1,720,952 research outputs found
The chemistry in the freeboard of a coal-fired pressurized fluized bed combustor
Applied Science
Het ontwerpproces: Een beheersbaar samenspel tussen ingenieursbureau en opdrachtgever
In opdracht van het advies- en ingenieursbureau lv-lnfra en de Technische Universiteit Delft is onderzoek gedaan naar de effecten van het gedrag van het ingenieursbureau op het verloop van het ontwerpproces en de samenwerking met de opdrachtgever. Het doel van dit afstudeeronderzoek is om inzicht te krijgen in de interactie tussen de opdrachtgever en het ingenieursbureau gedurende het ontwerpproces van een infrastructureel project en aanbevelingen te doen over het gedrag van het ingenieursbureau ten opzichte van de opdrachtgever om een project volgens onderlinge afspraken en de eisen en wensen van de opdrachtgever te Iaten verlopen in evenwicht met de eisen en wensen van het ingenieursbureau. Door middel van een literatuuronderzoek is een theoretisch beeld geschetst van het verloop van het ontwerpproces volgens drie verschillende projectmanagementmethodieken: PRINCE2, Projectmatig Werken en Projectmatig Creeren. De drie beschreven projectmanagementmethodieken verschillen op verschillende aspecten, voornamelijk in de aanpak van een project. In PRINCE2 speelt hierarchie een grote rol. Deze methodiek geeft een zeer uitgewerkte en gedetailleerde projectaanpak, die is gericht op het realiseren van een vooraf gedefinieerd eindresultaat. Bij Projectmatig Werken en Projectmatig Creeren spelen de menselijke kant van het managen en de structuur van een project een grote rol. Het verschil tussen Projectmatig Werken en Projectmatig Creeren zit vooral in de visie en filosofie van beide methodieken. Projectmatig Werken is ontwikkeld vanuit een 'ingenieursvisie' en baseert de projectaanpak op vier met elkaar verweven processen: faseren, beheersen, beslissen en samenwerken. De methodiek Projectmatig Creeren vindt zijn oorsprong in een filosofie over hoe organisaties (moeten) werken. Deze methodiek richt zich daarbij hoofdzakelijk op het project als creatieproces. In dit creatieproces staan de mensen binnen de projectorganisatie en het ontwikkelen van een hoogwaardig product centraal. Daarbij spreekt de Projectmatig Creeren in termen van energie, inspiratie, commitment, scheppend vermogen en plezier. De drie projectmanagementmethodieken dienen als 'kapstok' voor het gedrag van het ingenieursbureau ten opzichte van de opdrachtgever in de later op te stellen scenario's. Daarbij is het gedrag van het ingenieursbureau op de volgende wijze gekarakteriseerd: \u95 reactief I passief projectmanagement (PRINCE2); \u95 neutraal I responsief projectmanagement (Projectmatig Werken); \u95 pro-actief projectmanagement (Projectmatig Creeren). Na het literatuuronderzoek is het feitelijk ontwerpproces van het ingenieursbureau lv-lnfra geanalyseerd aan de hand van het theoretische ontwerpproces, het kwaliteitsmanagementsysteem van de lv-Groep en het referentieproject 'Verlegging van de N207 ten behoeve van de Overslag Terminal Alphen aan den Rijn (OTA)'. De opdrachtgever van dit project is de Provincie Zuid-Holland en het project is aanbesteed als onderdeel van de Raamovereenkomst lngenieursdiensten. lv-lnfra voert voor het project verschillende antwerp- en engineeringwerkzaamheden uit ten behoeve van verschillende fasen in het ontwerpproces. Dit project is als referentieproject gebruikt door de rol die lv-lnfra binnen dit project inneemt en doordat tijdens het ontwerpproces vertraging is ontstaan door het ontbreken van de benodigde gegevens afkomstig uit het explosievenonderzoek en grondmechanisch onderzoek. Om een beeld te krijgen van de invloed van het gedrag van het ingenieursbureau op het verloop van het ontwerpproces zijn verschillende scenario's beschreven. Aan de hand van het feitelijke verloop van het ontwerpproces ten behoeve van het referentieproject 'N207 verleggen in verband met de Overslag Terminal Alphen aan den Rijn', het kwaliteitsmanagementsysteem van de Iv-Groep en de drie projectmanagementmethodieken PRINCE2, Projectmatig Werken en Projectmatig Creëren zijn vier verschillende scenario's opgesteld. Door middel van deze scenario's is gekeken naar het effect van het gedrag van het ingenieursbureau op het verloop van het ontwerpproces ten behoeve van het project 'N207 verlegging in verband met OTA'. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de effecten van het gedrag op de korte termijn (ofwel op het verloop van het project) en de effecten op de lange termijn (investeren in het vertrouwen van de opdrachtgever in het ingenieursbureau). Hieruit blijkt dat op korte termijn, afhankelijk van de opdrachtomschrijving en de risico's binnen het project, het reactieve gedrag een positief resultaat oplevert voor het ingenieursbureau en het project. Indien uit de opdrachtomschrijving blijkt dat er in het project een aantal onzekerheden en risico's zitten, is het neutrale gedrag van het ingenieursbureau de beste optie voor een positief ontwerpproces. Wil het ingenieursbureau investeren in een samenwerking op de lange termijn dan blijkt pro-actief gedrag de beste mogelijkheden te bieden, zowel voor de opdrachtgever, het ingenieursbureau als voor het totale project. Aan de hand van de scenario's zijn verschillende aanbevelingen gedaan aan het ingenieursbureau lv-lnfra met betrekking tot het gedrag van het ingenieursbureau ten opzichte van de opdrachtgever. Daarbij speelt de strategie van het ingenieursbureau een belangrijke rol. Deze strategie is gebaseerd op de missie, visie en doelstelling van het ingenieursbureau. Het ingenieursbureau kan gedurende het ontwerpproces haar gedrag aanpassen aan de hand van de specifieke eisen, wensen en persoonlijke kwaliteiten van de opdrachtgever. Als de strategie van het ingenieursbureau gebaseerd is op een samenwerking op de lange termijn (investeren in toekomstige projecten), dan levert het neutrale gedrag of het pro-actieve gedrag ten opzichte van de opdrachtgever het beste rendement. Richt het ingenieursbureau zich op de korte termijn, zonder aandacht te besteden aan de lange termijn, dan levert het reactieve gedrag het meeste rendement op voor het ingenieursbureau.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience
Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis
The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation
counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings
are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that
only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into
account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed
Variations on the Author
“Variations on the Author” discusses two of Eduardo Coutinho’s recent films (Um Dia na Vida, from 2010, and Últimas Conversas, posthumously released in 2015) and their contribution to the general question of documentary authorship. The director’s filmography is characterized by a consistent yet self-effacing form of authorial self-inscription: Coutinho often features as an interviewer that rather than express opinions propels discourses; an interviewer that is good at listening. This mode of self-inscription characterizes him as an author who is not expressive but who is nonetheless markedly present on the screen. In Um Dia na Vida, however, Coutinho is completely absent form the image, while Últimas Conversas, on the contrary, includes a confessional prologue that moves the director from the margins to the center of his films. This article examines the ways in which these works stand out in the filmography of a director who offers new insights into the notion of cinematic authorship
Appropriate Similarity Measures for Author Cocitation Analysis
We provide a number of new insights into the methodological discussion about author cocitation analysis. We first argue that the use of the Pearson correlation for measuring the similarity between authors’ cocitation profiles is not very satisfactory. We then discuss what kind of similarity measures may be used as an alternative to the Pearson correlation. We consider three similarity measures in particular. One is the well-known cosine. The other two similarity measures have not been used before in the bibliometric literature. Finally, we show by means of an example that our findings have a high practical relevance.information science;Pearson correlation;cosine;similarity measure;author cocitation analysis
Dispelling the Myths Behind First-author Citation Counts
We conducted a full-scale evaluative citation analysis study of scholars in the XML research field to explore just how different from each other author rankings resulting from different citation counting methods actually are, and to demonstrate the capability of emerging data and tools on the Web in supporting more realistic citation counting methods. Our results contest some common arguments for the continued
use of first-author citation counts in the evaluation of scholars, such as high correlations between author rankings by first-author citation counts and other citation
counting methods, and high costs of using more realistic citation counting methods that are not well-supported by the ISI databases. It is argued that increasingly available digital full text research papers make it possible for citation analysis studies to go beyond what the ISI databases have directly supported and to employ more
sophisticated methods
koamabayili/VECTRON-author-checklist: VECTRON author checklist
We have done our best to complete the author checklist relating to the use of animals in the hut study. Note that the objective for the hut study was to evaluate the IRS treatment applications for residual efficacy against Anopheles mosquitoes, including the local An. coluzzii mosquito population. Cows were only used to attract mosquitoes into the huts and no tests were carried out directly on the cows. The author checklist is intended for use with studies where experiments are carried out on animals, which is why we have had such difficulty in completing this for the hut study, as many of the questions do not relate to how the cows were used
- …
