610 research outputs found

    Een archeologische opgraving van een Bronstijdnederzetting

    No full text
    ADC ArcheoProjecten heeft een Archeologische Opgraving uitgevoerd voor het plangebied Klein Bedaf 3 te Baarle-Nassau. Op deze locatie wordt een nieuwe varkensstal gebouwd. De opgraving is het sluitstuk van een reeks archeologische onderzoeken die door de jaren heen zijn uitgevoerd. Na het bureau- en booronderzoek en een veldkartering werd de kans klein geacht dat er vindplaatsen aanwezig zouden zijn. Door de provincie Noord-Brabant werd echter een proefsleuvenonderzoek geadviseerd voor het gehele plangebied. In totaal werden 13 proefsleuven aangelegd. Behalve een vierpalige spieker werden geen duidelijke structurele verbanden herkend. Wel werd een grote spoorconcentratie aangetroffen, in het centrum van het plangebied, ter plaatse van de proefsleuven 7, 8 en 13. In dit deel van het plangebied zijn 109 van de 120 paalkuilen en 4 van de 5 kuilen aangetroffen. De onderzoekers vermoedden een datering in de IJzertijd. Gezien de spoordichtheid en de aard van de sporen werden één of meerdere structuren van hoofd- en bijgebouwen verwacht. De vindplaats werd als behoudenswaardig gewaardeerd waarna de bevoegde overheid stelde dat deze nader onderzocht diende te worden. Voorafgaand aan huidig onderzoek is het onderzoeksgebied nog uitgebreid: ten zuiden van het onderzoeksgebied ligt een zone die eveneens ontwikkeld zal worden. Hier heeft echter nooit archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Naast een archeologische opgraving is tevens een kleinschalig booronderzoek uitgevoerd. In totaal zijn 14 boringen gezet. Het onderzochte terrein is voor het grootste deel verstoord. Op basis van de resultaten en de mate van verstoring in de boringen is besloten de opgraving niet uit te breiden naar het zuiden. Tijdens het archeologische onderzoek te Klein Bedaf zijn op een oppervlakte van minder dan 3.000 m² 1.120 grondsporen geregistreerd, wat aanzienlijk is. Er zijn bijna geen sporen van recente aard of recente bodemverstoringen aangetroffen, wat wijst op de goede conservering van de vindplaats. Uit deze sporen konden 20 structuren gereconstrueerd worden: 10 hoofdgebouwen (huisplattegronden en grote bijgebouwen) en 10 kleinere gebouwstructuren (1 hutkom, 1 bijgebouw en 8 spiekers). Naast deze structuren zijn nog tal van stakenrijen herkend. Bij meerdere stakenrijen is er sprake van een zekere samenhang. Gezien hun ligging ten opzichte van de gebouwplattegronden en onderlinge verhoudingen worden de stakenrijen van Klein Bedaf geïnterpreteerd als veedriften. De verschillende stakenrijen lijken naar de gebouwplattegronden toe te lopen. De auteur vermoedt dat deze stakenrijen dienden om het vee tot in de stal van de boerderij te loodsen. De gebouwplattegronden worden op typologische basis in de Midden-Bronstijd gedateerd. Het aardewerk uit de verschillende structuren wordt in de periode 1600-1300 v. Chr. gedateerd. De dateringen van het aardewerk sluiten aan bij de 14C-dateringen. De structuren 2, 6, 9, 10 en 11 werden gedateerd en leverden een datering op tussen 1501 en 1117 v. Chr. De 14C-dateringen overlappen elkaar in die mate dat de structuren theoretisch gezien tegelijkertijd kunnen hebben bestaan. Verschillende structuren echter overlappen elkaar. Er zijn dus meerdere bewoningsfases geweest. Hoe de bewoning elkaar opvolgt en hoe de spreiding is in de tijd is met de kennis die voorhanden is niet met zekerheid te zeggen.ADC ArcheoProjecten heeft een Archeologische Opgraving uitgevoerd voor het plangebied Klein Bedaf 3 te Baarle-Nassau. Op deze locatie wordt een nieuwe varkensstal gebouwd. De opgraving is het sluitstuk van een reeks archeologische onderzoeken die door de jaren heen zijn uitgevoerd. Na het bureau- en booronderzoek en een veldkartering werd de kans klein geacht dat er vindplaatsen aanwezig zouden zijn. Door de provincie Noord-Brabant werd echter een proefsleuvenonderzoek geadviseerd voor het gehele plangebied. In totaal werden 13 proefsleuven aangelegd. Behalve een vierpalige spieker werden geen duidelijke structurele verbanden herkend. Wel werd een grote spoorconcentratie aangetroffen, in het centrum van het plangebied, ter plaatse van de proefsleuven 7, 8 en 13. In dit deel van het plangebied zijn 109 van de 120 paalkuilen en 4 van de 5 kuilen aangetroffen. De onderzoekers vermoedden een datering in de IJzertijd. Gezien de spoordichtheid en de aard van de sporen werden één of meerdere structuren van hoofd- en bijgebouwen verwacht. De vindplaats werd als behoudenswaardig gewaardeerd waarna de bevoegde overheid stelde dat deze nader onderzocht diende te worden. Voorafgaand aan huidig onderzoek is het onderzoeksgebied nog uitgebreid: ten zuiden van het onderzoeksgebied ligt een zone die eveneens ontwikkeld zal worden. Hier heeft echter nooit archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Naast een archeologische opgraving is tevens een kleinschalig booronderzoek uitgevoerd. In totaal zijn 14 boringen gezet. Het onderzochte terrein is voor het grootste deel verstoord. Op basis van de resultaten en de mate van verstoring in de boringen is besloten de opgraving niet uit te breiden naar het zuiden. Tijdens het archeologische onderzoek te Klein Bedaf zijn op een oppervlakte van minder dan 3.000 m² 1.120 grondsporen geregistreerd, wat aanzienlijk is. Er zijn bijna geen sporen van recente aard of recente bodemverstoringen aangetroffen, wat wijst op de goede conservering van de vindplaats. Uit deze sporen konden 20 structuren gereconstrueerd worden: 10 hoofdgebouwen (huisplattegronden en grote bijgebouwen) en 10 kleinere gebouwstructuren (1 hutkom, 1 bijgebouw en 8 spiekers). Naast deze structuren zijn nog tal van stakenrijen herkend. Bij meerdere stakenrijen is er sprake van een zekere samenhang. Gezien hun ligging ten opzichte van de gebouwplattegronden en onderlinge verhoudingen worden de stakenrijen van Klein Bedaf geïnterpreteerd als veedriften. De verschillende stakenrijen lijken naar de gebouwplattegronden toe te lopen. De auteur vermoedt dat deze stakenrijen dienden om het vee tot in de stal van de boerderij te loodsen. De gebouwplattegronden worden op typologische basis in de Midden-Bronstijd gedateerd. Het aardewerk uit de verschillende structuren wordt in de periode 1600-1300 v. Chr. gedateerd. De dateringen van het aardewerk sluiten aan bij de 14C-dateringen. De structuren 2, 6, 9, 10 en 11 werden gedateerd en leverden een datering op tussen 1501 en 1117 v. Chr. De 14C-dateringen overlappen elkaar in die mate dat de structuren theoretisch gezien tegelijkertijd kunnen hebben bestaan. Verschillende structuren echter overlappen elkaar. Er zijn dus meerdere bewoningsfases geweest. Hoe de bewoning elkaar opvolgt en hoe de spreiding is in de tijd is met de kennis die voorhanden is niet met zekerheid te zeggen

    Wild olive seed weevil, Anchonocranus oleae Marshall (Coleoptera: Curculionidae), in cultivated olives in South Africa

    No full text
    Wild olive seed weevil, Anchonocranus oleae Marshall, larvae as well as oviposition and feeding damage were recorded in cultivated olives during a recent study on olive seed wasps in South Africa. Prematurely dropped fruit and fruit picked at harvest in two orchards near Stellenbosch and Agter- Paarl were examined regularly for olive seed wasp infestation over three seasons. In addition, olives were collected over a wider area of the olive growing regions of the Western Cape province for a survey to determine olive seed wasp distribution. DNA barcoding confirmed the identity of weevil larvae in kernels as A. oleae. The number of A. oleae larvae found in olive seeds and the number of olives with weevil oviposition or feeding damage were low. The presence of larvae and weevil damage in two orchards in the survey with no wild olive trees in close proximity suggest that the weevil could breed and persist in cultivated olive orchards. Currently A. oleae is not of economic concern, but if infested olives are discarded at harvest and left in orchards, the weevils could complete their development in the kernels and numbers could increase to damaging levels

    Eupelmus spermophilus Silvestri (Hymenoptera: Chalcidoidea), an Indigenous Olive Seed Wasp Potentially Harmful to Olive Growing in the Western Cape, South Africa

    No full text
    The objectives of this study were the specific taxonomic confirmation of the main olive seed wasp (OSW) attacking commercial olives in the Western Cape, to investigate monitoring methods and seasonal occurrence of OSW, to determine the potential economic damage of infestations, and to ascertain the geographic distribution of OSW in the regions where olives are cultivated in the Western Cape. Morphological and molecular methods were used to identify all the species obtained from cultivated olives at two trial sites near Stellenbosch and Agter-Paarl. Eupelmus spermophilus Silvestri (Hymenoptera: Chalcidoidea) was by far the most frequent and widespread olive seed wasp. Monitoring with yellow sticky traps over three seasons indicated OSW presence in orchards when olives were small enough for OSW to oviposit in, but traps were not reliable indicators of OSW infestation levels. Prematurely dropped olives, collected from February until harvest over three seasons, and olives picked at harvest were examined for OSW infestation. Total yield for each data tree was recorded at harvest, and yield loss due to OSW infestation calculated. Economically significant yield losses occurred sporadically. Fruits collected from both cultivated and wild olive trees indicated that OSW occurs in most olive-growing regions of the Western Cape. OSW does not pose a significant threat to the local olive industry as a whole and cannot be considered a key pest of olives, but during some seasons it can affect production yields where wild olive trees are located near commercial olive groves

    Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven aan het Melkpad 6-10

    No full text
    ADC ArcheoProjecten heeft een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van een nieuwe woonwijk aan het Melkpad in de gemeente Hilversum. Het onderzoeksgebied heeft een oppervlakte van ca. 4.350 m² en was vóór de sloop in gebruik als bedrijventerrein. Het gebied ligt ingeklemd tussen de hedendaagse bebouwing en wordt begrensd door het Melkpad in het zuiden. De verwachtingen die op grond van het vooronderzoek zijn gesteld, kunnen op basis van het huidige onderzoek worden aangepast. De verwachting op bewoningssporen uit de 19e eeuw klopt hoewel deze sporen grotendeels verstoord waren. Het proefsleuvenonderzoek aan het Melkpad 6- 10 te Hilversum heeft twee sporen van, waarschijnlijk 19e-eeuwse bebouwing, opgeleverd. Deze sporen liggen op de locatie waarop op de Bonnekaart uit de late 19e eeuw reeds bebouwing aangegeven staat. De aangetroffen sporen bestaan uit de onderkant van een muur en een waterput. Deze muur is vier stenen breed en mortelresten op de stenen impliceren dat de muur hoger gemetseld is geweest. De waterput heeft een diameter van 85 cm en is gemaakt van gestapelde gehalveerde bakstenen. De exacte aard en functie van de bebouwing kan op basis van de archeologische resten niet bepaald worden. De proefsleuven op de rest van het terrein hebben geen archeologische resten opgeleverd. De natuurlijke bodem was grotendeels intact binnen het plangebied, alleen onder de gesloopte autogarage en benzinepomp was deze tot op diepte verstoord, deels tot in het archeologische vlak. De bodemopbouw bestaat uit een podzolbodem met een verstoorde bovenkant. De bovenste horizonten waren reeds in de bouwvoor opgenomen alleen B-horizont, de overgang van de B- naar de C-horizont en de C-horizont waren intact

    Onderzoek naar een gracht

    No full text
    In de lente van 2014 heeft ADC ArcheoProjecten een Archeologische Opgraving uitgevoerd voor het plangebied Mozartstraat - Van Beethovenstraat, gemeente Kerkrade. Tijdens het proefsleuvenonderzoek kwam hier een gracht aan het licht, een onverwachte vondst. Aangezien het een behoudenswaardige vindplaats betrof, en de resten niet in situ konden bewaard blijven, werd door de bevoegde overheid geadviseerd de resten ex situ veilig te stellen door middel van een opgraving. Tijdens het archeologisch onderzoek zijn drie werkputten aangelegd en onderzocht. De gracht is in alle drie de werkputten aangesneden, in het tweede vlak. Ze is noordwest-zuidoost georiënteerd en kan gevolgd worden over een afstand van 58 meter. De gracht is ruim 1 tot 1,5 meter diep onder vlak 1 bewaard gebleven, tot een diepte van ca. 152,45 m +NAP. Het vondstmateriaal dat in de gracht is aangetroffen, dateert in de 15e-16e eeuw. Het is duidelijk dat de gracht (ten minste) periodiek onder water heeft gestaan en ze op een betrekkelijk korte termijn is opgevuld geraakt. De grootte en vorm van de gracht (ca. 4 m breed en met V-vormige insnijding) doen vermoeden dat de gracht een defensieve functie had. Vermoedelijk verloor de gracht in de 16e eeuw of kort erna haar nut of kreeg de locatie in die tijd een andere functie en vond een herinrichting van het terrein plaats. Misschien was de nood aan ontwikkeling of voedselvoorziening hoog en is om die reden de gracht gedempt en werden de gronden in gebruik genomen als boomgaard, weiden en akkers. Meer onderzoek is echter nodig om tot een juiste interpretatie van deze structuur te komen. Vermeldenswaardig is nog het aantreffen van twaalf fragmenten Romeins bouwmateriaal in de gracht. Het bouwmateriaal is vermoedelijk afkomstig van een nabijgelegen villaterrein. Mogelijk zat het bouwmateriaal in de grond waarmee de gracht is gedempt. Een andere mogelijkheid is dat het Romeinse bouwmateriaal is hergebruikt voor een later gebouw en tijdens de bouw of sloop in de gracht is terecht gekomen

    Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van Proefsleuven met een doorstart naar een Definitieve Opgraving

    No full text
    In de periode juli en augustus 2012 heeft ADC ArcheoProjecten een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd op twee locaties binnen Apeldoorn. Beide locaties worden door de herstructurering van de wijk Nieuwe Orden ontwikkeld. Door deze ontwikkelingen wordt het aanwezige archeologische bodemarchief bedreigd dan wel vernietigd. Het proefsleuvenonderzoek op de eerste locatie, Caretexterrein, heeft een Middeleeuwse erf opgeleverd. Hier is dan ook direct een doorstart geweest naar een opgraving. Middels deze opgraving is het erf nader onderzocht. Aangetroffen zijn een huisplattegrond van het type Gasselte B, een aanbouw, een mogelijke drenkkuil en een tweetal greppels. Het vondstmateriaal dateert de huisplattegrond in de 11e en vroege 12e eeuw. Verder geeft het inzicht in de klederdracht, het strijkglas is een indicatie dat men linnen kledingstukken gedragen heeft, en het landgebruik, de resten van haver geven aan dat het mogelijk verbouwd is als veevoer, of voor de bereiding van pap of bier gebruikt is. Een precieze erfindeling kon niet gemaakt worden aangezien het niet duidelijk is of alle sporen gelijktijdig te dateren zijn. Eveneens ontbreekt het inzicht in de rest van de nederzetting. Uit de omgeving van deze locatie zijn meerdere nederzettingen uit dezelfde periode bekend. Of enkele mogelijk tot hetzelfde nederzettingsterrein behoord hebben is niet uitgesloten maar nog niet vastgesteld. Wat de huisplattegrond betreft is deze van een vergelijkbaar type als de elders aangetroffen plattegronden opvallend zijn echter de aanbouw en de vondst van het strijkglas, die worden niet in grote hoeveelheden aangetroffen op nederzettingen. De locatie Hobbemalaan heeft naast een subrecente kuil en waterput geen archeologische resten opgeleverd. Naar aanleiding van dit proefsleuvenonderzoek is geen vervolgonderzoek geadviseerd

    Periodized versus classic exercise therapy in Multiple Sclerosis: a randomized controlled trial

    No full text
    Background: Periodizing exercise interventions in Multiple Sclerosis (MS) shows good high intensity exercise training adherence. Whether this approach induces comparable training adaptations with respect to exercise capacity, body composition and muscle strength compared to conventional, linear progressive training programs however is not known. Methods: Thirty-one persons with MS (all phenotypes, mean EDSS 2.3?1.3) were randomized into a twelve-week periodized (MSPER, n=17) or a classic endurance (MSCLA, n=14) training program. At baseline (PRE), exercise capacity (maximal exercise test, VO2max), body composition (DEXA) and muscle strength (Biodex?) were assessed. Classic, moderate intensity endurance training (60-80% HRmax, 5 training sessions/2w, 60min/session) was performed on a stationary bicycle. Periodized exercise included 4 recurrent 3-week cycles of alternated endurance training (week 1: endurance training as described above), high intense exercise (week 2: 3 sessions/w, 3 ? 20s all-out sprints, 10min/session) and recovery weeks (week 3: one sprint session as described above). POST measurements were performed similar to baseline. Total exercise volume of both programs was expressed as total peak-effort training minutes. Results: For MSCLA, total exercise volume included 1728 total peak-effort training minutes, whereas MSPER included only 736. Despite this substantially reduced training volume, twelve weeks of periodized training significantly (p<0.05) improved VO2max (+14%, p=0.001), workload (+20%) and time until exhaustion (+25%). Classic training significantly (p<0.05) improved workload (+10%) and time until exhaustion (+17%), but not VO2max (+5%, p=0.131). Pre-post improvements for VO2max were significantly higher in MSPER compared to MSCLA (p=0.046). Conclusion: These data show that despite substantially lower training time (57% less peak-effort training minutes), 12 weeks of periodized exercise training in persons with MS seems to induce larger improvements in parameters of exercise capacity compared to classic endurance training. We therefore recommend to further investigate the effect of training periodization on various functional rehabilitation measures in MS.Keytsman, C (corresponding author), Hasselt Univ, REVAL Rehabil Ctr, Biomed Res Inst BIOMED, Agoralaan Bldg A, B-3590 Diepenbeek, Belgium. [email protected]

    New mitochondrial gene rearrangement in Psyttalia concolor, P. humilis and P. lounsburyi (hymenoptera: Braconidae), three parasitoid species of economic interest

    No full text
    The family Braconidae consists mostly of specialized parasitoids, some of which hold potential in biocontrol of agricultural pests. Psyttalia concolor, Psyttalia humilis and Psyttalia lounsburyi are parasitoids associated with Bactrocera oleae, a major pest of cultivated olives. The native range of Psyttalia concolor is the Mediterranean, and P. humilis and P. lounsburyi are native to sub-Saharan Africa. This study reports the mitochondrial genomes of the three species, thus laying the foundation for mitogenomic analyses in the genus Psyttalia. Comparative mitogenomics within Braconidae showed a novel gene arrangement in Psyttalia in involving translocation and inversion of transfer RNA genes. The placement of Psyttalia in the subfamily Opiinae was well-supported, and the divergence between Psyttalia and its closest relative (Diachasmimorpha longicaudata) was at ~55 MYA [95% highest posterior density (HPD): 34–83 MYA]. Psyttalia lounsburyi occupied the most basal position among the three Psyttalia, having diverged from the other two species ~11 MYA (95% HPD: 6–17 MYA). Psyttalia concolor and P. humilis were recovered as sister species diverged at ~2 MYA (95% HPD: 1.1–3.6 MYA). This phylogeny combining new sequences and a set of 31 other cyclostomes and non-cyclostomes highlights the importance of a comprehensive taxonomic coverage of Braconidae mitogenomes to overcome the lack of robustness in the placement of several subfamilies

    DNA-Based Identification of Larvae Offers Insights into the Elusive Lifestyles of Native Olive Seed Wasps in South Africa

    No full text
    Wild and cultivated olives in the Western Cape of South Africa are direct or indirect hosts to a high diversity of Braconidae and Chalcidoidea wasps. Olive-associated Braconidae are known to parasitise the larvae of Bactrocera oleae (Rossi), and probably also Bactrocera biguttula (Bezzi). The lifestyle of olive-associated Chalcidoidea is not fully understood, and may include phytophagous, parasitoid and hyperparasitoid species. Some chalcids could represent olive seed wasps (OSW), a generic term that designates the seed feeders responsible for losses in commercial olive production. In order to obtain direct DNA-based evidence for the lifestyle of four putative OSW-Eupelmus spermophilus Silvestri, Eurytoma oleae Silvestri, Eurytoma varicolor Silvestri, Sycophila aethiopica (Silvestri); and the parasitoid Neochrysocharis formosus (Westwood)-we developed a multiplex PCR assay comprising species-specific primers for each species. The assay was used to survey larvae collected from the seeds of wild and cultivated olives. Eupelmus spermophilus was the most abundant species in wild and cultivated olives, and may represent a threat to the local olive industry. Eurytoma oleae was found only within the seeds of wild olives, and may also represent an OSW. We found direct evidence supporting the potential agricultural relevance of S. aethiopica and E. varicolor as parasitoids of E. spermophilus. These results may inform strategies for the management and control of OSW in the Western Cape
    corecore