88 research outputs found

    Bipolar disorder and alcohol:double trouble of just co-occurence?

    No full text
    Alcohol verergert bipolaire stoornis niet Amerikaans onderzoek stelt keer op keer: alcohol verergert het verloop van bipolaire stoornissen. Jan van Zaane spreekt deze bevinding na zijn promotieonderzoek tegen. Zelfs overmatig alcoholgebruik heeft geen negatief effect op het verloop van bipolaire stoornissen, mits patiënten hun medicatie trouw blijven innemen. Naar schatting vijftig procent van de patiënten met een bipolaire stoornis kampt ook met een alcohol- en/of drugsverslaving. Het onderzoek van Van Zaane richtte zich op twee hoofdvragen: de betrouwbaarheid van een veelgebruikt screeningsinstrument (de Mood Disorder Questionnaire, MDQ) om vast te stellen welke patiënten met een verslaving een bipolaire stoornis hebben en het effect van gematigd en overmatig gebruik van alcohol op deze ziekte. De uitkomsten zijn opmerkelijk. Zo concludeert Van Zaane dat de MDQ, een betrouwbaar instrument in poliklinieken voor stemmingsstoornissen, in de verslavingszorg juist geen goed beeld geeft van wie er wel of niet een bipolaire stoornis heeft. Patiënten die positief scoren, blijken vaak een andere diagnose dan een bipolaire stoornis te hebben. Ook vond Van Zaane, in onderzoek onder drie groepen patiënten met een bipolaire stoornis (niet-drinkers, gematigde en excessieve drinkers) geen negatief effect van alcohol op het verloop van de ziekte. Dat is in vergelijking met andere onderzoeken een opmerkelijke uitkomst, die door verschillende factoren verklaard kan worden. De belangrijkste verklaring is volgens Van Zaane dat patiënten in zijn onderzoek hun medicatie trouw bleven innemen.

    Hormones, haemostasis, and the risk of thrombosis

    No full text
    Bregje van Zaane vond, net als Alessandro Squizzato (promotie op 27 mei, 10.00 uur) aanwijzingen dat patiënten die recent zijn gestart met medicatie om schildklierhormoon aan te vullen, een verhoogd risico hebben op veneuze trombose. Daarnaast stelt zij vast dat de hormonen cortisol en prolactine geassocieerd zijn met een verhoogde stollingsneiging, en dus met veneuze trombose. Uit grootschalig onderzoek van alle Nederlandse umc's blijkt het risico van patiënten met het syndroom van Cushing (waarbij een teveel aan cortisol geproduceerd wordt) zelfs sterk verhoogd. Ook oplopende prolactineconcentraties (het hormoon dat bij vrouwen zorgt voor de aanmaak van moedermelk) geven een grotere kans op veneuze trombose, vooral bij vrouwen die de menopauze nog niet hebben doorgemaakt
    corecore