1,721,144 research outputs found
Integrated assessment of estrogens and xenoestrogens in the aquatic environment of the Netherlands: weight of evidence and ecological relevance
Occurrence of estrogenic and xeno-estrogenic compounds in waste water and environmental matrices.
Bioanalysis of the exposure and effects of estrogenic chemicals in the aquatic environment with an in vivo transgenic zebrafish reporter gene assay
Toxic pressure of chemical stressors on pelagic microalgae in Dutch estuarine and coastal waters
Vethaak, A.D. [Promotor]Voogt, W.P. de [Promotor]Leonards, P.E.G. [Copromotor]Lamoree, M.H. [Copromotor
Risicoanalyse van 63 vaten met CCA-houtverduurzamer in zee : milieugevaarlijkheid van 63 vaten CCA van het vrachtschip Andinet
1. Het ongeluk met de 63 vaten en de containers is gebeurd in en in de omgeving van ecologisch belangrijk geclassificeerde gebieden, zoals het Friese Front, de Scholbox en de Waddenzee. 2. De vaten bevatten een zuur mengsel van arseen-, chroom- en koperverbindingen (CCA-verbindingen). In dit geval zijn de koperverbindingen de meest giftige voor mariene organismen. 3. Het zure mengsel zit in ongecoate blikken en deze zullen waarschijnlijk snel doorroesten. 4. De maximale toelaatbare risicoconcentratie (MTR) wordt, afhankelijk van het aantal vaten, gedurende een aantal uren in een bepaald gebied (km2) overschreden. Gedurende een aantal uren binnen een bepaald gebied worden letale concentraties voor plankton en vislarven overschreden. Daarnaast is er kans op sterfte en schadelijke effecten bij jonge en volwassen bodemdieren en vissen. Met name in het voorjaar zal sprake kunnen zijn van grote sterfte. 5. Ook al kan deze sterfte lokaal groot zijn, het gaat ten opzichte van het totale kustgebied om een zeer klein deel van de totale populaties. Daardoor zullen eventuele effecten op langere termijn van bovenvermeld worst case scenario mogelijk kunnen leiden tot een eenmalige kleine afname in de populatieaanwas van diverse vissoorten, die in het gebied aanwezig zijn. De omvang van dit effect zal waarschijnlijk niet meetbaar zijn. Bovendien heeft het gebied waar de vaten verloren zijn geen specifieke, cruciale betekenis in de levenscyclus van de betreffende soorten. Ten slotte worden een aantal aanbevelingen gedaan: 1. Het boomkorren naar de vaten langs de 150 km lange route, ook met grote maaswijdte en zonder wekkers, wordt afgeraden. Een dergelijke actie zal op zowel korte- als lange termijn (aanvullende) ecologische schade geven aan de bodemfauna. De ecologische schade op de bodemfauna veroorzaakt door het systematisch boomkorren naar de vaten is groter dan die veroorzaakt door het al dan niet gelijktijdig vrijkomen van de CCA-stoffen uit alle vaten. 2. Wanneer door nieuwe informatie bekend is geworden dat de vaten zich in een beperkt gebied bevinden (10-20 km lengte) en de vaten niet door de Koninklijke Marine gevonden kunnen worden, dan is het boomkorren in dit beperkte deel alsnog een ecologisch verantwoorde optie als op goede gronden aangenomen kan worden dat de vaten op het sediment liggen en nog steeds intact zijn. 3. Het gevaar voor de consument is, wat consumptie van vis en schelpdieren betreft, erg klein. Niettemin wordt aanbevolen om schelpdieren, die in het zoekgebied van de vaten worden gevist, te controleren op verhogingen van anorganische arseengehalten
Kustbroedvogels in 'De Slufter': Knelpunten en mogelijkheden
In 1986-1987 is de grootschalige bergingslocatie voor verontreinigde baggerspecie \u91De Slufter\u92 ten zuidwesten van de Maasvlakte gerealiseerd. De droogvallende delen van De Slufter vormen in sommige jaren een aantrekkelijk broedgebied voor kustbroedvogels: er is rust, ruimte en voedsel in de directe omgeving. Vaak brengen kustbroedvogels (Kluut, plevieren, sterns) met succes jongen groot. In 2002 gingen echter tientallen legsels verloren door een verhoging van het waterpeil gedurende het broedseizoen. Rijkswaterstaat, Directie Zuid-Holland, is hierop geattendeerd door het RIKZ en de Stichting Ornithologisch Station Voorne. De Slufter is primair aangelegd voor het bergen van verontreinigde baggerspecie. Momenteel wordt een Integrale Visie, als vervolg op het Masterplan Slufter, voorbereid voor het toekomstig gebruik van De Slufter. In deze Integrale Visie wordt ook ruimte geboden voor een versterking van de natuurwaarde. De droogvallende bodem van De Slufter zal immers altijd aantrekkingskracht hebben op kustbroedvogels. Wellicht dat door aanpassingen in de inrichting en/of het beheer van De Slufter problemen met het wegspoelen van nesten kunnen worden voorkomen of de mogelijkheden voor kustbroedvogels zelfs kunnen worden vergroot. De volgende vragen zijn hierbij van belang: 1. Op welke wijze kan er vanuit het technisch beheer van De Slufter rekening worden gehouden met broeden en foerageren van kustbroedvogels? 2. In hoeverre vormt de verontreinigde bodem van De Slufter een ecotoxicologisch risico voor kustbroedvogels, en zo ja kan dit risico worden verminderd? Er wordt van uitgegaan dat De Slufter nog 30 jaar kan functioneren als specieberging. Dit advies beperkt zich tot de korte tot middellange termijn (10 jaar) en zal niet ingaan op de uiteindelijke inrichting van het gebied. Het streven is de in dit rapport gedane voorstelen te implementeren in de op te stellen Integrale Visie voor De Slufter (het vervolg op het Masterplan Slufter). CONCLUSIES - Er zijn een aantal keuzes mogelijk ten aanzien van de kustbroedvogels in De Slufter: weren, accepteren of stimuleren. - Buiten de eigenlijk bassin De Slufter liggen nog enkele terreinen die actueel of potentieel van betekenis kunnen zijn voor (kust)broedvogels. - Ecotoxicologische risico's: Er kan voorlopig geconcludeerd worden dat De Slufter een arme brakwater bodemfauna kent. Om een volledige uitspraak te doen over de ecotoxicologische risico's dient er nog vervolgonderzoek gedaan te worden
Effecten van koelwater op het zoute aquatische milieu
De projectgroep Koelwater van de Commissie Integraal Waterbeheer heeft als opdracht een nieuwe beoordelingssystematiek voor warmtelozingen op te stellen. Ter onderbouwing van de op te stellen systematiek is de studie \u93Effecten van koelwater op het zoute aquatische milieu\u94 uitgevoerd tezamen met een effectenstudie voor de zoete wateren. Onder het zoute aquatische milieu wordt in elk geval de Noordzeekust, de Waddenzee, de Oosterschelde en de brakke estuaria Eems en Westerschelde verstaan. Doelstelling van de studie is het samenvatten van literatuurgegevens over ecologische effecten van het gebruik van zout oppervlaktewater voor koeling van industriële processen. Het gaat daarbij niet alleen om de effecten op het aquatische milieu van de warmtelozing, maar ook om de effecten van de onttrekking. Concrete vragen voor de studie zijn: \u93Kan worden aangegeven wat de effecten zijn van overschrijdingen van de bestaande koelwaternormen, zoals lozen warmer dan 30 ºC, op het aquatische milieu?\u94 en \u93Wat zijn de effecten van wateronttrekking ten behoeve van koeling?\u94. De resultaten van de studie zijn zoveel mogelijk gebaseerd op wetenschappelijke literatuur. Aan de uitkomsten van de literatuurstudie is een \u93visie op toetsingscriteria voor koelwatergebruik\u94 toegevoegd. Dit omdat toetsingscriteria voor koelwatergebruik aan de hand van de literatuurgegevens moeilijk te formuleren zijn. In de studie is niet ingegaan op de consequenties van de bevindingen voor de lozers van warmte. Dit komt aan de orde in de CIW rapportage over de nieuwe beoordelingssystematiek. Wat zijn de effecten van onttrekking van koelwater? Een veel toegepaste techniek om overtollige warmte af te voeren die vrij komt bij de opwekking van elektriciteit en bij industriële processen is doorstroomkoeling. Doorstroomgekoelde elektriciteitscentrales hebben 40 tot 60 m3/s nodig per 1.000 MWe opgesteld vermogen. In Nederland zijn bijvoorbeeld de Eemscentrale en de Borssele centrale aan de Westerschelde grote doorstroomgekoelde elektriciteitscentrales. Grote doorstroomgekoelde elektriciteitscentrales in estuaria en aan de kust zuigen grote aantallen kleine organismen, vislarven en jonge of kleine vis met een lengte tot 12 cm in. Voor de Eemscentrale is de inzuiging geschat op 12 á 18 miljoen vissen per jaar en voor de Borssele centrale op 100 miljoen vissen per jaar. Verschillende soorten vis worden ingezogen, zo zuigt de Eemscentrale op jaarbasis zo\u92n 40 verschillende soorten in. Een groot deel van de ingezogen vissen overleeft de beschadigingen van de koelwaterzeven niet. De organismen die door de zeven heengaan, kunnen door schade tijdens het doorvoeren door de centrale sterven. Dit zijn de kleinste organismen en het betreft onder meer fytoplankton, zoöplankton inclusief vislarven, kreeftachtigen en vissen kleiner dan 4 cm. Het gaat om grotere aantallen dan de ingezogen jonge vissen. Zo bedraagt het geschatte ingezogen gewicht aan garnalen in de Eemscentrale 67 ton in 1996. Vanwege de inzuigingssterfte veroorzaakt door grote elektriciteitscentrales bestaat er het risico dat de ecosysteemfuncties van de estuaria en de Noordzeekust worden aangetast. Per vissoort en per onttrekkingslocatie verschilt dit risico en met een tweetal voorbeelden wordt dit duidelijk gemaakt. De Eemscentrale bijvoorbeeld onttrekt veel minder dan 1% van de Noordzeepopulatie jonge haring. Hiervoor geldt dat de opgetelde effecten van meerdere centrales het risico van ecosysteemeffecten vergroten. Wanneer de inlaat van koelwater van een centrale op de plek van een trekroute van een soort ligt die vanwege z\u92n grootte ook als volwassen vis wordt ingezogen, kan een relatief groot aandeel van een populatie ingezogen worden. De inlaat van de Eems-centrale bijvoorbeeld ligt op de plaats van de trekroute van de driedoornige stekelbaars in de Eems en geschat is dat ongeveer 14% van de relevante deelpopulatie van de Eems wordt ingezogen. Wat zijn de effecten van warmwaterlozingen? Van de organismen die in water leven zijn vissen over het algemeen het minst tolerant voor hoge water temperaturen. Met name benthische soorten zoals platvissen worden in het traject van 25-28 ºC direct bedreigd met sterfte. Haringachtigen al bij 22 ºC. In de zone waar het geloosde water deze temperaturen heeft, kunnen de gevoelige soorten niet overleven wanneer ze niet kunnen wegzwemmen. Van een elektriciteitscentrale die 50 m3/s met temperatuurverschil van 7 graden loost zal de pluim met opgewarmd water enkele vierkante kilometers groot zijn en zich dicht bij de kust bevinden. Door werking van getijde, wind en golven vindt er menging en daarmee afvoer van warmte plaats. Afhankelijk van de lozingslocatie bestaat een koelwaterpluim uit een relatief dunne gestratificeerde laag opgewarmd water die aan het oppervlak drijft. Wanneer zo\u92n pluim vanwege de temperatuursprong goed herkenbaar is voor vissen en niet te groot is, kunnen vissen de pluim ontwijken. Visie op toetsingscriteria voor koelwatergebruik Voor een beoordelingssystematiek voor warmtelozingen zijn toetsingscriteria nodig. Het voorstel is om de volgende drie toetsingscriteria op te nemen in de nieuwe beoordelingssystematiek: \u95 Onttrekking: Bij onttrekking gaat het om de schade aan organismen die de koelwaterketen zijn ingezogen. \u95 Mengzone: Dit is het gebied bij het lozingspunt waar de waterkwaliteitsdoelstelling niet geldt. \u95 Opwarming: Hier gaat het om het opwarmen van het oppervlaktewater op watersysteemniveau. Wat houden deze drie toetsingscriteria in: Het is niet wenselijk om een onttrekking van koelwater te situeren op een locatie waar veel vislarven (paaigebieden) en juveniele vis voorkomen. Aanbevolen wordt om concrete criteria te ontwikkelen waarmee aangegeven wordt wanneer sprake is van aantasting van het gezond functioneren van het ecosysteem. Door een maximum grootte van de mengzone te definiëren is het mogelijk om de hoeveelheid geloosde warmte te beperken. Voorgesteld wordt om in analogie met de \u93Immissietoets voor stoffen\u94 voor de temperatuur op de rand van de mengzone het \u93ernstig risiconiveau\u94 (ER) te nemen. Het voorstel is om uit te gaan van 25 ºC als ER. De mengzone mag geen belemmering zijn voor migratie van vissen. Het voorstel is om de mengzone niet groter te laten zijn dan een bepaald percentage van de natte dwarsdoorsnede van een geul in een estuarium. Voor de Noordzeekust is het voorstel om geen eisen aan de grootte van de mengzone te stellen. Voor die locaties geldt uiteraard dat wel eisen aan de onttrekking worden gesteld. De onttrekking van koelwater leidt tot directe sterfte terwijl het lozen van warmte over het algemeen niet tot directe sterfte leidt. Daarom is het van belang dat criteria voor warmtelozingen niet leiden tot onnodige en onacceptabele extra onttrekkingssterfte. Naast een criterium voor de mengzone kan ook een maximum aan de opwarming van een watersysteem worden gesteld.Koelwate
Occurrence of Estrogenic Hormones,Bisphenol-A and Phthalates in the Aquatic Environment of the Netherlands
- …
