologische opgraving met beperkingen uitgevoerd in verband met de voorgenomen woningbouw aan de Langegracht 145-151 in de gemeente Leiden. Tijdens de archeologische opgraving zijn met name resten aangetroffen van de historische bebouwing die hier sinds de 17e eeuw heeft gestaan (muur- en funderingsresten, kelders/kruipruimten). In het noordwestelijke deel van het plangebied en buiten de geplande bouwput is tijdens de saneringswerkzaamheden een ophogings/afvallaag aangetroffen uit de Nieuwe tijd B/C. Daarnaast is in het hele plangebied een ophogingslaag uit de Nieuwe tijd A/B aangetroffen waarop de aangetroffen funderingen zijn aangelegd. De vindplaats betreft bebouwingsresten uit de periode van het in gebruik nemen van het plangebied als woonlocatie na de stadsuitleg van 1611. Tijdens of vlak na de staduitleg is op de schone oeverafzettingen een dunne ophogingslaag aangebracht (spoor 1001). Tussen 1611 en 1675 is het plangebied ingericht als een dichtbebouwd huizenblok. De aangetroffen funderings- en kelderresten behoren toe aan 4 panden. De panden waren op staal gefundeerd. Doordat de funderingen grotendeels zijn afgebroken voorafgaand aan het archeologisch onderzoek, kon weinig informatie worden verkregen over eventuele fasering van de bebouwing. Mogelijk behoren de resten op perceel 816 (het meest westelijke perceel) tot de oudste bebouwing in het plangebied. De funderingsresten op de overige percelen waren dusdanig verstoord dat weinig gezegd kan worden over de inrichting van de percelen. De aangetroffen kelders die duidelijk aan de 4 verschillende percelen kunnen worden toegewezen, hebben dermate overeenkomstige kenmerken dat we ervan uit kunnen gaan dat de kelders gelijktijdig zijn aangelegd en waarschijnlijk bij de originele inrichting (tweede helft 17e eeuw) van het plangebied horen. De conservering van de vindplaats is beperkt. Er zijn namelijk geen botresten aangetroffen en slechts één sterk aangetaste metalen vondst (ijzeren nagel). Wel dient opgemerkt te worden dat in het plangebied geen sporen zoals (afval)kuilen en beerputten of gedempte sloten zijn aangetroffen. Dit zijn bij uitstek de contexten waarin goed geconserveerde (organische) resten verwacht kunnen worden

    RAAP-NOTITIE 3598

    No full text
    In verband met voorgenomen werkzaamheden ( bouw van van een overdekte ijsbaan en de herinrichting van het recreatiegebied), die eventueel aanwezige archeologische waarden zouden kunnen verstoren, voert RAAP een archeologisch vooronderzoek uit . Op basis van het bureauonderzoek kon niet vastgesteld worden of het plangebied op een stroomgordel of in het komgebied ligt. Indien het plangebied op de stroomgordel van de Oude Rijn ligt, geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen (archeologische resten) vanaf de Bronstijd. Indien het plangebied op de stroomgordel van de Aar ligt, geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen vanaf de IJzertijd. Archeologische resten worden in de top van de stroomgordelafzettingen verwacht. Indien het plangebied in het komgebied ligt, geldt een lage archeologische verwachting voor de vondplaatsen (archeologische resten) vanaf de Bronstijd t/m Late Middeleeuwen. Op basis van de start van de ontginning in de 11e tot 13e eeuw geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen (archeologische resten) uit de Late Middeleeuwen. Op grond van de bestudeerde historisch kaarten worden geen overblijfselen (funderingen) van gebouwen uit de Nieuwe tijd (periode 16e t/m 19e eeuw) in het plangebied verwacht. In het plangebied is grond opgebracht. Archeologische resten zullen zich naar verwachting onder dit opgebrachte pakket bevinden. Het is niet bekend hoeveel grond er is opgebracht. Zoals verwacht werd op basis van het bureauonderzoek is in het gehele plangebied vanaf het maaiveld een ophoogpakket aangetroffen. De dikte van het ophoogpakket varieert tussen 0,8 en 2,2 m. Het terrein is opgehoogd met grond uit de direct ten noorden van het plangebied liggende Zegerplas. In praktijk betekent dit dat de natuurlijke afzettingen die op die locatie voorkomen (oever-, kom- en beddingafzettingen), zijn gestort in het plangebied. Dit maakt het onderscheid tussen het ophoogpakket en de natuurlijke afzettingen in het plangebied soms erg lastig

    Plangebied Smokkelhoek, percelen S492 en S494, gemeente Kapelle

    No full text
    Coordinaten: Noordoost-hoek: 58.065 / 387.660, Noordwest-hoek: 57.807 / 387.730, Zuidwest-hoek: 57.870 / 387.500, Zuidoost-hoek: 58.025 / 387.504 Datum einde onderzoek: januari 2009 (eindrapport) Projectmedewerkers:C. Coppens, F. van der Wal Complextype(n): XNE Datering: IJZ-ROM/ XME-N

    Plangebied Middelweg, Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug; archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek

    No full text
    2 deelgebieden RAAP Archeologisch Adviesbureau heeft op 14 en 15 april 2010 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met voorgenomen ontwikkelingsplannen in de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold bij de aanvang van het veldonderzoek voor het plangebied een hoge verwachting voor het aantreffen van waardevolle archeologische overblijfselen vanaf het Neolithicum, maar met name uit de Bronstijd/IJzertijd. Ten westen van het plangebied ligt aan de Koningin Wilhelminalaan een archeologische vindplaats uit de Bronstijd en/of de IJzertijd. Hoewel een verkennend booronderzoek niet het opsporen en begrenzen van archeologische vindplaasten als doel heeft, zijn de resultaten van het veldonderzoek van dien aard dat het volgende kan worden gesteld: Tijdens het veldonderzoek zijn in het plangebied duidelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van (een) intacte archeologische vindplaats(en) aangetroffen in het gehele plangebied. Hier zijn in 5 boringen archeologische indicatoren waargenomen in de top van een oude akkerlaag (tussen ca. 35 en 100 cm -Mv) in de vorm van handgevormd aardewerk dat op grond van dikte, baksel en magering gedateerd wordt in de IJzertijd. Het betreft mogelijk een nederzettingsterrein uit de IJzertijd, die mogelijk verbonden is aan de uit dezelfde periode(n) daterende vindplaats aan de Koningin Wilhelminalaan. De gaafheid en conservering van de vindplaats lijken zeer goed te zijn

    archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

    No full text
    RAAP Archeologisch Adviesbureau heeft in het voorjaar van 2010 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met voorgenomen (her-)inrichtingsplannen in de Oostvlietpolder en Cronesteynse Polder in de gemeente Leiden. De bodemopbouw in de Oostvlietpolder bestaat uit de volgende afzettingen: rivierafzettingen van de Oude Rijn, kreekafzettingen, veen en lagunaire afzettingen. Het plangebied beslaat circa 47 ha en omvat delen van de Oostvlietpolder en Cronesteynse polder. Tijdens het veldonderzoek zijn in de Oostvlietpolder 304 karterende boringen verricht in een 20 bij 25 m grid. Hierbij was het uitgangspunt een boorgrid van 20 bij 25 m te realiseren in noordwestzuidoost georiënteerde raaien. Om het voorgenomen boorgrid te realiseren, is, waar mogelijk, gebruikgemaakt van de reeds uitgevoerde boringen door Oude Rengerink (1999a; 1999b).In de Cronesteynse polder zijn in totaal 160 boringen verricht eveneens in een boorgrid van 20 bij 25 m. De gemiddelde boordiepte bedroeg circa 3 m -Mv. Om een nauwkeurige indruk te krijgen van de geo(morfo)logie van het plangebied, is voor alle boringen gepoogd deze door te zetten tot in lagunaire afzettingen van de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer. De bodemopbouw van de Cronesteynse Polder vertoont een vergelijkbare opbouw

    RAAP-RAPPORT 2123

    No full text
    Proefsleuven onderzoek op 2 vindplaatsen te Velsen-Noord, gemeente Beverwijk. Op basis van vooronderzoek worden resten verwacht van huisplaatsen uit de NT. Indien VP1 behoudenswaardig is, dient vp1 in zijn geheel te worden onderzocht d.m.v. opgraving. In totaal zijn 2 proefsleuven met een lengte van respectievelijk 30 en 15 m aangelegd. Proefsleuf 1 had een breedte van 3 m. Door de aanwezigheid van een spoor is de sleuf in westelijke richting uitgebreid tot een breedte van 7 m. Proefsleuf 2 had een breedte van 2 m. Het gezamenlijk oppervlak van de twee proefsleuven bedroeg 200 m2. Verder is de sloop van het gebouwtje uit WOII archeologische begeleid. In beide proefsleuven is één opgravingsvlak aangelegd. Het vlak is in sleuf 1 aangelegd in het schone duinzand circa 0,5 m -Mv. In proefsleuf 2 is het vlak dieper aangelegd, op circa 1,0 m -Mv, door de aanwezigheid van verstoringen in de vorm van puin en boomwortels. De profielen in de proefsleuven bevestigen het bestaande beeld dat de proefsleuven zich in de Jonge Duinafzettingen bevinden. In proefsleuf 1 zijn alleen Jonge Duinafzettingen aangetroffen. Door het rooien van bomen en opgebracht zand was hier geen bouwvoor aanwezig. In proefsleuf 2 bevond het Jong Duinzand zich op 0,75 m -Mv, afgedekt door een verrommeld pakket zand met veel puin en grind. Ten noorden van de Zeestraat zijn geen aanwijzingen gevonden voor bebouwing uit de Nieuwe tijd. Mogelijk zijn de panden die op historische kaarten uit de 17e en 18e eeuw staan, al gesloopt bij het graven van de bestaande vijver. Wel werd een ronde bestrating aangetroffen, vermoedelijk uit het begin van de 20e eeuw, en de voorloper van het huidige fietspad. Het stenen gebouwtje is rechthoekig van vorm en slordig opgemetseld met verschillende bakstenen en betonbrokken. De basis van het bouwsel is een betonnen biels. Hieronder ligt geen vloer. Direct naast het bouwsel ligt een groot stuk betonplaat. Ten zuiden van de Zeestraat zijn aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van bebouwing uit de Nieuwe tijd B/C. Conform verwachting heeft de bebouwing grotendeels ten oosten van de proefsleuf gestaan. In de sleuf is slechts een poer aangetroffen. Het gevonden aardewerk wijst erop dat hier mogelijk in de Late Middeleeuwen al bebouwing stond. De locatie is sterk verstoord door leidingen en boomwortels

    Plangebied Dijklaan Zuid, gemeente Bergambacht; een archeologische opgraving

    No full text
    RAAP Archeologisch Adviesbureau heeft in juni 2008 een archeologische opgraving uitgevoerd in verband met de voorgenomen nieuwbouw in het plangebied Dijklaan Zuid in de gemeente Bergambacht. Doordat een groot deel van het op te graven areaal (recent) verstoord bleek, heeft de opgraving weinig informatie opgeleverd ten aanzien van de doelstelling van het onderzoek, namelijk het optimaliseren van prospectiestrategie om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over de aanwezigheid en de waarde van een vindplaats op de hoge delen van het rivierduin. Hoewel de opgraving geen artefacten noch grondsporen verband houdend met prehistorische bewoning heeft opgeleverd, kan ook niet gesteld worden dat er geen sprake is geweest van prehistorische menselijke activiteit in het onderzochte deel van de donk. De mate van verstoring is te groot om hierover een uitspraak te kunnen doen. Op basis van de aangetroffen hoeveelheden houtskool, knappersteen en een fragmentje vuursteen lijken prehistorische activiteiten op of in de directe omgeving van het onderzochte deel van de donk waarschijnlijk. Dit zeker gezien de nabijheid van de vermoedelijke nederzetting net ten noorden ervan. De hoogteligging van de donktop van de nederzetting komt vrijwel overeen met onderhavig plangebied. Het lijkt niet waarschijnlijk dat in het plangebied sprake is geweest van een nederzetting, dit geldt zeker in put 1 en 2. In het geval van een nederzetting zou de onderkant van diepere grondsporen nog in de bodem verwacht worden. Ook is de verwachting bij een nederzetting dat meerdere categorieën mogelijke antropogene objecten vertegenwoordigd zouden zijn, maar hier ontbreekt met name verbrand bot geheel. Doordat slechts een beperkte hoeveelheid informatie bij de opgraving kon worden verzameld kunnen de onderzoeksvragen niet volledig beantwoord worden. Door de grote mate van verstoring kon onvoldoende informatie verzameld worden voor een onderbouwde poging tot het optimaliseren van de prospectiemethode voor het karteren van vindplaatsen op donk(top)en

    Provinciale weg N236 tussen Hilversum en Wijdemeren, Provincie Noord-Holland

    No full text
    Coordinaten: 135.750/476.875 Datum einde onderzoek: 11-09-2007, rapportage: 02-02-2009 Projectmedewerkers: drs. F. Stevens & dhr. F. van der Wal Complextype(n): NX Datering: NEO-BRONS, LME-NT Diversen: Groot, R.W. de, Provinciale weg N236 tussen Hilversum en Wijdemeren, Provincie Noord-Holland; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende en karterende fase) RAAPrapport 1620 (WEESP, 2009) Het betreft zowel een bureau- als een verkennend/karterend booronderzoek op verschillende locaties binnen het aangegeven onderzoeksgebied

    Plangebied Hieronymuserf, Maliesingel 75-76 in Utrecht, gemeente Utrecht; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

    No full text
    In opdracht van de gemeente Utrecht heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in december 2014 een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied Hieronymuserf, Maliesingel 75-76 te Utrecht in de gemeente Utrecht. De aanleiding voor dit onderzoek is het voornemen om op deze locatie de huidige bebouwing te slopen, een sanering uit te voeren en nieuwbouw en parkeervoorzieningen te realiseren. Het onderzoek is nodig in het kader van de toekomstige herontwikkeling van het terrein, aangezien naar verwachting eventueel aanwezige archeologische resten bij toekomstige graafwerkzaamheden in het gebied zullen worden verstoord. Een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden is derhalve verplicht conform het vigerend gemeentelijk beleid. Zoals op basis van het bureauonderzoek reeds verwacht werd, bestaat de opbouw van de bodem in het plangebied uit een recent opgebracht pakket op een oude bouwvoor op oeverafzettingen op beddingafzettingen. De oude bouwvoor dateert waarschijnlijk uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen (archeologische resten) uit deze periode kan dus gehandhaafd blijven. Op basis van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen (§ 1.3) kan worden geconcludeerd dat bij de uitvoering van de werkzaamheden zeer waarschijnlijk archeologische resten zullen worden verstoord

    Onderzoeksgebied De Vork, gemeente Heerhugowaard; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

    No full text
    Uit de resultaten van het veldonderzoek blijkt dat in de deelgebieden sprake is van een uniforme bodemopbouw bestaande uit een bouwvoor met daaronder getijdenafzettingen. De top van het bodemprofiel is geroerd vanwege de landbewerking (ploegen) ten behoeve van de landbouw. Overige grootschalige bodemverstoringen zijn niet aangetroffen. De verwachte geulafzettingen of eventueel kreekafzettingen met bijbehorende oevers die ter hoogte van de op het AHN zichtbare ruggen verwacht werden, zijn niet aangetroffen. De hoogteverschillen kunnen niet worden verklaard op basis van de aangetroffen bodemopbouw. Vermoedelijk hangt het hoogteverschil samen met afzettingen die dieper dan 4 m -Mv (6 m -NAP) liggen. Op basis van de zandigheid van de getijdenafzettingen, de beperkte gelaagdheid en de aanwezige schelpen wordt het pakket in morfologische zin geïnterpreteerd als een wadplaat (zoutwatermilieu). Er is dus geen sprake van een zoetwatergetijdenmilieu. Na het einde van de sedimentatie is het gebied waarschijnlijk relatief snel vernat en is er veen gaan groeien. Op basis hiervan geldt een lage archeologische verwachting voor het aantreffen van bewoningsporen op deze locaties
    corecore